Cees Nooteboom, Joanne Rowling, Primo Levi, Alain Nadaud, Triztán Vindtorn, Ahmed Zitouni, Peter Rosegger

De Nederlandse dichter en schrijver Cees Nooteboom werd geboren in Den Haag op 31 juli 1933. Zie ook mijn blog van 31 juli 2006 en ook mijn blog van 31 juli 2007 en ook mijn blog van 31 juli 2008.





Dit ben ik vaak geweest:
een man op een landweg,
een man in een vliegtuig,
een man met een vrouw.

En dit ben ik vaak geweest:
een man die zich onder een steen
wou verbergen
om geen licht meer te zien.

Deze twee mannen,
ze dragen mijn koffers,
ze lezen mijn kranten,
ze verdienen mijn brood.

Samen trekken we
door het geluid en de lucht van de wereld
op zoek naar het onzichtbare standbeeld
waar ze alle drie opstaan
in de gedaante van één.





Duizend nachten en dagen


Als een koning op een nors eiland
gaat de wind heen en weer door de avond.
Ik jaag op mijn onzichtbare leven.
De vleugels van mijn ogen branden.

Zwarter worden de vogels.
Een koperen avond schalt in de bergen.
Onder de houten bomen graast de rust,
maar niemand gelooft het.

Alle struiken verbergen soldaten.
Het gruis van de regen likt aan het water.
Het koper verschaalt en gaat onder.
Alleen ik vlieg nog rond met mijn vernederde onrust.

Nooit zal ik een keer mijn lichaam ontmoeten.
Een schuldig gordijn houdt me voor eeuwig van me gescheiden.






Black dog


Ik die geen leerlingen heb
en geen bediendes,
ik die mijn kaas alleen eet
en de verkeerde mensen
in de verkeerde steden zie
ik ruik bloemen op het ijs,
en zie de dood op een schommel.

Ik die ook wel weet
dat een woord maar een vertaling is,
een armzalige code
van iemand voor niemand,
ik die zelf woorden
gekocht en geerfd heb
uit het groot bordeel
waar de wereld op uitmondt.

Ik die geleerd heb
dat de toekomst een motor is
die nog nooit heeft gelopen
dat alle talen hetzelfde
en dat veel unieke dromen
op film te zien zijn.


en ook dat niet lang meer.






Cees Nooteboom (Den Haag, 31 juli 1933)






De Britse schrijfster Joanne Rowling werd geboren in Chipping Sodbury bij Bristol op 31 juli 1965. Zie ook mijn blog van 31 juli 2007 en ook mijn blog van 31 juli 2008.


Uit: Harry Potter And The Chamber Of Secrets


October arrived, spreading a damp chill over the grounds and into the castle. Madam Pomfrey, the nurse, was kept busy by a sudden spate of colds among the staff and students. Her Pepperup potion worked instantly, though it left the drinker smoking at the ears for several hours afterward. Ginny Weasley, who had been looking pale, was bullied into taking some by Percy. The steam pouring from under her vivid hair gave the impression that her whole head was on fire.
Raindrops the size of bullets thundered on the castle windows for days on end; the lake rose, the flower beds turned into muddy streams, and Hagrid's pumpkins swelled to the size of garden sheds. Oliver Wood's enthusiasm for regular training sessions, however, was not dampened, which was why Harry was to be found, late one stormy Saturday afternoon a few days before Halloween, returning to Gryffindor Tower, drenched to the skin and splattered with mud.
Even aside from the rain and wind it hadn't been a happy practice session. Fred and George, who had been spying on the Slytherin team, had seen for themselves the speed of those new Nimbus Two Thousand and Ones. They reported that the Slytherin team was no more than seven greenish blurs, shooting through the air like missiles.”





Joanne Rowling (Chipping Sodbury, 31 juli 1965)






De Italiaanse schrijver Primo Levi werd geboren op 31 juli 1919 in Turijn. Zie ook mijn blog van 31 juli 2007 en ook mijn blog van 31 juli 2008.


Uit: Survival In Auschwitz (Vertaald door Stuart Woolf)


“I was captured by the Fascist Militia on 13 December 1943. I was twenty-four, with little wisdom, no experience and a decided tendency -- encouraged by the life of segregation forced on me for the previous four years by the racial laws -- to live in an unrealistic world of my own, a world inhabited by civilized Cartesian phantoms, by sincere male and bloodless female friendships. I cultivated a moderate and abstract sense of rebellion.

It had been by no means easy to flee into the mountains and to help set up what, both in my opinion and in that of friends little more experienced than myself, should have become a partisan band affiliated with the Resistance movement Justice and Liberty. Contacts, arms, money and the experience needed to acquire them were all missing. We lacked capable men, and instead we were swamped by a deluge of outcasts, in good or bad faith, who came from the plain in search of a non-existent military or political organization, of arms, or merely of protection, a hiding place, a fire, a pair of shoes.

At that time I had not yet been taught the doctrine I was later to learn so hurriedly in the Lager: that man is bound to pursue his own ends by all possible means, while he who errs but once pays dearly. So that I can only consider the following sequence of events justified. Three Fascist Militia companies, which had set out in the night to surprise a much more powerful and dangerous band than ours, broke into our refuge one spectral snowy dawn and took me down to the valley as a suspect person.”





Primo Levi (31 juli 1919 – 11 april 1987)





De Franse schrijver Alain Nadaud werd geboren op 31 juli 1948 in Parijs. Zie ook mijn blog van 31 juli 2007 en ook mijn blog van 31 juli 2008.


Uit: Le Passage du col


“Un matin, il y eut une alerte qui mit le monastère en émoi. Une délégation d'officiels chinois venait d'emprunter la piste à l'entrée de la vallée. Entourée de volutes de poussière, elle arrivait dans plusieurs grosses land cruisers blanches, escortées à l'avant et à l'arrière par deux voitures de police. Le khempo Lobsang en avait été averti par des émissaires à cheval qui, en empruntant les raccourcis, les avaient précédées. Et aussi, par le changement de la couleur de certaines bannières, visibles de loin, qui flottaient au sommet des collines et servaient de système de signalisation. Avant que, sous la conduite du dobdob Athar, je ne m'esquive par une porte dérobée,j'eus le temps de les apercevoir, qui descendaient de voiture. Cette visite faisait suite à un déjeuner qui avait eu lieu dans la vallée et avait dû être bien arrosé. En costume cravate, mais à présent un rien débraillés, les bureaucrates venus de Lhassa ou de Pékin tinrent à se faire photographier devant la porte du monastère, entourés de militaires, au garde-à-vous dans leur uniforme impeccable et sans pli. Il y avait même une ou deux femmes parmi eux. Ils avaient l'air à la fois brutaux, lisses, impénétrables, sans scrupules ni états d'âme. Ils parlaient fort et s'esclaffèrent devant les fresques de l'entrée, pour un détail, peut-être salace, que je ne compris pas.”





Alain Nadaud (Parijs, 31 juli 1948)







De Noorse dichter Triztán Vindtorn werd geboren als Kjell Erik Vindtorn in Drammen op 31 juli 1942. Hij gold als de enige belangrijke surrealistische dichter van zijn land. Zijn eerste werk was de dichtbundel Sentrifuge ('Centrifuge') uit 1970. In 2008 kwam zijn laatste bundel uit onder de titel Sirkus for usynlige elefanter ('Circus voor onzichtbare olifanten').

De fantasierijke en avant-gardistische Vindtorn genoot ook bekendheid in het buitenland. Hij heeft lange tijd buiten Noorwegen gewoond, onder meer in Portugal, Spanje (onder andere op Ibiza en Majorca) en Griekenland. Verder woonde hij zes jaar in de Deense hoofdstad Kopenhagen. Een aanzienlijk deel van zijn werk is in (literaire) tijdschriften, kranten en als bloemlezingen, in negentien talen verschenen. Voorts gaf hij nog een tweetal dichtcollages en een aantal kalligrafieën uit alsook diverse vertalingen van Chinese gedichten. Triztán Vindtorn overleed plotseling op 4 maart van dit jaar 66-jarige leeftijd




Linguistic Search Party


death is without logic and only a circle
placed outside another to fix the limit
of the glowing mass of our volcanic lives ..

every thought has its own egg as a hiding place
for shooting stars and breakneck exercises
the core of our pointless leaps into survival ..

the dark cathedral may easily be transformed into amniotic fluid
set free by the moon's quivering fingertips
like flotsam towards all our chained enigmas ..

in the linguistic search for new paintings
the goal is what can save us from point zero
while the trough between the waves drowns out all our cries ..

life's energy discharge and the planet's rotation
are not only remedies against sleep
but against the sound of glass ringing in our throat ..

in order to have the rainbow drip from our armpits
and green sprouts grow out of the lovers' eyes
this brief story is lifted onto a broader plane?

see the human being drag a wing across the earthen floor
and the army of black shoes which hone the corner of the world
back on the wet asphalt lies only a run-over moon




Triztán Vindtorn (31 juli 1942 - 4 maart 2009)





Zie voor onderstaande schrijver ook mijn blog van 31 juli 2008.


Volgens de Franse Wikipedia is de Algerijnse, Franstalige schrijver Ahmed Zitouni geboren op 31 juli 1949 in Saïda, Algerije. Zie ook mijn blog van 31 juli 2007.

De Oostenrijkse schrijver Peter Rosegger
werd geboren op 31 juli 1843 in Alpl, Steiermark. Zie ook mijn blog van 31 juli 2007.



Patrick Modiano, Cherie Priest, Christopher Nolan, Salvador Novo, Emily Brontë, Alexander Trocchi, Pauline van der Lans, Jacques de Kadt

De Franse schrijver Patrick Modiano werd geboren in Boulogne-Billancourt op 30 juli 1945. Zie ook mijn blog van 30 juli 2007 en ook mijn blog van 30 juli 2008.


Uit: Unfall in der Nacht (Vertaald door Elisabeth Edl)  


“Spät in der Nacht, vor sehr langer Zeit, kurz bevor ich volljährig wurde, da überquerte ich die Place des Pyramides in Richtung Concorde, als ein Wagen aus der Dunkelheit auftauchte. Zunächst glaubte ich, er habe mich gestreift, dann spürte ich einen stechenden Schmerz vom Knöchel bis hinauf ins Knie. Ich war auf das Trottoir gestürzt. Doch ich schaffte es, wieder aufzustehen. Der Wagen hatte plötzlich einen Schlenker gemacht und war mit dem Geklirr zerbrechenden Glases gegen einen der Arkadenpfeiler auf dem Platz geprallt. Die Tür ging auf, und eine Frau stieg schwankend aus. Jemand, der vor dem Hoteleingang unter den Arkaden stand, hat uns ins Foyer geführt. Wir, die Frau und ich, warteten auf einem roten Lederkanapee, während er an der Rezeption telephonierte. Sie hatte sich an der Wange, auf dem Backenknochen und der Stirn verletzt, und sie blutete. Ein brünetter Klotz mit sehr kurzem Haar hat das Foyer betreten und ist auf uns zugekommen.
Draußen umringten sie den Wagen, dessen Türen offenstanden, und einer machte sich Notizen wie für ein Protokoll. Als wir in den Streifenwagen stiegen, merkte ich, daß ich keinen Schuh mehr am linken Fuß hatte. Die Frau und ich saßen nebeneinander auf der Holzbank. Der brünette Klotz hatte sich uns gegenüber auf der anderen Bank niedergelassen. Er rauchte und warf von Zeit zu Zeit einen kalten Blick auf uns. Durch das vergitterte Fenster habe ich gesehen, daß wir den Quai des Tuileries hinunterfuhren. Man hatte mir keine Zeit gelassen, den Schuh zu holen, und ich habe gedacht, daß er nun die ganze Nacht dort auf dem Trottoir liegenbleiben würde. Ich wußte nicht mehr genau, ob es ein Schuh war oder ein Tier, das ich im Stich gelassen hatte, jener Hund aus meiner Kindheit, der von einem Wagen überfahren worden war, als ich in der Nähe von Paris lebte, in einer Rue du Docteur-Kurzenne. Mir war ganz wirr im Kopf.




Patrick Modiano (Boulogne-Billancourt, 30 juli 1945)






De Amerikaanse schrijfster Cherie Priest werd geboren in Tampa op 30 juli 1975. Zie ook mijn blog van 30 juli 2007 en ook mijn blog van 30 juli 2008.


Uit: The Immigrant


«"Venez m'aider," he said.

With a jaw like that, so long and underbitten like a boxer dog, you wouldn't have thought he could speak at all. His face wasn't made for talking, but he forced the words out. He said it again, quiet-like.

"Venez m'aider."

I knew what it meant. I didn't know ten words of French total, but I knew those last two, pushed together with an apostrophe, if you wrote them out.

He looked like a cross between a lizard and a cat, or he did when he was sitting, anyway. When he stood and unfolded himself, he was the size of a pillow, maybe — but so slender, with bones so thin they must have been fragile. Something about the way he held that one wing back . . . something about his crouch, all submissive — like a dog or a kid afraid of being hit — it made me think he was a brittle little thing.

He had my attention, and he knew it. I don't know why I thought of him automatically as a he,' but it must have been that voice. It could've been a boy's voice, if that boy were very tired, and maybe sick.

We stared at each other for a minute.

He looked at me through half-closed eyes, and he probably figured the worst. I was a mess, and I looked mean. It'd been less than a month since Normandy. I'd been lucky enough to make it past the beach, then they sent us down through France, which wasn't half so bad — once you got past that initial reception. As soon as we got into Paris they sent me and a few others to dislodge the last of the Germans — the ones who hadn't got the message yet that Paris had been liberated. Most of them had run out ahead of us, but there were a few here and there digging in and holding out.

I thought I'd heard something, you know how it is — down a dark alley, in a beat-up part of the city. Don't want to look. Don't want to check. Don't want to go. Seen enough already.

But orders are orders, so you do it anyhow.

I told myself it was a few stray bricks, falling from an unlucky wall or a shell-battered house. I knew the Krauts hadn't been too hard on the city, not compared to other places. But there were beat-up spots here and there, and I'd found one. I just hoped the spot was unoccupied. That was the trick."





Cherie Priest (Tampa, 30 juli 1975)





De Ierse dichter en schrijver Christopher Nolan werd geboren in Dublin op 30 juli 1965 – Dublin. Nolan was sinds zijn geboorte spastisch verlamd en kon niet spreken. Schrijven kon hij uitsluitend met behulp van een speciale computer. In 1981, toen Nolan 15 jaar was, verraste hij de critici met de gedichtenbundel Dam-Burst of Dreams. Hij werd vergeleken met zijn landgenoten Yeats en James Joyce. Met Under the Eye of the Clock, een autobiografie uit 1987, won hij de Whitbread Award. Torchlight And Lazer Beams was een toneelversie van het werk. De Ierse rockgroep U2 droeg de song Miracle drug, van hun album How to Dismantle an Atomic Bomb, op aan Nolan. De titel The Wrong Child van het album Green van R.E.M. werd door Nolan geïnspireerd. Hij verstikte zich in februari 2009, nadat een stuk voeding in zijn luchtpijp was geraakt.


Uit: The Banyan Tree


“That churn came out once a week, usually on a Friday. Big brown crocks of thickening cream stood there waiting for the fray. A great black kettle watched for its turn as it filibustered on the hot stove in the kitchen, while out in the drab dairy Minnie O'Brien fussed as she made ready to bring about a miracle.
The churn echoed in emptiness when she set it centre stage on the cold cement floor. A round-bellied barrel it was, its staves held together by four iron hoops. Eight days had passed since it was last used; its insides now waited their hot and cold baptism.
When Minnie felt that the churn was scrubbed enough, she set to next to sweeten its porous wood. At hand lay a bunch of freshly plucked hazel leaves, and those she thrust down inside it. Fetching then that big black kettle, she poured its boiling water in on top of the leaves. Scalded so, the leaves released their nutty sweet scent and the hot wood of the churn absorbed it into its druidic, dark drum.
Her hazel wand waved, Minnie disposed of the limp leaves before shocking the churn with, this time, icy cold water from the old spring well. Three white pails full it took to cool down the steaming hot wood, three whole pails full she used to freeze the churn in readiness for its sacramental rotations.”





Christopher Nolan (30 juli 1965 - 20 februari 2009)





De Mexicaanse dichter, schrijver, vertaler, televisiepresentator en ondernemer Salvador Novo werd geboren op 30 juli 1904 in Mexico City. Zie ook mijn blog van 30 juli 2007 en ook mijn blog van 30 juli 2008.





Even now in writing, I’m doing something different.
I told myself: I must write a thoughtful poem
and I should speak within it all my pain
before the evidence of my aging.

I should dampen it in tears
of eyes that see without the hope
that life gives lovely fruits
and that then go to the mirror
to reflect a bogus smile
and a clumsy body without grace.

These eyes that imprison crystals
that tire in the cages
of lines inside books.

This mouth bitter with smoke and lies
that withers on its own from thirst.
These hands that pick up pencils, that reach
for another pair of needy hands,
that knot my tie and secure my confinement.

The cost of youth is a pinch of gold,
tomorrow at the expense of today,
today at the expense of yesterday,
a blessing at the expense of a kiss,
greetings at the expense of bliss.



Vertaald door Rigoberto González






Salvador Novo (30 juli 1904 – 13 januari 1974)






De Engelse schrijfster Emily Brontë werd geboren in Thornton in Yorkshire op 30 juli 1818. Zie ook mijn blog van 30 juli 2006 en ook mijn blog van 30 juli 2007 en ook mijn blog van 30 juli 2008.


Uit: Wuthering Heights


“When he saw my horse's breast fairly pushing the barrier, he did put out his hand to unchain it, and then sullenly preceded me up the causeway, calling, as we entered the court--"Joseph, take Mr. Lockwood's horse; and bring up some wine."
"Here we have the whole establishment of domestics, I suppose," was the reflection suggested by this compound order. "No wonder the grass grows up between the flags, and cattle are the only hedge-cutters."
Joseph was an elderly, nay, an old man: very old, perhaps, though hale and sinewy. "The Lord help us!" he soliloquised in an undertone of peevish displeasure, while relieving me of my horse: looking, meantime, in my face so sourly that I charitably conjectured he must have need of divine aid to digest his dinner, and his pious ejaculation had no reference to my unexpected advent.
Wuthering Heights is the name of Mr. Heathcliff's dwelling. "Wuthering" being a significant provincial adjective, descriptive of the atmospheric tumult to which its station is exposed in stormy weather. Pure, bracing ventilation they must have up there at all times, indeed: one may guess the power of the north wind blowing over the edge, by the excessive slant of a few stunted firs at the end of the house; and by a range of gaunt thorns all stretching their limbs one way, as if craving alms of the sun. Happily the architect had foresight to build it strong: the narrow windows are deeply set in the wall, and the corners defended with large jutting stones.
Before passing the threshold, I paused to admire a quantity of grotesque carving lavished over the front, and especially about the principal door; above which, among a wilderness of crumbling griffins and shameless little boys, I detected the date "1500," and the name "Hareton Earnshaw." I would have made a few comments, and requested a short history of the place from the surly owner; but his attitude at the door appeared to demand my speedy entrance, or complete departure, and I had no desire to aggravate his impatience previous to inspecting the penetralium.”





Emily Brontë (30 juli 1818 - 19 december 1848)






De Schotse schrijver Alexander Trocchi werd geboren op 30 juli 1925 in Glasgow. Zie ook mijn blog van 30 juli 2007  en ook mijn blog van 30 juli 2008.


Uit: Young Adam


“This morning, the first thing after I got out of bed, I looked in the mirror. It is of chromium plated steel and I always carry it with me. My beard had grown during the night and now my checks and my chin were covered with stubble. I must have slept well; my eyes were less bloodshot than they had been during the previous fortnight. I looked at my image for a few moments and I could see nothing strange about it. It was the same nose and the same mouth and the little scar above and thrusting into my left eyebrow was no more obvious than it had been the day before. Nothing seemed out of place. Yet everything was out of place because there existed between the mirror and myself the same distance--the same break in continuity--I have always felt to exist between the acts I committed in the past and my present consciousness of them.

But there is no problem.

I do not ask now whether I am the "I" looking or the image which was seen; whether I am the man who acted or the man who thought about the act. I know now that it is the structure of language itself which lacks continuity. The problem comes into being as soon as I use the word "I." There is no contradiction in things, only in objects, that is, in the words we invent to refer to things. It is the word "I" which is arbitrary and contains within itself its own inadequacy and its own contradiction.

There is no problem.

I saw that. I turned away from the face in the mirror then. Between then and now I have smoked nine cigarettes.

* * * *

It had come floating downstream, willowy, like a tangle of weeds. She was beautiful in a pale way--not her face, although that was not bad--but the way her body seemed to have given itself to the water. Its whole gesture was abandoned, with the long white legs apart and trailing, sucked downwards slightly at the feet.

As I leaned over the side of the barge with the boat hook, I did not think of her as a dead woman, not even when I looked at her face. She was like some beautiful white water-fungus, a strange shining thing come up from the depths, and her limbs and her flesh had the ripeness and maturity of a large mushroom. But it was the hair more than anything. It stranded “






Alexander Trocchi (30 juli 1925 – 15 april 1984)






De Nederlandse schrijfster Pauline van der Lans werd geboren op 30 juli 1963 in Den Haag. Zie ook mijn blog van 30 juli 2008.


Uit: Mevrouw De Wit


‘Kom maar Kimberley! Doe de bal maar naar de buuf gooien!’

Met een klap sluit Mevrouw De Wit de keukendeur. Die stem van dat mens, niet om aan te horen. Ordinair, schel, doorrookt en Nijmeegs. Ze ratst het overgordijn dicht. Alsof dat helpt. ‘Hohohohoh!’ klinkt het mat. ‘Waar is die bal nou?’

Er zit maar een ding op: ze moet haar flat uit. Maakt niet uit waar naartoe. In de verduisterde keuken haalt ze nog even een doekje over het aanrecht en controleert ze of het gas uit is.

In het bushokje ziet ze zichzelf weerspiegelt in een billboardreclame van ‘War Child’ met daarop een tenger meisje in zwarte kleren dat een snaarinstrument vasthoudt. Op de achtergrond rokende puinhopen. Ze laat het beeld van het meisje los en verplaatst haar blik naar zichzelf, zittend op het metalen bankje. Een mollige ‘buuf’ die nodig naar de kapper moet. Volgens de dienstregeling duurt het nog vijf minuten voordat de bus komt. Vijf minuten om na te denken waarom ze zich zo aan haar buurvrouw ergert. Dolores. Ook dat nog. Het is niet alleen die naam, die stem. ‘Tuurlijk niet. Nee, het is een vrolijk mens, ze rookt als een ketter en zuipt als een tempelier. Niet dat mevrouw De Wit daar nou behoefte aan heeft, maar ze zou wel eens wat losser willen zijn, iemand met diepgang en met wie je ook kan lachen. Een kruising tussen prinses Irene en Erica Terpstra. De buschauffeur stempelt haar strippenkaart af.” 





Pauline van der Lans (Den Haag, 30 juli 1963)





Zie voor onderstaande schrijver ook mijn blog van 30 juli 2008.


De Nederlandse publicist, journalist en politicus Jacques de Kadt werd geboren op 30 juli 1897 in Oss. Zie ook mijn blog van 30 juli 2007.




Harry Mulisch, Stanley Kunitz, Chang-Rae Lee, Wolfgang Bittner, Sten Nadolny, Thomas Rosenlöcher, Marja Brouwers, Eyvind Johnson, Michail Zostsjenko, August Stramm

De Nederlandse schrijver Harry Mulisch werd  geboren op 29 juli 1927 in Haarlem. Zie ook mijn blog van 29 juli 2006 en ook mijn blog van 29 juli 2007 en ook mijn blog van 29 juli 2008.


Uit: Aan de Tiber


“Sjofel gekleed trok de vreemdeling op zijn olifant naar het westen, over de Gagra, en dan naar het noorden; vervolgens aanhoudend westwaarts. Hij floot een lied, want daar was reden toe: alles was in orde. Niemand verdacht hem; het was een meesterstukje geweest. Onbekommerd voor achtervolging kon hij reizen, met de diamant in een zakje op zijn borsthuid. Ook Apavahin werd door niemand verdacht. Hij had een huis met vrouwen gekocht en kon in welstand leven zo lang hij wilde. Alleen: van blijdschap geen sprake. Ook die verstarde en onbruikbare hand, waaruit de steen slechts met moeite bevrijd had kunnen worden, was vreemd en te betreuren. Ongeoorloofd diamanten uit nachtelijke tempels halen is geen grappenmakerij, dat was nu weer eens gebleken. Maar hij had er tenminste veel geld voor gekregen, - aanmerkelijk veel meer echter zou híj, de vreemdeling zelf, van Amemti ontvangen. Dat kwam hem toe. Zonder hem zou Apavahin nooit op het idee en de moed zijn gekomen. Hijzelf was anderzijds weer niets zonder Amemti van Alexandrië, die hem immers de mogelijkheden voor zijn arbeid verschafte.

