30-09-08

Truman Capote, Hendrik Marsman, Roemi, Eli Wiesel, Henk Spaan, Jurek Becker


De Amerikaanse schrijver Truman Capote werd geboren op 30 september 1924 als Truman Streckfus Persons in New Orleans. Zie ook mijn blog van 1 oktober 2006 en ook mijn blog van 30 september 2007.

 

Uit: In Cold Blood

 

„Ordinarily, Mr. Clutter's mornings began at six-thirty; clanging milk pails and the whispery chatter of the boys who brought them, two sons of a hired man named Vic Irsik, usually roused him. But today he lingered, let Vic Irsik's sons come and leave, for the previous evening, a Friday the thirteenth, had been a tiring one, though in part exhilarating. Bonnie had resurrected her "old self"; as if serving up a preview of the normality, the regained vigor, soon to be, she had rouged her lips, fussed with her hair, and, wearing a new dress, accompanied him to the Holcomb School, where they applauded a student production of Tom Sawyer, in which Nancy played Becky Thatcher. He had enjoyed it, seeing Bonnie out in public, nervous but nonetheless smiling, talking to people, and they both had been proud of Nancy; she had done so well, remembering all her lines, and looking, as he had said to her in the course of backstage congratulations, "Just beautiful, honey--a real Southern belle." Whereupon Nancy had behaved like one; curtsying in her hoop-skirted costume, she had asked if she might drive into Garden City. The State Theatre was having a special, eleven-thirty, Friday-the-thirteenth "Spook Show," and all her friends were going. In other circumstances Mr. Clutter would have refused. His laws were laws, and one of them was: Nancy--and Kenyon, too--must be home by ten on week nights, by twelve on Saturdays. But weakened by the genial events of the evening, he had consented. And Nancy had not returned home until almost two. He had heard her come in, and had called to her, for though he was not a man ever really to raise his voice, he had some plain things to say to her, statements that concerned less the lateness of the hour than the youngster who had driven her home--a school basketball hero, Bobby Rupp.

Mr. Clutter liked Bobby, and considered him, for a boy his age, which was seventeen, most dependable and gentlemanly; however, in the three years she had been permitted "dates," Nancy, popular and pretty as she was, had never gone out with anyone else, and while Mr. Clutter understood that it was the present national adolescent custom to form couples, to "go steady" and wear "engagement rings," he disapproved, particularly since he had not long ago, by accident, surprised his daughter and the Rupp boy kissing. He had then suggested that Nancy discontinue "seeing so much of Bobby," advising her that a slow retreat now would hurt less than an abrupt severance later--for, as he reminded her, it was a parting that must eventually take place. The Rupp family were Roman Catholics, the Clutters, Methodist--a fact that should in itself be sufficient to terminate whatever fancies she and this boy might have of some day marrying. Nancy had been reasonable--at any rate, she had not argued--and now, before saying good night, Mr. Clutter secured from her a promise to begin a gradual breaking off with Bobby.“

 

 

 

Capote2
Truman Capote (30 september 1924 – 25 augustus 1984)

 

 

 

 

De Nederlandse dichter en schrijver Hendrik Marsman werd geboren op 30 september 1899 in Zeist Zie ook mijn blog van 30 september 2006  en ook mijn blog van 30 september 2007.

 

 

Verzet

 

Toen zei de man: ik ben moe;

vijand, laat van mij af;

ik verweer mij niet meer;

ik lig nog maar wat en wacht af

of ik gehaald word vannacht. -

en de priester: ik breng u den Heer....

maar hij, met een laatsten slag

sloeg het kruisbeeld weg van zijn mond

en krijschte: ga weg -

neem mijn laatst bezit mij niet af:

mìjn zonden gaan mee in mìjn graf.

 

 

 

 

Ontmoeting in het Donker

 

Vaag, geheimzinnig en grootsch

gaat de avond over in nacht -

alle grens en gloed wordt gedoofd

en het donker regent als asch.

 

en ik, dien de roepstem des doods

heeft bezworen als nimmer voorheen

van mijzelven afstand te doen,

en ik, wien de engel verscheen

 

zonder blinkende rusting of zwaard

zwart en stil aan het eind van de laan,

ik prevelde: waar moet ik heen?

en hij zeide: naar waar ge vandaan

 

zijt gekomen, en waarom waagt gij het niet?

waarom laat ge mij telkens hier staan,

en doet luid, en alsof ge niet ziet

dat wij eindelijk samen moeten gaan?

 

- omdat ik u haat en vrees,

- maar gij haat en vreest ook het leven. -

(zoo is het altoos geweest,

ik ben bang voor den dood en bemin niet het leven) -

 

hij ging, en ik hoor nóg het lied

als een vogel die fluit in een wolk,

maar ik weiger, ik ga nog niet,

o Vlerk in mijn rug, o Dolk. –

 

 

 

 

Vrouw

 

Lichaam wentelend al-leven
gedrochtelijk staan wij massaal geheven
tegen den rottend-paarsen hemel van verlangen

hijgende nacht

mijn vale handen tasten even
het slierend kransen van uw blauwe haren
die, gif en scheemring, vachten hemel waren
over al-ruimte, uw gelaat, ivoor ovaal,
waarin uw oogen, spitse spleten, hangen:
en groen signaal. 

 

 

 

 

 

 

Marsman
Hendrik Marsman (30 september 1899 – 21 juni 1940)

 

 

 

 

 

 

De Perzische dichter en soefistisch mysticus Jalal ad-Din Rumi (of Roemi) werd geboren op 30 september 1207 in Balkh. Zie ook mijn blog van 30 september 2007.

 

Daglicht

 

De Geliefde is alles, de minnaar slechts een sluier.
De Geliefde is levend, de minnaar een dood ding.
Wanneer Liefde haar kracht gevende zorg onttrekt,
blijft de minnaar achter als een vogel zonder vleugels.
Hoe kan ik wakker en bewust zijn
als het licht van de Geliefde afwezig is?
Liefde wil dat dit Woord
aan het daglicht wordt gebracht.
Vind je de spiegel van het hart dof,
dan is de roest nog niet van haar oppervlak geveegd.

 

 

***

 

Als je bij me bent,
houdt onze liefde me uit de slaap.
Als je niet bij me bent,
kan ik niet slapen van verdriet.
Wonderlijk, twee nachten van wakker liggen -
Maar god, wat een verschil!

 

 

 

 

 

Roemi
Roemi (30 september 1207 - 17 december 1273)

 

 

 

 

 

De Joods-Roemeens-Frans-Amerikaanse schrijver Eli Wiesel werd geboren op 30 september 1928 in Sighet (nu Sighetu Marmaţiei), Roemenië. ook mijn blog van 30 september 2007.

 

Uit: The Judges

 

“Outside, the wolves, if there were any, must have been jubilant; they reigned supreme over a doomed world. Razziel pictured a pack of them in full cry, anticipating the delight of falling upon sleeping prey, and that reminded him dimly of the troubling landscape of his youth. Were these the only things that seemed familiar to him, his only points of reference? Was there no face he could have called to mind for reassurance? Yes, there was one: that of an old wise man, wise and mad, mad with love and daring, with thirst for life and knowledge, the ravaged face of Paritus. Whenever Razziel thought about his own past, Paritus always surfaced in his memory.

The storm was violent, driven by the fury, both blind and blinding, of a thousand wounded monsters; when would its howling cease? It seemed as if it were pitilessly bent on uprooting everything, sweeping everything away to a land dominated by white death, and that this would engulf the log cabin in which he sat in this little village hidden away somewhere in the mountains between New York and Boston. Was it the end of the world? The end of a tale whose origins were unknown to Razziel? Was he to die before having met once more with his great protector, his guide, the messenger of his destiny? Surely not; it was just a fantasy, an illusion that arose from the nightmares buried deep in Razziel's memory, from which he himself had been barred for time beyond measure.

