31-03-13

Am Ostersonntage (Annette von Droste-Hülshoff)

 

Aan alle bezoekers en mede-bloggers een Vrolijk Pasen!

 


Verrijzenis door Raffaelino del Garbo, 1510

 

 

 

Am Ostersonntage

 

O, jauchze, Welt, du hast ihn wieder,

Sein Himmel hielt ihn nicht zurück!

O jauchzet! jauchzet! singet Lieder!

Was dunkelst du, mein sel'ger Blick?

 

Es ist zu viel, man kann nur weinen,

Die Freude steht wie Kummer da;

Wer kann so großer Lust sich einen,

Der all so große Trauer sah!

 

Unendlich Heil hab' ich erfahren

Durch ein Geheimnis voller Schmerz,

Wie es kein Menschensinn bewahren,

Empfinden kann kein Menschenherz.

 

Vom Grabe ist mein Herr erstanden,

Und grüßet alle die da sein,

Und wir sind frei von Tod und Banden,

Und von der Sünde Moder rein.

 

Den eignen Leib hat er zerrissen,

Zu waschen uns mit seinem Blut,

Wer kann um dies Geheimnis wissen,

Und schmelzen nicht in Liebesglut!

 

Ich soll mich freun an diesem Tage

Mit deiner ganzen Christenheit,

Und ist mir doch, als ob ich wage,

Da Unnennbares mich erfreut.

 

Mit Todesqualen hat gerungen

Die Seligkeit von Ewigkeit,

Gleich Sündern hat das Graun bezwungen

Die ewige Vollkommenheit.

 

Mein Gott, was konnte dich bewegen

Zu dieser grenzenlosen Huld!

Ich darf nicht die Gedanken regen

Auf unsre unermessne Schuld.

 

Ach, sind denn aller Menschen Seelen

Wohl sonst ein überköstlich Gut,

Sind sie es wert, dass Gott sich quälen,

Ersterben muss in Angst und Glut!

 

Und sind nicht aller Menschen Seelen

Vor ihm nur eines Mundes Hauch?

Und ganz befleckt von Schmach und Fehlen,

Wie ein getrübter dunkler Rauch?

 

Mein Geist, o wolle nicht ergründen,

Was einmal unergründlich ist;

Der Stein des Falles harrt des Blinden,

Wenn er die Wege Gottes misst.

 

Mein Jesus hat sie wert befunden

In Liebe und Gerechtigkeit;

Was will ich ferner noch erkunden?

Sein Wille bleibt in Ewigkeit!

 

So darf ich glauben und vertrauen

Auf meiner Seele Herrlichkeit!

So darf ich auf zum Himmel schauen,

In meines Gottes Ähnlichkeit!

 

Ich soll mich freun an diesem Tage:

Ich freue mich, mein Jesu Christ,

Und wenn im Aug' ich Tränen trage,

Du weißt doch, daß es Freude ist!

 

 

 

Annette von Droste-Hülshoff (10 januari 1797 – 24 mei 1848)

Tuinkamer in het Rüschhaus nabij Drostes geboortehuis Burg Hülshoff


 

Zie voor de dichters van de 31e maart ook mijn vorige drie blogs van vandaag.

Marga Minco, Octavio Paz, Nichita Stănescu, Enrique Vila-Matas, Hartmut Lange

 

De Nederlandse schrijfster en journaliste Marga Minco, pseudoniem van Sara Minco, werd geboren in Ginneken op 31 maart 1920. Zie ook alle tags voor Marga Minco op dit blog.

 

Uit: ‘Het Bittere Onkruid’

 

“De sterren

Van het raam van mijn kamer uit zag ik in de verte mijn vader aankomen. Sinds enige weken was ik uit het ziekenhuis. Wel moest ik nog een paar uur per dag rusten, maar ik was geheel hersteld.

Meer dan deze straat kende ik van Amersfoort nog niet. Het was een stille buitenwijk met nieuwe, twee aan twee gebouwde huizen, omringd door tuinen.

