31-08-11

Wolfgang Hilbig, Raymond P. Hammond, Elizabeth von Arnim, William Saroyan, Théophile Gautier

 

De Duitse dichter en schrijver Wolfgang Hilbig werd geboren in Meuselwitz op 31 augustus 1941. Zie ook mijn blog van 31 augustus 2007 en ook mijn blog van 31 augustus 2008 en ook mijn blog van 31 augustus 2009 en ook mijn blog van 31 augustus 2010.

 

 

fragwürdige rückkehr (altes kesselhaus)

 

als wär seither noch keine zeit vergangen
faulen im salpeterweiß die selben wände
und in den winkeln wie seit ewigkeiten hangen
die vagen spinnen noch an ihrer fäden ende

die stühle sind mit staub bedeckt und zeigen
wie nah sie dem zerbrechen sind im golde
der sonnenflecken die durch blind zersprungne scheiben
hereingefallen sind im roten abendneigen

es ist als ob ich wiederkommen sollte
und etwas auch als wollt es mich vertreiben
es ist als ob noch keine zeit vergangen wäre

säumnis -
als zögerte noch immer in den wänden
weil ich nicht wegbleib und nicht wiederkehre
ein feuriger wink von geisterhaften händen.

 

 

 

Die Blumenbetrachtung

 

Fuhren hinaus in den Garten der Herrin

samstags: ich fuhr mit

über Preußens Chausseen

brechend voll von den Kohorten aus Chrom und Blech

umdröhnt von der Freiheit stinkreicher Untertanen –

immer gewärtig jener düster-roten Abendhimmel

und des scharfen trockenen Winds vor Gewittern.

Oh dann folgt ich ihr mit Blicken dort im Garten:

und sie

wie eine Königin schritt sie durch das Licht

um ihre Blumen zu besichtigen

und mit erlesner Wägung dreier Fingerspitzen

anzuheben jedes Blütenhaupt: anzuheben leicht wie Phalli –

so sacht wie dus nicht spüren kannst nicht wahrnimmst

und leichter als es dir im Denken dunkelte am Abend

so ohne Weh:

ach wie ich träumen werde nach dem

Abzug der Gewitter

träumen wie Tau im Licht das sich im Blick der Blüten bricht.

 

 

 

Wolfgang Hilbig (31 augustus 1941 - 2 juni 2007)

Bewaren

Lees meer...

30-08-11

Charles Reznikoff, François Cheng, Jiři Orten

 

De Amerikaanse dichter Charles Reznikoff werd op 30 augustus 1894 in New York geboren. Zie ook mijn blog van 30 augustus 2009 en ook mijn blog van 30 augustus 2010.

 

 

Meditations on the Fall and Winter Holidays


II
Day of Atonement

The great Giver has ended His disposing; 
the long day
is over and the gates are closing.
How badly all that has been read
was read by us,
how poorly all that should be said.
All wickedness shall go in smoke. 
It must, it must!
The just shall see and be glad.
The sentence is sweet and sustaining;
for we, I suppose, are the just;
and we, the remaining.
If only I could write with four pens between five fingers 
and with each pen a different sentence at the same time--
but the rabbis say it is a lost art, a lost art.
I well believe it. And at that of the first twenty sins that we confess,
five are by speech alone;
little wonder that I must ask the Lord to bless
the words of my mouth and the meditations of my heart.
Now, as from the dead, I revisit the earth and delight 
in the sky, and hear again
the noise of the city and see
earth's marvelous creatures--men.
Out of nothing I became a being,
and from a being I shall be
nothing--but until then
I rejoice, a mote in Your world,
a spark in Your seeing.

 

 

III

Feast of Booths

 

This was a season of our fathers' joy:

not only when they gathered grapes and the fruit of trees

in Israel, but when, locked in the dark and stony streets,

they held--symbols of a life from which they were banished

but to which they would surely return--

the branches of palm trees and of willows, the twigs of the myrtle,

and the bright odorous citrons.

 

This was the grove of palms with its deep well

in the stony ghetto in the blaze of noon;

this the living stream lined with willows;

and this the thick-leaved myrtles and trees heavy with fruit

in the barren ghetto--a garden

where the unjustly hated were justly safe at last.

 

In booths this week of holiday

as those who gathered grapes in Israel lived

and also to remember we were cared for

in the wilderness--

I remember how frail my present dwelling is

even if of stones and steel.

 

I know this is the season of our joy:

we have completed the readings of the Law

and we begin again;

but I remember how slowly I have learnt, how little,

how fast the year went by, the years--how few.

 

 

 

Charles Reznikoff (30 augustus 1894 – 22 januari 1976)

Lees meer...

