08-03-14

Hafid Bouazza, Jeffrey Eugenides, Walter Jens, A. Marja, John McPhee, Mouloud Feraoun

 

De Marokkaans-Nederlandse schrijver Hafid Bouazza werd geboren op 8 maart 1970 in Oujda, Marokko. Zie ook alle tags voor Hafid Bouazza op dit blog.

Uit: De voeten van Abdullah

‘Als de Sleep van een Bruid volgden wij Kinderen de Vrouwenmenigte, die door mijn Moeder met Abdullah in haar Handen werd geleid richting Moskee: ik kan de bedwelmende grootsheid van dat moment niet beter uitdrukken dan met een Teutoons gebruik van hoofdletters.’
(…)

“Op de grond, voor de deurdrempel, stond Abdullah: twee voeten, fraai boven de enkels geamputeerd, die uitliepen in wat op salamischijfjes leek. De enkels waren bestoft en de nagels zwart van een lange tocht. De afdruk van sandalen, die waarschijnlijk onderweg waren versleten en afgedankt, was zichtbaar. De paarse aders waren opgezwollen. Onmiskenbaar: het was mijn broer Abdullah.”
(…)

“In de moskee waren de sjeiks bijeengekomen om een vondst van de dorpskinderen te bezichtigen. Het was Abdullahs linkervoet die mij tot wapen had gediend. Ernstig fronsend overlegden ze of de voet al begraven moest worden of dat men moest wachten tot de andere gevonden werd. Omdat het de linkervoet was, besloot men eerst de rechter te zoeken.
Het waren de kinderen die op zoek gingen naar Abdullahs rechtervoet. Wij zagen hen in grote groepen door het dorp rennen, over de heuvel, van olijfboom naar olijfboom, tot grote ergernis van Khadroen. Hun moeite werd echter niet beloond.
Thuis wasten wenende Fatima's de linkervoet met tedere handen, het water tappelde tussen hun vingers, en droogden hem met hun lange haren, dat in de magie van de namiddagzon eksterlijk glom.”

 

 
Hafid Bouazza (Oujda, 8 maart 1970)


 

De Amerikaanse schrijver Jeffrey Eugenides werd geboren op 8 maart 1960 in Detroit. Zie ook alle tags voor Jeffrey Eugenides op dit blog.

Uit: The Marriage Plot

“These were the books in the room where Madeleine lay, with a pillow over her head, on the morning of her college graduation. She’d read each and every one, often multiple times, frequently underlining passages, but that was no help to her now. Madeleine was trying to ignore the room and everything in it. She was hoping to drift back down into the oblivion where she’d been safely couched for the last three hours. Any higher level of wakefulness would force her to come to grips with certain disagreeable facts: for instance, the amount and variety of the alcohol she’d imbibed last night, and the fact that she’d gone to sleep with her contacts in. Thinking about such specifics would, in turn, call to mind the reasons she’d drunk so much in the first place, which she definitely didn’t want to do. And so Madeleine adjusted her pillow, blocking out the early morning light, and tried to fall back to sleep.
But it was useless. Because right then, at the other end of her apartment, the doorbell began to ring.
Early June, Providence, Rhode Island, the sun up for almost two hours already, lighting up the pale bay and the smokestacks of the Narragansett Electric factory, rising like the sun on the Brown University seal emblazoned on all the pennants and banners draped up over campus, a sun with a sagacious face, representing knowledge. But this sun—the one over Providence— was doing the metaphorical sun one better, because the founders of the university, in their Baptist pessimism, had chosen to depict the light of knowledge enshrouded by clouds, indicating that ignorance had not yet been dispelled from the human realm, whereas the actual sun was just now fighting its way through cloud cover, sending down splintered beams of light and giving hope to the squadrons of parents, who’d been soaked and frozen all weekend, that the unseasonable weather might not ruin the day’s festivities.”

 

 
Jeffrey Eugenides (Detroit, 8 maart 1960)

 

 

De Duitse schrijver, classicus, literair historicus, criticus en vertaler Walter Jens werd geboren op 8 maart 1923 in Hamburg.Zie ook alle tags voor Walter Jens op dit blog.