Mijn vader liep met korte, stevige passen en nam met een zwierig gebaar zijn hoed af voor een vrouw, die in haar voortuin bloemen stond te plukken. Zij scheen iets tegen hem te zeggen, want hij hield even zijn pas in. Toen hij vlak bij het huis was, zag ik dat hij een pakje in zijn hand hield. Een bruin pakje. Ik ging naar beneden, stak mijn hoofd om de huiskamerdeur en kondigde aan:

‘Daar komt vader met een pakje.’

‘Wat zit er in?’ vroeg ik bij de voordeur.

‘Waarin?’ vroeg mijn vader, die rustig jas en hoed ophing. Hij had het pakje op de kapstok gelegd.

‘Nou,’ zei ik ongeduldig, ‘in dat pakje, dat je bij je hebt.’

‘Je zult het wel zien,’ zei hij. ‘Kom maar.’

Ik volgde hem naar binnen. Daar legde hij het op tafel, terwijl iedereen er nieuwsgierig naar keek. Er zat een touwtje omheen, waarvan hij eerst geduldig de knopen lospeuterde. Daarna vouwde hij het papier open. Het waren de sterren.

‘Ik heb er voor allemaal wat meegebracht,’ zei hij, ‘dan kunnen jullie ze op al je jassen naaien.’ Mijn moeder nam er een uit het pakje en bekeek die aandachtig. ‘Ik zal eens zien of ik gele zij in huis heb,’ zei ze.

‘'t Is oranje,’ zei ik, ‘je moet er oranje garen voor gebruiken.’

‘Het lijkt mij beter,’ zei Lotte, de vrouw van mijn broer, ‘om garen in de kleur van je mantel te nemen.’

 

 

 

Marga Minco (Ginneken, 31 maart 1920)

Cover

 

Lees meer...

Marge Piercy, Angela Kreuz, Peter Motte, Judith Rossner, Rob Boudestein

 

De Amerikaanse schrijfster en feministe Marge Piercy werd geboren op 31 maart 1936 in Detroit. Zie ook alle tags voor Marge Piercy op dit blog.

 

 

Implications of One Plus One

 

Sometimes we collide, tectonic plates merging,
continents shoving, crumpling down into the molten
veins of fire deep in the earth and raising
tons of rock into jagged crests of Sierra.

Sometimes your hands drift on me, milkweed's
airy silk, wingtip's feathery caresses,
our lips grazing, a drift of desires gathering
like fog over warm water, thickening to rain.

Sometimes we go to it heartily, digging,
burrowing, grunting, tossing up covers
like loose earth, nosing into the other's
flesh with hot nozzles and wallowing there.

Sometimes we are kids making out, silly
in the quilt, tickling the xylophone spine,
blowing wet jokes, loud as a whole
slumber party bouncing till the bed breaks.

I go round and round you sometimes, scouting,
blundering, seeking a way in, the high boxwood
maze I penetrate running lungs bursting
toward the fountain of green fire at the heart.

Sometimes you open wide as cathedral doors
and yank me inside. Sometimes you slither
into me like a snake into its burrow.
Sometimes you march in with a brass band.

Ten years of fitting our bodies together
and still they sing wild songs in new keys.
It is more and less than love: timing,
chemistry, magic and will and luck.

One plus one equal one, unknowable except
in the moment, not convertible into words,
not explicable or philosophically interesting.
But it is. And it is. And it is. Amen.





Marge Piercy (Detroit, 31 maart 1936)

Lees meer...

Andrew Marvell, John Fowles, Edward FitzGerald, Andrew Lang, Robert Brasillach

 

De Engelse dichter Andrew Marvell werd geboren in Winestead, Yorkshire op 31 maart 1621 in Londen. Zie ook alle tags voor Andrew Marvell op dit blog.