A strange orator roused him from his reverie. Theatrical, with a harsh, emphatic voice, he was delivering a speech as if he were onstage or standing before a gathering of learned men.

"I salute the gods who have guided you to this modest dwelling. Welcome. Warm yourselves, and may our meeting have a significance worthy of us all," said the man, smiling.”

 

 

 

 

wiesel1
Eli Wiesel (Sighet, 30 september 1928)

 

 

 

 

 

De Nederlandse (gelegenheids-)dichter, (sport)journalist, televisiepresentator en columnist Henk Spaan werd geboren in Heerhugowaard op 30 september 1948. Spaan studeerde Nederlands aan de Universiteit van Amsterdam, maar voltooide zijn studie niet. Tijdens zijn studie was hij redacteur van het studentenweekblad Propria Cures. Hij kreeg eind jaren '70 landelijke bekendheid toen hij samen met Harry Vermeegen het VARA-radioprogramma 'Tussen start en finish' weer leven inblies. Daarna maakten ze samen de televisieprogramma's 'Pisa', 'Verona', 'Nieuwe Koeien' en 'Die Twee'. Solo presenteerde hij 'Studio Spaan' en 'Voetballen doe je zo'. Spaan is op dit moment columnist voor het Algemeen Dagblad en Onze Taal. In februari 2008 hield hij, na drieëndertig jaar, op met zijn wekelijkse column in Het Parool omdat hij niet akkoord ging met een verlaging van zijn honorarium.

In 2006  verscheen van hem “De kop van Kuijt en andere gedichten”, een gedichtenbundel ter gelegenheid van het WK–voetbal in Duitsland

 

 

Andere tijden

In mijn buurt waar jongens nu
Khalid heten, Mo
Tarek, Youssef en Yassin
En de meisjes Fatima, Rachida, Nadia
Heetten ze ooit Joyce, Daisy of Adinda
De jongens Roy, Reggie en Saïdja.

Voetballen konden die Indo’s en
Gitaar en ukelele spelen
Ik zong de tweede stem
Naar nasi rook het in het trappenhuis
Soms was het buiten vechten
Mijn vader zei: “Nee jongen, jij blijft thuis”.

Als het leuk werd moest ik binnenblijven
Kevers raceten over straat en stoep
Door de lucht vloog een politiepet
Wiebe Holvast in de handboeien
Mijn vader: “Dit soort gasten
Zat vroeger in ’t verzet.

Indische jongens hadden een Kreidler
Een vetkuif en een leren jack
Het is een andere tijd
Als Boulahrouz in zijn Bentley
Door zo’n oude buurt rijdt.

 

 

 

 

Spaan
Henk Spaan (Heerhugowaard, 30 september 1948)

 

 

 

 

 

De Duitse schrijver, draaiboekauteur en DDR-dissident Jurek Becker werd geboren op 30 september 1937 in Łódź, in Polen. Zijn geboortedatum werd willekeurig uitgekozen. Zijn vader ham hem ouder gemaakt om hem voor deportatie uit het joodse ghetto te beschermen. Becker was waarschijnlijk een paar jaar jonger dan vermeld werd.Toen in 1968 zijn draaiboek Jakob der Lügner werd afgewezen werkte hij het om tot roman. Die verscheen in 1969 en werd in 1974 alsnog verfilmd. In 1973 verscheen zijn tweede roman Irreführung der Behörden en in 1974 werd hij in het presidium van de schrijversbond van de DDR gekozen. In 1975 ontving hij de Nationalpreis der DDR voor literatuur. In 1976 ondertekende Becker met elf andere schrijvers een brief waarin zij protesteerden tegen de „Ausbürgerung“ van Wolf Biermann. Als straf werd hij uit het presidium gezet. Uit protest verliet hij zelf in 1977 de bond omdat deze Reiner Kunze uitsloot. Met toestemming van de DDR-regering verhuisde hij toen naar, omdat zijn boeken in de DDR niet meer werden uitgegeven en zijn filmprojecten werden afgewezen.

 

Uit: Jakob der Lügner

 

"Sind Sie denn dabeigewesen?", fragt Schmidt.
"Nicht die Spur. Aber Kowalski hat mir vorher alles Wort für Wort erklärt."
"Aber wenn Sie nicht dabeigewesen sind, den Sachverhalt also nur vom Hörensagen kannten, hätten Sie doch gar nicht als Zeuge auftreten dürfen. Woher wollten Sie denn mit Sicherheit wissen, dass Kowalski diesem Herrn das Geld auch tatsächlich zurückgegeben hatte? Er hätte, ich will es ihm nicht unterstellen, aber es wäre immerhin denkbar, Kowalski hätte Sie doch belügen können, damit Sie zu seinen Gunsten aussagen?"
"Das glaube ich nicht", sagt Jakob ohne langes Nachdenken. "Er hat viele schlechte Seiten, die kennt keiner so gut wie ich, aber ein Lügner ist er nicht. Er hat mir gleich gesagt, dass er Porfir das Geld nicht zurückgegeben hat. Woher hätte er es denn nehmen sollen?"
"Und obwohl Sie das wussten, haben sie vor dem Staatsanwalt ausgesagt, er hätte es in Ihrer Gegenwart zurückgezahlt?"
"Ja, natürlich."

 

 

 

6becker
Jurek Becker (30 september 1937 – 14 maart 1997)

 

 

 

29-09-08

Pé Hawinkels, Miguel de Unamuno, Elizabeth Gaskell, Miguel de Cervantes, Lanza del Vasto, Akram Assem, Ingrid Noll, Colin Dexter


De Nederlandse schrijver, vertaler en dichter  Pé Hawinkels werd geboren op 29 september 1942 in Heerlen. Zie ook mijn blog van 29 september 2006 en ook mijn blog van 29 september 2007.

 

 

Naar bed
Naar John Donne (1572-1631)

 

Kom, Vrouwe, geen seconde rust voor mij,

Totdat ik - lig, nou ja, maar werk daarbij.

Ziet men de vijand, - ook wie nimmer kruit

Geroken heeft, houdt 't wachten dan niet uit.

Die gordel af, die straalt als 's hemels kring,

Maar om een wereld sluit van schoner schittering.

Speld van uw borst die plaat, die met pailletten

Der dwazen blik de toegang moet beletten.

Rijg los, 't uur, dat zo welluidend slaat,

Zegt mij: 't is tijd, dat gij naar bed toe gaat.

Uìt dat corset, dat 'k zijn geluk benijd

U na te zijn, te stààn, en dat altijd.

Uw jurk onthult een pracht als bloemenweiden,

Waar heuv'lenschaduw steels vandaan komt glijden.

Dat nare kroontje kan nu af; toon nu

De diadeem van haar, die groeit op U.

Die schoenen uit; betreed dan veilig

Dit bed, der liefde tempel zacht & heilig.

Als men een Engel van de hemel ziet,

Is Die in 't wit, als gij, die 'n hemel biedt

Als Mohammed's paradijs; gaan geesten beide

Soorten in 't wit, toch kan men onderscheiden

Een goede Engel van een boze geest:

Dees' zet ons haar rechtop, en die ons vlees.

 

Laat vrij mijn handen dolen, laat ze gaan,

Van voor, van achter, tussen, boven-, onderaan.

Amerika! Mijn nieuw-gevonden-land,

Mijn Rijk, 't best met één man slechts bemand,

Mijn Mijn van Edelstenen, Keizerrijk,

Oh, hoe gezegend dees' ontdekkingsreis!