Weken achtereen reisde hij door Voor-Indië, Perzië en Babylonië. Op een namiddag reed hij door een verlaten woestenij van grauw zand, dorre struiken en stilte; het schemerde al; toen was de wereld plotseling bezaaid met rovers en de lucht volgezet met schreeuwen. Van overal flitsten ze tevoorschijn, achter struiken vandaan en uit de grond, waar ze zich met takken hadden gekamoufleerd. Ze sprongen op de olifant, sleurden hem er vanaf, sloegen in zijn gezicht, doorzochten ruw zijn bagage. Tenslotte rukten ze hem de sjofele kleding van het lijf, maar verstarden toen als gesmolten lood in het water, honderd ogen op zijn borst gericht...

O Siddhartha, - Tathagata, - prins en koning! Welke hymne zingen je kleuren? Een zang van trouw en bestendigheid! Over alle eeuwen gaat je glans! Rovers met baarden, afgeslagen armen en te weinig oren verliezen kracht en woorden bij je aanblik!

Nooit zal van je majestueuze waarheid een grein verloren gaan!

Of... Wat is dat? Ze beginnen weer te bewegen, ze schuifelen heen en weer. Is nu hun ontroering al voorbij? Eén kucht en, ja hij grinnikt; anderen giechelen. Dan buigen ze achterover en voorover en stoten een barbaars lachen tevoorschijn, stompen elkaar in de borst, en vallen bulkend op de grond, met hun beentjes in de lucht spartelend van radeloos plezier.”





Harry Mulisch (Haarlem,  29 juli 1927)






De Amerikaanse dichter en vertaler Stanley Jasspon Kunitz werd geboren in Worcester, Massachusetts, op  29 juli 1905. Zie ook mijn blog van 29 juli 2007 en ook mijn blog van 29 juli 2008.



After The Last Dynasty 


Reading in Li Po

how "the peach blossom follows the water"

I keep thinking of you

because you were so much like

Chairman Mao,

naturally with the sex


and the figure slighter.

Loving you was a kind

of Chinese guerilla war.

Thanks to your lightfoot genius

no Eighth Route Army

kept its lines more fluid,

traveled with less baggage

so nibbled the advantage.

Even with your small bad heart

you made a dance of departures.

In the cold spring rains

when last you failed me

I had nothing left to spend

but a red crayon language

on the character of the enemy

to break appointments,

to fight us not

with his strength

but with his weakness,

to kill us

not with his health

but with his sickness.

Pet, spitfire, blue-eyed pony,

here is a new note

I want to pin on your door,

though I am ten years late

and you are nowhere:

Tell me,

are you stillmistress of the valley,

what trophies drift downriver,

why did you keep me waiting?





Stanley Kunitz (29 juli 1905 – 14 mei 2006)






De Koreaans-Amerikaanse schrijver Chang-Rae Lee werd geboren op 29 juli 1965 in Seoel. Zie ook mijn blog van 29 juli 2007 en ook mijn blog van 29 juli 2008.


Uit: Native Speaker


“The day my wife left she gave me a list of who I was.

     I didn't know what she was handing me. She had been compiling it without my knowledge for the last year or so we were together. Eventually I would understand that she didn't mean the list as exhaustive, something complete, in any way the sum of my character or nature. Lelia was the last person who would attempt anything even vaguely encyclopedic.

     But then maybe she herself didn't know what she was doing. She was drawing up idioms in the list, visions of me in the whitest raw light, instant snapshots of the difficult truths native to our time together.

     The year before she left she often took trips. Mostly weekends somewhere. I stayed home. I never voiced any displeasure at this. I made sure to know where she was going, who'd likely be there, the particular milieu, whether dancing or sauna might be involved, those kinds of angles. The destinations were harmless, really, like the farming cooperative upstate, where her college roommate made soft cheeses for the city street markets. Or she went to New Hampshire, to see her mother, who'd been more or less depressed and homebound for the last three years. Once or twice she went to Montreal, which worried me a little, because whenever she called to say she was fine I would hear the sound of French in the background, all breezy and gutteral. She would fly westward on longer trips, to El Paso and the like, where we first met ten years ago. Then at last and every day, from our Manhattan apartment, she would take day trips to any part of New York City, which she loved and thought she would never leave.”





Chang-Rae Lee (Seoel, 29 juli 1965)






De Duitse schrijver Wolfgang Bittner werd geboren op 29 juli 1941 in Gleiwitz, Oberschlesien (tegenwoordig Gliwice, Polen). Zie ook mijn blog van 29 juli 2007 en ook mijn blog van 29 juli 2008.


Uit: Das andere Leben


Das Land lag in der glühenden, lebenspendenden und kraftverzehrenden Sonne, die weder Erklärung noch Rechtfertigung bedurfte. Olivenhaine, unterbrochen von einzelnen himmelwärts strebenden Zypressen, zogen sich die Hänge hinauf, an denen hier und da Terrassen angelegt waren; weiter hinten trockene, felsige Berge. Die Häuser des Dorfes bestanden aus Bruchsteinmauern und lehmfarbenen Ziegeldächern (…)
„Ein hübscher, freundlicher Platz", sagte die Frau.
„Ja", erwiderte er, „es tut gut, endlich im Schatten zu sitzen. Mal sehen, welche Gaumenfreuden uns hier erwarten." Er studierte die Speisekarte.
Offensichtlich waren sie ein Ehepaar, denn sie gingen sehr vertraut miteinander um. Wie Menschen, die sich seit langem kennen und nichts Neues mehr voneinander erwarten, deswegen aber auch nicht unzufrieden sind (…)
Eines dieser schrecklich lauten Motorräder, die von Touristen gemietet werden konnten, bog aus einer Gasse auf den Platz und verstummte erfreulicherweise. Ein noch jüngerer Mann in Bermudashorts mit offenem Hemd, Gesicht, Arme und Beine sonnenverbrannt, kam herangeschlendert …”




Wolfgang Bittner (Gliwice, 29 juli 1941)






De Duitse schrijver Sten Nadolny werd geboren op 29 juli 1942 in Zehdenick an der Havel. Zie ook mijn blog van 29 juli 2007 en ook mijn blog van 29 juli 2008.


Uit: Er oder Ich


"6. August, früher Nachmittag, auf dem S-Bahnsteig in Halensee. Ein etwas zu langer Blick in meine Augen, zwei junge Leute scheinen mich erkannt zu haben. Ich beachte sie nicht und beginne mit meinen Notizen. (Kein Wort über Wirtschaft und Politik!)Jenseits der Gleise wird in einer Drehtrommel Kies gewaschen. Aus großen Haufen schmutzigen Gerölls wird brauchbarer Schotter, ein verständlicher und produktiver Vorgang, eine Gebetsmühle mit Resultat. Was wäre, wenn dabei Gold anfiele? Lustloses Grübeln über den Goldpreis. Hier mein Filzstift, hier das erste der rasch noch gekauften sechs Schreibhefte, es ist aufgeschlagen und der Länge nach in der Mitte gefalzt, damit es in die Jacken- oder Hemdtasche paßt. Der Filzstift ist ungeeignet. Seine Schrift färbt durch, bei feuchtem Papier sowieso, ich schwitze zu sehr. Ich kann jedes Blatt nur von einer Seite beschriften. Vielleicht sollte ich das Heft ins Außenfach des 'Pilotenkoffers' stecken. Ein unpraktisches Ding aus starr em Kunststoff, ich habe es, fürchte ich, seiner Bezeichnung wegen gekauft. Am 6. August 1996 stellte ein großer, schwerer, vor Anstrengung schwitzender Mann im S-Bahnhof Halensee zwei Koffer auf den Bahnsteig. Er legte seine Rechte ins Kreuz, richtete sich ächzend auf, blinzelte in die Nachmittagssonne und ähnelte dabei, das war ihm nur zu klar, dem Bild des durstigen Dicken in einer Reklame für Dosenbier. Als Wartende ihn starr anlächelten, blickte er unwirsch weg. Jenseits der Gleise leierte eine Art Kieswaschmaschine, der Mann starrte hinüber, das Geräusch schien ihn zu beruhigen. Er wischte mit dem Handrücken Schweiß von der Stirn, zog aus der rechten Innentasche seines Jacketts ein längs zusammengefaltetes blaues Schulheft, dann aus einer anderen Tasche einen Filzstift, und wollte etwas aufschreiben. Das Heft war feucht geworden, er fand erst weiter innen ein trockenes Blatt, auf dem sich Notizen machen ließen. Immer wieder blickte er in beide Richtungen, aus denen ein Zug kom men konnte, schien sich also zwischen Süden und Norden noch nicht entschieden zu haben. Dann befiel ihn erneut Unruhe, er beugte sich zu den Koffern, tastete in den Außentaschen des kleineren, öffnete den größeren, ohne diesen aber flachzulegen, wodurch Krawatten, Gürtel und Hemdsärmel herausdrängten.”





Sten Nadolny (Zehdenick an der Havel, 29 juli 1942)







De Duitse dichter en schrijver Thomas Rosenlöcher werd geboren op 29 juli 1947 in Dresden. Zie ook mijn blog van 29 juli 2007 en ook mijn blog van 29 juli 2008.


Uit: Wie ich in Ludwig Richters Brautzug verschwand



Wer als Dresdner in der Welt etwas werden will, muß rechtzeitig die Stadt verlassen. Allein schon des Sandsteins wegen, der nach den Worten eines, der die Stadt auch verließ, alles weich macht, was hier aufwächst. Und was sich im milden Klima, unterhalb sachter Hügelketten, entlang des auch nicht gerade stürmisch auftretenden Flusses, eines besonders nachgiebigen, sprich: babbschen Idioms bedient, des sogenannten Sandsteinsächsisch, das, kaum im Mund des Sprechers geformt, sich seinerseits den Sprecher formt.

Doch muß einer denn in der Welt etwas werden, wenn Härte die Voraussetzung ist? Bedeutet es nicht ein tieferes Lächeln, als runder Puttenhintern auf der Zwingerbalustrade im Ansturm der Verhältnisse ein wenig Sand rieseln zu lassen? Besser weich in Dresden als in der Welt Granit.






Thomas Rosenlöcher (Dresden, 29 juli 1947)







De Nederlandse schrijfster Marja Brouwers werd geboren op 29 juli 1948 in Bergen op Zoom. Zie ook mijn blog van 29 juli 2007.


Uit: Casino


“Tot de dag waarop hij Philip van Heemskerk ontmoette had zich in het leven van Rink de Vilder nog nooit iets voorgedaan waarbij zijn persoonlijke kwaliteiten ongestraft tot hun recht konden komen.
Een samenvatting van zijn hieraan voorafgaand curriculum vitae kan dan ook niet kort genoeg zijn. Hij werd geboren bij zonsopgang op 17 oktober 1962 in Den Haag, toen daar hoofdzakelijk de enigszins deprimerende saaiheid heerste van een hofstad in verval. Zijn ouders noemden hem Richard, een naam waarvan de twee Germaanse componenten respectievelijk ‘rijk’ en ‘moedig’ betekenen, maar al gauw werd het kortaf ‘Rink’ en dat betekende vrijwel niets meer. Rink liet zich kennen als een beweeglijk jongetje met een aangeboren neiging tot botsen en breken. Voor hij leerde lopen, was hij al driemaal van de aankleedtafel gevallen. Na zijn eerste halfuur in de onvermijdelijke box brak hij twee spijlen en verdween ermee door de openstaande balkondeuren naar de tuin. In de zandbak bij de kleuterschool timmerde hij andere jongetjes met zandschepjes op het hoofd. Hij stapte over op het breken van ruiten, het slopen van fietsen en het mikken van katapultsteentjes op de pantograaf van de tram, tot hij ten slotte in zijn eerste jaar op het Gymnasium Haganum met een vanaf de binnenplaats de hal in geschoten voetbal een apocalyptische hybride van Hercules en Paris feilloos wist te onthoofden. De kop viel in gruzelementen en zijn vader moest een nog raarder, nieuw gezicht voor het beeld betalen.
Hierna hield hij de ruimtelijke ordening van mens en wereld even voor gezien en zette hij zich aan het bijeengaren van een opleiding. Hij deed eindexamen in negen vakken met acht afgeronde zessen en een vijf, werkte een half jaar als koerier voor Europarcels en maakte een reis door Australië tot zijn geld op was. Toen schreef hij zich in voor een studie sociologie aan de Universiteit van Amsterdam.”





Marja Brouwers (Bergen op Zoom, 28 juli 1948)






De Zweedse schrijver Eyvind Olof Verner Johnson werd geboren in Svartbjörsbyn bij Boden op 29 juli 1900.  Eyvind Johnson kreeg de Nobelprijs voor de Literatuur in 1974 samen met Harry Martinson. Hij kreeg de prijs voor zijn boek Romanen om Olof (De Roman over Olof). De roman beschrijft hoe het is om op te groeien als tot een jongeman in Norrland in de jaren 1900. Eyvind zelf groeide op in Björkelund bij Boden in Norrbottens län in Zweden, waar zijn geboortehuis nog staat.


Uit: Träume von Rosen und Feuer (Vertaald door Walter Lindenthal)


„Sie heulten förmlich auf, als ich mich direkt an sie wandte. Ich hatte nicht gewusst, dass die Sprache der Dämonen so grob ist [...]
Die Frauen heulten auf mich ein. Sie rissen sich die Hauben ab und entblößten ihr Haar, dies schwarze, graumelierte oder helle, wehende, schweißdurchnässte Frauenhaar. Als ich ihr Haar sah, fühlte ich wieder Verlockung. Sie rissen ihre Kleider entzwei. Wir dachten alle: Das sind die Dämonen, die mit Hilfe der besessenen Hände die Kleider von den Frauenleibern reißen. Sie zerfetzten die Kleider. Die unbedeckten straffen oder schlaffen Frauenbrüste wurden mir zugekehrt, und ich erinnere mich, dass ich dachte: Jetzt sehe ich das wahre Gesicht dieser Frauen. Sie zeigten ihre Beine und Schenkel, sie wanden sich in wunderlichen Stellungen, die von wildem Begehren zeugten, von toller Lust. Sie berührten ihre Brüste und ihren Unterleib, als wollten sie Brüste und Schoß zu mir emporheben. Ich empfand Schreck und Ekel, aber in meinem Schreck und Abscheu lag doch auch eine gewisse Befriedigung: eine Art Lust.
Immer wieder versuchte ich, den Frauen zuzurufen: "Ich bin unschuldig!" Sie hörten mich nicht, und in meinem Herzen und Körper fühlte ich, dass ich nicht unschuldig war.“





Eyvind Johnson (29 juli 1900 - 25 augustus 1976)






De Russische schrijver Michail Michailovitsj Zostsjenko werd  geboren in Sint-Petersburg op 29 juli 1895. Zosjtsjenko was lid van de in 1921 opgerichte Serapionbroeders, een literaire groep. Zijn in 1943 gedeeltelijk in het tijdschrift Oktjabr verschenen boek Voor zonsondergang leidde ertoe dat hij uit de gratie viel bij de CPSU nadat Andrej Zjdanov het bekritiseerde. Zijn werken mochten niet meer gedrukt worden en vanaf 1946 mocht hij helemaal niet meer publiceren. Pas na de dood van Stalin in 1953 werd hij gerehabiliteerd. Hierdoor kon in 1956, twee jaar voor zijn dood, nog een band met verzameld werk worden uitgegeven.


Uit: Het naamfeest (Vertaald door Kristien Warmenhoven)


“Het is avond. Ik loop naar huis. Ik ben neerslachtig.
„Hé student!” roept iemand.
Het is een vrouw. Ze is zwaar opgemaakt. Ze draagt een hoed met veer, waaronder een alledaags gezicht schuilgaat met uitstekende jukbeenderen en dikke lippen.
Ik kijk haar fronsend aan en wil doorlopen, maar de vrouw zegt met een verlegen glimlach: „Het is vandaag mijn naamdag… Kom je bij me theedrinken?”

Ik antwoord: „Het spijt me, ik heb geen tijd.”
„Ik ga met iedereen mee die me vraagt”, zegt de vrouw, „maar vandaag vier ik mijn naamdag. Ik heb besloten zelf iemand uit te nodigen. Zeg alsjeblieft geen nee.”
We lopen een donkere trap op, vol katten, en komen in een kleine kamer.

Op tafel een samowar, noten, jam en broodjes.
We drinken thee in stilte. Ik weet niets te zeggen. En zij is verlegen met mijn zwijgen.

„Heeft u dan helemaal niemand - geen vrienden of familie?”
„Nee”, zegt ze. „Ik ben hier vreemd, ik kom uit Rostov.”
Als ik mijn thee op heb, trek ik mijn jas aan en wil vertrekken.

„Zie je niks in me?” zegt ze.
Ik ben geamuseerd. Ik vind haar niet onaantrekkelijk. Ik kus haar dikke lippen ten afscheid. En zij vraagt me: „Kom je nog eens terug?”

Ik loop het trapportaal op. Misschien moet ik onthouden waar ze woont. In het donker tel ik hoeveel treden het zijn tot haar deur. Zal ik een lucifer aansteken en kijken wat het huisnummer is? Nee, het is niet de moeite waard. Ik kom hier nooit meer terug.”






Michail  Zostsjenko (10 augustus 1895 – 22 juli 1958)






De Duitse dichter en toneelschrijver August Stramm werd geboren op 29 juli 1874 in Münster, Westfalen. Zie ook mijn blog van 29 juli 2007.




Plantschet streif das Blut des Himmels
Denken schicksalt
Tode zattern und verklatschen
Sterne dünsten
Scheine schwimmen
Wolken greifen fetz das Haar








Der Körper schrumpft den weiten Rock
Der Kopf verkriecht die Beine
Würgt die Flinte
Knattern schrillen
Knattern hieben
Knattern stolpern
Der Blick
Die Hände spannen Klaren.
Das Trotzen ladet.
Wollen äugt
Stahler Blick







August Stramm (29 juli 1874 – 1 september 1915)



Tachtig jaar Remco Campert, Malcolm Lowry, Shahyar Ghanbari, Angélica Gorodischer, Gerard Manley Hopkins, Stephan Sanders, Drew Karpyshyn, John Ashbery, Collin Higgins, Józef Ignacy Kraszewski

Remco Campert tachtig jaar


De Nederlandse dichter schrijver Remco Campert werd op 28 juli 1929 in Den Haag geboren. Dais is dus vandaag precies tachtig jaar geleden. Zie ook mijn blog van 28 juli 2006 en ook mijn blog van 28 juli 2007 en ook mijn blog van 28 juli 2008.




Antwerps meisje


Het was laat in de avond
regen in lamplicht gevangen
sloeg neer op het macadam
van de Mechelsesteenweg
je had een offwhite jurkje aan
ik schatte je op vijftien
je liep langs de straat
waar ook ik overging
auto's passeerden remden af
reden weer verder
je vroeg de weg naar de Muze
café waar Ferre optrad
Ferre Grignard de zanger van jouw lied
zijn stem die op de radio geklonken had
en waarheen je nu op weg was
'volg de tramrails maar
dan vind je hem vanzelf'
en ik onnnozelaar liet je gaan

Antwerps meisje
dat ik in mijn hart draag
wat heb ik toch gedaan
met mijn leven





Elementen voor een gedicht


As en ijs:
het is dinsdag en winter.
Zalen vol verkouden moeders
bespreken de voordelen van vet.
De dikke man, in tabak of textiel,
kauwt op zijn sigaar, vloekt op een fietser.
De wind, kaal als een geschoren rat,
rent langs de huizen,
knabbelt aan de kranten,
de vuilnisbakken, de rokken
van kleine meisjes.
De stad is gelukkig tezamen,
sneeuwbal in een jongenshand.
Niets hoort bij alles hoort bij niets.
Zeven kraaien vliegen
in de rijpe winterlucht.
In dunne kratten mooie ronde rode appels,
in sleetse mouwen van slag geraakte polshorloges.
As op de stoepen, ijs langs de wegen,
zeven kraaien in de lucht






Niet te geloven


Niet te geloven
dat ik knaap nog
een vers schreef over de
zilverwitheid van een berkestam

en om mij heen
grootse dronkenschap
van de bevrijding:
het water was whisky geworden.

Alles zoop en naaide,
heel Europa was een groot matras
en de hemel het plafond
van een derderangshotel.

En ik bedeesde jongeling
moest nodig
de reine berk bezingen
en zijn bescheiden bladerpracht.






Remco Campert  1960
Remco Campert (Den Haag, 28 juli 1929)

Campert in 1960







De Engelse dichter, verhalen- en romanschrijver Malcolm Lowry werd geboren 28 juli 1909 in Birkenhead Merseyside. Zie ook mijn blog van 28 juli 2007 en ook mijn blog van 28 juli 2008.


Uit: Under the Volcano


Two mountain chains traverse the republic roughly from north to south, forming between them a number of valleys and plateaus. Overlooking one of these valleys, which is dominated by two volcanoes, lies, six thousand feet above sea level, the town of Quauhnahuac. It is situated well south of the Tropic of Cancer, to be exact on the nineteenth parallel, in about the same latitude as the Revillagigedo Islands to the west in the Pacific, or very much further west, the southernmost tip of Hawaii-and as the port of Tzucox to the east on the Atlantic seaboard of Yucatan near the border of British Honduras, or very much further east, the town of Juggernaut, in India, on the Bay of Bengal.

The walls of the town, which is built on a hill, are high, the streets and lanes tortuous and broken, the roads winding. A fine American-style highway leads in from the north but is lost in its narrow streets and comes out a goat track. Quauhnahuac possesses eighteen churches and fifty-seven cantinas. It also boasts a golf course and no less than four hundred swimming pools, public and private, filled with the water that ceaselessly pours down from the mountains, and many splendid hotels.

The Hotel Casino de la Selva stands on a slightly higher hill just outside the town, near the railway station. It is built far back from the main highway and surrounded by gardens and terraces which command a spacious view in every direction. Palatial, a certain air of desolate splendour pervades it. For it is no longer a Casino. You may not even dice for drinks in the bar. The ghosts of ruined gamblers haunt it. No one ever seems to swim in the magnificent Olympic pool.The springboards stand empty and mournful. Its jai-alai courts are grass-grown and deserted. Two tennis courts only are kept up in the season.

Towards sunset on the Day of the Dead in November, 1939, two men in white flannels sat on the main terrace of the Casino drinking anis. They had been playing tennis, followed by billiards, and their racquets, rainproofed, screwed in their presses-the doctor's triangular, the other's quadrangular-lay on the parapet before them. As the processions winding from the cemetery down the hillside behind the hotel came closer the plangent sounds of their chanting were borne to the two men; they turned to watch the mourners, a little later to be visible only as the melancholy lights of their candles, circling among the distant, trussed cornstalks. Dr. Arturo Diaz Vigil pushed the bottle of Anis del Mono over to M. Jacques Laruelle, who now was leaning forward intently.”







Malcolm Lowry (28 juli 1909  - 26 juni 1957)






De Iraanse dichter, songwriter en zanger Shahyar Ghanbari werd geboren op 28 juli 1950 in Teheran. Shahyar is de zoon van de Iraanse acteur en zanger Hamid Ghanbari. Hij schrijft en zingt in het Farsi, het Engels en het Frans. Hij schrijft en componeert ook voor anderen, zoals Farhad Mehrad, Dariush Eghbali, Helen, Leila Forouhar, Googoosh, Ebi and Sattar. Hij woont tegenwoordig in Los Angeles.






Blue of the sea is forbidden
The desire to see, is forbidden
The love between two fish is forbidden
Alone and together is forbidden


To have a new love, you should not ask permission
To have a new love, you should not ask permission


Whispering and murmuring is forbidden
Dancing of the shadows is forbidden
Discovering the stolen kisses,
In the middle of your dream is forbidden


To have a new dream, you should not ask permission
To have a new dream, you should not ask permission


In this homely exile
Write the simplest poems
Say what you have to say
Say long live life,
Say long live life


To write a new poem, you should not ask permission
To write a new poem, you should not ask permission


To write about you, is forbidden
Even to complain is forbidden
The fragrance of a woman, is forbidden
You are forbidden, I am forbidden!


To start a new day, you should not ask permission
To start a new day, you should not ask permission






Shahyar Ghanbari
Shahyar Ghanbari (Teheran, 28 juli 1950)








De Argentijnse schrijfster Angélica Gorodischer werd geboren in Buenos Aires op 28 juli 1928. Zij bezocht het gymnasium en studeerde daarna aan een studie letteren die zij echter niet afmaakte. In 1988 kreeg zij een beurs waarmee zij aan de University of Iowa kon studeren. In 1998 kreeg zij de prijs van de Sociedad Argentina de Escritores (SADE) voor de beste roman door een vrouw geschreven.