 

 

The Character Of Holland (Fragment)

 

Yet still his claim the Injur'd Ocean laid,
And oft at Leap-frog ore their Steeples plaid:
As if on purpose it on Land had come
To shew them what's their Mare Liberum.
A daily deluge over them does boyl;
The Earth and Water play at Level-coyl;
The Fish oft-times the Burger dispossest,
And sat not as a Meat but as a Guest;
And oft the Tritons and the Sea-Nymphs saw
Whole sholes of Dutch serv'd up for Cabillan;
Or as they over the new Level rang'd
For pickled Herring, pickled Heeren chang'd.
Nature, it seem'd, asham'd of her mistake,
Would throw their land away at Duck and Drake.
Therefore Necessity, that first made Kings,
Something like Government among them brings.
For as with Pygmees who best kills the Crane,
Among the hungry he that treasures Grain,
Among the blind the one-ey'd blinkard reigns,
So rules among the drowned he that draines.
Not who first see the rising Sun commands,
But who could first discern the rising Lands.
Who best could know to pump an Earth so leak
Him they their Lord and Country's Father speak.
To make a Bank was a great Plot of State;

Invent a Shov'l and be a Magistrate.
Hence some small Dyke-grave unperceiv'd invades
The Pow'r, and grows as 'twere a King of Spades.
But for less envy some Joynt States endures,
Who look like a Commission of the Sewers.
For these Half-anders, half wet, and half dry,
Nor bear strict service, nor pure Liberty.

 

 

Andrew Marvell (31 maart 1621 - 16 augustus 1678)

Portret, toegeschreven aan Godfrey Kneller

Lees meer...

Martijn Teerlinck


De Vlaamse dichter en muzikant MartijnTeerlinck werd geboren op 31 maart 1987 in Lendelede. Teerlinck studeerde literatuurwetenschap en Italiaans aan de Universiteit van Amsterdam. Hij won in 2008 de poëzieprijs van het Amsterdams Studenten Festival. In 2010 behaalde hij een gedeelde eerste plaats bij het kampioenschap Poetry Slam. Teerlinck was één van de oprichters van het poëziecollectief Meer Licht. Hij publiceerde onder meer in de tijdschriften ‘Awater’, 'Deus Ex Machina', 'Met Andere Zinnen', 'Digther', 'Krakatau' en 'Op Ruwe Planken'. Ook verscheen zijn werk in de bloemlezingen ‘Met dat hoofd gebeurt nog eens wat’ (2010) en 'We zochten slechts een gat om van te varen' (2010).

schreeuw

ik schreeuw gedempt in de baard van de nacht:

houw jezelf toch uit dat lichaam van beton
laat die witte schubben van je ogen vallen
word een vogel die zijn naam roept

ook jij bent al te vaak een lege grot geweest
verlies geen deuren, word niet dichtgeknipt
maar scheur toch open uit dat bovenkleed
scheur toch open uit die onderhuid

vlecht je ingegroeide botten uit
sta op en loop
onthecht jezelf toch uit de moederwond
en wees vanaf vandaag geboorte

 


 
Martijn Teerlinck (Lendelede, 31 maart 1987)

12:00 Gepost door Romenu in Literatuur | Permalink | Commentaren (0) | Tags: martijn teerlinck, romenu |  Facebook |

Asis Aynan

 

De Nederlandse schrijver Asis Aynan werd geboren in Haarlem op 31 maart 1980. Na de opleidingen MBO en HBO bestuurskunde ging hij als zoon van een Marokkaanse gastarbeider filosofie studeren aan de Universiteit van Amsterdam. Hij verdiepte zich ook in islamitische filosofie, nadat hij het boek “Islamitische filosofie: Een geschiedenis” van filosoof Michiel Leezenberg ontdekt had. Daarnaast is hij docent aan het middelbaar beroepsonderwijs in Haarlem. Hij is redacteur bij het opinietijdschrift Contrast en was columnist voor het weekblad Multined. Hij schrijft momenteel voor de boekenpagina van NRC Handelsblad, wekelijks een column voor Het Parool en hij was ook regelmatig te horen bij de Nederlandse Islamitische Omroep. Zijn stukken verschenen verder onder meer in het literaire tijdschrift Passionate en worden voorgelezen op Radio 5. In zijn bundel “Veldslag en andere herinneringen” (2007), schrijft Aynan over zijn jeugd, of zoals hij het zelf noemt, zijn "katholieke-islamitische-berberachtergrond", de huidige Nederlandse samenleving en de ervaringen van een Berberjongen tussen twee dominante culturen. In 2010 verscheen Ik, Driss” samen met Hassan Bahara, onder het pseudoniem Driss Tafersiti.