De vrijheid vind ik pas in deze banden;

Zo zal mijn zegel zijn, waar nu m'n handen.

Spiernaakt! Eerst zò kan men de vreugden leren,

De ziel van 't lichaam, 't lichaam van de kleren

Bevrijd. Juwelen zijn slechts, zo te zeggen,

Atlanta's appels, om mànnen voor te leggen:

Wiens oog voor vrouwensieraad schittert, wel,

't Hunne wil de dwaas misschien, niet hèn.

Zoals een leuke boekomslag voor leken,

Zo moet de opschik van een vrouw bekeken;

Zelf zijn zij boeken van mystiek; géén dan wij

(Wie hun onbesprokenheid genadig zij)

Moet die ontsluierd zien. Welaan, toon nou

Aan mij, vrijuit als aan een vroede vrouw,

U zelve. Vort nou, ook dit linnen weg,

Op onschuld staat geen straf, wat ik U zeg.

Hier, kijk: ìk ben al naakt; nu dan,

Wat moet U meer bedekken dan een man...

 

 

 

 

 

hawinkels
Pé Hawinkels (29 september 1942 – 16 augustus 1977)

 

 

 

 

 

De Spaanse dichter en filosoof Miguel de Unamuno y Jugo werd geboren op 29 september 1864 in Bilbao. Zie ook ook mijn blog van 29 september 2006.

 

 

The Snowfall Is So Silent

 

The snowfall is so silent,
so slow,
bit by bit, with delicacy
it settles down on the earth
and covers over the fields.
The silent snow comes down
white and weightless;
snowfall makes no noise,
falls as forgetting falls,
flake after flake.
It covers the fields gently
while frost attacks them
with its sudden flashes of white;
covers everything with its pure
and silent covering;
not one thing on the ground
anywhere escapes it.
And wherever it falls it stays,
content and gay,
for snow does not slip off
as rain does,
but it stays and sinks in.
The flakes are skyflowers,
pale lilies from the clouds,
that wither on earth.
They come down blossoming
but then so quickly
they are gone;
they bloom only on the peak,
above the mountains,
and make the earth feel heavier
when they die inside.
Snow, delicate snow,
that falls with such lightness
on the head,
on the feelings,
come and cover over the sadness
that lies always in my reason.

 

 

 

 

 

MigueldeUnamuno
Miguel de Unamuno (29 september 1864 – 31 december 1936)

 

 

 

 

 

De Britse schrijfster Elizabeth Gaskell werd geboren op 29 september 1810 in Londen. Zie ook ook mijn blog van 29 september 2006.

 

Uit: North and South

 

„'But are all these quite necessary troubles?' asked Margaret, looking up straight at him for an answer. A sense of indescribable weariness of all the arrangements for a pretty effect, in which Edith had been busied as supreme authority for the last six weeks, oppressed her just now; and she really wanted some one to help her to a few pleasant, quiet ideas connected with a marriage.

'Oh, of course,' he replied with a change to gravity in his tone. 'There are forms and ceremonies to be gone through, not so much to satisfy oneself, as to stop the world's mouth, without which stoppage there would be very little satisfaction in life. But how would you have a wedding arranged?'

'Oh, I have never thought much about it; only I should like it to be a very fine summer morning; and I should like to walk to church through the shade of trees; and not to have so many bridesmaids, and to have no wedding-breakfast.“

 

 

 

 

Elizabeth_Gaskell_1832
Elizabeth Gaskell (29 september 1810 – 12 november 1865)

 

 

 

 

 

 

De Spaanse dichter en schrijver Miguel de Cervantes werd geboren op 29 september 1547 in Madrid. Zie ook ook mijn blog van 29 september 2006.

 

Uit : Don Quichot

 

"Mijnheer Don Quichot, waar gaat u naar toe? Wat duivels rijden u, dat ze u inblazen ons katholiek geloof te lijf te gaan? Zo waar ik een zondaar ben, dat is toch een boetprocessie, en de dame die op het voetstuk meegevoerd wordt is het gebenedijde beeld van de onbevlekte Maagd; mijnheer, let u toch op wat u doet, want ditmaal kan men toch zeggen dat u niet doet wat u kunt."

 Maar Sancho sloofde zich tevergeefs uit; want zijn heer had het zo vast in het hoofd om de zaak met de gehemde mannen uit te vechten en de dame in de rouw te bevrijden, dat hij geen woord meer hoorde; en had hij het gehoord, dan zou hij nog niet zijn teruggekeerd, al had de koning in eigen persoon het hem bevolen. Hij kwam ten slotte bij de processie aan, hield Rossinant in, die al lust had om het wat kalmer aan te doen, en met ontroerde en hese stem sprak hij: "Staat, gij allen die wellicht omdat gij niet veel goeds in uw schild voert, het gelaat bedekt; staat stil en luistert naar hetgeen ik u zeggen zal."

 De eersten die stilstonden waren de mannen die het beeld droegen; en een van de vier geestelijken die de litaniën zongen, antwoorde toen hij de vreemde tronie van Don Quichotte zag, de scharminkeligheid van Rossinant en andere bespottelijkheden die hem bij Don Quichot in het oog vielen en troffen, zeggende: "Heer broeders, zo gij ons iets te zeggen hebt, zeg het dan snel, want deze broeders gaan hun weg onder kastijding des vlezes; en wij kunnen en mogen hier niet stilstaan om wat ook aan te horen, tenzij het zo kort is dat het in twee woorden gezegd kan worden."

 "In een woord zal ik het u zeggen," hernam Don Quichot, "en het is dit: dat gij onverwijld de vrijheid zult hergeven aan deze schone vrouw, wier tranen en droef gelaat de klare bewijzen zijn dat gij haar een schandelijk onrecht hebt aangedaan; maar ik die ter wereld gezonden ben om dergelijke beledigingen te wreken, ik zal niet toestaan dat gij ook maar een stap verder gaat, eer gij haar de zo begeerde vrijheid schenkt waarop zij recht heeft."

 

 

 

 

Cervantes
Miguel de Cervantes (29 september 1547 – 23 april 1616)

 

 

 

 

 

De Italiaanse filosoof, poëet, artiest, en geweldloos activist Lanza del Vasto werd geboren als Giuseppe Giovanni Luigi Enrico Lanza di Trabia in San Vito dei Normanni op 29 september 1901. Als westerse volgeling van Mohandas K. Gandhi, die hij leerde kennen via het werk van Romain Rolland en die hij in India opzocht in 1936, werkte hij aan inter-religieuze dialoog, spirituele vernieuwing, ecologisch activisme en geweldloze actie.

Hij bleef enkele maanden met de Mahatma die hem de naam "Shantidas" (dienaar van de vrede) gaf, en vertrok in juni 1937 op pelgrimstocht naar de bronnen van de Ganges in de Himalaya. Daar had hij een visioen dat hem opdroeg 'keer terug en sticht'.

Hij publiceerde verschillende poëtische werken en, in 1943, het verhaal van zijn reis naar India en 'le Pèlerinage aux sources' (pelgrimstocht naar de bronnen), dat een enorm succes werd.. Hij stichtte de eerste van de gemeenschappen van de Ark in 1948, in het begin met heel wat tegenkanting en moeilijkheden.

In 1962 vestigde de gemeenschap zich in de Haut-Languedoc, in La Borie Noble, nabij Lodève, op een domein met een vervallen klokkentoren. Het is een werkende lekenorde, van mannen en vrouwen die de principes van de geweldloosheid in de praktijk brengen.