Libuše Moníková, Gisela von Arnim, Mary Wollstonecraft Shelley, Adam Kuckhoff

 

De Duitstalige, Tsjechische schrijfster Libuše Moníková werd geboren op 30 augustus 1945 in Praag. Zie ook mijn blog van 30 augustus 2007 en ook mijn blog van 30 augustus 2008 enook mijn blog van 30 augustus 2009 en ook mijn blog van 30 augustus 2010.

 

Uit: Eine Schädigung und Pavane für eine verstorbene Infantin

 

„Ich schalte ein in einen Bericht über die Findelkinder vom Kriegsende. Sie kennen ihren Geburtsort und ihr Geburtsdatum nicht, ihr Alter kann bis zu zwei Jahren differieren, meist haben sie schon

mehrere Namen gehabt. Einem Mann wurde der Name fünfmal geändert, hinter jedem Namen stand »genannt«. Einige finden noch nach Jahrzehnten ihre Eltern und Geschwister über das

Rote Kreuz, eigene Initiative hat wenig Aussicht auf Erfolg.

Die Zusammenführung nicht selten unter Mithilfe eines Dolmetschers: die ersten zwanghaften Umarmungen, das Lächeln, die Pflegeeltern sind eingeladen, sie stehen da und freuen sich

verwirrt für ihre Kinder.

Das Festival der Kurzfilme in Oberhausen. Die Vorsitzende, etwa achtunddreißig, selbstbewußt, nennt unter den vertretenen Ländern die Tschechei kein Land sonst verstümmelt. Der jugoslawische Beitrag ›Die Ramme‹. Auf einem Fließband werden geschlüpfte Küken von Frauenhänden sortiert. Die nicht rechtzeitig ausgeschlüpften bleiben liegen und kommen in einen Behälter, wo sie mit den Eierschalen von einer Ramme zu Hühnerfutter zerstampft werden. Die Ramme ist nicht automatisch, man sieht zwei Männerhände, die sie bedienen. Ein schwarzes Küken steht mit den anderen geschlüpften auf dem Band. Es wird zur Seite geschoben und treibt mit dem lebenden Abfall zu der Tonne. Es läuft zurück, wird wieder von der Frau zurückgestoßen, noch einmal läuft es gegen das Band, aber es gehört nicht in die Legebatterie. So gleitet es auf dem Band in die Grube, wo Hunderte von Küken ihre ersten Bewegungen probieren, aus den Schalen schlüpfen, jetzt völlig normal, nur um Sekunden verspätet, aber schon von der Last der anderen gedrückt, das schwarze strampelt, versucht loszukommen, es fallen die nächsten Schalen und Küken darüber, danach die Ramme. Sie hebt

sich und fällt nieder, zerstampft alles zu Brei hochwertiges, eiweißgesättigtes Futter. Die vollen Behälter auf dem Hof, in dem Schrot zuckt es schwache Bewegungen der noch nicht ganz toten

Kükenreste. Unter dem Schrot erscheint etwas Schwarzes, das schwarze Küken kämpft sich durch die Leichen und zerdrückten Eierschalen, kommt hoch, unversehrt, strampelt sich los und läuft.“

 

 

Libuše Moníková (30 augustus 1945 – 12 januari 1998)

Lees meer...

29-08-11

Hugo Brandt Corstius, Maurice Maeterlinck, Thom Gunn, Lukas Hartmann, Edward Carpenter

 

De Nederlandse schrijver en wetenschapper Hugo Brandt Corstius werd geboren in Eindhoven op 29 augustus 1935. Zie ook mijn blog van 29 augustus 2010 en eveneens alle tags voor Hugo Brandt Cortius op dit blog.

 

Uit: De toekomst van het Nederlands

 

„Veel klagen zij over de verloedering, de versloffing, de achteruitgang van het Nederlands zoals zij zich dat uit vroeger jaren herinneren. Op een avond in 1991 zette ik voet aan wal in Curaçao en werd onmiddellijk besprongen door een schrijver met een grote hoed, Boelie van Leeuwen, die een hoofdartikel uit de Nieuwe Rotterdamse Courant meedroeg waarin alle woorden door felle rode strepen onleesbaar waren gemaakt: ‘Kunt u daar niets tegen doen?’

Maar wat zij niet weten, die klagers buiten Nederland, is dat het ook in Nederland, en ik neem aan in België niet minder, één grote klaagzang is. Charivarius kon zijn onbegrijpelijke afkeer van ‘vanaf’ en ‘vanuit’ tenminste nog wel sprekend en grappig onder woorden brengen. Maar wie, om een voorbeeld te noemen, leest hoe Jan Kuitenbrouwer deze weken klaagt over woordcompressie (alsof die niet in alle talen en alle tijden wordt uitgeoefend op woorden en zelfs zinnetjes die je veel gebruikt) en over de verkeerde uitspraak van de ‘r’ of de ‘g’, die verstijft van zoveel onkunde en domheid. ‘Alsjeblieft’ en ‘alstublief’, dat zijn toch prachtige zinscomprimaties, waar onze leerlingen veel van kunnen opsteken.