Uit: Portrait of the Emperor (Vertaald door Ursula K. Le Guin)


“And the play-lover will go off happy, whistling, his hands in his pockets, his heart light, and maybe before he reaches the doors of the great throne room he’ll hear the emperor shouting after him, promising to come in person to the opening of the theater, and the lord counselor clicking his tongue in disapproval of such a transgression of protocol.Well, well, I’ve let words run away with me, something a storyteller should take care to avoid; but I’ve known fear, and sometimes I need to reassure myself that there’s nothing to fear any more, and the only way I have to do that is by the sound of my own words. Now, back to what I was getting at when I began we all now have the right to use as if it were our own house, which it is—in that palace, in the south wing, in a salon that looks out on a very pretty hexagonal garden, there’s a shapeless heap of dusty, dirty old stones. Everywhere else in the building you’ll see carpets, furniture, mirrors, paintings, musical instruments, cushions and porcelains, flowers, books, plants in vases and in pots. There, nothing of the kind. The room’s empty, bare, and the marble flags don’t even cover the whole floor, but leave an area of beaten earth in the middle, where the stones are piled up. There’s nothing secret or forbidden about it, but many of you, looking for the way out, or a quiet place to sit down and rest and eat the sandwich you brought in your backpack, will have opened the door of that room and asked yourself what on earth that heap of grey rocks was doing in such a well-kept, clean, cheerful palace. Well, well, my friends, I’m going to tell you why there are storytellers in the world: not for frivolities, though we may sometimes seem frivolous, but to answer those questions we all ask, and not as the teller, but as the hearer.”





Angélica Gorodischer (Buenos Aires, 28 juli 1928)








De Engelse dichter en Jezuïet Gerard Manley Hopkins werd geboren op 28 juli 1844 in Stratford, Essex. Zie ook mijn blog van 28 juli 2007 en ook mijn blog van 28 juli 2008.



At the Wedding March


 GOD with honour hang your head, 

Groom, and grace you, bride, your bed 

With lissome scions, sweet scions, 

Out of hallowed bodies bred. 


Each be other’s comfort kind:         

Déep, déeper than divined, 

Divine charity, dear charity, 

Fast you ever, fast bind. 


Then let the March tread our ears: 

I to him turn with tears         

Who to wedlock, his wonder wedlock, 

Déals tríumph and immortal years






The Starlight Night


LOOK at the stars! look, look up at the skies! 

  O look at all the fire-folk sitting in the air! 

  The bright boroughs, the circle-citadels there! 

Down in dim woods the diamond delves! the elves’-eyes! 

The grey lawns cold where gold, where quickgold lies!        

  Wind-beat whitebeam! airy abeles set on a flare! 

  Flake-doves sent floating forth at a farmyard scare!— 

Ah well! it is all a purchase, all is a prize. 

Buy then! bid then!—What?—Prayer, patience, aims, vows. 

Look, look: a May-mess, like on orchard boughs!         

  Look! March-bloom, like on mealed-with-yellow sallows! 

These are indeed the barn; withindoors house 

The shocks. This piece-bright paling shuts the spouse 

  Christ home, Christ and his mother and all his hallows.






‘Thee, God, I come from, to thee go’


THEE, God, I come from, to thee go, 

All day long I like fountain flow 

From thy hand out, swayed about 

Mote-like in thy mighty glow. 


What I know of thee I bless,         

As acknowledging thy stress 

On my being and as seeing 

Something of thy holiness. 


Once I turned from thee and hid, 

Bound on what thou hadst forbid;        

Sow the wind I would; I sinned: 

I repent of what I did. 


Bad I am, but yet thy child. 

Father, be thou reconciled. 

Spare thou me, since I see        

With thy might that thou art mild. 


I have life before me still 

And thy purpose to fulfil; 

Yea a debt to pay thee yet: 

Help me, sir, and so I will.        


But thou bidst, and just thou art, 

Me shew mercy from my heart 

Towards my brother, every other 

Man my mate and counterpart.

   .   .   .   .   .   .   .   .







Gerard Manley Hopkins (28 juli 1844 – 8 juni 1889)







De Nederlandse schrijver, columnist, presentator en essayist Stephan Sanders werd geboren in Haarlem op 28 juli 1961. Zie ook mijn blog van 28 juli 2008.


Uit: Duurzame lust (column)


“Maar in alle relaties komt het voor: bij lesbo’s, homo’s en hetero’s. Er is liefde, er is verbondenheid, maar in het aardigste geval wordt de seks plichtmatig en huishoudelijk, in het slechtste een rariteit, iets dat onwezenlijk is en vreemd, juist met degene die je liefhebt.
En ondertussen lezen we in al die flutblaadjes dat het gemiddelde stel het 2,9 maal per week doet, en wordt de schaamte alleen maar groter. Houdt hij wel genoeg van mij? Geef ik wel genoeg om hem?
De rationalisten onder ons zeggen tegen zichzelf: ‘We worden tegenwoordig te oud, we zijn niet gebouwd op zeer langdurige monogamie.’ Mooie analyse, en wat dan? We zijn ook niet gebouwd op een fikse verhouding ernaast, want dan steekt toch de jaloezie de kop op.
Elkaar vrijlaten, seksueel? Homo’s doen het vaak, en helemaal niet slecht. Elkaar loslaten, helemaal? Hetero’s doen het vaak, en noemen het een echtscheiding.
En ik ken mijn eigen kwalen. Zo geconditioneerd, dat seks en lust voor mij met spanning te maken hebben, met onbekende lichamen op de meest onmogelijke plekken. Ik ben daar niet trots op, ik beschouw het als mijn luie Zelf.
Het moet toch mogelijk zijn om lust en opwinding ook langdurig te combineren met degene met wie je de afwasmachine deelt? Ik denk er wel eens over die hele afwasser het huis uit te sodemieteren, als het zou helpen, maar de vraag is natuurlijk: hoe kunnen we een seksuele intimiteit in stand houden, die niet per se acrobatisch hoeft te zijn, maar wel duurzaam?”





Stephan Sanders (Haarlem, 28 juli 1961)







De Canadese schrijver Drew Karpyshyn werd geboren op 28 juli 1971 in Edmonton. Zie ook mijn blog van 28 juli 2007 en ook mijn blog van 28 juli 2008.


Uit: Star Wars: Darth Bane: Rule of Two


„Peace is a lie. There is only passion. Through passion, I gain strength. Through strength, I gain power. Through power, I gain victory. Through victory, my chains are broken. The Code of the Sith
Darth Bane, the only Sith Lord to escape the devastation of Kaan’s thought bomb, marched quickly under a pale yellow Ruusan sun, moving steadily across the bleak, war-torn landscape. He was two meters tall, and his black boots covered the ground in long, sweeping strides, propelling his large, powerfully muscled frame with a sense of urgent purpose. There was an air of menace about him, accentuated by his shaved head, his heavy brow, and the dark intensity of his eyes. This, even more than his forbidding black armor or the sinister hook-handled lightsaber dangling from his belt, marked him as a man of fearsome power: a true champion of the dark side of the Force.
His thick jaw was set in grim determination against the pain that flared up every few minutes at the back of his bare skull. He had been many kilometers away from the thought bomb when it detonated, but even at that range he had felt its power reverberating through the Force. The aftereffects lingered, sporadic bursts shooting through his brain like a million tiny knives stabbing at the dark recesses of his mind. He had expected these attacks to fade over time, but in the hours since the blast, their frequency and intensity had steadily increased.





Drew Karpyshyn (Edmonton, 28 juli 1971)






De Amerikaanse dichter en schrijver John Ashbery werd geboren op 28 juli 1927 in Rochester. Zie ook mijn blog van 28 juli 2007.



Just Walking Around 


What name do I have for you?

Certainly there is not name for you

In the sense that the stars have names

That somehow fit them. Just walking around,


An object of curiosity to some,

But you are too preoccupied

By the secret smudge in the back of your soul

To say much and wander around,


Smiling to yourself and others.

It gets to be kind of lonely

But at the same time off-putting.

Counterproductive, as you realize once again


That the longest way is the most efficient way,

The one that looped among islands, and

You always seemed to be traveling in a circle.

And now that the end is near


The segments of the trip swing open like an orange.

There is light in there and mystery and food.

Come see it.

Come not for me but it.

But if I am still there, grant that we may see each other.





John Ashbery (Rochester,  28 juli 1927)






Zie voor onderstaande schrijvers ook mijn blog van 28 juli 2007.


De Australische schrijver, regisseur en draaiboekauteur Colin Higgins werd geboren op 28 juli 1941 in Nouméa, Nieuw Caledonië.


De Poolse schrijver Józef Ignacy Kraszewski werd geboren op 28 juli 1812 in Warschau.



In Memoriam Michaël Zeeman

In Memoriam  Michaël Zeeman



De Nederlandse dichter, schrijver, journalist en literair criticus Michaël Zeeman is maandagavond op 50-jarige leeftijd overleden aan een hersentumor. Zie ook mijn blog van 18 september 2008. Voor een uitgebreid herdenkingsartikel zie de Volkskrant.




Halverwege, de dood


Tot gisteren waren wij even oud, zij en ik.

Nu sta ik hier en ligt zij daar, koud, zij -

en ik bezweet van zomer, haast en gêne.


Zij lijkt een beetje op een zonnebloem:

gebruind gezicht, blonde haren,

nog lang niet uitgebloeid, toch geknakt.


Zij ligt voor schut; slaap noch diepe rust.

Niet stuk, niet beschadigd, niet ziek:

kan nog heel goed bloeien in een vaas.


Bij alle zinnen moet nu nagedacht, de tijd

verspringt een klinker. Ik ben al uren ouder.



Halverwege, de dood

Er verstreek geen week of wij spraken

de doodstille nacht aan, vonden blindelings

code en toon. Ik sprak over lezen en leven,

ik hoorde van het verre voortbestaan -


’t was avond, ’t was laat, een zacht zoemen

opende verten, kamers die ik kende, een stoel

waarin ik zat, een glas waaruit ik dronk,

al in geen honderd jaar is afstand een bezwaar.


Mijn lieve kalme vriend, wie heeft dat ene wel

heel onbenullige adertje in jouw nog lang niet grijze kop

kapot geprikt, die dunne wand gescheurd en al dat

doodgemoedereerde bloed door jouw hersens


heen gejaagd, je liefde en je kalmte verzopen

tot een hopeloze black pudding, die had ik niet besteld?


Een man stierf op een donderdag in mei,

rond middernacht. Zijn lijk lag onderaan

de trap en lag daar al toen ik die nacht

mijn laptop afsloot en mijn glas vol schonk.


Het duurde maanden. Omstreeks dat trouwe uur

klonk in zijn lege almaar kouder wordend huis

dat vriendelijke en uitnodigende, nieuwsgierig makende -

want geen zee en geen hemel, geen dalen nabij.


Ik wil een toestel in zijn graf, dat bel ik dan,

zodat, al kan hij niet meer spreken, hij weet

dat ik hem spreken moet. De wormen die hem slopen

een maal per dag aan het schrikken maken kan.








Michaël Zeeman (18 september 1958 – 27 juli 2009)



Hilde Domin, Michael Longley, Theodore Dreiser, Marijke Höweler, Julien Gracq, Hilaire Belloc, Vladimir Korolenko, Lafcadio Hearn, Rajzel Zychlinsk, Denis Davydov, Alexandre Dumas fils

De Duitse schrijfster, dichteres en vertaalster Hilde Domin werd geboren in Keulen als Hilde Löwenstein op 27 juli 1909. Zie ook mijn blog van 27 juli 2006 en ook mijn blog van 27 juli 2007 en ook  mijn blog van 27 juli 2008.






Wir sind Fremde
von Insel
zu Insel.
Aber am Mittag, wenn uns das Meer
bis ins Bett steigt
und die Vergangenheit
wie Kielwasser
an unsern Fersen abläuft
und das tote Meerkraut am Strand
zu goldenen Bäumen wird,
dann hält uns kein Netz
der Erinnerung mehr,
wir gleiten
und die abgesteckten
Meerstraßen der Fischer
und die Tiefenkarten
gelten nicht
für uns.







Wir gehen
jeder für sich
den schmalen Weg
über den Köpfen der Toten
- fast ohne Angst -
im Takt unsres Herzens,
als seien wir beschützt,
solange die Liebe
nicht aussetzt.


So gehen wir
zwischen Schmetterlingen und Vögeln
in staunendem Gleichgewicht
zu einem Morgen von Baumwipfeln
- grün, gold und blau -
und zu dem Erwachen
der geliebten Augen.






Alle meine Schiffe


Alle meine Schiffe
haben die Häfen vergessen
und meine Füße den Weg.
Es wird nicht gesät und nicht geerntet
denn es ist keine Vergangenheit
und keine Zukunft,
kaum eine Bühne im Tag.
Nur der kleine
zärtliche Abstand
zwischen dir und mir,
den du nicht verminderst.








Hilde Domin (27 juli 1909 -  22 februari 2006)







De Ierse dichter Michael Longley werd geboren op 27 juli 1939 in Belfast. Zie ook mijn blog van 27 juli 2007 en ook  mijn blog van 27 juli 2008.




When he found Laertes alone on the tidy terrace, hoeing

Around a vine, disreputable in his garden duds,

Patched and grubby, leather gaiters protecting his shins

Against brambles, gloves as well, and, to cap it all,

Sure signs of his deep depression, a gostskin duncher,

Odysseus sobbed in the shade of a pear-tree for his father

So old and pathetic that all he wanted then and there

Was to kiss him and hug him and blurt out the whole story,

But the whole story is one catalogue and then another,

So he waited for images from that formal garden,

Evidence of a childhood spent traipsing after his father

And asking for everything he saw, the thirteen pear-trees,

Ten apple-trees, forty fig-trees, the fifty rows of vines

Ripening at different times for a continuous supply,

Until Laertes recognised his son and, weak at the knees,

Dizzy, flung his arms around the neck of great Odysseus

Who drew the old man fainting to his breast and held him there

And cradled like driftwood the bones of his dwindling father.







For Raymond Piper




Pushing the wedge of his body

Between cromlech and stone circle,

He excavates down mine shafts

And back into the depths of the hill.


His path straight and narrow

And not like the fox's zig-zags,

The arc of the hare who leaves

A silhouette on the sky line.


Night's silence around his shoulders,

His face lit by the moon, he

Manages the earth with his paws,

Returns underground to die.







Michael Longley (Belfast, 27 juli 1939)






De Amerikaanse schrijver Theodore Herman Albert Dreiser werd geboren op 27 juli 1871 in Sullivan, Indiana. Zie ook mijn blog van 27 juli 2007 en ook  mijn blog van 27 juli 2008.


Uit: The Last Titan (Biografie door Jerome Loving)


“Whitman is the true precursor of American literature in the twentieth century, but he wrote poetry instead of prose—many denied it even the claim to poetry—which kept it out of general circulation among popular readers during his lifetime. But Sister Carrie was a novel, a genre more accessible to the average reader, especially women, who made up the great majority of American readers at the end of the nineteenth century. One of them was allegedly Mrs. Frank Doubleday.

Dreiser probably began Sister Carrie in late September of 1899, shortly after returning to New York City. Henry returned, too, again leaving Maude and Dottie behind, to resume for the next month or so his residence with the Dreisers, and he either continued or began to write A Princess of Arcady. While Henry imagined a conventional romance in which the heroine is sent to a convent school to preserve her innocence until the proper time for marriage, Dreiser began his own fable about an American princess, “two generations removed from the emigrant,” who rules only in her dreams and loses her innocence at almost the first opportunity. Henry wrote an idyll about a “nun” whose youthful sexuality is never violated, while Dreiser wrote a novel about a sister who commits adultery. It is generally thought that Dreiser was thinking exclusively of his sister Emma and not even remotely—or ironically—about a nun when he gave his Carrie the title of “Sister” at the top of his page, but Henry’s use of nuns and a convent in his book may have had an associative influence. Dreiser’s romantic chapter titles, which were added between the first draft and the revision published by Doubleday, suggest the moral contrast and underscore the departure of this gritty tale of two cities from the Victorian fiction of its day.”





Theodore  Dreiser (27 juli 1871 – 28 december 1945)







De Nederlandse schrijfster en psychologe Marijke Höweler werd geboren in Koog aan de Zaan op 27 juli 1938. Zie ook mijn blog van 27 juli 2007.


Uit: Het Huis


“Pas toen ik ze er voor de tweede keer naartoe zag gaan, begon ik beter op te letten. Zij droeg een zonnebril, die had ze in het haar gestoken. Hij deed het wagentje op slot, nadat hij uitgestapt was. Van vee zou dus geen sprake zijn. Hoogstens een pony voor het kind. Meer zou er niet van komen. Van maaien evenmin. Ik zag de woelmuizen al scharrelen in het hoge gras, op weg om mijn andijvie op te vreten. Toch trokken ze me wel. Ik had het idee dat die mij veel vertier konden gaan geven. Ik zorgde daarom dat ik wat te doen had op het erf zodra ze weer naar buiten kwamen.

‘Van Wiesenberg,’ zei hij en stak zijn hand uit.

Aangenaam,’ zei ik en boog mijn hoofd, iets waar ik bij de burgemeester ook wel last van heb en wat ik maar niet af kan leren. Daarna gaf ik zijn vrouw een hand. ‘Lisa,’ zei die. Maar niet zoals je het opschrijft, ze zei: Laisa. Het kind had ook een naam.

‘Goed weer,’ zei ik en zweeg. Zodat zij mij wat vragen konden als zij wilden.

Dat deden ze ook wel, maar het was heel wat anders dan ik had willen weten als ik in hun plaats geweest was.

‘Het is hier schitterend,’ zei Laisa. ‘Bevalt het wonen u hier?’

Ik wist niet zo gauw wat ik daarop moest zeggen. Ik woon hier al mijn leven lang. Dan kan je moeilijk van bevallen spreken. Ik zei dus ‘ja’.

‘Dus u bevalt het wel,’ zei ze nadenkend.

‘Er is veel ongedierte,’ zei ik. En ik wees ze de moestuin aan. Ze gaf geen antwoord, dus zo stonden we een tijdje.

‘Vindt u het aan te raden,’ vroeg hij.

‘Dat hangt er helemaal vanaf, wat ie ervoor vraagt.’ Ik keek eens om me heen. Ik was wel benieuwd hoeveel hij er opgelegd had nou het om vreemden ging. Maar ook stond ik nog steeds over dat ‘schitterend’ na te denken. Het land hóórt namelijk bij mij. En ook mezelf zou ik niet gauw zo noemen. Toen keek ik weer eens op en zag dat ze nog steeds stonden te wachten. Het kind was naar het hek gelopen en wees de schapen aan. ‘Apen,’ zei het. Het had zijn vingers in zijn mond.”





Marijke Höweler (27 juli 1938 - 5 mei 2006)







De Franse schrijver Julien Gracq werd geboren op 27 juli 1910 als Louis Poirier in Saint-Florent-le-Vieil bij Angers. Zie ook mijn blog van 27 juli 2007.


Uit: Le Rivage des Syrtes


«Il y a dans notre vie des matins privilégiés où l'avertissement nous parvient, où dès l'éveil résonne pour nous, à travers une flânerie désœuvrée qui se prolonge, une note plus grave, comme on s'attarde, le cœur brouillé, à manier un à un les objets familiers de sa chambre à l'instant d'un grand départ. Quelque chose comme une alerte lointaine se glisse jusqu'à nous dans ce vide clair du matin plus rempli de présages que les songes; c'est peut-être le bruit d'un pas isolé sur le pavé des rues, ou le premier cri d'un oiseau parvenu faiblement à travers le dernier sommeil; mais ce bruit de pas éveille dans l'âme une résonance de cathédrale vide, ce cri passe comme sur les espaces du large, et l'oreille se tend dans le silence sur un vide en nous qui soudain n'a pas plus d'écho que la mer. Notre âme s'est purgée de ses rumeur et du brouhaha de foule qui l'habite; une note fondamentale se réjouit en elle qui en éveille l'exacte capacité. Dans la mesure intime de la vie qui nous est rendue, nous renaissons à notre force et à notre joie, mais parfois cette note est grave et nous surprend comme le pas d'un promeneur qui fait résonner une caverne: c'est qu'une brèche s'est ouverte pendant notre sommeil, qu'une paroi nouvelle s'est effondrée sous la poussée de nos songes, et qu'il nous faudra vivre maintenant pour de longs jours comme dans une chambre familière dont la porte battrait inopinément sur une grotte.»





Julien Gracq (27 juli 1910 – 22 december 2007)






De Britse dichter en schrijver Hilaire Belloc werd geboren te St-Cloud op 27 juli 1870. Zijne moeder was een Engelsche en keerde na vader's dood, met hem naar Engeland terug. Een der voorvaderen van Bellocs moeder vocht als officier te Fontenay, vier ooms van zijn vader waren generaals onder Napoleon. Als leerling van de Birmingham Oratory onderging hij den invloed van Kardinaal Neurman. Hij voldeed aan zijn militaire plichten in Frankrijk en kwam terug om in Oxford te studeren. Hij begon als schrijver met kinderboeken. Vervolgens gaf hij monografieën van Danton en Robespierre uit en publiceerde hij zijn ironische roman ‘Emanuel Burden’. Zijn studies bundelde hij onder de titel: ‘On Nothing’, ‘On Anything’, ‘On’, Romans: ‘Mr Clutterbuch's election’, ‘A change in the Cabinet’, ‘The Mercy of Allah’,


Uit:  Cranmer


“For the genius of Cranmer in this supreme art of his---the fashioning of ryhthmic English prose---was not of that spontaneous kind which produces great sentences or pages in flashes, as it were, unplanned, surging up of themselves in the midst of lesser matter; he was not among prose writers what such men as Shakespeare or Ronsard are among the poets---voluminous, uneven, and without conscious effort compelled to produce splendours in a process of which they are themselves not aware.  He was, on the contrary, a jeweller in prose, a man who sat down deliberately to write in a particular way when there was need or opportunity for it, but who, on general occasions, would write as might any other man.  We have a great mass of what he did, in long letters to [Anne] Boleyn, to the King and to [Thomas] Cromwell, careful arguments transcribed at length in his disputations, as in the famous one with [Bishop Stephen] Gardiner on the Real Presence; it is always scholar's work, careful and lucid.  But when he sits down to produce a special effect all changes.  He begins to carve with skill and in the hardest material.  He is absorbed in a particular task, creative, highly conscious, and to his sense of beauty vastly satisfactory. . . .

He was not of those whom a fountain of creation fills and who declaim, as it were, great matter.  His art was of the kind which must work very slowly and in secret, isolated; his sentences when he desired to produce his effect must be perfected in detail, polished, lingered over, rearranged, until they had become so that one could them with the finger-nail and find no roughness.”





Hilaire Belloc (27 juli 1870. – 16 juli 1953)






De Russische schrijver Vladimir Korolenko werd geboren op 27 juli 1853 in Zjitomir (Volynië). Zie ook mijn blog van 27 juli 2007 en ook  mijn blog van 27 juli 2008.


Uit: The Old Bell-Ringer


“The old man went to the opening in the tower and leaned on the banister. In the darkness below, around the church, he made out the village cemetery in which the old crosses with their outstretched arms seemed to protect the ill-kept graves. Over these bowed here and there a few leafless birch trees. The aromatic odor of young buds, wafted to Mikheyich from below, brought with it a feeling of the melancholy of eternal sleep.

Where would he be a year hence? Would he again climb to this height, beneath the brass bell to awaken the slumbering night with its metallic peal, or would he be lying in a dark corner of the graveyard, under a cross? God knows!… He was prepared; in the meantime God granted him the happiness of greeting the holiday once more.

“Glory be to God!” His lips whispered the customary formula as his eyes looked up to the heaven bright with a million twinkling stars and made the sign of the cross.

“Mikheyich, ay, Mikheyich!” called out to him the tremulous voice of an old man. The aged sexton gazed up at the belfry, shading his unsteady, tear-dimmed eyes with his hand, trying to see Mikheyich.

“What do you want? Here I am,” replied the bell-ringer, looking down from the belfry. “Can’t you see me?”

“No, I can’t. It must be time to ring. What do you say?”

Both looked at the stars. Myriads of God’s lights twinkled on high. The fiery Wagoner was above them. Mikheyich meditated.

“No, not yet a while. … I know when. …”

Indeed he knew. He did not need a watch. God’s stars would tell him when. … Heaven and earth, the white cloud gently floating in the sky, the dark forest with its indistinct murmur and the rippling of the stream enveloped by the darkness—all that was familiar to him, part of him. Not in vain had he spent his life here.






Vladimir Korolenko (27 juli 1853 – 25 december 1921)





De Engelstalige schrijver Lafcadio Hearn werd geboren op 27 juli 1850 op het Griekse eiland Lefkada. Hij was van Iers-Griekse afstamming. In 1863 werd hij naar een school in Engeland gestuurd voor zijn opleiding. In 1869 betaalde een oudtante voor hem de reis naar de VS. Hij werkte in Cincinnati in een drukkerij, waar hij met het werk van Gustave Flaubert en Charles Baudelaire in aanraking kwam. In 1874 ging hij als journalist werken in New Orleans en begon hij ook uit het Frans en het Spaans te vertalen. In 1890 vertrok hij naar Japan. Hij werkte er als leraar, trouwde met een Japanse en kreeg in 1896 een leerstoel aan de Keizerlijke Universiteit van Tokyo. Lafcadio is vooral bekend geworden met zijn boeken over Japan


Uit: Glimpses of Unfamiliar Japan


“It is with the delicious surprise of the first journey through Japanese streets—unable to make one’s kuruma-runner understand anything but gestures, frantic gestures to roll on anywhere, everywhere, since all is unspeakably pleasurable and new—that one first receives the real sensation of being in the Orient, in this Far East so much read of, so long dreamed of, yet, as the eyes bear witness, heretofore all unknown. There is a romance even in the first full consciousness of this rather commonplace fact; but for me this consciousness is transfigured inexpressibly by the divine beauty of the day. There is some charm unutterable in the morning air, cool with the coolness of Japanese spring and wind-waves from the snowy cone of Fuji; a charm perhaps due rather to softest lucidity than to any positive tone—an atmospheric limpidity, extraordinary, with only a suggestion of blue in it, through which the most distant objects appear focused with amazing sharpness. The sun is only pleasantly warm; the jinrikisha, or kuruma, is the most cosy little vehicle imaginable; and the street-vistas, as seen above the dancing white mushroom-shaped hat of my sandaled runner, have an allurement of which I fancy that I could never weary.