 

Hou je recht

 

Als je het gemakkelijk hebt of moeilijk,

In armoede of overvloed, ziekte of gezondheid.

Hou je recht en glimlach.

Te midden van hen die voortsnellen,

die zich druk maken in de leegte

of elkaar bestrijden

Hou je recht en glimlach.

Te midden van hen die met de ellebogen werken,

die de handen uitsteken om te grijpen,

Ofwel die kruipen en schipperen,

Hou je recht en glimlach.

Te midden van hen die redetwisten,

En die elkaar uitschelden,

Die de vuisten ballen, die de wapens opnemen,

Hou je recht en glimlach.

In tijden van woede en van vlucht,

Wanneer alles instort en afbrandt,

Jij alleen overeind te midden van de paniek.

Hou je recht en glimlach.

Tegenover de onbuigzame rechtvaardigen,

De rechters met bloedige deugden,

De voornamen, die zich uitsloven,

Hou je recht en glimlach.

Zingt men je lof,

Spuwt men je in het gelaat,

Hou je recht en glimlach.

Thuis tussen je naasten,

Hou je recht en glimlach.

Tegenover je geliefde,

Hou je recht en glimlach.

In spel en dans,

Hou je recht en glimlach.

Tijdens het waken en het vasten,

Hou je recht en glimlach.

Alleen in de hoge stilte,

Hou je recht en glimlach.

Bij het begin van de grote tocht,

Zelfs als je ogen schreien,

Hou je recht en glimlach.

 

 

 

 

vasta
Lanza del Vasto (29 september 1901 – 5 januari 1981) 

 

 

 

 

 

 

 

De Afghaanse schrijver en historicus Akram Assem werd geboren op 29 september 1965 in Kabul. Hij studeerde en promoveerde aan de Sorbonne in Parijs. Tijdens de bezetting van Afghanistan door de Sovjet Unier streed Akram op diverse plaatsen voor de bevrijding van zijn land. In mei 1993, gaf hij, teleurgesteld  wegens de voortdurende machtsstrijd tussen de voormalige verzetsgroepen, zijn diplomatieke post in Parijs op. Sinds 1996 woont hij met zijn gezin In Springfield, Virginia in de VS.

 

Uit: Is the US Respecting Afghanistan’s Sovereignty?

 

“Historically, Afghanistan has been victim of its geography, attracting all kinds of invaders, from Alexander of Macedonia and Genghis Khan to the British and the Czarist then Soviet empires. To focus on the recent past, it has been almost twenty-three years since Afghans have had quasi no say on major decisions affecting their rights as a nation, as a people. Did the Afghans ask the Soviets to invade their country? Did the Afghans ask to be caught in the game between Eastern and Western blocks? During their resistance against the
Soviet aggression, did the Afghans ask the Americans to give the bulk of all military and financial assistance to the most extremist groups among the Afghan Mujahedeen, as it was the case to the benefit of Mr.Gulbuddin Hekmatyar's Hizb-e-Islami? Did the Afghans ask the CIA, the ISI and the Saudi intelligence to play Dr. Frankenstein and create the Taliban in 1994? Did the Afghans ask the Americans in 1996 to direct the regime of General Omar Al-Bashir of Sudan to expel Ben Laden and his suite to Afghanistan?


Why do the Afghans have to pay for the mistakes made by the CIA? Is Afghanistan only an experimentation ground for some undercover pseudo-expert agents willing to exercise their strategy-building abilities in a land that appears to them as exotic and to a certain extent fascinating but ultimately not vital for the overall strategy of the United States? But, as we all have witnessed, mistakes made abroad have had tragic consequences on the American soil, too. I would welcome the idea of a congressional inquiry digging into the files related to the Afghan policy of the United States, especially looking into those belonging to the CIA, to bring into light and weigh the consequences of their repeated miscalculations and inability - or may be unwillingness - to understand Afghanistan and make the right decisions.

 

 

 

akram
Akram Assem (Kabul, 29 september 1965)

 

 

 

 

 

De Duitse (detective)schrijfster Ingrid Noll werd geboren op 29 september 1935 in Shanghai. In 1949 trok zij naar Duitsland en bezocht daar tot 1954 een katholieke meisjesschool in Bad Godesberg. Daarna studeerde zij in Bonn germanistiek en kunstgeschiedenis. Pas in 1990 verscheen haar debuut Der Hahn ist tot. Haar boeken worden nu in meer dan twintig talen vertaald en wel eens vergeleken met die van Patricia Highsmith.

 

Kuckuckskind

 

„Früher hatten mir das Singen im Chor und die wö­chentlichen Proben sehr viel bedeutet. Es war eine nette Gemeinschaft, die sich da einmal in der Woche zusammenfand, ausserdem konnte ich mein musika­lisches Wissen erweitern und einen Abend lang alle Probleme vergessen. Die Konzentration, die für zwei Stunden nötig war, machte mich nie müde, sondern gab mir Kraft. Beschwingt und in bester Laune kam ich dann nach Hause zurück.

Bis zu jenem schwarzen Montag, als die Probe ausfiel, ohne dass man uns vorher benachrichti­gen konnte. Wir standen schon im Vereinsraum vor dem Flügel herum und schwatzten, als die Frau des Chorleiters hereinstürzte und uns mitteilte, ihr Mann habe einen Unfall gehabt. Die meisten von uns zogen in eine Kneipe weiter. Vielleicht hätte ich ihnen besser folgen sollen, doch ich beschloss, den frei gewordenen Abend daheim zu verbringen. Ger­not würde sich bestimmt freuen.

Als ich mein Fahrrad abgestellt hatte und unsere Haustür aufschloss, tönte mir Musik entgegen. Ich lauschte verwundert: Je t’aime – moi non plus...

Diese alte Aufnahme von Serge Gainsbourg und Jane Birkin hatte ich mir während eines Studienauf­enthaltes in Frankreich zugelegt. Seltsam, dachte ich und setzte erst einmal Teewasser auf, denn ich fror ein wenig. Draussen war es herbstlich kühl ge­worden, und ich hatte nur eine Strickjacke überge­zogen. Ob Gernot litt, wenn er jeden Montagabend allein war? Tröstete er sich mit erotischen Chan­sons? Wir hatten schon lange keinen Sex mehr ge­habt.

Anscheinend hatte er mein Kommen nicht be­merkt. Ein leiser Argwohn bewog mich, die Schuhe auszuziehen, über den Flur zu schleichen und durch einen Türspalt ins schummrig beleuchtete Wohn­zimmer zu spähen.

Zuerst konnte ich nicht richtig erkennen, was sich da auf unserem Sofa abspielte. Aber es waren un­übersehbar zwei Personen, die dort stöhnten“.

 

 

 

ingrid_noll
Ingrid Noll (Shanghai, 29 september 1935)

 

 

 

 



 

De Britse schrijver Colin Dexter werd geboren op 29 september 1935 in Stamford, Lincolnshire. Aanvankelijk wilde hij leraar worden. Hij studeerde klassieken in Cambridge. Tijdens een verregende vakantie in Wales in 1972 begon hij schreef hij twee middelmatige detective verhalen. Hij vond dat hij het beter moest kunnen en in 1975 schreef hij zijn eerste roman over inspecteur Morse, Last Bus to Woodstock.

 

Uit: The Remorseful Day

 

“You holy Art, when all my hope is shaken,

And through life's raging tempest I am drawn,

You make my heart with warmest love to waken,

As if into a better world reborn.