Het is nu al zover dat het, helaas ook in het beschaafde Nederland voorkomende, racisme zijn weg naar de oppervlakte vindt door het klagen over het Nederlands van die jeugdigen die de pech hebben dat hun ouders niet in Batavia of Amsterdam maar in Turkije of Marokko geboren werden, alsof niet altijd en overal jeugdigen er een eer in scheppen een eigen taaltje te maken waar de ouderen zich aan ergeren.

Er is, laat ik het maar direct verklappen, over de Nederlandse taal niets te klagen. Nooit in de geschiedenis is er door zoveel mensen Nederlands gesproken als nu. En dat komt niet eens door onze vruchtbaarheid, maar door onze immigranten. Kon je vroeger in bepaalde Franse dorpjes zomers veel Hollands horen van vakantiegangers, nu klinken onze klanken de hele zomer in menig Turks of Berbers dorp, van vakantiegangers in hun oude land.“

 

 

Hugo Brandt Corstius (Eindhoven, 29 augustus 1935)

Lees meer...

Elma van Haren, Herbert Meier, Jacques Kruithof, Djamel Amrani, Valery Larbaud

 

De Nederlandse dichteres en beeldend kunstenares Elma van Haren werd geboren in Roosendaal op 29 augustus 1954. Zie ook mijn blog van 29 augustus 2009 en ook mijn blog van 29 augustus 2010

 

 

Het liefhebbende

 

Het stak de kop op, toen een onverwachte zonneschijn
over de meubels viel, die al vijfentwintig jaar in de
kamer stonden.

Nu aangeraakt door de gestrekte wijsvinger van het
licht.
Ternauwernood verdroegen zij deze zachte
liefdesverklaring.
Ze wilden alleen donker, waarin welwillendheid,
mededogen voor hun brand- en mottengaatjes,
hun slijtage, hun verschoten kale plek.
Zij stonden met de ruggen naar elkaar, want

wanneer, na hoeveel jaren,
houdt het blozen eindelijk op?

Haastig begon ik met het bevrijden van een kleine plant,
door alle omstandigheden taai overeind gebleven.
Beloonde zijn niet-willen-sterven met ruimte en mest,
verwijderde hier en daar een witte ziekte,
ging met hem in het zonlicht staan en

voelde de dunne scheidingslijn tussen mijn handelen en
de het-zich-voltrekken-processen in mijn lichaam,
in- en uitvoer van zuurstof en stikstof,
de chemie van het voelen,
het kunnen denken.

Midden in de streep zonlicht met de tuimelende stofjes,
zag ik in de spiegel, los van mededogen en
welwillendheid,
mijn eigen omhulsel al tamelijk aangetast
zacht staan te glanzen met oplichtende kleur,
als werd ik nu op mijn beurt opgemerkt door de zon
omdat ik al die tijd gebleven was en
blozen kon bij de eerste de beste blijk
van willekeurige warmte.

Wat was toch deze chemie van voelen?
Dat koken vloeien glijden,
dat stomen branden bonzen...
Het stopte nooit.
Mijn hart hield niet op.
Doch misschien heeft het na zoveel jaren
niets meer met hartszaken van doen.
Wellicht is het de blikkerende pitbull in mij.

 

 

Elma van Haren (Roosendaal, 29 augustus 1954)

 

Lees meer...

28-08-11

Johann Wolfgang von Goethe, A. Moonen, Maria Barnas, Frederick Kesner, Rita Dove

 

De Duitse dichter en schrijver Johann Wolfgang von Goethe werd geboren op 28 augustus 1749 in Frankfurt am Main. Goethe werd de afgelopen week tot grootste Duitser aller tijden verkozen. Zie ook mijn blog van 28 augustus 2010 en eveneens alle tags voor Johann Wolfgang von Goethe op dit blog.

 

Uit: Faust I

 

„Prolog im Himmel.

Der Herr. Die himmlischen Heerscharen. Nachher Mephistopheles. Die drei Erzengel treten vor.

 

Raphael:

Die Sonne tönt, nach alter Weise,
In Brudersphären Wettgesang,
Und ihre vorgeschriebne Reise
Vollendet sie mit Donnergang.
Ihr Anblick gibt den Engeln Stärke,
Wenn keiner sie ergründen mag;
die unbegreiflich hohen Werke
Sind herrlich wie am ersten Tag.