Elfish everything seems; for everything as well as everybody is small, and queer, and mysterious: the little houses under their blue roofs, the little shop-fronts hung with blue, and the smiling little people in their blue costumes. The illusion is only broken by the occasional passing of a tall foreigner, and by divers shop-signs bearing announcements in absurd attempts at English. Nevertheless, such discords only serve to emphasize reality; they never materially lessen the fascination of the funny little streets.”






Lafcadio Hearn (27 juli 1850 – 26 september 1904)






Zie voor onderstaande schrijvers ook mijn blog van 27 juli 2007.


De Poolse dichteres Rajzel Zychlinski werd geboren op 27 juli 1910 in Gąbin, Polen. Zie en ook  mijn blog van 27 juli 2008.


De Russische dichter en soldaat Denis Vasilyevich Davydov werd geboren op 27 juli 1784 in Moskou.. Zie ook  mijn blog van 27 juli 2008.


De Franse schrijver Alexandre Dumas fils werd geboren op 27 juli 1824 in Parijs.




Aldous Huxley, Arthur Japin, Anne Provoost, Yves Petry, Nicholas Evans, George Bernard Shaw, Claude Esteban, Anré Maurois, Paul Gallico, Antonio Machado, Hans Bergel, Chairil Anwar

De Engelse schrijver en criticus Aldous Huxley werd geboren op 26 juli 1894 in Godalming, Surrey. Zie ook mijn blog van 26 juli 2006 en ook mijn blog van 26 juli 2007 en ook mijn blog van 26 juli 2008.


Uit: Aldous Huxley (Biografie door  Nicholas Murray)


„'Born into the rain,' Aldous Huxley told the New York Herald Tribune in 1952, 'I have always felt a powerful craving for light.' Huxley had in mind his lifelong struggle with defective eyesight, which sent him first to the Mediterranean and then to Southern California. But the wider metaphor is irresistible. His life was a constant search for light, for understanding, of himself and his fellow men and women in the twentieth century. This intellectual ambition -- not unknown but rare in English novelists -- sent him far beyond the confines of prose fiction into history, philosophy, science, politics, mysticism, psychic exploration. He offered as his personal motto the legend hung around the neck of a ragged scarecrow of a man in a painting by Goya: aun aprendo. I am still learning. Grandson of the great Victorian scientist Thomas Henry Huxley -- 'Darwin's bulldog' -- he had a lifelong passion for truth, artistic and scientific. His field of interest, declared Isaiah Berlin after his death, was nothing less than 'the condition of men in the twentieth century'.

Like an eighteenth century philosophe, a modern Voltaire -- though in truth he found that historical epoch lacking in depth and resonance -- he took the whole world as his province, and like those urbane thinkers he did it with consummate clarity and grace, was frequently iconoclastic, and struck many of his contemporaries in the early decades of the twentieth century as a liberator and a herald of the modern age of secular enlightenment and scientific progress. He was also an often disturbingly accurate prophet who became steadily more disillusioned with the uses to which science was being put in his time.




Aldous Huxley (26 juli 1894 – 22 november 1963)

Portret door Vanessa Bell






De Nederlandse schrijver Arthur Japin werd geboren in Haarlem op 26 juli 1956. Zie ook mijn blog van 26 juli 2008.


Uit: Een schitterend gebrek


“Amsterdam 1758

Die avond, waarop alles in een nieuw licht kwam te staan, zou ik zoals alle donderdagen eigenlijk dineren met mijnheer Jamieson, een groothandelaar in huiden en tabak, en misschien daarna samen wat gaan dansen. Alleen omdat zijn jicht hem overvallen had en de goede man moest afzeggen, besloot ik mijn loge in de opera op te zoeken.
Begrijp me niet verkeerd, ik heb altijd sober geleefd. Vanaf het moment dat het onheil toesloeg en ik door het leven werd voortgejaagd was ik spaarzaam. Ik moest wel, omdat ik lange tijd niet wist wat de volgende dag mij zou brengen. Of ik te eten zou hebben. Of er voor mij zou worden gezorgd. Of ik aangevallen zou worden en verder opgejaagd. Ook toen ik dan uiteindelijk in Amsterdam een zekere positie had verworven heb ik mij nooit meer aangemeten dan de uitdossing die de kringen waarin ik verkeerde van mij verwachtten en natuurlijk zaken die ik nodig had voor de uitoefening van mijn vak. Buitenissigheden heb ik mij nooit veroorloofd. Ik heb er ook niet naar getaald. Dit stond ik mijzelf de laatste jaren echter wel toe: een vaste logeplaats in de Franse schouwburg aan de Overtoom, die ik bezocht zodra ik mij daarvoor vrij kon maken.
Daarheen was ik die avond, half oktober, dus op weg. Ik had zoals ik gewend was een bootsman met een kleine, maar propere sloep gehuurd. Het was kil. De kou op de grachten is in Amsterdam anders dan in Venetië. Hij begint maanden vroeger, dringt het lichaam sneller en scherper binnen en nestelt zich eerder in de botten dan in de longen. Toch ga ik liever met de boot dan met een rijtuig. De mensen op de kade slaan geen acht op wie voorbijvaart. Zij gaan op in hun gesprekken.”





Arthur Japin (Haarlem, 26 juli 1956)






De Vlaamse schrijfster Anne Provoost werd geboren in Poperinge op 26 juli 1964. Provoost groeide op in Woesten, in de Belgische Westhoek. Ze begon met schrijven toen ze vier was. Omdat ze toen technisch nog niet kon schrijven, dicteerde ze verhalen aan haar moeder. Later schreef ze boeken die ze zelf illustreerde. Toen ze literatuur ging studeren aan de universiteit in Kortrijk en Leuven, nam ze zich voor om niet meer te schrijven. Toen ze tijdens haar laatste jaar Germaanse Talen ziek in bed lag, schreef ze een verhaal. Tot haar grote verbazing won ze daarmee een wedstrijd. Anne Provoost schrijft gelaagde actuele en historische romans. Bekende titels van haar hand zijn: De roos en het zwijn, De arkvaarders, In de zon kijken en Beminde ongelovigen. Haar boeken kregen talrijke prijzen en werden herhaaldelijk vertaald. Haar roman Vallen werd in 2001 verfilmd door Hans Herbots.


Uit: De roos en het zwijn


“Ik was aan het melken toen ik de hoeven van een vijftiental paarden op het pad hoorde. Het was schemerdonker, en wat opviel waren de walmende fakkels van ricinushout die de ruiters droegen, waardoor hun gezicht er grimmig en hun wapenuitrusting er vervaarlijk uitzagen.
Ter hoogte van het huis van Orlinde hielden ze stil. Ze bleven een ogenblik staan beraadslagen en wezen naar het raampje van waaruit Orlinde ongetwijfeld stond te kijken. Op een teken van de eerste ruiter gaven ze hun paard de sporen en kwamen in galop in mijn richting. Het schrille geschreeuw en het licht van de fakkels deden de koe schrikachtig trappelen en met haar poten slaan, en in een snelle reflex schoof ik de halfvolle emmer melk achteruit. Ik liep naar het pad om te zien wat er gebeurde.
Ze waren opvallend zwaar bewapend. De eerste die mijn aandacht trok herkende ik ogenblikkelijk aan zijn ronde, bijna aantrekkelijke gezicht waarop een vriendelijkheid lag die in tegenspraak was met de manier waarop hij op zijn paard zat, schreeuwde en er nors probeerde uit te zien. Het was de man die me ooit onder bedreiging met een scherp mes het bos in gesleurd had en gezegd had dat hij gekomen was om heel diep in me te gaan. Over zijn linkeroog droeg hij een donkere lap. Door wat er toen gebeurd was, had ik het gevoel dat ik elk onderdeel van zijn lichaam en elk aspect van zijn karakter kende. Hij was de jongste en de kleinste van het gezelschap, maar duidelijk de gevaarlijkste. Hij was gekwetst, niet alleen in zijn mooie meisjesgezicht, maar ook in zijn ziel, en dat maakte hem fanatiek en vernielzuchtig”.





Anne Provoost (Poperinge, 26 juli 1964)





De Vlaamse schrijver Yves Petry werd op 26 juli 1967 geboren in Tongeren. Hij studeerde wiskunde en wijsbegeerte in Leuven, publiceerde verhalen in DW&B en in NWT en hij debuteerde in 1999 bij De Bezige Bij met de roman Het jaar van de man. Vervolgens verschenen van zijn hand Gods eigen muziek (2001), De laatste woorden van Leo Wekeman (2003) en De achterblijver (2006). Petry werd voor zijn oeuvre onderscheiden met de BNG Nieuwe Literatuurprijs 2006.


Uit: Alle mensen worden broeders


Het litteken op mijn kin is niet het gevolg van een of ander gebeuren met kosmische inslag, maar dat zal er me niet van weerhouden om, in afwachting van de Grote Finale, eens te vertellen hoe ik het heb opgelopen. Het gebeurde op de avond dat ik definitief besloot van mijn vrouw af te gaan. Dat voornemen had nu al maandenlang als een dolmakend insect om mijn hoofd heen gezoemd op zoek naar een gaatje om in mijn schedel te kruipen en er zich te ontpoppen tot kloek besluit. En ik had er lange tijd ogen en oren, neus en mond voor gesloten gehouden, maar tenslotte had het zich op eigen kracht een gangetje geboord en die avond was het in m’n lobben gerijpt tot het zeer dringende en dwingende ‘weg van die vrouw’. Ik had aanvankelijk niet eens overdreven veel gedronken, maar toen de fles wijn, waardoor ik me had laten aanvuren, helemaal leeg was, schrok ik toch enigszins van de doortastende persoon die ik plots was geworden, en liep ik, zonder mijn vrouw iets te vertellen, weg uit m’n kubus, de stad in, om me in diverse drankgelegenheden nader te beraden over de gevolgen van mijn beslissing.
Het was een ijskoude novemberavond, het vroor vingers en tenen, en ik hield er stevig de pas in terwijl ik me naar het eerste café spoedde. Ik verkeerde niet bepaald in de stemming om in de takken te gaan zitten en een vrolijk lied te fluiten. Onderweg hield ik plots halt, getroffen door de geur van verse kalk. Ik bevond me voor een huis in aanbouw dat langs zijn zwarte venster- en deurloze openingen het aroma van nieuwheid verspreidde.“




Yves Petry (Tongeren, 26 juli 1967)





De Engelse schrijver Nicholas Evans werd geboren op 26 juli 1950 in Bromsgrove. Zie ook mijn blog van 26 juli 2007 en ook mijn blog van 26 juli 2008.


Unit: The Divide


They rose before dawn and stepped out beneath a moonless sky aswarm with stars. Their breath made clouds of the chill air and their boots crunched on the congealed gravel of the motel parking lot. The old station wagon was the only car there, its roof and hood veneered with a dim refracting frost. The boy fixed their skis to the roof while his father stowed their packs then walked around to remove the newspaper pinned by the wipers to the windshield. It was stiff with ice and crackled in his hands as he balled it. Before they climbed into the car they lingered a moment, just stood there listening to the silence and gazing west at the mountains silhouetted by stars.
The little town had yet to wake and they drove quietly north along Main Street, past the courthouse and the gas station and the old movie theater, through pale pools of light cast by the street lamps, the car's reflection gliding the darkened windows of the stores. And the sole witness to their leaving was a grizzled dog who stood watch at the edge of town, its head lowered, its eyes ghost-green in the headlights.
It was the last day of March and a vestige of plowed snow lay gray along the highway's edge. Heading west across the plains the previous afternoon, there had been a first whisper of green among the bleached grass. Before sunset they had strolled out from the motel along a dirt road and heard a meadowlark whistling as if winter had gone for good.
But beyond the rolling ranch land, the Rocky Mountain Front, a wall of ancient limestone a hundred miles long, was still encrusted with white and the boy's father said they would surely still find good spring snow.”






Nicholas Evans (Bromsgrove, 26 juli 1950)






De Ierse toneelschrijver, socialist en theatercriticus George Bernard Shaw werd geboren in Dublin op 26 juli 1856. Zie ook mijn blog van 26 juli 2006 en ook mijn blog van 26 juli 2007 en ook mijn blog van 26 juli 2008.


Uit: You Never Can Tell

Act I

In a dentist's operating room on a fine August morning in 1896.  Not the usual tiny London den, but the best sitting room of a furnished lodging in a terrace on the sea front at a fashionable watering place.

The operating chair, with a gas pump and cylinder beside it, is half way between the centre of the room and one of the corners.  If you look into the room through the window which lights it, you will see the fireplace in the middle of the wall opposite you, with the door beside it to your left; an M.R.C.S. diploma in a frame hung on the chimneypiece; an easy chair covered in black leather on the hearth; a neat stool and bench, with vice, tools, and a mortar and pestle in the corner to the right.

Near this bench stands a slender machine like a whip provided with a stand, a pedal, and an exaggerated winch. Recognising this as a dental drill, you shudder and look away to your left, where you can see another window, underneath which stands a writing table, with a blotter and a diary on it, and a chair. Next the writing table, towards the door, is a leather covered sofa. The opposite wall, close on your right, is occupied mostly by a bookcase. The operating chair is under your nose, facing you, with the cabinet of instruments handy to it on your left.

You observe that the professional furniture and apparatus are new, and that the wall paper, designed, with the taste of an undertaker, in festoons and urns, the carpet with its symmetrical plans of rich, cabbagy nosegays, the glass gasalier with lustres; the ornamental gilt rimmed blue candlesticks on the ends of the mantelshelf, also glass-draped with lustres, and the ormolu clock under a glass-cover in the middle between them, its uselessness emphasized by a cheap American clock disrespectfully placed beside it and now indicating 12 o'clock noon, all combine with the black marble which gives the fireplace the air of a miniature family vault, to suggest early Victorian commercial respectability, belief in money, Bible fetichism, fear of hell always at war with fear of poverty, instinctive horror of the passionate character of art, love and Roman Catholic religion, and all the first fruits of plutocracy in the early generations of the industrial revolution.”





George Bernard Shaw (26 juli 1856 – 2 november 1950)







De Franse dichter en essayist Claude Esteban werd geboren op 26 juli 1935 in Parijs. Zie en ook mijn blog van 26 juli 2007 en ook mijn blog van 26 juli 2008.


Uit: La mort à distance


“Nous allions lui rendre visite à l'improviste, un matin, un soir, juste pour nous assurer qu'il était bien là. Sans même nous concerter, nous obéissions à un rituel immuable. Nous le reconnaissions de loin, dominant de toute sa masse l'entrelacs tortueux des pins, et nous marchions vers lui, soudain silencieux, délivrés du bruit du monde. La jeune femme s'approchait la première, elle souriait un peu, s'assurait que personne ne risquait de la surprendre, puis très vite, elle étreignait l'arbre de tout son corps, les bras ouverts en serrant le tronc énorme, la tête contre l'écorce, les yeux clos. Je faisais mine de m'impatienter, je me moquais dou­cement de cette étrange façon de saluer notre ami, de le séduire, mais quand elle se retournait, je lisais dans son regard le bon­heur qu'elle venait de vivre. Elle avait entendu, me disait-elle, battre le coeur de l'arbre, elle avait senti sous ses doigts la sève lente qui montait, qui lui communiquait de sa force.

La jeune femme rayonnait, elle voulait que je suive son exemple, et moi, si pudibond, je m'enhardissais, et j'effleurais d'une main furtive cette monstrueuse patte posée là pour toujours sur la pelouse.

C'était un soir, c'était un matin, et depuis tant d'années. Pour­quoi a-t-il fallu qu'une tempête s'interpose entre l'arbre et nous, que la foudre le blesse, que se réveillent les mauvais démons? Nous n'avons pas cédé, l'arbre est intact dans notre mémoire. C'est à nous, maintenant, qu'il appartient de veiller sur lui, de l'enraciner dans ce temps que nous inventons ensemble. »





Claude Esteban (26 juli 1935 – 10 april 2006)






De Franse schrijver André Maurois (eig. Emile Salomon Wilhelm Herzog) werd geboren op 26 juli 1885 in Elbeuf. Zie ook mijn blog van 26 juli 2007 en ook mijn blog van 26 juli 2008.


Uit: Gide (Vertaald door Carl Morse)


The core of the book was a recit by Menalque, one not far different from a recit Gide might have given after his African rebirth....
This recit contains the essence of the "tidings" of Les Nourritures. First a negative doctrine: flee families, rules, stability. Gide himself suffered so much from "snug homes" that he harped on its dangers all his life.
Then a positive doctrine: one must seek adventure, excess, fervor; one should loathe the lukewarm, security, all tempered feelings. "Not affection, Nathanael: love ..." Meaning not a shallow feeling based on nothing perhaps but tastes in common, but a feeling into which one throws oneself wholly and forgets oneself. Love is dangerous, but that is yet another reason for loving, even if it means risking one's happiness, especially if it means losing one's happiness. For happiness makes man less. "Descend to the bottom of the pit if you want to see the stars." Gide insists on this idea that there is no salvation in contented satisfaction with oneself, an idea he shares with both a number of great Christians and with Blake: "Unhappiness exaults, happiness slackens." Gide ends a letter to an amie with this curious formula: "Adieu, dear friend, may God ration your happiness!"






Anré Maurois (26 juli 1885 – 9 oktober 1967)







De Amerikaanse schrijver Paul Gallico werd geboren op 26 juli 1897 in New York. Zie ook mijn blog van 26 juli 2007 en ook mijn blog van 26 juli 2008.


Uit: The Snow Goose


The bird fluttered. With his good hand Rhayader spread on of its immense white pinions. The end was beautifully tipped with black.
Rhayader looked and marvelled, and said: ‘Child: where did you find it?’
‘In t’ marsh, sir, where fowlers had been. What — what is it, sir?’
‘It’s a snow goose from Canada. But how in all heaven came it here?’
The name seemed to mean nothing to the little girl. Her deep violet eyes, shining out of the dirt on her thin face, were fixed with concern on the injured bird.
She said: ‘Can ‘ee heal it, sir?’
‘Yes, yes,’ said Rhayader. ‘We will try. Come, you shall help me.’
There were scissors and bandages and splints on a shelf, and he was marvelously deft, even with the rooked claw that managed to hold things.
He said: ‘Ah, she has been shot, poor thing. Her leg is broken, and the wing tip! but not badly. See, we will clip her primaries, so that we can bandage it, but in the spring the feathers will grow and she will be able to fly again. We’ll bandage it close to her body, so that she cannot move it until it has set, and then make a splint for the poor leg.’
Her fears forgotten, the child watched, fascinated, as he worked, and all the more so because while he fixed a fine splint to the shattered leg he told her the most wonderful story.





Paul Gallico (26 juli 1897 – 15 juli 1976)






De Spaanse schrijver en dichter Antonio Machado Ruiz werd op 26 juli 1875 in Sevilla geboren. Zie ook mijn blog van 26 juli 2007.



Fields of Soria 


Hills of silver plate,

grey heights, dark red rocks

through which the Duero bends

its crossbow arc

round Soria, shadowed oaks,

stone dry-lands, naked mountains,

white roads and river poplars,

twilights of Soria, warlike and mystical,

today I feel, for you,

in my hearts depths, sadness,

sadness of love! Fields of Soria,

where it seems the stones have dreams,

you go with me! Hills of silver plate,

grey heights, dark red rocks.





Antonio Machado (26 juli 1875 – 22 februari 1939)






De Duitse schrijver en journalist Hans Bergel werd geboren op 26 juli 1925 in Râşnov (Duits:Rosenau), Siebenbürgen ofwel Transsylvanië, Roemenië. Zie ook mijn blog van 26 juli 2007.


Uit: Wenn die Adler kommen


Wenn der Passwind von Fundata herab ins Hochland gegen Rosenau hin um Türme und Mauern strich, sei die Stunde der Geistergeschichten oben auf dem Schloss gekommen, erzählte sich das Volk - im übrigen sei hier festgehalten, dass der Ire Bram Stoker zwar behauptet, sein Romanheld Jonathan Harker habe sich durch das nordsiebenbürgische Hochland geradewegs ostwärts über die Stadt Bistritz dem Schloss des Grafen Dracula im Bargau-Pass genähert. Doch das ist freie Erfindung des Dubliners. Denn der einzige Mächtige dieser Landstriche, dessen Namen je mit dem Teufel - mit "dracul" wie dieser im Rumänischen heißt - in Verbindung zu bringen ist, war Vlald der Pfähler. Von 1456 bis 1462 Herrscher der Walachei in der Donautiefebene, hielt er sich nachweislich niemals in den Ostkarpaten auf. Hingegen tat er es in den Südkarpaten, eben auf Schloss Törzburg, wo er mit seinem Gefolge inmitten bei lebendigem Leibe auf Pfähle gespießten schwangerer Frauen und Kinder zechte und so zu einer der fragwürdigsten Kultfiguren des westeuropäischen Literaturpublikums wurde. Bram Stoker gehört damit zu jenen Landfremden, die bis in unsere Tage herauf mit schludrigen Nachforschungen Durcheinander in das Bild bringen, das die Welt draußen von diesem Siebenbürgen hat. Hätte sich sonst denn die geschiedene Helena an den Sommerabenden auf dem nahe am Königstein gelegenen Schloss so köstlich amüsiert?





Hans Bergel (
Râşnov, 26 juli 1925)




De Indonesische dichter Chairil Anwar werd geboren op 26 juli 1922 in Medan. Zie ook mijn blog van 26 juli 2007.



The Seized and the Severed


the darkness and passing wind overtake me

and the room where the one I long for shivers

with night’s penetration; trees stand like dead memorials


but in Karet, yes, Karet Cemetery – my future locale – there, the wind howls, too


I put my room in order, and myself as well, in the chance that you might come

and I may once again unleash a new story for you;

but now it’s only my hands that move, emptily


my body is still and alone, as frozen stories and events pass by





Chairil Anwar (26 juli 1922 – 28 april 1949)



Elias Canetti, Max Dauthendey, Jovica Tasevski – Eternijan, Annette Pehnt, Sytze van der Zee, Albert Knapp, Ottokar Kernstock, Angela Kreuz

De Duitstalige schrijver Elias Canetti werd geboren op 25 juli 1905 in Russe in Bulgarije. Zie ook mijn blog van 25 juli 2006. Zie ook mijn blog van 25 juli 2007 en ook mijn blog van 25 juli 2008.


Uit: Party im Blitz


„Als der Blitzkrieg über London begann, einige Monate nach Dünkirchen, im gefährlichsten Zeitpunkt der englischen Geschichte, erlebte ich in seinem Hause eine Party, die mir vor Augen bliebe, auch wenn ich fünfhundert Jahre danach noch am Leben wäre. Sein Haus war höher als die meisten in Downshire Hill. Es hatte drei Stockwerke, die meisten andern nur zwei. Es war aber schmal wie die andern alle. In jedem Stock waren höchstens ein oder zwei Zimmer. Sie waren von Menschen erfüllt, die tranken und tanzten. Sie standen mit den Gläsern in der Hand da, wie es hier Sitte war, aber mit ausdrucksvollen Gesichtern, was hier gegen die Sitte ging. Es waren manche junge Offiziere in Uniform darunter, lebhaft, ja beinah lebenslustig, von lauten Sätzen überquellend, die man gehört hätte, wenn sie in der Musik nicht untergegangen wären. Die Tanzenden, besonders die Frauen, hatten etwas Aufgerissenes und genossen ihre Bewegungen wie die des Partners. Die Atmosphäre war dicht und heiß, und niemand kümmerte sich darum, daß man Bomben-Einschläge hörte, eine furchtlose und dabei sehr lebendige Gesellschaft. Ich hatte im obersten Stock begonnen, ich traute kaum meinen Augen und ich ging in den zweiten hinunter und traute ihnen noch weniger. Jeder Raum schien feuriger als der, in dem man sich vorher umgetan hatte. In den tieferen Räumen sonderte man sich etwas mehr ab, Pärchen saßen und hielten einander umarmt, die Musik durchdrang uns heiß von oben bis unten, man gab sich mit Umarmungen und Küssen zufrieden, nichts wirkte lasziv, im Basement, wie man hier das Untergeschoß nannte, geschah das Erstaunlichste. Die Türe nach außen wurde aufgerissen, Männer in Feuerwehrhelmen griffen nach Kübeln mit Sand, die sie im Schweiß ihres Angesichts in größter Geschwindigkeit hinaustrugen. Sie achteten auf nichts, das sie im Raum vor sich sahen, in ihrer Eile, die brennenden Häuser in der Nachbarschaft zu schützen, griffen sie wie blind nach den sandgefüllten Kübeln.”