Uit: Ik, Driss

“Op 29 april 1972 werd ik door mijn oudste broer, Moha, in Lille, Frankrijk, op de bus gezet naar Nederland. Ik was eenentwintig jaar. Ik had een klein reiskoffertje bij me. Daarin zaten al mijn bezittingen: twee witte overhemden, wat ondergoed en een van mijn twee pakken. Het andere had ik aan. Ik moest van Moha weg uit Frankrijk. Hij zei dat als ik langer in de mijnen zou werken mijn longen kapot zouden gaan. Net als die van hem. Moha zei dat het werk in Nederland schoner was. En hij zei ook dat Nederlanders aardiger zijn dan de Fransen. Die scholden ons vaak uit voor "vieze Arabieren". Twee jaar heb ik in Lille gewoond en niets van de stad gezien. Mijn dag zag er zo uit: huis-kolenmijn-huis. Het deed mij dan ook niets toen ik het verliet.
De bus kwam aan op het Amstelstation in Amsterdam. Toen ik uitstapte, zag ik dat Moha gelijk had; alles was schoner. Alsof er een groot tapijt over de hele stad was uitgerold. En de mensen die op het tapijt liepen, keken vriendelijk. Ik dacht: Driss kan zich hier thuis voelen.'”

 

 
Asis Aynan (Haarlem, 31 maart 1980)

11:53 Gepost door Romenu in Literatuur | Permalink | Commentaren (0) | Tags: asis aynan, romenu |  Facebook |

30-03-13

Am Karsamstage (Annette von Droste-Hülshoff)

 

Bij Stille Zaterdag



Pietà door Pietro Perugino, c. 1483-1493

 

Am Karsamstage

 

Tiefes, ödes Schweigen,

Die ganze Erd' wie tot!

Die Lerchen ohne Lieder steigen,

Die Sonne ohne Morgenrot.

Auf die Welt sich legt

Der Himmel matt und schwer,

Starr und unbewegt,

Wie ein gefrornes Meer.

O Herr, erhalt' uns!

 

Meereswogen brechen,

Sie toben sonder Schall;

Nur die Menschenkinder sprechen,

Doch schaurig schweigt der Widerhall.

Wie versteinet steht

Der Äther um uns her;

Dringt wohl kein Gebet

Durch ihn zum Himmel mehr.

O Herr, erhalt'uns!

 

Sünden sind geschehen,

Für jedes Wort zu groß,

Daß die Erde müßt' vergehen,

Trüg' sie nicht Jesu Leib im Schoß.

Noch im Tod voll Huld

Erhält sein Leib die Welt,

Daß in ihrer Schuld

Sie nicht zu Staub zerfällt.

O Herr, verschon' uns!

 

Jesus liegt im Grabe,

Im Grabe liegt mein Gott!

Was ich von Gedanken habe,

Ist doch dagegen nur ein Spott.

Kennt in Ewigkeit

Kein Jesus mehr die Welt?

Keiner der verzeiht,

Und keiner der erhält?

O Herr, errett' uns!

 

Ach, auf jene Frommen,

Die seines Heils geharrt,

Ist die Glorie gekommen

Mit seiner süßen Gegenwart.

Harrten seiner Huld:

Vergangenheit die Zeit,

Gegenwart Geduld,

Zukunft die Ewigkeit.

O Herr, erlös' uns!

 

Lange, lange Zeiten

In Glauben und Vertraun,

Durch die unbekannten Weiten

Nach unbekanntem Heil sie schaun.

Dachten sich so viel,

Viel Seligkeit und Pracht.