Gabriel:

Und schnell und unbegreiflich schnelle
Dreht sich umher der Erde Pracht;
Es wechselt Paradieseshelle
Mit tiefer, schauervoller Nacht.
Es schäumt das Meer in breiten Flüssen
Am tiefen Grund der Felsen auf,
Und Fels und Meer wird fortgerissen
Im ewig schnellem Sphärenlauf.

Michael:

Und Stürme brausen um die Wette
Vom Meer aufs Land, vom Land aufs Meer,
und bilden wütend eine Kette
Der tiefsten Wirkung rings umher.
Da flammt ein blitzendes Verheeren
Dem Pfade vor des Donnerschlags.
Doch deine Boten, Herr, verehren
Das sanfte Wandeln deines Tags.

Zu drei:

Der Anblick gibt den Engeln Stärke,
Da keiner dich ergründen mag,
Und alle deine hohen Werke
Sind herrlich wie am ersten Tag.

Mephistopheles:

Da du, o Herr, dich einmal wieder nahst
Und fragst, wie alles sich bei uns befinde,
Und du mich sonst gewöhnlich gerne sahst,
So siehst du mich auch unter dem Gesinde.
Verzeih, ich kann nicht hohe Worte machen,
Und wenn mich auch der ganze Kreis verhöhnt;
Mein Pathos brächte dich gewiß zum Lachen,
Hättst du dir nicht das Lachen abgewöhnt.
Von Sonn' und Welten weiß ich nichts zu sagen,
Ich sehe nur, wie sich die Menschen plagen.
Der kleine Gott der Welt bleibt stets von gleichem Schlag,
Und ist so wunderlich als wie am ersten Tag.
Ein wenig besser würd er leben,
Hättst du ihm nicht den Schein des Himmelslichts gegeben;
Er nennt's Vernunft und braucht's allein,
Nur tierischer als jedes Tier zu sein.
Er scheint mir, mit Verlaub von euer Gnaden,
Wie eine der langbeinigen Zikaden,
Die immer fliegt und fliegend springt
Und gleich im Gras ihr altes Liedchen singt;
Und läg er nur noch immer in dem Grase!
In jeden Quark begräbt er seine Nase.“

 

 

 

Johann Wolfgang von Goethe (28 augustus 1749 – 22 maart 1832)

Portret (olieverf) door Joseph Karl Stieler, 1828.

Volgens Stieler luidde Goethes commentaar: „Sie zeigen mir, wie ich sein könnte. Mit diesem Manne auf dem Bilde ließe sich wohl gerne ein Wörtchen sprechen. Er sieht so schön aus, dass er wohl noch eine Frau bekommen könnte.“ Geciteerd naar: Emil Schaeffer, Jörn Göres: Goethe – seine äußere Erscheinung, p. 179.

Lees meer...

John Betjeman, Elmar Schenkel, Janet Frame, William Robertson Davies, Joeri Trifonov

 

De Engelse dichter en literatuurcriticus Sir John Betjeman werd geboren in Londen op 28 augustus 1906. Zie ook mijn blog van 28 augustus 2009 en ook mijn blog van 28 augustus 2010

 

 

In Westminster Abbey

 

Let me take this other glove off
As the vox humana swells,
And the beauteous fields of Eden
Bask beneath the Abbey bells.
Here, where England's statesmen lie,
Listen to a lady's cry.

Gracious Lord, oh bomb the Germans,
Spare their women for Thy Sake,
And if that is not too easy
We will pardon Thy Mistake.
But, gracious Lord, whate'er shall be,
Don't let anyone bomb me.

Keep our Empire undismembered
Guide our Forces by Thy Hand,
Gallant blacks from far Jamaica,
Honduras and Togoland;
Protect them Lord in all their fights,
And, even more, protect the whites.

Think of what our Nation stands for,
Books from Boots' and country lanes,
Free speech, free passes, class distinction,
Democracy and proper drains.
Lord, put beneath Thy special care
One-eighty-nine Cadogan Square.

Although dear Lord I am a sinner,
I have done no major crime;
Now I'll come to Evening Service
Whensoever I have the time.
So, Lord, reserve for me a crown,
And do not let my shares go down.

I will labour for Thy Kingdom,
Help our lads to win the war,
Send white feathers to the cowards
Join the Women's Army Corps,
Then wash the steps around Thy Throne
In the Eternal Safety Zone.

Now I feel a little better,
What a treat to hear Thy Word,
Where the bones of leading statesmen
Have so often been interr'd.
And now, dear Lord, I cannot wait
Because I have a luncheon date.

 

 

John Betjeman (28 augustus 1906 - 19 mei 1984)

 

Lees meer...