Elias Canetti (25 juli 1905 - 14 augustus 1994)





De Duitse dichter en schilder Max Dauthendey werd geboren op 25 juli 1867 in Würzburg. Zie ook mijn blog van 25 juli 2007 en ook mijn blog van 25 juli 2008.



Das Heu liegt tot am Wege


Das Heu liegt tot am Wege,
Wir gingen ohne zu sehen,
Und Amselsang im Gehege,
Wir hörten es kaum im Gehen.

Wir waren still wie Erde,
Wie zwei, die man begraben;
Unsere Seelen mit dunkler Gebärde
Durchzogen den Himmel wie Raben.





Die Luft ist voll Kommen und Gehen


Die blühenden blauen Kornraden,
Sie fielen mit den Ähren;
Das Korn liegt still in Schwaden
Im Sonnenschein, im schweren.

Kaum ein paar kurze Wochen
Sind die Felder glühend zu sehen;
Gleich muß die Sense dann pochen,
Und Stoppeln bleiben kalt stehen.

Wenn Augenblicke erwarmen,
Fühlt ihren Atem kaum wehen,
Da entsinken sie schon unsern Armen -
Die Luft ist voll Kommen und Gehen.





Die Mittagsstund'


Im Zimmer, im trägen und stummen,
Hör' ich die Mittagsstund' summen,
Als gurrt eine Taube im Kropfe,
Als kocht man den Sommer im Topfe.
Und ferner Sommer Gespenster
Besuchen Dich glühend am Fenster,
Und manch' einer möchte gern bleiben
Und hängt sich verliebt an die Scheiben.
Von Sommer, die heiß hereinlugen,
Kracht's Fensterbrett laut in den Fugen;
Und auch eine Fliege, die brummt,
Die alle Sommer schon summt,
Sie singt von der Wollust ohn' Ruh'
Und von allen Sommern dazu.






Max Dauthendey (25 juli 1867 – 29 augustus 1918)






De Macedonische dichter Jovica Tasevski – Eternijan werd geboren op 25 juli 1976 in Skopje. In zijn geboortestad studeerde hij ook algemene en vergelijkende literatuurwetenschap. Tasevski – Eternijan werkt in de Nationale Universiteitsbibliotheek. Behalve gedichten schrijft hij ook kritieken en is hij als vertaler werkzaam.




We crumble the night on a golden plate
and spatter the milky rhythm
of the spirit Shall we find it
Shall we remove
the root

The moon peers at us
The sticky strands tie
our frail arteries
in a knot

Bitter are the shadows of the barbarian key
when the sieve that bears us
decays This dark onrush will not settle
in our nucleus
We rage!





Vertaald door Marija Girevska





Jovica Tasevski – Eternijan (Skopje, 25 juli 1976)





De Duitse schrijfster Annette Pehnt werd geboren op 25 juli 1967 in Keulen. Zie ook mijn blog van 25 juli 2007  en ook mijn blog van 25 juli 2008.


Uit: Insel 34


Zwischen den Bildbänden stieß ich auf einen abgestoßenen Lederrücken mit kaum leserlicher Goldschrift: Die Inseln damals und heute. Das Heute war lange her, auf den neueren Inselfotos hatten die Autos noch gerundete Kühlerhauben, und Eselskarren verstopften die schlammigen Dorfstraßen, aber vielleicht ist es ja dort immer noch so, dachte ich, blätterte zurück und kam zu den älteren Aufnahmen, bräunlichen, leicht verwischten Bildern, auf denen sich Leute mit strengen Mienen zu ordentlichen Grüppchen aufgestellt hatten. Manche hielten feuchte Fische in die Kamera, andere hatten Ziegen oder Schafe neben sich in die Reihe gezerrt und legten ihre Hände besitzergreifend auf Tierhälse und Hörner. Einer hielt eine Art sperrigen Dudelsack mit krummen Pfeifen unter dem Ellbogen. Die Kinder waren glattgebürstet und hatten eckige Köpfe.
Ich wendete langsam die Seiten um, nicht ganz bei der Sache, weil gerade die Klimaanlage der Schule anfing zu brausen, wie immer um Viertel nach vier, als mich von einer halb herausgelösten Seite ein Kind direkt anschaute. Es hatte weit aufgerissene Augen, Grübchen in den Backen, obwohl es nicht lächelte, und geradegewachsene Augenbrauen, die sich über seiner Nase trafen, noch nie hatte ich bei einem Kind solche Augenbrauen gesehen. Die Augen schaute ich mir genauer an, beugte mich dicht über das wolkige Papier, bis sich der beharrliche, versunkene Blick auflöste in Kratzer und Punkte. So will ich auch aussehen, dachte ich und zog meine Augenbrauen zusammen, aber sie berührten sich nicht.
Der macht, was er will.”





Annette Pehnt (Keulen, 25 juli 1967)






De Nederlandse journalist en schrijver Sytze van der Zee werd geboren op 25 juli 1939 in Hilversum. Zie ook mijn blog van 25 juli 2008.


Uit: Potgieterlaan 7


‘Hoewel de POD en de BS ons met rust laten, er vindt zelfs geen huiszoeking plaats, duiken we zekerheidshalve in ons eigen huis onder. We mogen volgens ons angstige moeder geen slapende honden wakker maken en dus moet de indruk gewekt worden gewekt alsof Potgieterlaan 7 niet meer bewoond is. Slechts het hatelijke plakkaat op het voorkamerraam ontbreekt. ’s Avonds maken we geen licht, niet in de eetkamer laat staan in de voorkamer, niet in de gang, niet in de slaapkamers, en we lopen op kousenvoeten door het huis. Buiten spelen doen we al helemaal niet meer.
We leven, hokken met ons vieren wekenlang in de keuken, op een gerafelde, mossige mat van drie bij drie meter, tussen het aanrecht en de keukentafel, waaraan we eten en spelen. Op het aanrecht staan twee petroleumstellen die zo’n stinkende walm verspreiden dat je ogen gaan tranen, maar mijn moeder kookt sowieso nauwelijks. Een enkele keer warmt ze een blik
’meat and vegetables’ op, lekkere brokken vlees met aardappelen en groente, hetzelfde voedsel dat de bevrijders eten. Heel vaak moeten Henri en ik met een aluminium pan zonder handvatten, die zijn afgebroken, naar Ons Gebouw aan de Havenstraat, naar de gaarkeuken. We hoeven er niet meer in de rij te staan, zoals in de laatste weken van de oorlog. Wie nu nog naar de gaarkeuken komt, is arm en verdacht. Normale mensen koken, zo goed en zo kwaad als het gaat, hun eigen potje.





Sytze van der Zee
(Hilversum, 25 juli 1939)







De Duitse dominee en dichter Albert Knapp werd geboren op 25 juli 1798 in Tübingen. Zie ook mijn blog van 25 juli 2007.



Reichtum in Christo

Hättest du Licht und Heil
Mir nicht gegeben,
Hätt' ich kein andres Teil,
Hätt' ich kein Leben.

Wärst du blutend nicht
Für mich verschieden,
Käm' in mein Angesicht
Ewig kein Frieden!

Aber du lebst und bist
Alles in allen:
Siehe mein Los, es ist
Lieblich gefallen.

Jesus, ich lebe dir,
Bis ich dir sterbe;
Rufst du von hinnen mir,
Bin ich dein Erbe.

Christus im Erdenthal,
Christus am Grabe,
Christus im Himmelssaal
Ist's, was ich habe.





Albert Knapp (25 juli 1798 – 18 juni 1864)







De Oostenrijkse dichter, priester en Augustijner Koorheer Ottokar Kernstock werd geboren op 25 juli 1848 in Marburg an der Drau. Zie ook mijn blog van 25 juli 2007.



In der Christnacht


Ein Bettelkind schleicht durch die Gassen-
Der Markt lässt seine Wunder sehn:
Lichtbäumchen, Spielzeug, bunte Massen.
Das Kind blieb traumverloren stehn.


Aufseufzt die Brust, die leidgepresste,
Die Wimpern sinken tränenschwer.
Ein freudlos Kind am Weihnachtsfeste-
Ich weiß kein Leid, das tiefer wär.


Im Prunksaal gleißt beim Kerzenscheine
Der Gaben köstliches Gemisch,
Und eine reichgeputzte Kleine
Streicht gähnend um den Weihnachtstisch.


Das Schönste hat sie längst, das Beste,
Ihr Herz ist satt und wünscht nichts mehr.
Ein freudlos Kind am Weihnachtsfeste-
Ich weiß kein Leid, das tiefer wär.


Doch gälts in Wahrheit zu entscheiden,
Wer des Erbarmens Preis verdient-
Ich spräch: Das ärmste von euch beiden
Bist du, du armes reiches Kind






Ottokar Kernstock (25 juli 1848 – 5 november 1928)

Standbeeld in Vorau 





Onafhankelijk van geboortedata:


De Duitse dichteres en schrijfster Angela Kreuz werd geboren  in Ingolstadt in 1969. Zij studeerde filosofie en psychologie in Dresden en Konstanz. Werk van haar verscheen in literaire tijdschriften en bloemlezingen. Zij schrijft gedichten, verhalen, short stories en romans. Zij debuteerde in 2003 met Der Engländer und weitere kurzgefasste Geschichten. In 2005 verscheen lyrische städtereisen, in 2007 haar debuutroman Warunee.


Scattery Island, Monastery of St. Senan


Längst hat die Klosterruine ihr Dach verworfen,

durch die Fenster bläst der irische Wind

Mauersteine von ockerbraunen Flechten überzogen -

vor dem Kirchenfenster

öden sich in der Ferne

zwei Fabrikschlote auf dem Festland an





Sherkin Island, Franziskanerabtei


Schwalben umschwirren das Abbey,

blicken in die offenen Räume

der Ruine

und zwitschern sich fröhlich zu -

der Restaurator sitzt mit einem Sandwich

auf der Dachterrasse,

schaut durch ein Fenster aufs offene Meer







Angela Kreuz (Ingolstadt, 1969)




Robert Graves, Johan Andreas dèr Mouw, Banana Yoshimoto, Rosemarie Schuder, Junichirō Tanizaki, E. F. Benson, Alexandre Dumas père, Betje Wolff, Katia Mann, Frank Wedekind, Hermann Kasack

De Engelse dichter en schrijver Robert Graves werd geboren in Londen (Wimbledon) op 24 juli 1895. Zie ook mijn blog van 24 juli 2007 en ook mijn blog van 24 juli 2008.


Uit: Ik Claudius (Vertaald door Lodewijck W. van Savoijen)


“Ik, Tiberius Claudius Drusus Nero Germanicus enzovoort (want ik zal u niet direct met mijn complete arsenaal van titels vervelen), die ooit, en nog niet eens zo lang geleden, bij mijn vrienden, verwanten en kennissen bekendstond als ‘Claudius de dwaas’, ‘Claudius de stotteraar’, ‘Clau-Clau-Claudius’ of als het meezat ‘arme oom Claudius, stel hier mijn eigenaardige levensgeschiedenis te boek vanaf mijn vroegste jeugd tot aan het beslissende moment van verandering, ongeveer acht jaar geleden, waarop ik als eendenvijftigjarige plotseling verzeild raakte in wat ik de ‘gouden kooi’ zal noemen en waaruit ik niet meer heb kunnen ontsnappen.

Dit is beslist niet mijn eerste boek. Integendeel; literatuur, en in het bijzonder de geschiedschrijving – die ik hier in Rome als jongeman onder de beste hedendaagse meesters heb gestudeerd – vormde tot aan het moment van de verandering gedurende meer dan vijfendertig jaar mijn enige professie. Mijn lezers hoeven zich dan ook niet te verbazen over mijn breedvoerige stijl: het is inderdaad Claudius zelf die dit boek schrijft, niet een van zijn secretarissen en ook niet zo’n professionele kroniekschrijver die bekende personen plegen aan te stellen om hun overpeinzingen te communiceren in de hoop dat de zwierige schrijftrant de schraalheid van hun ideeën compenseert en vleiende woorden onvolkomenheden wegpoetsen.

In dit werk, dat zweer ik bij alle goden, ben ik mijn eigen secretaris en mijn eigen biograaf: ik schrijf dit met mijn eigen hand, en welke gunst zou ik van mezelf hopen te verweven met mooipraterij? Ik kan hier overigens nog aan toevoegen dat dit niet de eerste levensgeschiedenis is die ik op schrift stel. Ik heb er al eerder een gemaakt, in acht delen, als een bijdrage aan het stadsarchief. Het was een saai boekwerk en uitsluitend geschreven om te voldoen aan verzoeken uit het volk. Zelf hecht ik er weinig waarde aan. Om eerlijk te zijn, was ik tijdens het schrijven ervan, twee jaar geleden, erg druk met andere zaken.”




Robert Graves (24 juli 1895 - 7 december 1985)






De Nederlandse dichter Johan Andreas dèr Mouw (Adwaita) werd  geboren op 24 juli 1863 in Westervoort Zie ook mijn blog van 24 juli 2006 en ook mijn blog van 24 juli 2007 en ook mijn blog van 24 juli 2008.



Wit hing en stil...


Wit hing en stil de dauw over de weiden. –

Onwereldlijk, onwezenlijk, een schim,

Stond, hoog, in ’t west wit licht boven de kim. –

Niets werk’lijks was er meer, niets dan wij beiden.


En op die heuvel, op die bank van ons,

Boven de dauw, zaten we als op een eiland;

En ’t wit doorschijnend licht, het witte weiland

Leek stilte; en de stilte was als dons.


Boven de wereld zaten we; en we schrokken,

Als om ons in besliste vaart een tor

Een kromme draad trok van donker gesnor,

Wegbuigend in dempende nevelvlokken.


Jouw haar, rood in de schem’ring, aaide ik glad:

Mijn ziel was in mijn lippen en mijn handen,

En deed mijn handen en mijn lippen branden

Op jou, die ik het diepst heb liefgehad.





'k Maak in gedachten vaak een bedevaart


'k Maak in gedachten vaak een bedevaart:

dan sta 'k weer op die plek, die zomerdag,

waar ik door de eikenlaan je komen zag;

als relikwie heb ik dat beeld bewaard:


uit zonn'ge bomen dropte op zonnige aard'

overal neer de zonn'ge vinkenslag;

'k zag op jouw gezicht die blije lach,

en 'k dacht op eens: 'Ben ik die liefde waard?'


En één ding weet ik: als jij dood mocht gaan,

zal 't zijn, als stond ik weer in de eikenlaan,

toen jij zou komen met jouw lief gezicht.


Dan wordt die zomerdag, zolang voorbij,

een vizioen van toekomst, waarin jij

MIJ staat te wachten in onwerelds licht.








Het hele perk was vol: je zag geen zand.

De paarsen leken ernstige oude heertjes,

De bruinen glanzend-moll'ge, goed'ge beertjes,

De gelen pluimen van een goudfazant;


En massa's witten stonden om de rand,

Zo wit als vlinders of als duivenveertjes,

Net roomse kindertjes in Pinksterkleertjes,

Die om iets heiligs heen staan, hand in hand. -


Verwilderd is 't, deels plat, deels uitgeschoten,

Zodat ik - 'k zie ze nog - die mooie groten

In de verschrompelden nauw'lijks herken;


Maar even lang als toen sta ik te kijken:

Ze deden goed hun best; 't mag nu niet lijken,

Alsof 'k voor 't vroeger moois ondankbaar ben







Johan Andreas dèr Mouw (24 juli 1863 – 8 juli 1919)






De Japanse schrijfster Banana Yoshimoto werd geboren op 24 juli 1964 inTokyo. Zie ook mijn blog van 24 juli 2007  en ook mijn blog van 24 juli 2008.


Uit : Kitchen (Vertaald door Megan Backus)


Three days after the funeral I was still in a daze. Steeped in a sadness so great I could barely cry, shuffling softly in gentle drowsiness, I pulled my futon into the deathly silent, gleaming kitchen. Wrapped in a blanket, like Linus, I slept. The hum of the refrigerator kept me from thinking of my loneliness. There, the long night came on in perfect peace, and morning came.

But ... I just wanted to sleep under the stars.

I wanted to wake up in the morning light.

Aside from that, I just drifted, listless.

However! I couldn't exist like that. Reality is wonderful.

I thought of the money my grandmother had left me-just enough. The place was too big, too expensive, for one person. I had to look for another apartment. There was no way around it. I thumbed through the listings, but when I saw so many places all the same lined up like that, it made my head swim. Moving takes a lot of time and trouble. It takes energy.

I had no strength; my joints ached from sleeping in the kitchen day and night. When I realized how much effort moving would require-I'd have to pull myself together and go look at places. Move my stuff. Get a phone installed-I lay around instead, sleeping, in despair. It was then that a miracle, a godsend, came calling one afternoon. I remember it well.

Dingdong. Suddenly the doorbell rang.

It was a somewhat cloudy spring afternoon. I was intently involved in tying up old magazines with string while glancing at the apartment listings with half an eye but no interest, wondering how I was going to move. Flustered, looking like I'd just gotten out of bed, I ran out and without thinking undid the latch and opened the door. Thank god it wasn't a robber. There stood Yuichi Tanabe.

"Thank you for your help the other day," I said. He was a nice young man, a year younger than me, who had helped out a lot at the funeral. I think he'd said he went to the same university I did. I was taking time off.”




Banana Yoshimoto (Tokyo, 24 juli 1964)






De Duitse schrijfster Rosemarie Schuder werd geboren op 24 juli 1928 in Jena. Na haar gymnasiumopleiding werkte zij als freelance journaliste. Tegenwoordig woont zij als zelfstandig schrijfster in Berlijn. Zij schrijft voornamelijk historische romans, zoals bijvoorbeeld over Paracelsus, Johannes Kepler en Michelangelo. In 1958 ontving zij de Heinrich Mann prijs en in 1969, 1978 en 1988 de Nationale Prijs van de DDR.


Uit: In der Mühle des Teufels


„Noch am frühen Morgen waren sie bereit gewesen, heranzustürmen gegen das Schloß. Aber der lange Tag mit dem Streit, dem Hunger, dem Gestank, dem Durst, der Ungewißheit, ob die im Schloß ausbrechen würden, hatte sie müde gemacht. Die meisten von ihnen waren Bauern, sie waren eine strenge Tagesregel gewohnt. Jetzt, da sie keinen schnellen Erfolg sahen, wünschten sie, sie wären zu Hause. Der Befehl, einen Graben auszuheben, erschien ihnen sinnlos. Vor Einbruch der Dunkelheit gingen unter den Belagerern Flugblätter von Hand zu Hand. Wer nicht lesen konnte, dem wurde vorgelesen: "Wer bis in die Morgenstunden des 13. Mai 1625 das Gebiet von Schloß Frankenburg im Umkreis von zwanzig Meilen nicht verlassen hat, wird erschossen. Geht unverzüglich nach Hause! Wer einen Rädelsführer angibt oder ausliefert, kann belohnt werden. Wer glaubt, irgendeine Beschwerde zu haben, kann sie beim Statthalter mündlich oder schriftlich einbringen. Es wird nach Möglichkeit Abhilfe geschaffen. Wer mit einer Waffe außer Haus angetroffen wird, wird erschossen. Sein Besitz wird eingezogen. Gezeichnet Graf Adam von Herbersdorff, Statthalter." Die Anführer versuchten die Nacht über, den Haufen zusammenzuhalten. Sie erklärten, wenn der Feind schon so eine drohende Sprache führe, dann müsse er sehr unsicher sein. Es war weniger die Angst, die ihren Abzug veranlaßte, als die Unzufriedenheit über die ergebnislose Belagerung, die sie, die Bauern, mehr anstrengte und plagte als die Herren Kommissäre im Schlosse. Und auch ihre Uneinigkeit war zu groß. Sie gingen nach Hause in ihre Dörfer. "Kommst du mit, Baumgartner, zum Statthalter? Es heißt, er reitet auf Frankenburg zu, so geh ich ihm entgegen.“





Rosemarie Schuder (Jena,  24 juli 1928)






De Japanse schrijver Junichirō Tanizaki werd geboren in Tokio op 24 juli 1886. Tanizaki kwam uit een welgestelde familie van zakenlieden uit het stadsdeel Nihonbashi in Tokio. Zijn vader was eigenaar van een drukkerij die door zijn grootvader was opgericht. In zijn Yosho jidai ("Kinderjaren", 1956) schrijft Tanizaki dat hij een zorgeloze jeugd heeft gehad. Tanizaki studeerde literatuur aan de Keizerlijke Universiteit van Tokio, maar moest in 1911 zijn studie staken bij gebrek aan geld. Tanizaki's literaire carrière begon in 1909. Hij schreef een toneelstuk in één bedrijf dat werd gepubliceerd in een literair tijdschrift dat hij zelf had helpen oprichten. Hij liet zich in deze periode inspireren door het Westen en modernismen. In 1922 verhuisde hij zelfs naar Yokohama, waar een grote groep buitenlanders woonde, woonde korte tijd in een huis in Westerse stijl en leefde als een bohemien.

Tanizaki werd bekend met de publicatie van zijn korte verhaal Shisei ("De tatoeëerder", 1910). In dit verhaal zet de tatoeëerder een reusachtige "prostitueespin" op het lichaam van een mooie jonge vrouw. Daarna krijgt de schoonheid van de vrouw een demonische macht waarbij erotiek wordt gecombineerd met sadomasochisme. Het thema van de femme fatale komt vaker voor in de eerdere werken van Tanizaki, zoals Shonen ("De kinderen", 1911), Himitsu ("Het geheim," 1911) en Akuma ("Duivel", 1912). Tanizaki's andere werk uit de Taishōperiode zijn onder andere de deels biografische werken Shindo (1916) and Oni no men (1916). Tanizak is nog steeds een van de populairste literaire schrijvers in Japan.


Uit: Makioka Sisters (Vertaald door Edward G. Seidensticker)


“Would you do this please, Koi-san?"

Seeing in the mirror that Taeko had come up behind her, Sachiko stopped powdering her back and held out the puff to her sister. Her eyes were still on the mirror, appraising the face as if it belonged to someone else. The long under-kimono, pulled high at the throat, stood out stiffly behind to reveal her back and shoulders.

"And where is Yukiko?"

"She is watching Etsuko practice," said Taeko. Both sisters spoke in the quiet, unhurried Osaka dialect. Taeko was the youngest in the family, and in Osaka the youngest girl is always "Koi-san," "small daughter."

They could hear the piano downstairs. Yukiko had finished dressing early, and young Etsuko always wanted someone beside her when she practiced. She never objected when her mother went out, provided that Yukiko was left to keep her company. Today, with her mother and Yukiko and Taeko all dressing to go out, she was rebellious. She very grudgingly gave her permission when they promised that Yukiko at least would start back as soon as the concert was over--it began at two--and would be with Etsuko for dinner.

"Koi-san, we have another prospect for Yukiko."


The bright puff moved from Sachiko's neck down over her back and shoulders. Sachiko was by no means round-shouldered, and yet the rich, swelling flesh of the neck and back somehow gave a suggestion of a stoop. The warm glow of the skin in the clear autumn sunlight made it hard to believe that she was in her thirties.

"It came through Itani."


"The man works in an office, M.B. Chemical Industries, Itani says."

"And is he well off?"

"He makes a hundred seventy or eighty yen a month, possibly two hundred fifty with bonuses."




Junichirō Tanizaki (24 juli 1886 – 30 juli 1965)






De Engelse schrijver E. F. Benson werd geboren in Berkshire op 24 juli 1867. Hij was het vijfde kind van de rector van Wellington College. Hij studeerde aan het Marlborough College in Marlborough, Wiltshire en aan het King’s College in Cambridge.Hij schreefd meer dan negentig boeken. Tot de populairste behoorden Queen Lucia“ (1920) und „Lucia in London“ (1927).


Uit: Lucia in London


“Considering that Philip Lucas's aunt who died early in April was no less than eighty-three years old, and had spent the last seven of them bedridden in a private lunatic asylum, it had been generally and perhaps reasonably hoped among his friends and those of his wife that the bereavement would not be regarded by either of them as an intolerable tragedy. Mrs. Quantock, in fact, who, like everybody else at Riseholme, had sent a neat little note of condolence to Mrs. Lucas, had, without using the actual words "happy release," certainly implied it or its close equivalent. She was hoping that there would be a reply to it, for though she had said in her note that her dear Lucia mustn't dream of answering it, that was a mere figure of speech, and she had instructed her parlour-maid who took it across to 'The Hurst' immediately after lunch to say that she didn't know if there was an answer, and would wait to see, for Mrs. Lucas might perhaps give a little hint ever so vaguely about what the expectations were concerning which everybody was dying to get information. . . . While she waited for this, Daisy Quantock was busy, like everybody else in the village on this beautiful afternoon of spring, with her garden, hacking about with a small but destructive fork in her flower-beds. She was a gardener of the ruthless type, and went for any small green thing that incautiously showed a timid spike above the earth, suspecting it of being a weed. She had had a slight difference with the professional gardener who had hitherto worked for her on three afternoons during the week, and had told him that his services were no longer required.”.