(From An Die Musik, translated by Basil Swift)

Apart (of course) from Wagner, apart from Mozart's compositions for the clarinet, Schubert was one of the select composers who could occasionally transport him to the frontier of tears. And it was Schubert's turn in the early evening of Wednesday, July 15, 1998, when--The Archers over--a bedroom-slippered Chief Inspector Morse was to be found in his North Oxford bachelor flat, sitting at his ease in Zion and listening to a Lieder recital on Radio 3, an amply filled tumbler of pale Glenfiddich beside him. And why not? He was on a few days' furlough that had so far proved quite unexpectedly pleasurable.

Morse had never enrolled in the itchy-footed regiment of truly adventurous souls, feeling (as he did) little temptation to explore the remoter corners even of his native land, and this principally because he
could now imagine few if any places closer to his heart than Oxford—the city which, though not his natural mother, had for so many years performed the duties of a loving foster parent. As for foreign travel, long faded were his boyhood dreams that roamed the sands round Samarkand; and a lifelong pterophobia still precluded any airline bookings to Bayreuth, Salzburg, Vienna--the trio of cities he sometimes thought he ought to see.

Vienna . . .

The city Schubert had so rarely left; the city in which he'd gained so little recognition; where he'ddied of typhoid fever--only thirty-one
.

 

 

 

Dexter

Colin Dexter (Stamford, 29 september 1935)

 

 

 

28-09-08

Ben Greenman, Prosper Mérimée, Albert Vigoleis Thelen, Francis Turner Palgrave, Rudolf Baumbach


De Amerikaanse schrijver en uitgever Ben Greenman werd geboren op 28 september 1969 in Chicago en groeide op in Miami. Hij studeerde aan de Yale universiteit en werkte daarna als filmcriticus voor de New Times newspaper in Miami. Hij verhuisde naar New York waar hij werkte als freelance schrijver en redacteur. Zijn eertse boek Superbad verscheen in 2001. Het is een verzameling humoristische verhalen over creativiteit, popcultuur en originaliteit, experimenteel van vorm. Superworse, de opvolger uit 2004 greep sommige onderwerpen weer op maar de structuur was meer die van een roman. Kortere verhalen van hem verschenen in tijdschriften als Zoetrope All Story, de Paris Review, en Opium. Zijn derde boek A Circle Is A Balloon and Compass Both verscheen in het voorjaar van 2007.

 

Uit: Marlon Brando’s Dreaming

 

„To the door of my modest country home in the placid British town of S., there arrived a package — a nondescript box of the sort favored by department stores, catalog houses, shops that line the main streets of S., and, in short, all business who concern themselves with the sale and delivery of goods. In the box was scattered a load of styrofoam peanuts–or rather, I thought that they were styrofoam, and did not consider until later the possibility that they might have been those starch packing peanuts that dissolve in water and can therefore be eaten in large quantities as a means of shocking friends and acquaintances, such as Larry King. In addition, there was a blue bottle that, while not large, was not small either. Also, while not ornate, it was not plain. It had no label, even when I turned it around. I searched through the foam peanuts for a card or a packing-slip, but found none. I called upstairs to my lady friend, whose name eluded me at that moment, to see if she could find any information as to the package’s origin, but she was not in the house. She had, since earlier in the day, been outside with the gardener, huddled in counsel over the fate of the peonies. Then I grew bored, and placing the bottle on top of the dresser by the front door, went upstairs to the bedroom, where I fell into a deep sleep that parted midway to admit a dream of intensely aerobic carnal congress with a certain starlet of the forties whose films, I am sorry to say, were far inferior to her physical charms.

During the night the bottle fell but did not break. My lady friend — by then I had remembered her name, which was Taluuwa — did not join me in my bedroom, but rather slept in her own, and my sleep was rich and rewarding. Coming down the next morning for my customary breakfast of eggs and loaves of bread, I noticed the bottle on its side on the floor, where it had rolled after its plunge from the dresser. I called for Taluuwa again, and this time she answered, but only to tell me that she was just about to go outside and continue working with the gardener, not on the peonies any longer but on the particularly knotty problem of a potted palm. To my ears, her voice carried, in addition to its usual seductive cast, a tinge of impatience. Ever since I brought her here from the island of Ponape in the Eastern Caroline Islands, she has often been short-tempered with me, sometimes inappropriately. I took a nap during breakfast, and another one just after breakfast, and then I picked the bottle up and replaced it on the dresser.“

 

 

 

 

 

BenGreenman
Ben Greenman (Chicago, 28 september 1969)

 

 

 

 

 

De Franse auteur, historicus en archeoloog Prosper Mérimée werd geboren in Parijs op 28 september 1803. Zie  ook mijn blog van 28 september 2006.

 

Uit: Notes de voyages

 

"De Néris à Saint-Léonard, je n'ai pas rencontré sur ma route une seule église, un seul édifice vraiment remarquable. C'est à Lamayd que j'ai trouvé les premières constructions en granit, pauvres et mesquines comme toutes celles où l'on a employé cette pierre, et qui ne se distinguent pas d'ailleurs par la grandeur de leurs proportions. Avec des matériaux aussi rebelles que le granit, on sent qu'il ne peut y avoir de l'élégance dans les détails. La plupart des églises que je viens de citer paraissent avoir été bâties à peu près à la même époque, c'est-à-dire vers le commencement du XIIIe siècle, ou pour parler plus exactement, elles datent de l'apparition du style gothique dans la province que je parcours. Voici les caractères communs aux églises de Lamayd, de Gouzon et de Bourganeuf : fenêtres très étroites et semblables à des meurtrières ; contreforts longs et saillans sans arcs-boutants ; une seule nef étroite et assez élevée ; colonnettes grêles, engagées le long des murs latéraux ; voûte en ogive émoussée à nervures rondes. D'ordinaire les chapiteaux sont ornés de crochets ou plutôt de volutes qui se détachent à peine de la corbeille ; quelquefois de petites têtes sculptées, tout cela d'un travail grossier. C'est à la difficulté de tailler le granit qu'il faut attribuer le peu de saillie des ornements et leur manque de finesse. Saint-Pardoux, église de Guéret, ressemble aux précédentes, mais elle a trois nefs, et des réparations multipliées lui ont fait perdre une partie de son caractère, en lui donnant en outre une inconcevable irrégularité. Il existe, dit-on, dans la Creuse quelques monuments celtiques. Je n'ai vu qu'un tumulus peu élevé près de la route de Limoges. On m'avait indiqué comme un autel druidique un rocher, sur une montagne à une demi-lieue de Guéret, connu sous le nom de Pierre batorine. Mais rien de plus naturel que cette roche, ou plutôt ce groupe de

roches confusément empilées les unes sur les autres par suite d'un éboulement. Il faut en dire autant sans doute des pierres Jomathr et autres des environs de Toull, décrites par M. Baraillon, qui me paraît avoir étudié avec une imagination trop ardente les monuments de la Creuse. J'avais projeté d'examiner moi-même les pierres Jomathr, mais, des renseignements exacts et des dessins qu'on me communiqua à Guéret me détournèrent d'entreprendre cette excursion, qui probablement n'aurait pas été plus heureuse que celle de Mehun."

 

 

 

 

merimee
Prosper Mérimée (28 september 1803 – 23 september 1870)

 

 

 

 

 

 

 

De Duitse schrijver en criticus Albert Vigoleis Thelen werd geboren in Süchteln op 28 september 1903. Zie ook mijn blog van 28 september 2007.