Ach, es war wie Spiel,

Von Kindern ausgedacht.

O Herr, befrei' uns!

 

Herr, ich kann nicht sprechen

Vor deinem Angesicht!

Laß die ganze Schöpfung brechen,

Diesen Tag erträgt sie nicht.

Ach, was naht so schwer,

Ist es die ew'ge Nacht,

Ist's ein Sonnenmeer,

In tausend Strahlen Pracht?

O Herr, erhalt' uns!

 

 

 

Annette von Droste-Hülshoff (10 januari 1797 – 24 mei 1848)

Het Rüschhaus nabij Drostes geboortehuis Burg Hülshoff, tuinkant

 

 

 

 

Zie voor de schrijvers van de 30e maart ook mijn vorige drie blogs van vandaag.

Gerrit Komrij, Uwe Timm, Paul Verlaine, Milton Acorn, Erika Mitterem

 

De Nederlandse dichter, schrijver, criticus, polemist en toneelschrijver Gerrit Komrij werd geboren op 30 maart 1944 in Winterswijk. Zie ook alle tags voor Gerrit Komrij op dit blog.

 

 

De eenhoorn

 

Wreed schrijdt de eenhoorn in zijn glazen huis
Op de flamingo af, die sneeuwwit rilt.
De vogel weet: er is hier iets niet pluis.
Dan steekt de eenhoorn toe. Er klinkt een gil.

Wel gaat door heel de koepel het gesuis
Van bloed dat lekt en ritselt uit de zij
Van de flamingo, die nu grauw als gruis
Is, sterft met zacht, ontwapenend geschrei.

De eenhoorn, die het bloed gedronken heeft,
Komt in verrukking overeind, verschiet
Van kleur, verkeert, terwijl hij schokt en beeft,
In een helblauwige hermafrodiet.

 

 

 

Harmonie

 

Je hebt een tuin. Daar loop je 's avonds in.
Nu ja, niet elke avond. Af en toe.
Vaak ben je voor dat groeien zonder zin,
En toch zo grondig, na de dag te moe.

Een bloem geeft alles. Maar zij is al dood.
Jij bent gespleten. Maar jou wacht het leven.
Zo ben je vaak in niets een lotgenoot.
Een wig lijkt tussen haar en jou gedreven.

Zij wil zich haasten. Jij moet blijven duren.
Jij waakt en fragmenteert. Zij bloeit en slaapt.
Soms strookt het. Op zo'n avond, dat je uren
Door een wijd open kelk wordt aangegaapt.

 

 

 

Solidariteit

 

Op zekere dag zag je een groenteboer,
Een wondermooie Maniak, hij was gewoon
Om alle vrouwen in zijn zaak een loer
Te draaien: hij verkocht ze groente, schoon
Van buiten, maar van binnen enkel schimmel.
O, niet alleen die vrouwen gaf hij dat
Maar ook de doetjes en de boerenpummels,
Kortom, aan wie hij maar een hekel had.

Je lachte. Hij bemerkte je plezier
En knipoogde. Hij zag een kameraad
In je, zoveel was zeker. Een kwartier
Daarna stond je met rotte lof op straat.

 

 

 

Gerrit Komrij (30 maart 1944 -5 juli 2012)

Lees meer...

Tom Sharpe, Gert Heidenreich, Theo Breuer, Jean Giono, Gabriela Zapolska

 

De Engelse schrijver Tom Sharpe werd geboren op 30 maart 1928 in Londen. Zie ook alle tags voor Tom Sharpe op dit blog.

 

Uit: Grantchester Grind

 

“While women had come to Porterhouse their numbers were negligible. And since the Senior Tutor was in charge of admissions as well as the Boat Club, those women who were admitted had certain characteristics that distinguished them from the girls in other colleges. Even the Chaplain, always a broad-minded man, had complained.

‘I know the world is a very different place these days and I try to keep up with the times’, he had said over the kidney ragout at dinner one night, ‘but I draw the line at young men wearing lipstick in public places. There is some man on my staircase who is distinctly odd. I found a tube of lipstick in the lavatory this morning and whatever aftershave lotion he uses is most disturbing’.