E. F. Benson (24 juli 1867 – 29 februari 1940)






De Franse dramaturg en schrijver Alexandre Dumas père werd geboren in (Villers-Cotterêts (Aisne) op 24 juli 1802. Zie ook mijn blog van 24 juli 2007  en ook mijn blog van 24 juli 2008.


Uit: Le Speronare


« - Seigneur, dit alors l'un d'eux, tandis que les autres continuaient de crier et de pleurer : seigneur, nous sommes les députés de la terre de Sicile, pauvre terre abandonnée de Dieu, de tout seigneur et de toute bonne aide terrestre ; nous sommes de malheureux captifs tout près de périr, hommes, femmes et enfants, si vous ne nous secourez. Nous venons, seigneur, vers votre royale majesté, de la part de ce peuple orphelin, vous crier grâce et merci ! Au nom de la Passion, que Notre-Seigneur Jésus-Christ a soufferte sur la croix pour le genre humain, ayez pitié de ce malheureux peuple ; daignez le secourir, l'encourager, l'arracher à la douleur et à l'esclavage auxquels il est réduit. Et vous le devez le faire, seigneur, par trois raisons : la première, parce que vous êtes le roi le plus saint et le plus juste qu'il y ait au monde ; la seconde parce que tout le royaume de Sicile appartient et doit appartenir à la reine votre épouse, et après elle à vos fils les infants, comme étant de la lignée du grand empereur Frédéric et du noble roi Manfred, qui étaient nos légitimes ; et la troisième enfin parce que tout chevalier, et vous êtes, sire, le premier chevalier de votre royaume, est tenu de secourir les orphelins et les veuves.
Or, la Sicile est veuve par la perte qu'elle a faite d'un aussi bon seigneur que le roi Manfred ; or, les peuples sont orphelins parce qu'ils n'ont ni père ni mère qui les puissent défendre, si Dieu, vous et les vôtres, ne venez à leur aide. Ainsi donc, saint seigneur, ayez pitié de nous, et venez prendre possession d'un royaume qui vous appartient à vous et à vos enfants, et, tout ainsi que Dieu a protégé Israël en lui envoyant Moïse, venez de la part de Dieu tirer ce pauvre peuple des mains du plus cruel Pharaon qui ait jamais existé ; car, nous vous le disons, seigneur, il n'est pas de maîtres plus cruels que ces Français pour les pauvres gens qui ont le malheur de tomber en leur pouvoir. »




Alexandre Dumas père (24 juli 1802 - 5 december 1870)







De Nederlandse schrijfster Betje Wolff (eig. Elizabeth Bekker) werd geboren in Vlissingen op 24 juli 1738. Zie ook mijn blog van 24 juli 2007 en ook mijn blog van 24 juli 2008.


Uit: Historie van mejuffrouw Sara Burgerhart


Mejuffrouw Sara Burgerhart aan den Heer Abraham Blankaart.

Ge-eerde heer, zeer ge-achte voogd!

Dat was een blyde Postdag voor my. Een Brief van myn geëerden Voogd. Waarlyk, ik heb geschreid, ziende hoe veel belang gy in my naamt: doch dat zes maanden uit blyven! daar lag al myn vreugd in 't voetzant. Wel, myn allerliefste Voogd, ik kan het hier geen zes weken langer uithouden; zo als ik ook evenwel behandelt word, maar ik kan 't niet half schryven; zo gy, myn Heer, hier waart, gy zoudt het my toestaan. Och, zo waar, ik heb u geen één jokkentje, hoe klein ook, op den mouw gespelt. Foei, myn Heer, zou ik liegen? dan was ik een zeer slegt meisje, en verdiende dat gy my bekeeft. Ik ben niet alleen de slavin van Tantes grillen, maar ik word ook geringeloort door eene oude lelyke zotte meid, die, om Tante te behagen, my dol maakt.

De Juffrouw, daar ik gaarne by zoude inwonen, is de ongelukkige weduw van een fatsoen-

]lyk man, die niet dan ordentelyke Dames logeert. Eene myner oude schoolmakkertjes is daar reeds eenigen tyd geweest, en pryst de Juffrouw heel zeer. Daar zyn nog twee andere Dames ook.

Vry, vrolyk en onbeknort te leven, dit is myn eenig oogmerk; en is dat berispelyk? By Tante kan ik niet blyven, zo ik my niet tot huichlary wil verlagen, eene ondeugd, die allerasschuwlykst voor my is; en waar aan ik my zeker nooit zal te buitengaan.

Ik beveel my in uwe gunst. Ik zal my in allen opzichte altoos zo pogen te gedragen, dat gy voldaan zyt, maar by Tante kan ik niet blyven: Laat my toe, dit nogmaal te zeggen.

Wat ben ik blyde met de my toegezegde Muziek! Ik zing al in voorraad. o! Wat zal die fraai zyn; Mooglyk is er wel van Rousseau's Compositie by? duizendmaal dank. Ik hoop al die stukken u eens, onder het rooken van een Pypje, voor te spelen. Maar, denk eens aan, myn Heer Blankaart, daar wil Tante niet hebben dat ik speel, dan naar ouwe lollige zeuzeryën; en lieve Heer, ik speel evenwel zo graag, en ik heb zulke mooije Cantata's. Mag ik u bidden, myn Heer, zendt het Pakje aan Tantes huis niet; het ging wis en waarlyk op 't vuur: ik zal hier een adresje insluiten.”





Betje Wolff (24 juli 1738 - 5 november 1804)






De Duitse schrijversvrouw Katia Mann, steun en toeverlaat van de Duitse schrijver Thomas Mann, werd geboren als Katharina Pringsheim op 24 juli 1883 in Feldafing. Zie ook mijn blog van 24 juli 2007 en ook mijn blog van 24 juli 2008.


Uit: Katia Mann hat sich nicht geopfert (Interview met Frido Mann, Welt am Sonntag, 3 maart 2003)


« WamS: Was fällt Ihnen spontan ein, wenn Sie an Ihre Großmutter denken?

Mann: Ihre Widersprüchlichkeit. Sie konnte ungeheuer zärtlich, liebevoll und großzügig sein, aber auch schroff, dominant und ungeduldig.

WamS: Inge und Walter Jens sind sich einig, dass „Frau Thomas Mann" intelligenter war als ihr Mann. Teilen Sie diese Meinung?

Mann: Auf jeden Fall hatte sie einen scharfen Verstand, unter dem Thomas Mann gelegentlich gelitten hat. Sie hat sich nicht untergeordnet, und er konnte es schlecht ertragen, von ihr widerlegt zu werden.

WamS: Auch Katias politischer Weitblick wird gerühmt ...

Mann: Sie hat schon 1923, zur Zeit der Inflation, hellsichtig vorausgesehen: „Ein Volk, das sich so etwas gefallen lässt, wird noch ganz andere Dinge mit sich machen lassen."

WamS: Sie waren der Lieblingsenkel von Thomas Mann. Hat Ihre Großmutter auch Prioritäten gesetzt oder waren ihr alle vier Enkel, egal ob Junge oder Mädchen, gleich lieb?

Mann: Soweit ich mich erinnere, hat sie immer versucht, Ungerechtigkeiten auszugleichen, uns allen ihre Aufmerksamkeit zu widmen.

WamS: Nach dem Tod von Thomas Mann haben Sie acht Jahre bei Ihrer Großmutter in der Schweiz gelebt und gelernt. Rückblickend eine schöne Zeit?

Mann: In den ersten vier Jahren war ich noch Schüler. Katia Mann hat mir beigestanden. Doch bei schlechten Noten kannte sie kein Pardon. Ich erinnere mich, dass ich sie mit der Ausrede „Ach, ich habe wieder Pech gehabt" gnädig stimmen wollte. Ungeduldig schimpfte sie: „Neunmal Pech ist Pech, zehnmal Pech ist Schuld." Nicht gerade angenehm, aber prägend. »






Katia Mann (24 juli 1883 – 25 april 1980)

Katja en Thomas Mann, 1929 voor het hotel Adlon in Berlijn






De Duitse dichter, schrijver en acteur Frank Wedekind werd geboren in Hannover op 24 juli 1864. Zie ook mijn blog van 24 juli 2007 en ook mijn blog van 24 juli 2008.


Uit: Die Büchse der Pandora


Der normale Leser

schwankt herein


          Ich möchte gern ein Buch bei Ihnen kaufen.

Was drin steht, ist mir gänzlich einerlei.

Der Mensch lebt, heißt es, nicht allein vom Saufen.

Auch wünsch' ich dringend, daß es billig sei.

Die älteste Tochter will ich zum Gedenken

Der ersten Kommunion damit beschenken.


Der rührige Verleger


 Da kann ich Ihnen warm ein Buch empfehlen,

Bei dem das Herz des Menschen höher schlägt.

Heut lesen es schon fünf Millionen Seelen,

Und morgen wird's von neuem aufgelegt.

Für jeden bleibt's ein dauernder Gewinn,

Steht doch für niemand etwas Neues drin.


Der verschämte Autor

schleicht herein


    Ein Buch möcht' ich bei Ihnen drucken lassen;

Zehn Jahre meines Lebens schrieb ich dran.

Das Weltall hofft' ich brünstig zu umfassen

Und hab's kaum richtig mit dem Weib getan.

Was lernend ich dabei als wahr empfand,

Hab' ich in schlottrig schöne Form gebannt.


Der hohe Staatsanwalt

stürmt herein


    Ich muß ein Buch bei Ihnen konfiszieren,

Vor dem die Haare mir zu Berge stehn.

Erst sah den Kerl man alle Scham verlieren,

Nun läßt er öffentlich für Geld sich sehn.

Drum werden wir ihn nach dem Paragraphen

Einhundertvierundachtzig streng bestrafen.






Frank Wedekind (24 juli 1864 - 9 maart 1918)





Zie voor onderstaande schrijver ook Zie ook mijn blog van 24 juli 2007.


De Duitse schrijver Hermann Kasack werd geboren op 24 juli 1896 in Potsdam.




Frans Erens, Kai Meyer, Thea Dorn, Lisa Alther, Irina Liebmann, Hubert Selby jr., Raymond Chandler, Sascha Kokot

De Nederlandse schrijver Frans Erens werd geboren op 23 juli 1857 in Schaesberg. Zie ook mijn blog van 23 juli 2007 en ook mijn blog van 23 juli 2008.


Uit: Kroegen en de Literatuur


“Ik heb ergens gezegd, dat het schijnt dat nieuwe ideeën over kunst worden geboren in tabaksrook bij het gerinkel van glazen, het heen-en-weer-geloop van kellners en het langsstrijken van onverschillige bezoekers...

Zoo maakte ik het in Parijs mee, zoo in Amsterdam. Het zal wel overal zoo in zijn werk gaan. Zoo wordt de gunstige atmosfeer gemaakt voor het opkomen der ideeën. Woorden vliegen en gedachten botsen, dan komen de lichtflitsen en later worden in eenzaamheid de concepties tot de werkelijkheid gebracht. In de fase van het wordingsproces kan de literator niet volkomen geïsoleerd zijn, daardoor zou hij zijn verstands- en gevoelsleven spoedig zien uitsterven.

Een ingaand en vruchtbaar gesprek wordt gehouden in een of andere bierkroeg en bij de herinnering daaraan doemt de omgeving mede op in de memorie en het is daarom, dat ik nu en dan met een soort liefde vertel van al die lokalen en lokaaltjes, waar wij kwamen niet om te drinken, maar waar werd gedronken omdat wij bij elkaar wilden zijn. Daardoor hebben wij, grootendeels onverdiend, de reputatie van drinkers gekregen.

Ik heb zelf in mijn later leven verschillende malen een soort vijandschap ondervonden omdat ik er ‘een van De Nieuwe Gids’ was geweest. Een dame weigerde mij om die reden haar huis te verhuren, zooals zij zeide.

Uit al die lokalen waar ik heb gezeten en gepraat, komen sommigen zich nu en dan weer aandienen in mijn geheugen.

Ik zat na een vergadering van Flanor met Van Looy op een avond in ‘De Oude Graaf’ in het begin van de Kalverstraat. Daar schreef hij Flanors Feestzang voor mij op. Het is ook een van die vele verdwenen café's, centra van ouderwetsche gezelligheid. Waar zijn ze allemaal gebleven? Afgebroken zijn ze, verbouwd tot bioscopen en modemagazijnen. Zoo sterven de huizen in de straten, zoo sterven de straten, zoo sterven de steden.

Ik geloof dat er in het zoogenaamd conservatieve Nederland meer wordt afgebroken en verwoest dan overal elders. Ik heb dat land dan ook nooit gezien als conservatief in den waren zin.

Het was in '89 en '90 dat wij bijna iederen avond in de Poort van Cleve kwamen, waar het na negenen gewoonlijk leeg was, zoo tenminste dat er op die latere uren ruimschoots plaats was te krijgen. Breitner, Witsen, Aletrino, Isaac Israels, Kloos, Diepenbrock, Jan Veth, Karsen, Boeken, ik meen ook Van Deventer, Van Looy ontmoette ik er vaak. Boeken schreef daar menige bladzijde wanneer de bezoekers nog niet waren gearriveerd.”





Frans Erens (23 juli 1857– 5 december 1936)






De Duitse schrijver Kai Meyer werd geboren op 23 juli 1969 in Lübeck. . Zie ook mijn blog van 23 juli 2007 en ook mijn blog van 23 juli 2008.


Uit: Die Sturmkönige


„Er lenkte den fliegenden Teppich durch die nächtlichen Gassen Samarkands. Geduckt raste er unter niedrigen Brücken hindurch, brach durch Schwärme von Fledermäusen und wich den ausgebeulten Tuchmarkisen über Balkonen und Fenstern aus. Feuchte Wäsche klatschte ihm ins Gesicht, wo sich Leinen zwischen den Hauswänden spannten. Eine angriffslustige Katze sprang von einem Fenstersims auf den Teppich, verhakte sich kreischend im Knüpfwerk und schlug nach ihm, als er sie mit einem Stoß über die flatternden Fransen fegte. Manchmal schien es Tarik, als bliebe sein eigener Schatten auf den Lehmmauern und Fensterläden zurück, so geschwind jagte er durch die engen Gassen der Altstadt. Schneller als jeder andere, geschickter und ungleich erfahrener. Siegesgewiss, ohne auch nur ein einziges Mal an den Sieg zu denken. Berechnend, ohne auf seine Verfolger Rücksicht zu nehmen. Auf der Flucht vor Erinnerungen, denen er doch nie entrinnen konnte, vor allem in den Morgenstunden, wenn der Triumph über das gewonnene Teppichrennen verebbt war, wenn die Wirkung der billigen Weine nachließ. Dann ein weiteres Rennen. Ein weiterer Sieg. Eine weitere durchzechte Nacht.
Mondlicht lag über den Kuppeln der Moscheen und Zarathustratempel, breitete sich über die flachen Dächer der Häuser und webte feine Gespinste aus Staub und Rauch. Fackeln fauchten, als Tarik an ihnen vorüberfegte. Er spürte den fliegenden Teppich unter sich wie ein lebendes Wesen. Noch drei oder vier Wegkehren, dann würde er den Palast des Emirs vor sich sehen, das gefährlichste Wegstück des verbotenen Teppichrennens.“






Kai Meyer (Lübeck, 23 juli 1969







De Duitse schrijfster en televisiepresentatrice Thea Dorn (peudoniem van Christiane Scherer) werd geboren op 23 juli 1970 in Offenbach am Main. Zie ook mijn blog van 23 juli 2008.


Uit: Die Hirnkönigin


“Drei Promille. Und kein bißchen glücklich.

Sie wußte nicht, wovon ihr der Schädel mehr brummte: von dem Champagner, mit dem sie ihre Depression bei Laune hielt, oder von dem Stimmen-Cocktail, der jeden Harvey Wallbanger in den Schatten stellte:

4 cl Kulturgewäsch 2 cl Berliner Hauptstadtgeist, einige Tropfen Wermut, das Ganze aufgegossen mit reichlich Testosteron

Irgendwann zwischen dem zwölften und fünfzehnten Glas hatte sie aufgehört, in den Gesprächen mit herumzurühren. Jetzt stand sie nur noch da und hielt sich an ihrem Champagnerglas fest. Konzentriert genug betrieben war auch dies eine abendfüllende Beschäftigung.

Sie hatte fast vergessen, daß sie mehr war als ein Champagnerständer, als der Gastgeber mit ausgebreiteten Armen auf sie zugesegelt kam. Instinktiv duckte sie sich zur Seite. In dem weißen Anzug sah er aus wie eine fette alte Möwe.

»Meine Liebe, aber Sie langweilen sich ja. Ich bitte Sie, das darf nicht sein. Die Nacht ist viel zu schön, als daß sich eine schöne Frau wie Sie langweilen dürfte. Wollen Sie ein wenig an die frische Luft gehen mit mir?«

Aber sicher doch. Was tat man lieber, als mit fetten alten Möwen an die Luft zu gehen. Zumal, wenn sie der Boß waren. Und Geburtstag hatten.

Er faßte ihren Ellenbogen und lenkte sie hinaus in eine der lauen Berliner Sommernächte, in denen das Thermometer den Gefrierpunkt gnädig von oben umschmeichelte. Sie hätte nie geglaubt, daß ihr das künstlich verdunkelte Baßorgan ihres Chefs jemals angenehm erscheinen könnte. Doch jetzt träufelte diese Stimme wie reiner Single Malt in ihre Ohren.

»Habe ich Ihnen eigentlich schon gesagt, wie glücklich ich bin, daß Sie bei uns arbeiten.«

Sie schüttelte den Kopf. Bis gestern morgen hast du noch gar nicht gewußt, daß ich bei dir arbeite, du Arschloch.“






Thea Dorn
(Offenbach am Main, 23 juli 1970)






De Amerikaanse schrijfster Lisa Alther werd geboren op 23 juli 1944 in Kingsport, Tennessee. Zij studeerde Engelse literatuur en doceerde later in Vermont literatuur van de zuidelijke staten. Tussendoor verbleef zij in Parijs en Londen. Werk o.a.: Kinflicks, Original Sins, Other Women, Bedrock, en Five Minutes In Heaven


Uit: Kinfolks: Falling Off the Family Tree


My younger brother bill is clutching his teddy bear, the noose still knotted around its neck. My older brother John and I sit on a carpeted step in the front hallway as the gray-haired babysitter with crooked brown teeth informs us that the Melungeons will get us for having hung the bear from the upstairs landing, just out of Bill's reach in the downstairs hall.

"What's the Melungeons?" I ask.

"The Melungeons has got six fingers on each hand," she says. "They grab mean little chilrun and carry them off to their caves in the cliffs outside of town."

John and I glance at each other uneasily.

When my parents get home from their tea dance at the country club, John and I wait for Bill to tell on us, but he doesn't. He's a good kid. The Melungeons won't be interested in him when they arrive.

In her silvery cocktail dress and the spike heels that make her look like a toe dancer, my mother is very glamorous. The top of her head comes to my father's chest. He's the tallest man we know. He claims he has race-horse ankles. He's madly in love with my mother and is always coming up with corny new ways to tell her so.

Tonight, right in front of the babysitter, he says, "Kids, isn't your mother just as pretty as a carnival queen at a county fair? If I put herin a pageant, she'd win the four-hundred-pound hog. But how would I get it home?"




Lisa Alther (Kingsport, 23 juli 1944)






De Duitse dichteres en schrijfster Irina Liebmann werd geboren op 23 juli 1943 in Moskou. In 1945 verhuisde haar familie naar Oost-Berlijn. Haar vader werd in 1953 uit de SED gezet. Liebmann zelf studeerde in 1966 af in sinologie. Van 1967 tot 1875 was zij redactrice bij het tijdschrift Deutsche Außenpolitik. Vanaf 1975 begon zij als zelfstandig schrijfster te werken: reportages, hoorspelen, romans, gedichten. In toenemende mate ontevreden met de DDR, besloot zij met haar familie in 1988 naar West-Berlijn te verhuizen.




Seit dem siebzehnten Juni


Seit dem siebzehnten Juni ist wieder Bewegung, seit

Die Truppen abziehen gehen

Wir selber herum in der Stadt so wie

in der Neunten-November-Nacht

Als sich alles geändert hat. Morgens Siegesallee, wo

Die Amerikaner Franzosen und Briten

Zum Abschied marschieren, die Russen nicht, die werden

Am Abend singen im Lustgarten Unter den Linden.

Und wir laufen am Hackeschen Markt vorbei, an der Börse, die‘s

Gar nicht mehr gibt, im Lustgarten sind die Linden

Klein, aber blühen,

Sie blühen schon.


Das Schloss aus Plastikfolie sperrt

Den Blick nach Süden ab

Paar Regentropfen fallen und die kleinen

Linden halten den Regen nicht ab.

Das Alte Museum ist verstellt von einem Bühnenkasten,

aus Stoff und Stangen, die alles versperrn, sogar die Adler, die

täglich sonst dort auf dem Dache sitzen.

Die achtzehn grossen Adler aus Stein sind für heute verschwunden


Steht rechts und links von dem Bühnenkasten ein

Gewaltiges Telefon. Es ist auf Stoff gemalt und in jedem leuchtet

Ein Bildschirm, darin laufen Filme über es selbst, also über

Ein tragbares Telefon.




Irina Liebmann (Moskou, 23 juli 1943)






De Amerikaanse schrijver Hubert Selby jr. werd op 23 juli 1928 in Brooklyn, New York geboren. . Zie ook mijn blog van 23 juli 2007 en ook mijn blog van 23 juli 2008.


Uit: Waiting Period


“Hi, what can I do for you?
Well…I was thinking of buying a gun.
Yeah, well thats something we have plenty of. Funny how thats true of gun shops, eh? So, what did you have in mind, AK-47, pellet pistol, elephant gun, bazooka, bubble gum that is, what can I do you for?
Well, Im not sure, you know. I mean-
You thinking in terms of a rifle, a handgun, a-
Oh yeah. A handgun. Nothing big, you know. A handgun.
Well, come over here. Got a whole display case of handguns. Target pistols, semiautomatics, revolvers, 22s, 38s, 357s, 45s.
Damn, sure are a lot of them, aren't there?
Yeah, something for every need. I assume youre not a hit man, right?
Huh? What-
Relax. Only kidding. I mean you really don't know from guns, right?
Well, depends on what you want it for. Protection, right? Something to have around the house in case the moving men from B&E show up at 3 in the morning, right?
Huh, I don't-
Intruders. Burglars. 2nd storey men. Sneak thieves.
Oh…yes, yes. Protection. Cant be too careful these days, uh can you?
Thats right buddy. I got one each of these at home.
Joshing man. Just putting you on. A little joke.
Oh yeah.
So, what do you think youd like? Personally, I think you should go for this 357 here. Good weight. Good accuracy. Plenty of stopping power. Hit a guy anywhere and hes not moving. Bet your ass on that. Here give it a heft.

Oh, I dont-
Hey, its not loaded. Comeon, Im crazy not stupid. Relax. Here. Just see how it feels in your hand. Yeah, thats it.
Oh, its heavy. I had no idea handguns were so heavy.
Yeah, they look light in the movies, don't they? the way they run around firing at everything that moves.”




Hubert Selby jr. (23 juli 1928 – 26 april 2004)






De Amerikaanse schrijver Raymond Thornton Chandler werd geboren in Chicago op 23 juli 1888. Zie ook mijn blog van 23 juli 2007.


Uit: The Big Sleep


“It was about eleven o'clock in the morning, mid October, with the sun not shining and a look of hard wet rain in the clearness of the foothills. I was wearing my powder-blue suit, with dark blue shirt, tie and display handkerchief, black brogues, black wool socks with dark blue clocks on them. I was neat, clean, shaved and sober, and I didn't care who knew it. I was everything the well-dressed private detective ought to be. I was calling on four million dollars.

The main hallway of the Sternwood place was two stories high. Over the entrance doors, which would have let in a troop of Indian elephants, there was a broad stained-glass panel showing a knight in dark armor rescuing a lady who was tied to a tree and didn't have any clothes on but some very long and convenient hair. The knight had pushed the vizor of his helmet back to be sociable, and he was fiddling with the knots on the ropes that tied the lady to the tree and not getting anywhere. I stood there and thought that if I lived in the house, I would sooner or later have to climb up there and help him. He didn't seem to be really trying.”






Raymond Chandler (23 juli 1888 – 26 maart 1959)




Onafhankelijk van geboortedata:


De Duitse dichter en schrijver Sascha Kokot werd geboren in Osterburg in 1982 en volgde opleidingen in Hamburg. Hij werkte o.a. als boer, dagloner en fabrieksarbeider in Australië. Sinds 2006 studeerde hij aan het Deutsche Literaturinstitut Leipzig. Werk van hem verscheen in tijdschriften en bloemlezingen.