27-08-11

Tom Lanoye, Jeanette Winterson, Lolita Pille, Lernert Engelberts

 

De Belgische dichter en schrijver Tom Lanoyewerd geboren te Sint-Niklaas op 27 augustus 1958. Zie ook mijn blog van 27 augustus 2010 en eveneens alle tags voor Tom Lanoye op dit blog.

 


In de piste

 

Nam niet de Grote Houdini in
de ene hand zijn hoge hoed, en
in de andere een olifant die hij
met een eenvoudig gebaar voorgoed
in zijn hoofddeksel kon doen
verdwijnen?

Wat een onrecht.

Mijn hoofd is bloot, en jij,
niet eens zo groot en zonder
slurf (nou ja), toonbeeld van
schoonheid, na zoveel jaar durf jij
nog steeds genadeloos aan mij
verschijnen.

 

 

 

Jazz

 

Toe, vil mijn schaam dat wit
konijn, span dat vel en roer de
trom. Maak wat koel was kokend
en kanonsloop wat was krom.

Vel mijn boom de achterdocht
en zaag de takken trommelstok van
liefde. Drum je namen in mijn
bas en maak mij jouw gekliefde.

Hou me hou me hou me vast, en
kerf uit mij jouw boot. Sla
je peddels ritme op mij plat,
en bedwing met mij de dood.

 

 

 

Het klappen van de zweep

 

Zij was het type dat alleen door een gesprek
zover te krijgen was; een ernstige babbel,
iets diepgaands, over de vergankelijkheid
van het levende, de noodzaak van relativeren,
Wittgenstein, de anarchie, structurele crises,
neurosevorming, de dreiging van het neo-fascisme
of kernenergie. Als het maar eindigde in bed.

 

 

 

Tom Lanoye (Sint-Niklaas, 27 augustus 1958)

Lees meer...

Kristien Hemmerechts, David Rowbotham, Norah Lofts, Cecil Scott Forester

 

De Belgische schrijfster Kristien Hemmerechts werd geboren in Brussel op 27 augustus 1955. Zie ook mijn blog van 27 augustus 2007 en ook mijn blog van 27 augustus 2008 en ook mijn blog van 27 augustus 2009 en ook mijn blog van 27 augustus 2010.

 

Uit: Over literaire honden

 

„De staart, de nieuwe roman van Patricia de Martelaere, heeft wat met honden. Theo, de hoofdfiguur, denkt ‘aan de alfabetische lijst van honderassen die hij ooit, samen met de rasbeschrijvingen en de standaardnormen, uit het hoofd heeft geleerd.’ De lezer krijgt exacte informatie over de sint-bernard, de bokser, de dobermann, de poedel, de Duitse herdershond, de Afghaanse windhond, de golden retriever, de chihuahua, de collie, de rottweiler, de buldog, de Chinese shar-pei, de chow-chow, de karabash of Anatolische herdershond, de Ierse wolfshond, de mopshond. Dat gebeurt in de vorm van steekkaarten, die in de ‘taalstroom’ (zonder hoofdstukken, zonder alinea's) tussen andere tekstsegmenten gemonteerd staan. Maar ook in het ‘verhaal’ lopen nogal wat honden rond, zoals Boes, Kazan en Hermes. Theo, die vaak als kind of puber wordt opgevoerd, wil zo vreselijk graag een hond op moeilijke momenten in zijn bestaan, bijvoorbeeld als hij geen vriend meer heeft. Soms ook voelt hij zich hopeloos verloren tussen zijn altijd zieke moeder en zijn vader-met-het-vampieregezicht, die buldert dat hij nooit volwassen zal worden, altijd kind zal blijven en van wie hij weet met wie hij zal trouwen na mama's dood. Dan kan een hond helpen. Want sommige honden springen tegen je op als ze je zien en weten dan met hun blijdschap geen blijf; ze blijven maar likken aan je gezicht, terwijl hun staart ‘roffelend tegen de deurpost slaat’. En je moet niet vrezen dat ze genegenheid veinzen, want als ze iets niet kunnen, is het wel veinzen. Zoals overigens te lezen staat in Wittgensteins filosofische onderzoeking 250: ‘Waarom kan een hond geen pijn veinzen? Is hij te eerlijk? Zou je een hond pijn kunnen leren veinzen? Je kunt hem misschien leren bij bepaalde gelegenheden te janken alsof hij pijn heeft, zonder dat hij pijn heeft. Maar voor het eigenlijke veinzen zou de juiste omgeving voor dit gedrag nog altijd ontbreken.’ In dat verband is het verhaal van Odysseus' hond, dat in De staart ter sprake komt, heel typisch. Alleen de hond Argos herkent Odysseus, die na twintig jaar omzwervingen vermomd naar het eiland Ithaca terugkeert. Argos spitst de oren, kwispel-staart en sterft. Slechts hij heeft de echte Odysseus gezien ondanks de vermomming, over de tijd heen. Wat de mensen niet kunnen, kan hij wel.“

 

 

 

Kristien Hemmerechts (Brussel, 27 augustus 1955)

Lees meer...