‘I don’t suppose there is any point in explaining’, said the Praelector, keeping his voice down. The Chaplain was deaf, but it was as well to take precautions.

‘Definitely not’, said the Dean. ‘if he ever found out their real sex, Heaven alone knows what he might get up to’.

‘I suppose we must be grateful he’s not interested in boys. A lot of the dons in other colleges are, I’m told’.

‘It’s amazing he can get up to anything at all at his age’, said the Senior Tutor a trifle mournfully. ‘Still, it was obviously a great mistake to put any women on his staircase’. They looked accusingly at the Bursar who was in charge of room allocations.”

 

 

Tom Sharpe (Londen, 30 maart 1928)

Lees meer...

Luise Hensel, Anna Sewell, Herbert Asmodi, Sean O'Casey, Christine Wolter

 

De Duitse dichteres Luise Hensel werd geboren op 30 maart 1798 in Linum nabij Fehrbellin (Brandenburg). Zie ook alle tags voor Luise Hensel op dit blog.

 

 

Beim Lesen der heiligen Schrift

Immer muß ich wieder lesen
In dem alten, heil'gen Buch,
Wie der Herr so sanft gewesen,
Ohne Arg und ohne Trug;

Wie er ließ die Kindlein kommen,
Wie er hold auf sie geblickt
Und sie in den Arm genommen,
Und an seine Brust gedrückt;

Wie er Hülfe und Erbarmen
Allen Kranken gern erwies,
Und die Blöden und die Armen
Seine lieben Brüder hieß;

Wie er keinem Sünder wehrte,
Der mit Reue zu ihm kam,
Wie er freundlich ihn belehrte,
Ihm den Tod vom Herzen nahm.

Immer muß ich wieder lesen,
Les' und weine mich nicht satt,
Wie der Herr so treu gewesen,
Wie er uns geliebet hat.

Hat die Herde mild geleitet,
Die sein Vater ihm verlieh'n;
Hat die Arme ausgebreitet,
Alle an sein Herz zu ziehn.

Laß mich knie'n zu deinen Füßen,
Herr, die Liebe bricht mein Herz;
Laß in Thränen mich zerfließen,
Untergehn in Wonn' und Schmerz.

 

 


Luise Hensel (30 maart 1798 – 18 december 1878)

Oude ansichtkaart van het Luise Hensel Haus in Wiedenbrück

Lees meer...

29-03-13

Golgatha (Christian Schubart)

 

Bij Goede Vrijdag

 

 

Die Kreuzigung Christi door Christian Wilhelm Ernst Dietrich, 1754

 

 

 

 

Golgatha

 

Seele hast du keine Flügel?

So fliege doch nach Golgatha

Wo auf einem Todeshügel

Den Sohn der Vater leiden sah.

 

Die Erde zittert,

Schaut und erschüttert

 

Den Tod, den großen Tod!

Der dem Mittler Gottes droht.

 

Geister stehen auf den Höhen,

Wie Todte bleich, wie Gräber stumm!

Und die wen’gen Edlen stehen

Ohnmächtig um den Pfahl herum;

 

Sie sehn und schauen

Den Tod voll Grauen;

 

Den Tod, den großen Tod!

Der dem besten Freunde droht.

 

Nacht und Dunkel hängt herunter,

Moria, wo ist deine Pracht?

Wo ist deines Tempels Wunder?

Deckt alles Tod und Mitternacht?

 

Die Berge zittern,

Die Felsen splittern;

 

O Tod, O großer Tod!

Der dem Sündentilger droht.

 

Aus der fürchterlichsten Wolke

Erhebt die Todesstimme sich

Vor dem zitterenden Volke:

»Mein Gott! warum verläßst du mich?«

 

Vom Höllengrimme

Zeugt diese Stimme;

 

O Tod! - o welch ein Tod!

Der dem größten Menschen droht.

 

Blutigrothe Strahlen zücken

Von eines Todesengels Schwert,

Geister hören, staunen, blicken!