Das Abreißen des Schnees

Das Abreißen des Schnees
auf den Uranfeldern
lässt ein blindes Leuchten
zurück für die späteren Schichten
fahren ein in Stahlbeton
dünn bedeckt von Teerpappe
als es noch den letzten Planzoll gab
samt Kohle für die ofenlosen Zimmer
so brechen nicht nur die Rohre
der Fernwärme auch die Jäger
in den kahlen Ort herein.





Sascha Kokot (Osterburg, 1982)





Arno Geiger, Tom Robbins, Stephen Vincent Benét, Maria Janitschek, Emma Lazarus, Per Højholt, Oskar Maria Graf, Jakob Lorber

De Oostenrijkse schrijver Arno Geiger werd geboren op 22 juli 1968 in Bregenz, Vorarlberg. Zie ook mijn blog van 22 juli 2007 en ook mijn blog van 22 juli 2008.


Uit: Schöne Freunde


“Ich weiß nicht, wie viele Jahre wir vor dem großen Tor gestanden sind. Ich weiß nicht, ob ich es vergessen oder nie gewußt habe. Ich erinnere mich nicht, je mit jemandem darüber gesprochen zu haben. Trotzdem glaube ich, daß alle darüber Bescheid wissen. Der Akkordeonspieler müßte es wissen, aber er hat keinen Kopf dafür. Alle andern, die es wissen müßten, sind verschwunden. Sie sind aus dem Dorf verschwunden. Sie sind vom Schiff verschwunden. Sie sind aus der Imbißstube verschwunden. Oder sie sind geblieben. Im Dorf. Auf dem Schiff. In der Imbißstube.
Dann bin ich verschwunden.
Wenn ich einen Ausgangspunkt suche, gelange ich zur Ankunft des Beamten, der den Auftrag hatte, das Unglück zu untersuchen, ich gelange nicht zum Unglück selbst. Am Abend des Tages, an dem ein Teil der Grube eingestürzt war, hielt ein Geländewagen vor dem großen Tor. Der Akkordeonspieler fiel in eine rasche Tonfolge. Der Chauffeur des Wagens ließ das Seitenfenster herunterfahren, aber nicht, um eine Münze in meine Kappe zu werfen, sondern um uns anzuschreien. Wir sollten verschwinden. Ich wußte nicht, wie der Mann dazu kam, uns anzuschreien und zu verlangen, daß wir verschwinden sollten. Ich öffnete das Tor trotzdem, ich habe nie einen Unterschied gemacht.
Ich beschreibe das Tor. Ich beschreibe es, weil niemand anders es beschreibt. Ich beschreibe es vorsichtig, um mich nicht allzu sehr zu täuschen: Ein großes und sehr hohes Tor. Ich glaube, es war alt, aus schwarzem oder schwarz gefärbtem Eisen, manchmal rostig oder schorfig, ich weiß es nicht, ich habe mich nie so recht dafür interessiert. Ich stand dort jeden Tag mit Ausnahme Sonntag. Oben zur Mitte hin war das Tor ansteigend geschwungen. Die Gitterstäbe endeten in Lanzettenspitzen, die teils verbogen, teils abgebrochen waren, doch auch in diesem Fall weiß ich nicht warum. Rechts ein Portierhaus mit einer dicken Frau darin, Frau Berber. Links ein Zaun, der rechts zum Portierhaus zurückkehrte, aber so, daß ich den ganzen Zaun hätte abgehen müssen, um zu erfahren, auf welchem Weg.“





Arno Geiger (Bregenz, 22 juli 1968)







De Amerikaanse schrijver Tom Robbins werd geboren op 22 juli 1936 in  Blowing Rock, North Carolina. Zie ook mijn blog van 22 juli 2007 en ook mijn blog van 22 juli 2008.


Uit: Wild Ducks Flying Backward


Canyon of the Vaginas
When one is on a pilgrimage to the Canyon of the Vaginas, one has to be careful about asking directions.
I mean, there’re some pretty rough ol’ dudes in west-central Nevada. One knows the ol’ dudes are rough when one observes that they eat with their hats on.
Nine days I was in the high desert between Winnemucca and Las Vegas, during which time I never witnessed a male Homo sapiens take his noontide nor his evening repast with an exposed bean. In every instance, a grimy bill or brim shaded the fellow’s victuals from the vulgar eye of light. I assumed that they breakfasted en chapeau as well, but by the hour that your pilgrim sat down to his flapjacks, the rough ol’ dudes had already gone off to try to strike it rich.
When a man’s brain is constantly heated by thoughts of striking it rich, thoughts that don’t fade much at mealtime, perhaps he requires some sort of perpetual head cover to cool the cerebral machinery. On the other hand, since they live in relatively close proximity to America’s major nuclear test site, a nerve-gas depot, several mysterious airfields, and numerous depositories for our government’s nasty toxic secrets, maybe the rough ol’ dudes are just trying to prevent their haircuts from ever flickering in the dark. If I lived in west-central Nevada, I might dine in gloves and a Mylex suit.
Naturally, one has to wonder if the men of Nevada also sleep in their hats. More pointedly, do they sleep with their wives, girlfriends, and thoroughly legal prostitutes in their hats? I intended to interview a Nevada woman or two on the subject, but never quite got around to it. However, something at the Canyon of the Vaginas gave me reason to believe that the answer is affirmative.
Of that, more later.”





Tom Robbins (Blowing Rock, 22 juli 1936)





De Amerikaanse dichter en schrijver Stephen Vincent Benét werd geboren op 22 juli 1898 in Bethlehem, Pennsylvania. Zie ook mijn blog van 22 juli 2007 en ook mijn blog van 22 juli 2008.



Young Blood


HE WOKE up with a sick taste in his mouth

And lay there heavily, while dancing motes

Whirled through his brain in endless, rippling streams,

And a grey mist weighed down upon his eyes

So that they could not open fully. Yet

After some time his blurred mind stumbled back

To its last ragged memory--a room;

Air foul with wine; a shouting, reeling crowd

Of friends who dragged him, dazed and blind with drink

Out to the street; a crazy rout of cabs;

The steady mutter of his neighbor's voice,

Mumbling out dull obscenity by rote;

And then . . . well, they had brought him home it seemed,

Since he awoke in bed--oh, damn the business!

He had not wanted it--the silly jokes,

"One last, great night of freedom ere you're married!"

"You'll get no fun then!" "H-ssh, don't tell that story,

He'll have a wife soon!"--God! the sitting down

To drink till you were sodden! . . .


Like great light

She came into his thoughts. That was the worst.

To wallow in the mud like this because

His friends were fools. He was not fit to touch,

To see, oh far, far off, that silver place

Where God stood manifest to man in her. . . .

Fouling himself. . . . One thing he brought to her,

At least. He had been clean; had taken it

A kind of point of honor from the first.

Others might wallow but he didn't care

For those things. . . .


Suddenly his vision cleared.

And something seemed to grow within his mind.

Something was wrong--the color of the wall--

The queer shape of the bedposts--everything

Was changed, somehow . . . his room. Was this his room?


. . . He turned his head--and saw beside him there

The sagging body's slope, the paint-smeared face,

And the loose, open mouth, lax and awry,

The breasts, the bleached and brittle hair . . . these things.

. . . As if all Hell were crushed to one bright line

Of lightning for a moment. Then he sank,

Prone beneath an intolerable weight.

And bitter loathing crept up all his limbs.






Stephen Vincent Benét (22 juli 1898 – 13 maart 1943)






De Duitse dichteres en schrijfster Maria Janitschek (geb. Tölk) werd geboren op 22 juli 1859 in Mödling bij Wenen. Zie ook mijn blog van 22 juli 2007 en ook mijn blog van 22 juli 2008.



»Ich hab eine Zither, du ein blaues Band,
komm laß uns werden ein Paar!« ...
Er faßt nach ihrer braunen Hand
und bietet die Lippen ihr dar.
Sie küssen sich hungrig, sie küssen sich satt,
die Vöglein lauschen sacht;
es rührt sich in den Büschen kein Blatt;
nacktfüßig kommt die Nacht.
Die jüngsten Sterne gucken
neugierig auf die zwei,
ihre goldnen Wimpern zucken ..
zögernd ziehen sie vorbei.






Maria Janitschek (22 juli 1859 – 28 april 1927)






De Amerikaanse dichteres Emma Lazarus werd geboren op 22 juli 1849 in New York. Zie ook mijn blog van 22 juli 2006  en ook mijn blog van 22 juli 2007 en ook mijn blog van 22 juli 2008.





Thou two-faced year, Mother of Change and Fate,

Didst weep when Spain cast forth with flaming sword,

The children of the prophets of the Lord,

Prince, priest, and people, spurned by zealot hate.

Hounded from sea to sea, from state to state,

The West refused them, and the East abhorred.

No anchorage the known world could afford,

Close-locked was every port, barred every gate.

Then smiling, thou unveil'dst, O two-faced year,

A virgin world where doors of sunset part,

Saying, "Ho, all who weary, enter here!

There falls each ancient barrier that the art

Of race or creed or rank devised, to rear

Grim bulwarked hatred between heart and heart!"







Emma Lazarus (22 juli 1849 – 19 november 1887)

Geschilderd door Amélie Dautel D’Aubigny






De Deense dichter en schrijver Per Højholt werd geboren op 22 juli 1928 in Esbjerg. Zie ook mijn blog van 22 juli 2007 en ook mijn blog van 22 juli 2008.



Uit: Praksis, 8: Album, tumult (1989)

3. Around the town, even on its more frequented thoroughfares, there are places where no-one or hardly anyone sets foot. Places which have not always been there, brought into existence as they are by the town itself, an architecture with the rectangle and the square as its basic forms. But since people in the main move in curves, these corners and triangles are in surplus, they fall outside the scope, though never on that account approaching nature. They are without growth and innocence and become places of sojourn for children, dogs, leaves, drunks and litter, which here, without inconveniencing more purposeful traffic, are able to play, shit, perish or rot, or move slightly in windy weather.

16. The way across the floor to the door I manage as a matter of course. It is going down the stairs I take exception to, all those steps, one merely referring to the next. If the last only referred to my death, but it refers as a simple matter of course to the floor down here in the kitchen.





Per Højholt (22 juli 1928 – 16 oktober 2004)






De Duitse schrijver Oskar Maria Graf werd geboren op 22 juli 1894 in Berg am Starnberger See. Zie ook mijn blog van 22 juli 2007.


Uit: Wir lasen um die Wette


“Auch dieser schwere Sommer verging wie jeder andere. Anfang Herbst kam der Maurus, der ausgelernt hatte, aus Karlsruhe nach Hause. Die Herrschaften waren fort. Der Maxl ging ins Holz oder fuhr Mist auf die Felder und überließ dem Maurus die wenige Konditorarbeit. Er sah ihn nicht gern, redete wenig mit ihm, die beiden wichen einander, so gut es ging, aus, doch sie stritten wenigstens nie. Nun gab es ruhigere Zeiten für mich. Ich brauchte dem Maurus nicht viel zu helfen, aber ich tat es gern. Jetzt konnte ich ja oft bis nach Mitternacht schlafen, ehe wir das Backen anfingen. Der Maurus hatte viele Bücher mitgebracht. Er las Goethe und Heine ebenso eifrig wie Flaubert, Balzac, Stendhal, Maupassant und Zola. Ibsen, Björnson und Strindberg, die damals in Deutschland berühmt wurden, lagen ihm näher als Dostojewski und Gogol, und Gorki mochte er lieber als Tolstoi. Er verstieg sich bis Leibnitz, Spinoza, zu Fichte, Kant und Schopenhauer, aus deren Schriften er ganze Hefte voll tiefsinniger Sentenzen abschrieb. In diesen Heften standen auch Gedichte von Klassikern und solche, die er in Zeitungen oder Zeitschriften gelesen hatte. Jede Seite schmückte er mit einer hübschen, selbstgezeichneten Vignette, die er immer wieder verbesserte. Maurus suchte mich beständig für seine Bücher zu interessieren und gab sich alle Mühe, mir das Gelesene begreiflich zu machen. Ich konnte aber vieles nicht erfassen und wurde schnell müde dabei. Dann wurde er ärgerlich und schlug mich, und es war seltsam, wie er sich dabei erregen konnte. Er war dem Weinen nahe vor Wut und redete in einem fort auf mich ein: "Ja, verstehst du's denn wirklich noch nicht? ... Noch nicht? ... Das ist doch schön! Da muß man doch lachen! Begreif doch, du Aff, du blöder! Warum weinst du denn, du Esel? ... Paß doch besser auf, dann wirst du schon dahinterkommen, wie wunderschön das ist."






Oskar Maria Graf (22 juli 1894 - 28 juni 1967)

Standbeeld in Aufkirchen




De Oostenrijkse mysticus, musicus en schrijver Jakob Lorber werd geboren in Kaniža bijŠentilj, dat tegenwoordig deel uitmaakt van Slovenië, op 22 juli 1800. Zie ook mijn blog van 22 juli 2007.



Uit: Die geistige Sonne


„Wenn nun die Glocke angeschlagen wird, so wird der Schlag von dem inwendigsten Fluidum, welches als ein geistiges Substrat höchst elastisch und dehnbar ist, als ein seine Ruhe störendes Etwas wahrgenommen. Dadurch wird das ganze geistige Fluidum in ein freiwerdenwollendes Bestreben versetzt, was sich dann in anhaltenden Schwingungen zu erkennen gibt. Wird die äußere Materie mit einer andern Materie bedeckt, welche von nicht so leicht erregbaren geistigen Potenzen durchdrungen ist, so wird diese Vibration der erregbaren geistigen Potenzen, vielmehr ihr freiwerdenwollendes Bestreben, bald gedämpft. Eine solche Glocke wird bald ausgetönt haben. Ist aber die Glocke frei, so dauert die tönende Schwingung noch lange fort. Umgibt sie noch dazu von außen ein sehr erregbarer Körper, etwa eine reine, mit Elektrizität gefüllte Luft, so wird dadurch das Tönen noch potenzierter und breitet sich weit in einem solchen miterregbaren Körper aus.
[GS.01_001,09] Wenn ihr nun dieses Bild ein wenig betrachtet, so wird euch daraus notwendig klar werden müssen, daß hier wieder ein Geistiges das Inwendigste, das Durchdringende und das Umfassende ist. Wir wollen aber noch ein Beispiel nehmen.”





Jakob Lorber (22 juli 1800 - 24 augustus 1864)





Ernest Hemingway, Belcampo, Hart Crane, Mohammed Dib, Hans Fallada, Brigitte Reimann, Anton Schnack, Matthew Prior

De Amerikaanse schrijver Ernest Hemingway werd geboren op 21 juli 1899 in Oak Park, Illinois. Zie ook mijn blog van 21 juli 2006  ook mijn blog van 21 juli 2007 en ook mijn blog van 21 juli 2008.


Uit: The Short Happy Life of Francis Macomber


“It was now lunch time and they were all sitting under the double green fly of the dining tent pretending that nothing had happened.

"Will you have lime juice or lemon squash?" Macomber asked.

"I'll have a gimlet," Robert Wilson told him.

"I'll have a gimlet too. I need something," Macomber's wife said.

"I suppose it's the thing to do," Macomber agreed. "Tell him to make three gimlets."

The mess boy had started them already, lifting the bottles out of the canvas cooling bags that sweated wet in the wind that blew through the trees that shaded the tents.

"What had I ought to give them?" Macomber asked.

"A quid would be plenty," Wilson told him. "You don't want to spoil them."

"Will the headman distribute it?"


Francis Macomber had, half an hour before, been carried to his tent from the edge of the camp in triumph on the arms and shoulders of the cook, the personal boys, the skinner and the porters. The gun-bearers had taken no part in the demonstration. When the native boys put him down at the door of his tent, he had shaken all their hands, received their congratulations, and then gone into the tent and sat on the bed until his wife came in. She did not speak to him when she came in and he left the tent at once to wash his face and hands in the portable wash basin outside and go over to the dining tent to sit in a comfortable canvas chair in the breeze and the shade.

"You've got your lion," Robert Wilson said to him, "and a damned fine one too."

Mrs. Macomber looked at Wilson quickly. She was an extremely handsome and well-kept woman of the beauty and social position which had, five years before, commanded five thousand dollars as the price of endorsing, with photographs, a beauty product which she had never used. She had been married to Francis Macomber for eleven years.”






Ernest Hemingway (21 juli 1899 – 2 juli 1961)







De Nederlandse schrijver Belcampo werd in Naarden geboren op 21 juli 1902 als Herman Pieter Schönfeld Wichers. Zie ook mijn blog van 21 juli 2006 en ook mijn blog van 21 juli 2007 en ook mijn blog van 21 juli 2008.


Uit: De Zwerftocht van Belcampo


‘Ik vind een van de ellendigste dingen, dat het voor een gewoon mensch, ik bedoel iemand, die niet zelf achter de schermen werkt, onmogelijk is, zich een juiste voorstelling te vormen van de politieke toestand in zijn eigen tijd, omdat hem de gegevens daarvoor opzettelijk worden onthouden. Daardoor wordt al zijn denken over een van de belangrijkste dingen van zijn leven en het daarop gebaseerde kiezen voor een of andere politieke richting waardeloos. Wat de drukinkt biedt, is òf bewuste misleiding òf bewuste zoethouding van den lezer. Het grondbeginsel van de neutrale kranten is: de lezer moet, zonder dat hij het merkt, even wijs blijven als voorheen. Het neutrale is dan, dat de lezer tenminste niet in een bepaalde richting gedreven wordt; dat is ook zoo, hij wordt zijn heele leven lang rustig om den tuin geleid.

‘En dan, ten opzichte van de werkelijk belangrijke gebeurtenissen in de politiek is de pers, zonder dat zij het wil weten, een groep even groote leeken als de lezers zelf. Deze gebeurtenissen spelen zich af met de geheimzinnigheid van misdaden.’





Belcampo (21 juli 1902 – 2 januari 1990)





De Amerikaanse dichter Hart Crane werd geboren op 21 juli 1899 in Garrettsville, Ohio. Zie ook mijn blog van 21 juli 2007 en ook mijn blog van 21 juli 2008.



At Melville's Tomb 


Often beneath the wave, wide from this ledge

The dice of drowned men's bones he saw bequeath

An embassy. Their numbers as he watched,

Beat on the dusty shore and were obscured.


And wrecks passed without sound of bells,

The calyx of death's bounty giving back

A scattered chapter, livid hieroglyph,

The portent wound in corridors of shells.


Then in the circuit calm of one vast coil,

Its lashings charmed and malice reconciled,

Frosted eyes there were that lifted altars;

And silent answers crept across the stars.


Compass, quadrant and sextant contrive

No farther tides . . . High in the azure steeps

Monody shall not wake the mariner.

This fabulous shadow only the sea keeps.







It sheds a shy solemnity,

This lamp in our poor room.

O grey and gold amenity, --

Silence and gentle gloom!


Wide from the world, a stolen hour

We claim, and none may know

How love blooms like a tardy flower

Here in the day's after-glow.


And even should the world break in

With jealous threat and guile,

The world, at last, must bow and win

Our pity and a smile.







Hart Crane (21 juli 1899 – 26 april 1932)






De Algerijnse schrijver Mohammed Dib werd geboren op 21 juli 1920 in Tlemcen, een stad in het noordoosten van Algerije. Dib schreef verhalen over zijn geboorteland in de Franse taal. Hij heeft bijna twintig boeken geschreven, waaronder ook veel dichtbundels. Een van zijn bekendste boeken was La Grande Maison, een verhaal over een grote familie op het platteland van Algerije in de jaren dertig. Dib woonde sinds 1959 in Frankrijk, nadat hij uit Algerije was verbannen. Diverse Franse schrijvers, zoals André Malraux en Albert Camus, ijverden ervoor dat hij in Frankrijk kon blijven.


Uit: L'incendie


« Le cheval fit une troisième fois le tour de l'antique cité. A son passage tous les fellahs courbèrent la tête. Leur cœur devint trouble et sombre. Mais ils ne tremblaient pas.
Ils eurent une pensée pour les femmes et les enfants. 'Galope, cheval du peuple, songeaient-ils dans la nuit, à la mâle heure et sous le signe mauvais, au soleil et à la lune. Omar s'endormit dans l'herbe ardente. Commandar le vit plongé si profondément dans le sommeil qu'il se tut.
Il murmura pour lui tout seul dans une réflexion entêtée : Et depuis, ceux qui cherchent une issue à leur sort, ceux qui, en hésitant, cherchent leur terre, qui veulent s'affranchir et affranchir leur sol, se réveillent chaque nuit et tendent l'oreille. La folie de la liberté leur est montée au cerveau. Qui te délivrera, Algérie ? Ton peuple marche sur les routes et te cherche."





Mohammed Dib (21 juli 1920 – 2 mei 2003)







De Duitse schrijver Hans Fallada (eig. Rudolf Ditzen) werd geboren in Greifswald op 21 juli 1893 als de zoon van een jurist. Zie ook mijn blog van 21 juli 2007 en ook mijn blog van 21 juli 2008.


Uit: Wir hatten mal ein Kind


„Johannes Gäntschow wurde am zwölften März 1893 als Sohn einfacher Bauersleute auf der Insel Rügen, und zwar auf deren Halbinsel Fiddichow, geboren. Der Hof Warder, auf dem diese Geburt stattfand, liegt etwa fünfzehnhundert Meter von Kirchdorf entfernt, allein unter uralten Linden und Pappeln. Auch von der Landstraße zum Suhler Hafen hält er sich eine Schlagbreite ab. Dort, wo der Fahrweg zum Hof von dieser Straße abzweigt, hatte schon Malte Gäntschow, des Johannes Großvater, das Schild auf einen Pfahl gestellt:

Hier wohnt Malte Gäntschow
Kauft nichts - Verkauft nichts
und empfängt auch keine Besuche.

Da er aber den Lesekenntnissen seiner Mitmenschen mißtrauen mochte, da er auch als Bibelkundiger den Spruch kannte »Verstehest du auch, was du liesest?«, so wurde weiterhin auf dem Hof stets eine ganze Meute von Hunden gehalten, die jeden leichtsinnig die Tafel Mißachtenden heulend, zähnefletschend, anspringend, kleiderzerreißend empfing.
Diese Hunde, wahre Nachkommen des deutschen Schäferspitzes, in weißen, hell- wie dunkelbraunen, sowie schwarzen Färbungen, mit listig verschlagenen, aber auch mutigen Wolfsköpfen, hatten sich schon unter des Johannes Großvater Malte so vermehrt, daß ihrem Tätigkeitsdrang wie ihrer Freßlust der heimische Ausbauhof zu eng wurde. In Banden zu zwölf und fünfzehn durchstreiften sie die ganze Halbinsel, sie wurden ebenso auf Sagitta gesehen wie in Schranske, sie jagten in Leerhof die geängsteten Schafe um den Tüder, bis sie zusammenbrachen, und veranstalteten auf der Kerbe Treibjagden auf Kaninchen.“





Hans Fallada (21 juli 1893 – 5 februari 1947)







De schrijfster Brigitte Reimann werd op 21 juli 1933 vlakbij Maagdenburg geboren en groeide op in de DDR. Zie ook mijn blog van 21 juli 2007  en ook mijn blog van 21 juli 2008.


Uit: Das Mädchen auf der Lotosblume


„Ich streiche das Haar aus der Stirn und flechte zwei Zöpfe, zwei starre Zöpfe, sie stehen ein wenig vom Kopf ab, das sieht rührend unbeholfen aus, ich bin ein kleines Mädchen, ein unschuldiges Mädchen, groß und hilflos stehen die Augen im Gesicht: Die Nächte mit Joe hat es nie gegeben - und wer ist Hendrik? Das Kind im Spiegel gefällt mir ausnehmend gut, ich bin ganz gerührt von meiner eigenen Reinheit; ich beuge mich vor und sage zärtlich: "Komm, Liebling, ins Bettchen! Und vergiß dein Abendgebet nicht -" Joe lacht laut auf. Ich schäme mich, sicherlich hat er schon seit Minuten beobachtet, wie ich mit mir kokettiert hab. "Maja . . .", sagt Joe, und ich gehe zu ihm wie gezogen. Ich heiße gar nicht Maja, ich heiße Maria, nur Joe darf Maja sagen, und er sagt es nur, wenn wir allein sind. Er nimmt mich bei den starren, vom Kopf abstehenden Zöpfen, er zieht mich zu sich hinab und küßt mich. Morgens küssen wir uns wie Geschwister, mit geschlossenen Lippen, die Augen weit offen; wir sehen uns an, Joe hat wunderliche Augen: launisches Zusammenspiel von Grau und Grün, gefleckt mit rostbraunen Pünktchen. Wenn er jemanden aufmerksam mustert, werden seine Augen rund wie die einer Eule. Jedenfalls sagt das Hendrik, gleich am ersten Tag hat er zu mir gesagt, Joe habe Eulenaugen. Aber das war, glaube ich, eine Anerkennung; die Eule ist das Sinnbild der Weisheit, und Hendrik hat sofort gemerkt - kaum hatte er drei Sätze mit Joe gewechselt - , wie klug Joe ist, wie klar, so klug und klar wie kein anderer Mensch, den wir kennen, Hendrik und ich.“






Brigitte Reimann (21 juli 1939 – 20 februari 1973)







De Duitse dichter en schrijver Anton Schnack werd geboren op 21 juli 1892 in Rieneck. Hij was een jongere broer van de schrijver Friedrich Schnack. Na verschillende werkzaamheden als journalist nam hij deel aan WO I, tot hij in 1916 verwond raakte. Na de oorlog werkte hij als redacteur in Darmstadt en begon hij gedichten te publiceren. Schnack schreef voornamelijk gedichten en was ook een meester van het korte prozastukje.