 

Uit: Die Literatur in der Fremde

 

Viel weiter zurück in die Vergangenheit muß man gehen, wenn man Alfred Döblin in seinem Roman Der blaue Tiger (Querido Verlag, Amsterdam) folgen will. Dieses Buch ist die Fortsetzung des hier früher bereits besprochenen Die Fahrt ins Land ohne Tod. Blicken wir zurück auf das Werk des jetzt 60-jährigen Autors, dann finden wir, daß seine historischen Romane eine ununterbrochene Abrechnung mit dem Problem des »Ich über der Natur« beinhalten. Geographisch gesprochen, ging die mythische Fahrt Döblins über China nach Indien, mit dem utopischen Intermezzo Berge, Meere und Giganten, das dem Leser von 1938 übrigens beweist, wieviel an Zukunftsphantasie das Buch bereits eingebüßt hat. Ist das ein Beweis für die prophetischen Qualitäten des Autors oder für die diagnostische Scharfsinnigkeit des Arztes Döblin?
Es ist nicht immer leicht, Döblin auf seiner Fahrt ins Land ohne Tod zu begleiten. Bei diesem Autor wird alles ins Kosmische gezogen die Revue der Gestalten, historischen Namen, einzelnen Fakten (die oft nur zur Peripherie des Ganzen gehören) betäubt den Leser öfter, so daß er fürchtet, selbst in den Strom der Anhänger des Loyola gezogen zu werden, die den Völkern Südamerikas das Evangelium verkündigen. Ich fühle mich nicht kompetent, das historische Fundament des Romans auf seine Echtheit hin zu prüfen. Es scheint mir jedoch auch nicht von großer Wichtigkeit zu sein, ob der Mythos Döblins mit dem übereinstimmt, was in den Archiven als »geschichtswissenschaftliche Wirklichkeit« klassifiziert ist. Und gewiß beruhen die vielen falschen spanischen und portugiesischen Bezeichnungen nicht auf einem »Irrtum« des Autors, sondern allein auf der Tatsache, daß hier etwas »Typisches« angedeutet wird. Der christliche Staat der Jesuiten im Urwald wird infolge von Aufklärung und Handelsgeist vernichtet. Doch auch in dem modernen Urwald der europäischen Städte, in die uns Döblin mit einem kühnen Sprung über drei Jahrhunderte hin versetzt, bricht der blaue Tiger los, den der große Vater auf die Erde niedersendet, als sie schlecht wird. In diesem Ausbruch des neuen Mittelalters erkennen wir Döblins Philosophie des großen Chaos, des extremsten Kollektivismus auf der einen Seite, des extremsten Individualismus auf der anderen. Wi ein fast allen seinen Büchern gibt es auch im Blauen Tiger Seiten einer unnachahmlichen stilistischen Reife (Individualismus) neben ganzen Kapiteln hastig niedergeschriebener Reportagen (Kollektivismus). Es ist Aufgabe des Lesers, sich bis zum Schluß auf Seite 599 einen Weg zwischen diesen beiden Elementen zu bahnen.“

 

 

 

 

thelen-2
Albert Vigoleis Thelen (28 september 1903 - 9 april 1989)

 

 

 

 

 

 

De Britse criticus en dichter Francis Turner Palgrave werd geboren op 28 september 1824 in Great Yarmouth. Zie  ook mijn blog van 28 september 2006.

 

Midnight at Geneva

 

The azure lake is argent now

Beneath the pale moonshine:

I seek a sign of hope in heaven:

Fair Polestar! thou are mine.

A thousand other beacons blaze;

I follow thee alone

Beyond the shadowy Jura range,

The Jura, and the Rhone;

Beyond the purpling vineyards trim

Of sunny Clos Vougeot;

Beyond where Seine's brown waves beneath

The Norman orchards go;

Till, where the silver waters wash

The white-walled northern isle,

My heart outruns these laggart limbs

To the long-sighed-for smile.

 

 

 

Eutopia

 

There is a garden where lilies

And roses are side by side;

And all day between them in silence

The silken butterflies glide.

I may not enter the garden,

 

Though I know the road thereto;

And morn by morn to the gateway

I see the children go.

They bring back light on their faces;

But they cannot bring back to me

What the lilies say to the roses,

Or the songs of the butterflies be.

 

 

 

 

Francis Turner Palgrave
Francis Turner Palgrave (28 september 1824 – 24 oktober 1897)

 

 

 

 

 

 

 

Zie voor onderstaande schrijvers ook mijn blog van 28 september 2006.

 

De Duitse dichter Rudolf Baumbach werd op 28 september 1840 geboren in Kranichfeld/Ilm. Baumbach groeide op in Meiningen.

 

27-09-08

Tanja Kinkel, Edvard Kocbek, Wacław Rolicz-Lieder, Irvine Welsh, Kay Ryan, Grazia Deledda


De Duitse schrijfster Tanja Kinkel werd geboren op 27 september 1969 in Bamberg. Zie ook mijn blog van 27 september 2006. en ook mijn blog van 17 september 2007.

 

Uit: Säulen der Ewigkeit

 

Was immer du tun willst, fang damit an.

Als Sarah ihrer Arbeitgeberin diesen Satz aus einem Artikel über berühmte Dichter vorlas, spürte sie, dass sie ihn niemals wieder vergessen würde. Sie hielt inne, und Mrs. Stapleton warf ihr einen ungehaltenen Blick zu.

Was immer du tun willst, fang damit an. Es war nur ein Zitat von vielen, und nichts hatte sich geändert: Die verblassende chinesische Tapete hinter Mrs. Stapleton war die gleiche, die große Wanduhr, die Sarah bald wieder würde aufziehen müssen, tickte weiter, und trotzdem erschien es ihr, als habe dieser kurze Ausspruch sich direkt an sie gerichtet; er war wie eine Hand, die in ihre Haare griff, um sie wachzurütteln. Mrs. Stapleton räusperte sich, und Sarah erklärte, um ihre Verlegenheit zu überbrücken, der Artikel sei zu Ende. Sie ging hastig zu dem über, was Mrs. Stapleton »die leidige Politik« nannte, und zu dem Bericht über Napoleon Bonapartes Selbstkrönung zum Kaiser der Franzosen, den sie mit gemessener, sachlicher Stimme vortrug. In Mrs. Stapletons empörten Ausrufen über die Anmaßung des Korsen versank der kurze Moment der Stille.

Was Sarah jedoch die ganze Nacht nicht schlafen ließ, hatte nichts mit dem Korsen und alles mit jenem kurzen Zitat zu tun. Am Morgen hatte sie ihre Entscheidung gefällt, ihr Leben von Grund auf zu ändern, selbst wenn sie noch nicht genau wusste, wie sie das anstellen sollte. Ihr Stubenhockerdasein aufzugeben und ohne Begleitung die Straßen von London zu erkunden, statt sich auf das unmittelbare Umfeld des Hauses von Mrs. Stapleton zu beschränken, wie es von ihr erwartet wurde, schien ein guter Anfang zu sein.

Sarah hatte eigentlich keinen Grund, sich zu beklagen. Mit der Ausbildung, die ein Waisenhaus in Bristol einem aufgeweckten, fleißigen Mädchen geben konnte, war die Stelle als Gesellschafterin einer alten Dame in London, die sie seit drei Jahren hatte, das Beste, was jemand wie sie erreichen konnte. Doch es genügte Sarah nicht. Nicht mehr.“

 

 

 

kinkel
Tanja Kinkel (Bamberg, 27 september 1969)

 

 

 

 

 

 

De Sloveense dichter, schrijver en essayist Edvard Kocbek werd in Sloveens Stiermarken geboren op 27 september 1904. Zie ook mijn blog van 27 september 2006.

 

 

LEGEND


A Spanish princess
walks among us.
You do not see her,
do not hear her,
the prophecy
or the memory.
She walks erect,
of morning stature,
carrying a jug of evening
on her head.
Be still,
do not move,
the jug is full
of your eyes' dew.
She carries it erect
in these fickle times.
her balance
is astonishing,
do not frighten her,
have compassion for her,
for yourselves,
each drop
our ransom.
The princess walks safely
with tender courage.
She is through the door already,
starting up
up the stairs.