Uit: Frau Thomas Mann

“Verschlossen bisher in Archiven, treten in dieser Dokumentation Zeugnisse ans Licht, die Katias Leben aus ihrer eigenen Perspektive erhellen. Briefe zunächst an ihre beiden «Großen», Erika und Klaus, Briefe an ihre Princetoner Freundin, Molly Shenstone, Briefe an den Zwillingsbruder Klaus, «Kaleschlein» genannt, den Ehestifter und Vertrauten der späten Jahre, Briefe an Freunde in aller Welt, Briefe schließlich – leider nur wenige – auch an Thomas Mann. Dazu Briefe von ihrer Mutter, Hedwig Pringsheim, aus den Glanzzeiten des Salons in der Münchener Arcisstraße, aus den Jahren der Verfolgung und der im letzten Augenblick gelungenen Emigration in die Schweiz.
Die Mutter, der Bruder, die Freundin: Katia Mann hat in ihrem Leben immer Frauen in gleicher Weise wie Männer geschätzt – einfühlsame Männer natürlich, die nicht selbstherrlich «the way of men» gingen, sondern Grenzgänger wie Ehemann und Zwilling waren. Leidenschaftliche Zuneigung freilich spiegelt ihre Korrespondenz nur einmal – in den Briefen an die Intima (ein Ausdruck der Mutter) Molly Shenstone.

 
Katia en Thomas Mann in Colorado

 

Emphatisch als Freundin, vernünftig als Tochter, einträchtig im Bund mit dem Zwilling und kritisch-hingebungsvoll gegenüber dem Ehemann, zeigt Katia Mann viele Gesichter. Die Briefe charakterisieren sie, nicht zuletzt dank der von ihr oft zitierten Trias Familienmutter, Wirtschaftshaupt und Epistolographin, als eine Frau, die ebenso spontan wie nüchtern war. In ihrer Welt galt Freundlichkeit viel, Gäste waren willkommen – ‹da ich doch so familiant bin› –, aber der Betrieb musste auch schwarze Zahlen schreiben.
Eine interessante Frau also – und ein interessantes Leben, mühevoll, den «Dingen allzusehr verhaftet», wie sie in ihren Briefen ständig klagt, aber auch privilegiert, materiell unabhängig, dazu ausgezeichnet durch den Umgang mit den Großen ihrer Zeit.
Die Briefe sind, auch das will gesagt sein, in gut lesbarer Schrift formuliert, manu propria, wie die Lateinerin Katharina Pringsheim sagte, im Alter gelegentlich getippt – eigenwillig bisweilen, nur in Kleinbuchstaben zum Beispiel, wenn eine Hand verstaucht war (Frau Thomas Mann, ungeduldig und stets in Eile, stürzte häufig). Es sind Briefe in vielerlei Stilen, immer adressatenbezogen, selbstironisch und voll Mutterwitz.“

 

 
Walter Jens (8 maart 1923 - 9 juni 2013)

 

 

De Nederlandse dichter en schrijver A. Marja (pseudoniem van Arend Theodoor Mooij) werd geboren in Oude Leije op 8 maart 1917. Zie ook alle tags voor A. Marja op dit blog.

 

Groningen

Stad, langs uw blinkend water liep ik voort,
ik zag uw markten in het morgenlicht,
ik heb van u gedronken en gedicht
en 't stromen in uw aderen gehoord.

De toren met het trillend vergezicht,
een schrale trambel, die de morgen stoort,-
ik daal en wandel langs het water voort
het ruime land in, dat rondom u ligt.

En zijn die u bewonen nors en klein,
geroest, gekerkerd in de stugge schijn:
wat vreemd en anders is dan wij, deugt niet ...

Ik, die u heb geproefd op straat en plein,
moet duizelen en soms zelfs dronken zijn
van al uw zon en wind en wijd verschiet.

 


Traject

Daar zijn de dagelijkse namen weer
van de stations op vastgestelde tijden,
men leest ze en voelt dan vaag het oude zeer
dat men zich uit die sleur eens wou bevrijden.