Als sie das letzte Wort gehört:

 

»Nun ich empfehle

Dir meine Seele!

 

O Gott, es ist vollbracht!«

Und sein Haupt sinkt in die Nacht.

 

Tief an deinem Kreuze unten,

Gottmensch! Erlöser! lieg' ich hier.

Ich blick’ hinauf nach deinen Wunden,

Sie strömen Seligkeit auch mir.

Will Tod mich tödten,

So soll es reden

 

Dein Blut,Gottmensch, dein Blut!

Und ich trotze seiner Wuth.

 

O wie freudig kann ich sterben!

Ich fürchte nicht der Hölle Gluth;

Meine Kleider will ich färben

In des erwürgten Lammes Blut.

 

Auch ich empfehle

Dir meine Seele,

 

O Gott! wenn einst der Tod

Mir, wie meinem Mittler droht.

 

 

 

 

Christian Schubart (24 maart 1839 – 10 oktober 1791)

Obersontheim, geboorteplaats van Schubart, raadhuis

 

 

 

Zie voor de schrijvers van de 29e maart ook mijn vorige blog van vandaag.

13:55 Gepost door Romenu in Literatuur | Permalink | Commentaren (0) | Tags: christian schubart, goede vrijdag, romenu |  Facebook |

Geert van Istendael, Wim Brands, Eric Walz, Georg Klein, Ernst Jünger, Yvan Goll

 

De Vlaamse prozaschrijver, dichter en essayist Geert van Istendael werd geboren in Ukkel op 29 maart 1947. Zie ook alle tags voor Geert van Istendael op dit blog.

 

 

Mijn volkslied voor Nederland

 

Land van kroket en kaas
van bistroos, boerenkool
en sjuu met ossenhaas,
waar muren eten geven,
waar pils zo flets en klein is,
waar gastronomen sneven,
en Trijntje aan de wijn is.

O Vaderland!
O Nederland!
O nee, nee, nee, nee,
Nederland!
Nee.

Land waar het hele volk
de taal van Sjeekspier blaat,
thuis, in de trem, op straat:
Guts, man, with what for idea
come you now up the proppy,
We are so by the tide, niet,
kwestie van coppy coppy.

Refrein

Land van de massamens
die elke zomer vlucht
in blanke kèrrevèns
naar Franse autowegen,
de polder ver ontstegen.
Wie weet wat hem benarde?
Is Holland niet te harden?

Refrein

Auw land van klaain en chrauwt,
fan leife en fan dauwd,
fan sjpetter en fan sjtauwt.
Land waar een vis een fisj isj
(dus min of meer een fiets is)
Wat hep hun te furtelle?
Ik sjech: maaint joer auwn bisnisj.

Refrein

Land dat geen Alpen heeft
maar zuilen meer dan Rome,
niets kan je overkomen.
Jij land van zwarte kousen
en zestien miljoen pausen,
o welvaartsstaat van koeien
van dijken en van doeieie.

O Vaderland!
O Nederland!
O nee, nee, nee, nee,
Nederland!
Tja.

 

 

 

Geert van Istendael (Ukkel, 29 maart 1947)

 

Lees meer...

28-03-13

Am Gründonnerstage (Annette von Droste-Hülshoff)

 

Bij Witte Donderdag

 

Het Laatste Avondmaal door Jacopo Bassano, 1542

 

 

 

Am Gründonnerstage

 

O Wundernacht, ich grüße!
Herr Jesus wäscht die Füße.
Die Luft ganz stille stand;
Man hört den Atem hallen
Und wie die Tropfen fallen
Von seiner heil'gen Hand.

Da Jesus sich tut beugen,
Ins tiefe Meer sich neigen
Wohl Inseln diesem Gruß.
Ist er so tief gestiegen,
So muß ich ewig liegen
Vor meines Nächsten Fuß.