 

 

 

 

 

 

PROMISED LAND

We have arrived and stopped.
The dead tired partisan squad collapsed on the ground and
fell asleep. Only I was unable to find peace, the goal hid itself, I
lost the shortest way to oblivion.
My disconsolate spirit keeps searching, roaming from
darkness to light, from snow to blooming linden trees, from slopes
to valleys, from streets to primal forests, through wind and silence,
through moonlight and storms.
We resemble those who in ancient times made their
pilgrimage through the Red Sea barefoot, on horseback, armored,
with spears in their hands and fire in their eyes; with song on their
lips and longing in their hearts, calloused, burdened, scarred, dusty,
hunchbacked, loyal and happy they searched for the promised land.
The primal weight of time, cramming, cursing, praying, draws me
behind itself, pushing me. from behind, going always forward,
never backward.
One day I will pause on the forest edge at nightfall, the
evening sun will make me squint, and I'll shelter my eyes with
feverish hands and see before me a fertile clearing, green fields,
a fenced orchard, and a house among the trees, with barns and
a sunken bed in a depression of hay.
Then and only then will find my peace, close my eyes,
lean on my comrades, and wander into the wild like a sleep-walker
on a roof, stuttering incoherently as if from a vision:
"When one finds the land, why seek the sky?”

 

 

 

Vertaald door Sonja Kravanja

 

 

 

edvard_kocbek
Edvard Kocbek (27 september 1904 – 3 november 1981)

 

 

 

 

 

 

De Poolse dichter en vertaler Wacław Koźma Damian Lieder,ook: Rolicz-Lieder werd geboren op 27 september 1866 in Warschau. Hij studeerde rechtswetenschappen in Krakau en vetrok toen, met tussenstops in München en Zwitserland naar Parijs waar hij aan de Hoge School voor Orientaalse Talen studeerde. Hij schreef daarna o.a. een Turkse grammatica voor Poolse studenten. Na ook een korte tijd in Wenen gestudeerd te hebben keerde hij naar Parijs terug, waar hij de École Pratique des Hautes Études en de École Libre des Sciences Politiques bezocht. In zijn Parijse jaren leerde hij veel belangrijke dichters uit die tijd kennen, zoals Paul Verlaine, Stéphane Mallarmé en Stefan George, die een goede vriend van hem werd en veel invloed heeft gehad op zijn ontwikkeling als dichter. Ook raakte Lieder bevriend met de Tsjechische symbolist Julius Zeyer. In 1887 keerde hij naar Polen terug en gaf daar o.a. cursussen Franse handelscorrespondentie. Na de dood van beide ouders erfde hij een huurkazerne met 35 woningen en verschillende winkels. Hij kon van de opbrengst leven.Na 1898 schreef hij echter nog maar weinig. In Parijs was in 1890 zijndchyerlijk manifest verschenen. Twee vooraanstaande Poolse dichter hadden enthousiast gerageerd, maar de meerderheid van de kritiek was negatief. Lieder trok zich daarop meer en meer uit de literaire wereld terug en publiceerde zijn werk in kleine, grafische prachtig verzorgde uitgaven, zoals de boeken van George, en in eigen beheer. „Reproductie en kritieken verboden“ liet hij in alle exemplaren zetten. Het leidde ertoe dat zijn werk in Polen nagenoeg onbekend bleef, terwijl zijn roem door de vertalingen van George in Duitsland groeide en groeide. Pas in 1930 beleefde hij in zijn vaderland een wedergeboorte door de essays van Jarosław Iwaszkiewicz.

 

 

Das buch

 

Sie sprach: du sitzest verstimmt über deinen papieren
Und zupfest im munde die feder die lange nicht ruhte.
Brich ab mit deinen gedichten und ernsten gedanken
Und weihe dem eigenen glück eine kurze minute!

 

Und saugt dein gemüt durch vieles sinnen gefesselt
Im garten der bücher einen belebenden odem
Und stützest du brütend das schwere haupt mit dem arme
Wie hölzerne götter in indischen pagoden:

 

So stelle dir vor ich wäre ein buch: ein solches
Das nie zu betrüben und immer zu trösten suche
Und wenn aus der feder dir ein missklang gleitet
So blättere einige seiten in diesem buche!

 

 

 

 

 

Im nebel des herbstes

 

Auf meiner gedanken auen war lange dürre ·
Die gütige sonne strahlte den reifenden feldern ·
Heut stechen die scharfen stoppeln und werfen schweigend
In nebel gehüllt einen langen blick nach den wäldern.

 

Ich wollte das wasser der sinnlichen quelle schöpfen ·
Im rasen der lüste gelagert mich vergessen.
Es ist zu spät! um die zieh-brunnen braust der nord ·
Ihre schwengel ragen empor wie verödete essen.

 

Ich schaudere. Doch wenn manchmal die nacht in die augen
Mir schaut und die träume fliegen – o traurige schemen:
Es drückt mein gedanke sich an die brust der begierde
Wie an seine stute der brozene leib des moslemen.

 

 

 

 

Erinnerung an Paul Verlaine

 

I

 

Am Totenbett

 

 

Der Weise der kühn in das auge des lebens schaut
Wird unbereit vom tode nimmer ereilt.
Er klagt weder bittend um ein verlängertes leben
Noch rechtet er mit den jahren verflossener jugend
Noch fürchtet er sich vor unbekannten gefilden
Noch zeichnet er pläne der klugheit in seinen gedanken.
Er schreitet mit stolzen abgemessenem schritte
Und wenn er dem ehernen tod auf dem wege begegnet ·
So bleibt er stehen und bietet die stirn ihm dar:
Er überliefert dem mäher die reifende ähre.

 

 

 

 

rolicz
Wacław Rolicz-Lieder (*27 september 1866 – 25 april 1912)

 

 

 

 

 

 

 

De Schotse schrijver Irvine Welsh werd geboren op 27 september 1958 in Leith, Edinburgh. Welsh moest zijn beroep van televisiereparateur opgeven nadat hij een electrische shok had gekregen. In 1978 dook hij in de Londense punk scene, waar hij guitaar speelde en zong. In het midden van de jaren tachtig speculeerde hij met huizen, maar na de boom ging hij terug naar Edingburgh en begon hij weer te studeren. Zo schreef hij nog een stdudie over gelijke kansen van vrouwen.

Hij werd bekend door zijn eerste roman Trainspotting uit 1993, waarin hij de door drugs, werkeloosheid en crominaliteit bepaalde levens van een groep jonge Schotten in zijn geboortestad beschrijft. De provoceerde, en volgens sommiigen te gedetailleerde beschrijving van het heroinegebruik maakte het boek en de verfilming ervan, waarin Welsh een bijrol speelde als drugsdealer, beroemd. Door zijn thema’s (opkomst en ondergang van de sociale woningbouw, gebrek aan kansen, voetbal, hooligans, sex, verdrongen homosexualiteit, lage lonen, vrijmetselarij, emigratie) wordt Welsh tot de undergroundliteratuur gerekend.

Werk o.a : The Acid House, 1994, Ecstasy: Three Tales of Chemical Romance, 1996, Filth, 1998, Glue, 2001, If You Liked School, You'll Love Work (2008)

 

Uit: Glue

 

The sun rose up from behind the concrete of the block of flats opposite, beaming straight into their faces. Davie Galloway was so surprised by its sneaky dazzle, he nearly dropped the table he was struggling to carry. It was hot enough already in the new flat and Davie felt like a strange exotic plant wilting in an overheated greenhouse. It was they windaes, they were huge, and they sucked in the sun, he thought, as he put the table down and looked out at the scheme below him.