Christopher Isherwood, Guillaume Apollinaire, Jules Romains, Walter Helmut Fritz, Julio Cortázar

 

De Brits-Amerikaanse schrijver Christopher Isherwood werd geboren op 26 augustus 1904 inDisley in het graafschap Cheshire in Engeland. Zie ook mijn blog van 26 augustus 2010 en eveneens alle tags voor Christopher Isherwood op dit blog.

 

Uit: Goodbye to Berlin

 

„This morning, as I was walking down the Bülowstrasse, the Nazis were raiding the house of a small liberal pacifist publisher. They had brought a lorry and were piling it with the publisher's books. The driver of the lorry mockingly read out the titles of the books to the crowd:

"Nie Wieder Krieg!" he shouted, holding up one of them by the corner of the cover, disgustedly, as though it were a nasty kind of reptile. Everybody roared with laughter.

"'No More War!'" echoed a fat, well-dressed woman, with a scornful, savage laugh. "What an idea!"

(,,,)

 

At present, one of my regular pupils is Herr N., a police chief under the Weimar régime. He comes to me every day. He wants to brush up his English, for he is leaving very soon to take up a job in the United States. The curious thing about these lessons is that they are all given while we are driving about the streets in Herr N.'s enormous closed car. Herr N. himself never comes into our house: he sends up his chauffeur to fetch me, and the car moves off at once. Sometimes we stop for a few minutes at the edge of the Tiergarten, and stroll up and down the paths—the chauff eur always following us at a respectful distance.

Herr N. talks to me chiefly about his family. He is worried about his son, who is very delicate, and whom he is obliged to leave behind, to undergo an operation. His wife is delicate, too. He hopes the journey won't tire her. He describes her symptoms, and the kind of medicine she is taking. He tells me stories about his son as a little boy. In a tactful, impersonal way we have become quite intimate. Herr N. is always charmingly polite, and listens gravely and carefully to my explanations of grammatical points. Behind everything he says I am aware of an immense sadness.

We never discuss politics; but I know that Herr N. must be an enemy of the Nazis, and, perhaps, even in hourly danger of arrest. One morning, when we were driving along the Unter den Linden, we passed a group of self-important S.A. men, chatting to each other and blocking the whole pavement. Passers-by were obliged to walk in the gutter. Herr N. smiled faintly and sadly: "One sees some queer sights in the streets nowadays." That was his only comment.

Sometimes he will bend forward to the window and regard a building or a square with a mournful fixity, as if to impress its image upon his memory and to bid it good-bye.“

 

 

Christopher Isherwood (26 augustus 1904 – 4 januari 1986)

Lees meer...

Joachim Zelter, Joachim Helfer, Jürgen Kross, Ludwig Aurbacher, Boris Pahor

 

De Duitse schrijver Joachim Zelter werd geboren in Freiburg im Breisgau op 26 augustus 1962. Zie ook mijn blog van 26 augustus 2007 en ook mijn blog van 26 augustus 2008. en ook mijn blog van 26 augustus 2009 en ook mijn blog van 26 augustus 2010.

 

Uit: Der Ministerpräsident

 

„Sie sagte nichts.

Ich sollte ihr nachsprechen. Oder mit ihr sprechen. Oder angefangene Wörter weitersprechen. Die Unterschiede zwischen einzelnen Buchstaben mit meiner Zunge spüren, zum Beispiel den Unterschied zwischen den Buchstaben D und T. T nicht wie D sprechen, D nicht wie T sprechen. Nicht Tuten, sondern Duden. Nicht Busen, sondern Blusen. Sie trug weiße Blusen. Wunderschöne Blusen.

Herr März kam. So nannte er sich: März. Julius März. März wie Januar, Februar, März. Er kannte mich. Er kannte mich mit einer Vehemenz, die mich beeindruckte. Er fragte gar nicht: Ob auch ich ihn kenne? Es gab für ihn keinen Zweifel, dass ich ihn kenne. Schon seit Jahren. So sah er jedenfalls aus. Als würde oder müsse man ihn schon lange kennen. Er sprach lautstark. In mein Bett hinein. Und über mein Bett hinweg: Was ich für Sachen machen würde? Heijeijei. Was mit meinem Gesicht sei? Heijeijei. Ich hörte von einer Lähmung. Einer Lähmung meiner rechten Gesichtshälfte. So erklärte ihm das die Ärztin. Das rechte Auge schließe nicht ganz. Dafür reagierten die Pupillen. Bei einer immer noch starren Mimik. Und mein Mund sei noch ein wenig schief. Doch das werde wieder. Hörte ich sie sagen. Und März antwortete: Hoffentlich. Er verabschiedete sich. Drückte meine Hand. Mit beiden Händen drückte er meine Hand. Und er sagte: Du. Nicht Sie, sondern Du. Dann ging er.