Herr, ob sich gleich betöret
Die Seele mein empöret
Vor aller Niedrigkeit,
Daß ich vielmehr mein Leben
In Qualen aufzugeben
Für deinen Ruhm bereit:

So gib, daß ich nicht klage,
Wenn du in meine Tage
Hast alle Schmach gebannt;
Laß brennen meine Wunden,
So du mich stark befunden
Zu solchem harten Stand!

O Gott, ich kann nicht bergen,
Wie angst mir von den Schergen,
Die du vielleicht gesandt
In Krankheit oder Grämen
Die Sinne mir zu nehmen,
Zu töten den Verstand!

Es ist mir oft zu Sinnen,
Als wolle schon beginnen
Dein schweres Strafgericht;
Als dämmre eine Wolke,
Doch unbewußt dem Volke,
Um meines Geistes Licht.

Doch wie die Schmerzen schwinden,
Die mein Gehirn entzünden,
So flieht der Nebelduft,
Und mit geheimem Glühen
Fühl' ich mich neu umziehen
Die frische starke Luft.

Mein Jesu, darf ich wählen,
Ich will mich lieber quälen
In aller Schmach und Leid,
Als daß mir so benommen,
Ob auch zu meinem Frommen,
Die Menschenherrlichkeit.

Doch ist er so vergiftet,
Daß es Vernichtung stiftet,
Wenn er mein Herz umfleußt:
So laß mich ihn verlieren,
Die Seele heimzuführen,
Den reichbegabten Geist.

Hast du es denn beschlossen,
Daß ich soll ausgegossen
Ein tot Gewässer stehn
Für dieses ganze Leben:
So will ich denn mit Beben
An deine Prüfung gehn.

 

 

 


Annette von Droste-Hülshoff (10 januari 1797 – 24 mei 1848)

Keuken in het Rüschhaus nabij Drostes geboortehuis Burg Hülshoff

 

 

Zie voor de schrijvers van de 28e maart ook mijn vorige blog van vandaag.

Mario Vargas Llosa, Walter van den Broeck, Nelson Algren, Chrétien Breukers

 

De Peruviaanse schrijver Mario Vargas Llosa werd geboren op 28 maart 1936 in Arequipa. Zie ook alle tags voor Mario Vargas Llosa op dit blog.

 

Uit:Die Welt des Juan Carlos Onetti (Vertaald door Angelica Ammar)

 

“Nackt oder,wenn die Unbilden des Klimas es erfordern, in Pelze gehüllt, befinden sich diese Rudel von Protomenschen in ständiger Bewegung, ziehen zum Jagen und Sammeln unablässig umher auf der Suche nach unberührten Landstrichen, um Nahrung zu finden, die sie der Natur entnehmen, ohne sie zu ersetzen, wie es die Tiere tun, diese große Gemeinschaft, der sie immer noch angehören, von der sie sich erst langsam abzulösen beginnen.
Nebeneinander zu leben heißt noch nicht, zusammenzuleben. Letzteres setzt ein ausgefeiltes Kommunikationssystem voraus, ein kollektives, geteiltes Schicksal, das auf gemeinsamen Nennern wie Sprache, Glauben, Riten, Körperverzierungen und Bräuchen basiert. Nichts von all dem existiert bislang – noch haben wir es mit dem nackten Überleben zu tun, mit Impulsen und Affekten, die der Logik vorangehen und diese halben Tiere dazu gebracht haben, anstatt ihrer fehlenden Krallen, Reißzähne, Hörner oder Giftdrüsen und anderen Verteidigungsmechanismen, über die die übrigen Lebewesen verfügen, nach Schiefern oder Kieseln zu greifen, in der Gruppe zu jagen, zu schlafen und den Ort zu wechseln, um sich gegenseitig zu beschützen und die Angst zu nehmen.
Denn zweifellos hat die tägliche Erfahrung bewirkt, daß sich in diesem ersten Menschen von allen noch schlummernden Emotionen, Begierden, Instinkten und Leidenschaften beim Erwachen ins Dasein als erstes die Angst entwickelte.”

 

 

Mario Vargas Llosa (Arequipa, 28 maart 1936)

Lees meer...