Men kan als willekeurig reizend heer
aan krant en sigaret zijn aandacht wijden
en zich verblijden dat men meer en meer
in 't rechte spoor en op de rails blijft rijden.

Men denkt gezapig op die regelmaat
hoe alles aanvangt en wel overgaat:
het jonge vuur, het leven en het lijden.

Hoe irreëel zijn liefde, lust en haat
wanneer men deinend het traject verlaat
en naar de laatste halte zich voelt glijden.

 

 
A.Marja (8 maart 1917 – 10 januari 1964)
Portret door E. Musch, 1938


 

De Amerikaanse schrijver John Angus McPhee werd geboren op 8 maart 1931 in Princeton. Zie ook alle tags voor John McPhee op dit blog.

Uit: Coming into the Country

“The first few days I spent in Alaska were spent in Anchorage,and I remember the increasing sense of entrapment we felt (my wife was with me), knowing that nothing less than a sixth of the entire United States, and almost all of it wilderness, was out there beyond seeing, while immediate needs and chores to do were keeping us penned in this portable Passaic. Finally, we couldn't take it any longer, and we cancelled appointments and rented a car and revved it up for an attempted breakout from town. A float plane--at a hundred and ten dollars an hour--would have been the best means, but, like most of the inmates of Anchorage, we could not afford it. For a great many residents, Anchorage is about all they ever see of Alaska, day after day after year. There are only two escape routes--a road north, a road south--and these are encumbered with traffic and, for some miles anyway, lined with detritus from Anchorage. We went south, that first time, and eventually east, along a fjord that would improve Norway. Then the road turned south again, into the mountains of Kenai--great tundra balds that reminded me of Scotland and my wife of parts of Switzerland, where she had lived. She added that she thought these mountains looked better than the ones in Europe. Sockeyes, as red as cardinals, were spawning in clear, shallow streams, and we ate our cheese and chocolate in a high meadow over a torrential river of green and white water. We looked up to the ridges for Dall sheep, and felt, for the moment, about as free. Anchorage shrank into perspective. It might be a sorry town, but it has the greatest out-of-town any town has ever had.”

 

 
John McPhee (Princeton, 8 maart 1931)

 

 

De Algerijnse schrijver Mouloud Feraoun werd geboren op 8 maart 1913 in het bergdorp Tizi Hibel, Kabylie. Zie ook alle tags voor Mouloud Feraoun op dit blog.

Uit: Mon village

“Je ne suis pas de ceux qui détestent leur village. J’ai pourtant bien des raisons de ne pas en être trop fier. Il sait que j’ai voyagé et vécu longtemps ailleurs, mais il s’est habitué à mes retours. Alors à force de toujours me perdre et de sans cesse me retrouver, il ne fait plus attention à moi. Il ne me craint pas, pour tout dire. Il me réserve chaque fois un accueil très simple avec son visage de tous les jours, exactement comme il reçoit ceux de ses enfants qui l’ont quitté le matin et qui, le soir, rentrent des champs. Cette marque de confiance est touchante, je l’apprécie beaucoup.
Ceux qui y reviennent et en disent du mal, le font un peut par dépit. Ils lui en veulent d’être si laid, et, sans doute, les comprend-il puisqu’à leurs yeux il se fait plus laid lorsqu’ils reviennent de loin, après une longue absence, la tête encore toute farcie de belles images. Dans le fond, ils l’aiment bien, quoi qu’ils disent. Ils finissent toujours par le voir tel qu’il est et par lui trouver des charmes, mais, à partir de ce moment, ils s’identifient à lui. Ce ne sont plus des nouveaux. D’autres les trouvent laids qui, à leur tour, ne tarderont pas à ressembler à tout le monde. Spectateur immuable du va-et-vient continuel de ses enfants qui émigrent, notre village nargue les prétentions impatientes et fatigue les longues espérances il reste égal à lui-même. S’il accueille sévèrement les nouveaux débarqués, c’est qu’ils apportent avec eux l’air malsain de la ville.”

 

 
Mouloud Feraoun (8 maart 1913 – 15 maart 1962)

 

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 8e maart ook mijn eerste blog van vandaag.

De commentaren zijn gesloten.