Kein Radio, kein Fernsehapparat. Dass das nicht gut sei, sagte die Ärztin, ein Radio, ein Fernseher an meinem Bett. Jedenfalls nicht jetzt. Dass mich das aufregen und erschrecken könnte. Dafür Blumen, in allen Farben und Variationen. Verbunden mit Grüßen und den besten Wünschen von zahllosen Menschen.“

 

 

Joachim Zelter (Freiburg im Breisgau, 26 augustus 1962)

Lees meer...

26-08-11

Dolce far niente 3

 

Romenu had opnieuw even vrij vandaag. Morgen weer de gebruikelijke berichten en ook de schrijvers van de 26e augustus.

 

 

De brug

 

Vreemdstil is het, water kabbelt, niets herinnert aan
de ingespannen dag. De Steven slaat drie maal.
Zuster maan verwarmt de brug. Uit het oosten
komt een zeilboot aangedreven. Langs een jakobs-
ladder stijgen zeven stervelingen door tot op
de boog, verdwijnen in een hemelplooi.

Overdag last de brug grond aan grond, is ze ding
voor druk vervoer, ’s nachts zweeft ze van haar
pijlers los, bindmiddel tussen stroom en firmament,
haar baldakijn lucide aanzet tot een hemelvaart.

Bij dag is ze plat bedrijf, bij nacht vervoering
voor de enkeling die hoogte zoekend haar ontmoet.
Zonder boog zou deze brug niet meer dan massa zijn,
haar hoogheid spant zich waar ze opzien baart.

 

 

 

Victor Vroomkoning (Boxtel, 6 oktober 1938)

Gezicht op Nijmegen vanuit Lent, 1900 – 1910, Evert Moll

 

 

 

 

Je moet niet slapen op de Waalbrug


Daar zitten we. De bogen van de brug staan als bolle
golven boven het water. Die brug is een belofte. We
moeten gaan.
Dave vindt dat ik op het verhaal vooruitloop.
In mijn hoofd ben ik er al.

Ik zeg: ‘Luister, meisjes krijgen mooie benen, jongens
grote voeten. Sommige dingen moet je laten gaan,
andere moet je achterna.’

Wij zitten daar en zijn afwezig; liggen liever dan
we lopen. We vergeten dat we uit net genoeg water
bestaan om een vloedgolf te vormen, vergeten dat
we verder kunnen komen.

Dave zegt: ‘Een brug is een brug.’

Het wordt tijd dat hij wakker wordt,
we moeten nodig dat water over.

 

 

 

 


Dennis Gaens (Susteren, 1982)

De Waalbrug bij Nijmegen

 

18:46 Gepost door Romenu in Literatuur | Permalink | Commentaren (0) | Tags: victor vroomkoning, dennis gaens, romenu |  Facebook |

25-08-11

Charles Wright, Maxim Biller, Martin Amis, Frederick Forsyth

 

De Amerikaanse dichter Charles Wright werd geboren op 25 augustus 1935 in Pickwick Dam, Tennessee. Zie ook mijn blog van 25 augustus 2008 en ook mijn blog van 25 augustus 2009 en ook mijn blog van 25 augustus 2010.

 

 

POLAROIDS


Since landscape’s insoluble,
Then loath at last light I leave the landfall, soft and gone.
Or it leaves me.
I’ve got a tune in my head I can’t let go,
Unlike the landscape, heavy and wan,
Sunk like a stone in the growing night,
Snuffed in the heart like a candle flame that won’t come back.

Our world is of little moment, of course, but it is our world.
Thus it behooves us to contemplate,
from time to time,
The weight of glory we should wish reset in our hearts,
About the things which are seen,
and things which are not seen,
That corresponds like to like,
The stone to the dark of the earth, the flame to the star.

_____

Those without stories are preordained to repeat them,
I saw once in the stars.
Unclear who underwrote that,
But since then I’ve seen it everywhere
I’ve looked, staggering
Noon light and night’s meridian wandering wide and the single sky.
And here it is in the meadow grass, a brutish script.

We tend to repeat what we don’t know
Instead of the other way around—
thus mojo, thus misericordia,
Old cross-work and signature, the catechism in the wind.
We tend to repeat what hurts us, things, and ghosts of things,
The actual green of summer, and summer’s half-truth.
We tend to repeat ourselves.