Ich zeichnete an meines Leibes jungen schlanken Linien Nacht für Nacht,
Zerstörte ihn, verheerte ihn, zerschlug sein Fleisch mit scharfen Wollustruten
Und warf ihn in die Bäder, in die Thermen rauchverblauter Gluten
Und grub Gesundheit ab in seinen Adern, Schacht für Schacht.
In vielen süßen Frauenleibern liegt verschwendet seiner Kräfte Gold
Und wuchert dort, umrauscht von fremdem Blut, und wächst zum Blühen,
Vielleicht, daß es gereift, durch purpurblasse Tore aus den Tiefen rollt,
Vielleicht, daß es verrann nur schön und glänzend wie ein Bad im Frühen –
Ich zeichnete an meinem Leib und viele heiße Hände zeichneten mit mir
Und gruben oft und langbedächtig in der Nacht und schlürften
Mit reifem Mund an seinem Quellenschacht in niegestillter Gier
Und blauten Ringe um die Augen, wenn sie bis zur Neige schürften.
Durch Meere von Verlassenheit schwamm er zu heit'rer Küsten Strand,
Durch Schmerz und Bitternis, durch Hunger und das Viele,
Das er in Nächten sah, durch Trunk, Schlaflosigkeit und Spiele,
Durch maßloses Gelächter, Farben und der Städteabende Laternenbrand.
Roter Rosetten edler Prunk auf weißem Hintergrund mit feierlicher Andacht hingemalt,
Das braune Barkenspiel der Narben und der grüne Blumenteppich harter Schläge,
Von blauen tiefen Gründen dämmerte das Land der Haut, von kargem Rot durchstrahlt
Und aus den Knochen zitterte Musik: urahnererbter Gifte scharfe Säge.
Und junge Krebse tummelten sich in seiner Tiefe und das schöne Lied,
Der weiße Ton des Wahnsinns schwebt aufsteigend hinter seiner Stirne Mauern,
Mein schlanker von den Nächten abgeklärter Leib nicht Jahre wird es dauern,
Bis die Erstarrung steigt mit hartem Glanz in Wimpern und in jedes Glied!







Anton Schnack ( 21 juli 1892 – 26 september 1973)







De Engelse schrijver en diplomaat Matthew Prior werd geboren in Wimborne Minster, East Dorset, op 21 juli 1664.  Prior was de zoon van een meubelmaker in Dorset. Deze verhuisde naar Londen en stuurde zijn zoon naar Westminster School. Toen zijn vader overleed, viel Matthew toe aan de zorg van zijn oom, een wijnhandelaar. Hij ging van school, maar wekte de belangstelling van de graaf van Dorset, die hem aantrof in het café van zijn oom, waar de jongeman Horatius zat te lezen, waarop hij aanbood Matthews opleiding te bekostigen. Hij ging terug naar school, waar hij kennismaakte met Charles Montagu, de graaf van Halifax. Om in diens gezelschap te kunnen blijven, aanvaardde hij een beurs voor het St John's College van de Universiteit van Oxford, waar hij zijn BA behaalde in 1686. Samen met Montagu schreef hij in 1687 The Story of the City Mouse and the Country Mouse, als satire op John Drydens 'The Hind and the Panther', wat beide schrijvers een aardig fortuin opleverde.



Cupid Mistaken 


As after noon, one summer's day,

Venus stood bathing in a river;

Cupid a-shooting went that way,

New strung his bow, new fill'd his quiver.


With skill he chose his sharpest dart:

With all his might his bow he drew:

Swift to his beauteous parent's heart

The too well-guided arrow flew.


I faint! I die! the Goddess cry'd:

O cruel, could'st thou find none other,

To wreck thy spleen on? Parricide!

Like Nero, thou hast slain thy mother.


Poor Cupid sobbing scarce could speak;

Indeed, Mamma, I did not know ye:

Alas! how easy my mistake?

I took you for your likeness, Cloe.





Matthew Prior (21 juli 1664 – 18 september 1721)

Portret door Thomas Hudson




Hans Lodeizen, Uwe Johnson, Simin Behbahāni, Francesco Petrarca, Maurice Gilliams, Erik Axel Karlfeldt, Cormac McCarthy, Pavel Kohout, Elfriede Kern, Thomas Berger, Lotte Ingrisch

De Nederlandse dichter Hans Lodeizen werd geboren op 20 juli 1924 in Naarden. Zie ook mijn blog van 20 juli 2006 en ook mijn blog van 20 juli 2007 en ook mijn blog van 20 juli 2008.



Vader, hier zijn de kleine


Vader, hier zijn de kleine
Bomen waar de mandarijnen
Groeien van het plezier.
"Het is als Perzië hier."

Ja, vader, de witte
Kleine Arabieren zitten
Lachende bij de fontein.
'Weet je nog waar we zijn?'





De buigzaamheid van het verdriet


in een wereld van louter plezier
kwam ik haar tegen, glimlachend,
en ze zei: wat liefde is geweest
luister ernaar in de bomen
en ik knikte en we liepen nog lang
in de stille tuin.

de wereld was van louter golven
en ik zonk in haar als een lijk
naar beneden het water sloot
boven mijn hoofd en even
voelde ik een vis langs mij strijken
in de stille zee.

dag zei ik tegen haar dag kom
ik je nog eens tegen, glimlachend
maar de wind blies weg
haar gezicht in het water
en ik knikte en ik werd onzichtbaar
in het stille leven.





voor vader


o vader wij zijn samen geweest
in de langzame trein zonder bloemen
die de nacht als een handschoen aan-
en uittrekt wij zijn samen geweest
vader terwijl het donker ons dichtsloeg.
waar ben je nu op een klein ritje
in de vrolijke bries van een groene auto
of legde de dag haar handschoen
niet op een tafel waar schemering en
zachte genezing zeker zijn in de toekomst.

mijn lippen mijn tedere lippen dicht.







Hans Lodeizen (20 juli 1924 - 26 juli 1950)





De Duitse schrijver Uwe Johnson werd geboren op 20 juli 1934 in Cammin (tegenwoordig Kamień Pomorski, Polen). Zie ook mijn blog van 20 juli 2007 en ook mijn blog van 20 juli 2008.


Uit: Mutmaßungen über Jakob


„Aber Jakob ist immer quer über die Gleise gegangen. - Aber er ist doch immer quer über die Rangiergleise und die Ausfahrt gegangen, warum, aussen auf der anderen Seite um den ganzen Bahnhof bis zum Strassenübergang hätt er eine halbe Stunde länger gebraucht bis zur Strassenbahn. Und er war sieben Jahre bei der Eisenbahn.
- Nun sieh dir mal das Wetter an, so ein November, kannst keine zehn Schritt weit sehen vor Nebel, besonders am Morgen, und das war doch Morgen, und alles so glatt. Da kann einer leicht ausrutschen. So ein Krümel Rangierlok ist dann beinah gar nicht zu hören, sehen kannst sie noch weniger.
- Jakob war sieben Jahre bei der Eisenbahn will ich dir sagen, und wenn irgend wo sich was gerührt hat was auf Schienen fahren konnte, dann hat er das wohl genau gehört unterhalb des hohen grossglasäugigen Stellwerkturms kam eine Gestalt quer über das trübe dunstige Gleisfeld gegangen, stieg sicher und achtlos über die Schienen eine Schiene nach der anderen, stand still unter einem grün leuchtenden Signalmast, wurde verdeckt von der Donnerwand eines ausfahrenden Schnellzuges, bewegte sich wieder. An der langsamen stetigen Aufrechtheit des Ganges war vielleicht Jakob zu erkennen, er hatte die Hände in den Manteltaschen und schien geraden Nakkens die Fahrten auf den Gleisen zu beachten. Je mehr er unter seinen Turm kam verdunsteten seine Umrisse zwischen den finster massigen Ungeheuern von Güterzugwagen und kurzatmigen Lokomotiven, die träge ruckweise kriechend den dünnen schrillen Pfiffen der Rangierer gehorchten im Nebel des frühen Morgens auf den nass verschmierten Gleisen
- wenn einer dann er. Hat er mir doch selbst erklärt, so mit Physik und Formel, lernt einer ja tüchtig was zu in sieben Jahren, und er sagt zu mir: Bloss stehenbleiben, wenn du was kommen siehst, kann noch so weit wegsein. "Wenn der Zug im Kommen ist - ist er da" hat er gesagt. Wird er auch bei Nebel gewusst haben.
- Eine Stunde vorher haben sie aber einen Rangierer zerquetscht am Ablaufberg, der wird das auch gewusst haben.“




Uwe Johnson (20 juli 1934 – 24 februari 1984)





De Iraanse dichteres en schrijfster Simin Behbahāni werd geboren in Teheran op 20 juli 1927. Zij stamt uit een literaire familie. Haar vader Abbas Chalili was dichter en uitgever van de krant Eghdām. Ook vertaalde hij grote delen van het Boek der Koningen in het Arabisch. Haar moeder was lerares Frans. Simin schreef haar eerste gedichten toen zij veertien was. Zij is ook bekend om haar niet aflatende inzet voor de schrijvers in Iran en voor de rechten van de vrouw. Behbahāni droeg bij aan een modernisering van de dichtkunst door theatrale onderwerpen, alledaagse gebeurtenissen en conversaties in haar poëzie op te nemen. Als voorzitster van de Iraanse schrijversbond neemt zij een belangrijke plaats in het culturele leven in. Wel wordt haar visie op Iran door sommigen als te nationalistisch bekritiseerd.



Gracefully she approached


Gracefully she approached,

in a dress of bright blue silk;

With an olive branch in her hand,

and many tales of sorrows in her eyes.

Running to her, I greeted her,

and took her hand in mine:

Pulses could still be felt in her veins;

warm was still her body with life.


"But you are dead, mother", I said;

"Oh, many years ago you died!"

Neither of embalmment she smelled,

Nor in a shroud was she wrapped.


I gave a glance at the olive branch;

she held it out to me,

And said with a smile,

"It is the sign of peace; take it."


I took it from her and said,

"Yes, it is the sign of...", when

My voice and peace were broken

by the violent arrival of a horseman.

He carried a dagger under his tunic

with which he shaped the olive branch

Into a rod and looking at it

he said to himself:

"Not too bad a cane

for punishing the sinners!"

A real image of a hellish pain!

Then, to hide the rod,

He opened his saddlebag.

in there, O God!

I saw a dead dove, with a string tied

round its broken neck.


My mother walked away with anger and sorrow;

my eyes followed her;

Like the mourners she wore

a dress of black silk.





Simin Behbahāni (Teheran, 20 juli 1927)





De Italiaanse dichter en schrijver Francesco Petrarca werd geboren in Arezzo op 20 juli 1304. Zie ook mijn blog van 20 juli 2007 en ook mijn blog van 20 juli 2008.



De dag dat de zon uit mededogen


De dag dat de zon uit mededogen

met Hem die haar geschapen had ontkleurde,

werd ik, o liefste, ofschoon ik niets bespeurde,

gevangen door de schoonheid van jouw ogen.


Omdat jouw blikken in mijn richting vlogen

juist op een dag dat heel de wereld treurde

en rouwde om wat eens Gods zoon gebeurde,

werd ik verrast en weerloos meegezogen.


En hete tranen moet ik nu vergieten

door 't schrijnen van de wonden die de schichten

diep in mijn broze binnenste achterlieten.


En ach, hoe kon zich liefde ertoe verplichten

op mij arglistig pijlen af te schieten

zonder op jou zelf maar de boog te richten?






O dierbaar dal, vervuld van mijn gezucht


O dierbaar dal, vervuld van mijn gezucht,

o stille stroom, waar ik in tranen baadde,

o wild in 't woud, o vogels in de lucht,

o vissen tussen groenbeboste kaden,


o klare lucht, vol warmte en zoet gerucht,

o vredig pad, mij 't liefst van alle paden,

o heuvel, eens gezocht en nu ontvlucht,

waar liefde 't hart met blijdschap overlaadde.


gij zijt nog steeds hetzelfde als voorheen,

maar ik, ik niet helaas, want ach gij ziet

hoe zwaar ik lijd en hete tranen ween.


Bij u zag ik mijn liefste, en verdriet

voert mij nu weer naar hier, waar zij alleen

't omhulsel van haar schoonheid achterliet.




Vertaald door Frans van Dooren






Francesco Petrarca (20 juli 1304 – 19 juli 1374)

Standbeeld, Uffizi paleis, Florence






De Vlaamse dichter en schrijver Maurice Guillaume Rosalie Gilliams werd geboren in Antwerpen op 20 juli 1900. Zie ook mijn blog van 20 juli 2008.




Het afgesloofde lover van de beuken


Het afgesloofde lover van de beuken

 waarin de vossen van november jagen

- bij bladerval, hier kwam mijn moeder treuren;

ze zong en streelde mij. Ze gaf mij namen


van vogels - mees en vink. Warm van gebeden

doorliepen wij de laan. 'k Droeg de lantaren.

Op 't landhuis hoorden wij piano spelen,

doorheen de lissen, over 't zieke vijverwater.


- Gedroomde kaars, hoelang nog zult gij branden?

Maria zit naast mij. Stenen en sterren

vallen op tafel, langs mijn dor-bevreesde wangen


terwijl ik schrijf. En harde sleutelbossen

rinklen. In 't vunzig voshol van mijn werken

belaagt een spin een mier. De wortels rotten.







Maria, langs het strand, roept naar het kind

dat wij niet meer verwachten dan in dromen.

Het antwoord, dat wij in ons lichaam horen,

geheugt ons moeder's roepen naar haar kind.


De meeuwen zijn alleen, met honderd samen,

als niet een kleine meeuw naar aas verlangt.

En het gehoon der meeuwen in ons hart

neemt wraak als wij van 't leven léven vragen.


Niets hoort ons toe: het solferkleurig duin,

het rammelen van de ketens in de golven.

Beschuimd, wrak hout: gij leent u niet tot vuur.


Geen leed is heilzaam, dat in vreugden duurt.

We zijn zo oud als zand en zout geworden.

Straks keren wij, elkaar beminnend, thuis.







Maurice Gilliams (20 juli 1900 – 18 oktober 1982)






De Zweedse dichter Erik Axel Karlfeldt werd geboren op 20 juli 1864 in Folkärna. Zie ook mijn blog van 20 juli 2007 en ook mijn blog van 20 juli 2008.



Ich bin einer singenden Stimme


Ich bin eine singenden Stimme in dunklen, teifen Schächten,

dort hört kein Ohr, ist alles echolos,

bin ein irrendes Licht überm See in gespenstigen Nächten,

ein Trugschein, der im Dunkel lischt: in einem feuchten Schoß.


Ich bin ein treibendes Blatt in des Herbstes leeren Reichen,

ich wirble hin, der Sturm läßt mich nicht ruhn.

Ob ich hafte am Berg, ob versinke in grundlosen Teichen,

das weiß ich nicht, mich kümmert´s nicht - kann nichts dageben tun.




Eine Sehnsucht sitzt im Herzen...


Eine Sehnsucht sitzt im Herzen,

ich weiß nicht, wohin sie will.

Flieht sie zum Himmel, bleibt sie auf Erden?

Ich liege und halte still.


Sucht sie des Grabes Ruh oder das Leben?

Ich fühl´s, sie läßt sich nicht stillen,

es ist eine Sehnsucht auf eigene Hand,

nur um der Sehnsucht willen.






Erik Axel Karlfeldt (20 juli 1864 – 8 april 1931)

Portret door J A G Acke






De Amerikaanse schrijver Cormac McCarthy werd geboren op 20 juli 1933 in Providence, Rhode Island. Zie ook mijn blog van 20 juli 2007 en ook mijn blog van 20 juli 2008.


Uit: All The Pretty Horses


”The candle flame and the image of the candle flame caught in the pier glass twisted and righted when he entered the hall and again when he shut the door. He took off his hat and came slowly forward. The floorboards creaked under his boots. In his black suit he stood in the dark glass where the lilies leaned so palely from their waisted cutglass vase. Along the cold hallway behind him hung the portraits of forebears only dimly known to him all framed in glass and dimly lit above the narrow wainscoting. He looked down at the guttered candle stub. He pressed his thumbprint in the warm wax pooled on the oak veneer. Lastly he looked at the face so caved and drawn among the folds of funeral cloth, the yellowed moustache, the eyelids paper thin. That was not sleeping. That was not sleeping.
It was dark outside and cold and no wind. In the distance a calf bawled. He stood with his hat in his hand. You never combed your hair that way in your life, he said.
Inside the house there was no sound save the ticking of the mantel clock in the front room. He went out and shut the door.
Dark and cold and no wind and a thin gray reef beginning along the eastern rim of the world. He walked out on the prairie and stood holding his hat like some supplicant to the darkness over them all and he stood there for a long time.”





Cormac McCarthy (Providence, 20 juli 1933)





De Tsjechische schrijver Pavel Kohout werd geboren op 20 juli 1928 in Praag in wat toen nog Tsjecho-Slowakije werd genoemd. Zie ook mijn blog van 20 juli 2008.


Uit: Die lange Welle hinterm Kiel


Die zwei Paare langten mit ihren zerbeulten Flughafentaxis so dicht hintereinander am Liegeplatz des wohlbekannten Kreuzfahrtschiffes MS Harmonia an, daß es aussah, als würden sie zusammengehören. Dieser Eindruck entstand jedoch nur, wie Oberzahlmeister Carlo Zeppelini sich allerdings erst nach jenem furchtbaren Ereignis erinnerte, weil ihnen beiden etwas Ungleiches anhaftete.
Die "Mylady", wie er Greisinnen ihres Schlages nannte, die in den teuersten Appartements der besten Schiffe die Erdkugel umrunden, wo sie mit den Geldern ihrer endlich dahingeschiedenen Gatten nach einem halben Jahrhundert ohnmächtiger Langeweile zu einer Vita nuova erwachen, ließ schon von weitem eine geradezu mörderische Aktivität erwarten. Die Kämmerer! schoß es ihm durch den Kopf, ja, das mußte wohl die Kämmerer sein!
Es kam selten vor, daß die Reederei von den üblichen Daten zur Aufenthaltsdauer und Buchungsklasse der Passagiere einmal abgesehen zusätzlich noch eine "Gebrauchsanweisung" mitfaxte. Diesmal enthielt sie die vertrauliche Mitteilung, Frau Margarete Kämmerer, Witwe des Inhabers der Österreichisch-bayerischen Kalk- und Betonwerke, habe in den letzten drei Jahren auf beinahe allen deutschen Schiffen, mit denen sie die warmen Gewässer durchkreuzte, einen Eklat heraufbeschworen. Ungeachtet des zähen Gerangels um die Marktanteile auf dem Meer tauschten selbst hartnäckigste Konkurrenten solche Warnungen vertraulich untereinander aus.“





Pavel Kohout (Praag, 20 juli 1928)






De Oostenrijkse schrijfster Elfriede Kern werd geboren op 20 juli 1950 in Bruck an der Mur. Zij werkte lang als bibliothecaresse bij de Nationale Bibliotheek in Wenen. Sinds 1988 leeft zij als zelfstandig schrijfster in Linz.


Uit: Tabula Rasa


"Ich bin die in der Mitte. Die mit dem Makel. Mein feuerrotes Mal auf der Wange zieht seit jeher alle Blicke auf sich. Das kann man wegmachen lassen, sagen die Leute, die es gut mit mir meinen. Dabei betrachten sie mich auf das neugierigste und ich halte nur mit Mühe den Kopf hoch. So war es früher. Jetzt ist es anders. Jetzt ist das feuerrote Mal auf meiner Wange gänzlich unwichtig geworden. Jetzt muß ich von morgens bis abends an meine ältere Schwester denken. Daran, daß sie lange gekränkelt hat und ich den Kopf in den Sand gesteckt habe. Dann, als die Krankheit ausgebrochen ist, habe ich meine ältere Schwester sogleich ins Krankenhaus gebracht. Nur dort kann dir geholfen werden, hab ich gesagt. Sie war nicht weiter verwundert darüber, sie hat gewußt, daß mit mir nicht zu rechnen ist. Hätte ich sie zu Hause behalten und selber gepflegt, könnte sie noch leben, sage ich mir heute. Ich bin es gewesen, die ihr Sterben noch beschleunigt hat, daran ist nicht zu rütteln. Du mußt dich auf andere Gedanken bringen, haben die Leute, die es gut mit mir meinen, gesagt und ich habe es gehorsam mit Ablenkung versucht. Aber das ist gänzlich nutzlos gewesen und eines Tages habe ich den Einfall gehabt, alle Spiegel aus der Wohnung zu verbannen. Um die Proteste der jüngeren Schwester habe ich mich nicht gekümmert. Wieso tust du das, hat sie gefragt. Ich möchte mich hin und wieder in den Spiegel schauen, hat sie gesagt. Ich nicht, hab ich gesagt."





Elfriede Kern (Bruck an der Mur, 20 juli 1950)






De Amerikaanse schrijver Thomas Louis Berger werd geboren op 20 juli 1924 in Cincinnati, Ohio. Berger was als militair een tijd in Europa gestationeerd. Daarna studeerde hij aan de University of Cincinnati, en de Columbia University. Hij werkte als bibliothecaris en als journalist voordat in 1958 zijn eerste roman Crazy in Berlin uitkwam.  Zijn romans Little Big Man en Neighbors werden ook verfilmd.


Uit: Adventures of the Artificial Woman


Never having found a real woman with whom he could sustain a more than temporary connection, Ellery Pierce, a technician at a firm that made animatronic creatures for movie studios and theme parks, decided to fabricate one from scratch.

The artificial woman would naturally be able to perform every function, but sex was the least of what Pierce looked for in his made-to-order model. He had never had undue difficulty in finding live females to satisfy his erotic appetites. He was witty, considerate, and instinctively affectionate. Physically he was trim and fit, curly haired, clear-eyed; in his smile generosity and impudence were combined with a hint of reproach. The reproach was for the many women he had known who, having soon exhausted an early attraction, on longer acquaintance found him wanting.

For years he had made a sincere effort to determine the reason for this state of affairs and, if the fault proved his own, to seek a personal change. But the fact was that no matter how hard he tried, he could not honestly blame himself. Obviously he bore no responsibility for having been reared by a single mother who adored and spoiled her only child, a child who was therefore led to expect much the same treatment from the other examples of the female sex he would encounter after leaving the nest.

In which expectation he was proven wrong rather sooner than later. There were some women who immediately disliked or were indifferent to him, but they were easier to deal with than those who at the outset seemed to regard meeting him as at least a positive experience and sometimes even life-enhancing, to the degree that they might subsequently insist they were in love. In such cases he often responded in kind, and by the time he was thirty-three he had lived, respectively, with three such persons and had been married to two of them. Each of these associations had come to an unhappy end, and though he was first to admit to being imperfect, he believed his only major flaw was an inability to choose the right partner.”





Thomas Berger (Cincinnati, 20 juli 1924)






Zie voor onderstaande schrijver ook mijn blog van 20 juli 2007.


De Oostenrijkse schrijfster Lotte Ingrisch (geb. Charlotte Gruber) werd geboren op 20 juli 1930 in Wenen.



In Memoriam Frank McCourt

In Memoriam Frank McCourt



De Iers-Amerikaanse schrijver Frank McCourt is zondag op 78-jarige leeftijd overleden in zijn woonplaats New York. Hij stierf aan huidkanker. McCourt is vooral bekend geworden door zijn eerste boek, de bestseller Angela's Ashes (1996) dat in Nederland verschenen is onder de titel De as van mijn moeder. Frank McCourt werd geboren op 19 augustus 1930 in New York. Zie ook mijn blog van 19 augustus 2006 en ook mijn blog van 19 augustus 2007 en ook mijn blog van19 augustus 2008.


Uit: Angela's Ashes


“We ran to the church. My mother panted along behind with Michael in her arms. We arrived at the church just in time to see the last of the boys leaving the altar rail where the priest stood with the chalice and the host, glaring at me. Then he placed on my tongue the wafer, the body and blood of Jesus. At last, at last.

It's on my tongue. I draw it back.
It stuck.
I had God glued to the roof of my mouth. I could hear the master's voice, Don't let that host touch your teeth for if you bite God in two you'll roast in hell for eternity. I tried to get God down with my tongue but the priest hissed at me, Stop that clucking and get back to your seat. God was good. He melted and I swallowed Him and now, at last, I was a member of the True Church, an official sinner.

When the Mass ended there they were at the door of the church, my mother with Michael in her arms, my grandmother. They each hugged me to their bosoms. They each told me it was the happiest day of my life. They each cried all over my head and after my grandmother's contribution that morning my head was a swamp.”







Frank McCourt (19 augustus 1930 – 19 juli 2009)