_____

One longs for order and permanence,
An order as in the night sky just north of Mt. Caribou,
Permanence like the seasons,
coming in, going out,
Watchman and wanderer. There’s been no cure, however, and no
Ecstasy in transcendent form, so
Don’t look for me here, incipient, now, in the artifice.

Florence is much on my mind, gold leaf and golden frame,
Infinite background of the masters—
Mayfire of green in the hills,
watchtower and Belvedere,
The Arno, as Dino said, like a dithering snake,
Sad swipe of forgetfulness.
Last chance, a various universe.

_____

A few more rising and setting suns.
Always the spike of the purple lupin, always the folded hands of the dog rose.
Childhood, gentle monk.
His eye extinguished,
someone’s red-gold heart-mouth has sealed his lips.
No wind in the evergreens, no singer, no lament.
Summer surrounds us, and wordless, O blue cathedral.

A few more sorrowful scenes.
The waters murmur, shadows are moist in the upper meadow.
Silence wide as a wasteland through the black streets of the forest.
Over the white eyelids of the dead,
white clover is blossoming.
Late snow like a fallen city shimmers the mountain’s riprap and stare.
Unmullioned window, stained light.

_____

The lapis lazuli dragonflies
of postbelief, rising and falling near
The broken slab wood steps, now one by one, now in pairs,
Are not the dragonflies of death with their blue-black eyes.
These are the tiny ones, the stems, the phosphorescent,
Rising and falling like drowned playthings.
They come and they disappear. They come back and they disappear.

Horizon-hump of pine bristles on end toward the south,
Breath-stealer, cloudless drop cloth
Of sky,
the great meadow beneath like a mirror face down in the earth,
Accepting nothing, giving it back.
We’ll go, as Mandelstam tells us, into a growing numbness of time,
Insoluble, as long as landscape, as indistinct.

 

 

Charles Wright (Pickwick Dam, 25 augustus 1935)

Lees meer...

Jògvan Isaksen, U Tchicaya Tam'si, Thea Astley, Brian Moore, Johann Herder

 

De Faeröerse schrijver Jógvan Isaksen werd geboren op 25 augustus 1950 in 25/08/1950 in Tórshavn, Faröer Eilanden. Zie ook mijn blog van 25 augustus 2010.

 

Uit: Endstation Färöer (Vertaald door Christel Hildebrandt)

 

“Sie hatte einen Entschluss gefasst und ging auf die Gestalt zu, die am Ende des Felsens stand. Als sie dorthin gekommen war, blieb sie stehen. Schaute zunächst hinunter auf die still daliegende Bucht, die drei Ortschaften dort unten waren in der Mainacht kaum zu erkennen. Dann blickte sie zum Ritafjall hinauf und südwärts auf den Sigatind und Gøtunestind. Bald würden sie im roten Glanz der Morgensonne schimmern. In dem Augenblick, als sie den Mund öffnete und die ersten Worte sagen wollte, die Worte, die sie reich machen sollten, packten starke Hände ihre Arme von beiden Seiten und in einer gleitenden Bewegung wurde sie über die Kante geschleudert. Der Angriff kam so unerwartet, dass sich ihr Hals zuschnürte und sie keinen Ton von sich gab, als sie durch die Luft wirbelte. Das Letzte, was ihr durch den Kopf fuhr, während sie fiel und Himmel und Erde mit gleichmäßigem Abstand den Platz tauschten, war die Verwunderung darüber, dass sie den Mond am Himmel nicht fand.
1
Der Skiläufer hob ab und schoss durch die Luft, wobei er sich nach vorn und um die eigene Achse drehte. Es war kaum wahrscheinlich, dass jemand, der zum ersten Mal ein Paar Bretter unter den Füßen hatte, stehend herunterkommen würde. Aber in mehr als dreißig Jahren habe ich mich daran gewöhnt, dass im Film nichts unmöglich ist. Der Skiläufer verschwand in rasender Fahrt einen blendend weißen Hügel hinab. Danach kam Werbung, die übliche Süße. Ich überließ den Fernsehschirm sich selbst und sah mich um. Der Anblick war nicht viel besser. Ich bin ziemlich viel gereist, habe mehrere Hauptstädte besucht und war sogar an verschiedenen Badestränden gewesen. Und selbst wenn Letztere stinklangweilig sein können und nur mit einem passenden Affen im Gepäck auszuhalten sind, das Schlimmste sind doch Flughäfen. Nur mit einem starken Willen und viel Training schafft man es, sie ohne einen betäubenden Rausch zu überstehen.”

 

 

Jógvan Isaksen (Tórshavn, 25. augustus 1950)

Lees meer...