Davie felt like a newly crowned emperor surveying his fiefdom. The new buildings were impressive all right: they fairly gleamed when the light hit those sparkling wee stanes embedded in the cladding. Bright, clean, airy and warm, that was what was needed. He remembered the chilly, dark tenement in Gorgie; covered with soot and grime for generations when the city had earned its 'Auld Reekie' nickname. Outside, their dull, narrow streets nipping with people pinched and shuffling from the marrow-biting winter cold, and that rank smell of hops from the brewery wafting in when you opened the window, always causing him to retch if he'd overdone it in the pub the previous night. All that had gone, and about time too. This was the way to live!

For Davie Galloway, it was the big windows that exemplified all that was good about these new slum-clearance places. He turned to his wife, who was polishing the skirtings. Why did she have to polish the skirtings in a new hoose? But Susan was on her knees, clad in overalls, her large black beehive bobbing up and down, testifying to her frenzied activity. - That's the best thing aboot these places, Susan, Davie ventured, - the big windaes. Let the sun in, he added, before glancing over at the marvel of that wee box stuck on the wall above her head. - Central heating for the winter n aw, cannae be beaten. The flick ay a switch.

Susan rose slowly, respectful of the cramp which had been settling into her legs. She was sweating as she stamped one numbed, tingling foot, in order to get the circulation back into it. Beads of moisture gathered on her forehead. - It's too hot, she complained.”

 

 

 

irvine-welsh
Irvine Welsh (Edinburgh., 27 september 1958)

 

 

 

 

 

De Amerikaanse dichteres Kay Ryan werd geboren op 27september 1945 in San Jose, California . Zij behaalde een graad in Engels aan de University of California, Los Angeles en sinds 1971 doceerde zij parttime aan het College of Marin in Kentfield. Haar eerste bundel, Dragon Acts to Dragon Ends, verscheen in 1983. In 2005 was zij aan haar zesde bundel toe: The Niagara River. Bredere bekendheid verwief zij na het toekennen aan haar van de Ruth Lilly Poetry Prize in 2004. In juli 2008 heeft de Library of Congress haar aangewezen als de zestiende Poet Laureate of the United States. Zij volgt Charles Simic op.

 

 

Mirage Oases

 

First among places

susceptible to trespass

are mirage oases

 

whose graduated pools

and shaded grasses, palms

and speckled fishes give

before the lightest pressure

and are wrecked.

 

For they live

only in the kingdom

of suspended wishes,

 

thrive only at our pleasure

checked.

 

 

 

 

Paired Things

 

Who, who had only seen wings,

could extrapolate the

skinny sticks of things

birds use for land,

the backward way they bend,

the silly way they stand?

And who, only studying

birdtracks in the sand,

could think those little forks

had decamped on the wind?

So many paired things seem odd.

Who ever would have dreamed

the broad winged raven of despair

would quit the air and go

bandylegged upon the ground,

a common crow?

 

 

 

 

Kay_Ryan
Kay Ryan (San Jose, 27 september 1945)

 

 

 

 

 

 

De Italiaanse schrijfster Grazia Deledda werd geboren op 27 september 1871 in Nuoro op Sardinië. Zie ook mijn blog van 27 september 2007.

Uit: Marianna Sirca

“Even the rough and resolute servant woman from the Barbagia, who had been in the priest's house for years and years, and had seen Marianna grow up, while preparing her belongings and loading them rudely into the saddlebag as if they were a servant shepherd's things, repeated:"Mari, heed those who love you: obey." And Marianna obeyed. She had always obeyed, since the time as a child she had been put in her uncle's house like a little caged bird, to squander her childhood joy and light around the melancholy priest, in exchange for the possibility of his inheritance. So she mounted silently on her father's horse and rested her hand at his waist, answering only with nods of the head as the solicitous servant arranged her skirts around her legs and advised her not to catch a chill in the night air.

"And don't tire her out, Berte Sirca!" He placed a finger on his mouth and spurred the horse; he was a man of few words, even with Marianna. Besides, they did not have much to say to each other.While they traveled he only pointed out this or that land, naming the owners. She knew the places because every year in Spring, with the exception of the last in which the priest had been sick, they would go with him and the relatives to spend entire days in the tanca, which was populated by flocks of sheep and herds of horses and where a farmhouse had replaced the primitive hut of the Sardinian shepherds.

From the first day up there, she felt better: the place was elevated, at the border between the territory of Nuoro and that of Orune; the forest bloomed and an infinite tranquility seemed to stretch over the whole earth. On the third day Marianna already seemed like another; the fragile, slightly bent over person had straightened, the pale alabaster face under the wide braids of the shiny black hair and the large wide-set chestnut eyes like the fawns, reflected the greenish light of the woods.”

 

 

Deledda
Grazia Deledda
(27 september 1871 – 15 augustus 1936)

 

 

 

26-09-08

T. S. Eliot, Bart Chabot, William Self, Thomas van Aalten, Jane Smiley, Vladimir Vojnovitsj


De Engels-Amerikaanse dichter en schrijver T. S. Eliot werd op 26 september 1888 geboren in St.Louis, Missouri. Zie ook mijn blog van 26 september 2006 en ook mijn blog van 26 september 2007.

 

 

BUIRNT NORTON
(No. 1 of 'Four Quartets')

T.S. Eliot



I

Time present and time past
Are both perhaps present in time future,
And time future contained in time past.
If all time is eternally present
All time is unredeemable.
What might have been is an abstraction
Remaining a perpetual possibility
Only in a world of speculation.
What might have been and what has been
Point to one end, which is always present.
Footfalls echo in the memory
Down the passage which we did not take
Towards the door we never opened
Into the rose-garden. My words echo
Thus, in your mind.
                              But to what purpose
Disturbing the dust on a bowl of rose-leaves
I do not know.
                        Other echoes
Inhabit the garden. Shall we follow?

Quick, said the bird, find them, find them,
Round the corner. Through the first gate,
Into our first world, shall we follow
The deception of the thrush? Into our first world.
There they were, dignified, invisible,
Moving without pressure, over the dead leaves,
In the autumn heat, through the vibrant air,
And the bird called, in response to
The unheard music hidden in the shrubbery,
And the unseen eyebeam crossed, for the roses
Had the look of flowers that are looked at.
There they were as our guests, accepted and accepting.
So we moved, and they, in a formal pattern,
Along the empty alley, into the box circle,
To look down into the drained pool.
Dry the pool, dry concrete, brown edged,
And the pool was filled with water out of sunlight,
And the lotos rose, quietly, quietly,
The surface glittered out of heart of light,
And they were behind us, reflected in the pool.
Then a cloud passed, and the pool was empty.
Go, said the bird, for the leaves were full of children,
Hidden excitedly, containing laughter.
Go, go, go, said the bird: human kind
Cannot bear very much reality.
Time past and time future
What might have been and what has been
Point to one end, which is always present.

 

 

 

 

 

Death by water

 

Phlebas the Phoenician, a fortnight dead,
Forgot the cry of gulls, and the deep sea swell
And the profit and loss.
A current under sea
Picked his bones in whispers. As he rose and fell
He passed the stages of his age and youth
Entering the whirlpool.
Gentile or Jew
O you who turn the wheel and look to windward,
Consider Phlebas, who was once handsome and tall as you.

 

 

 

 

 

Ode

 

To you particularly, and to all the Volscians
Great hurt and mischief.

Tired.
Subterrene laughter synchronous
With silence from the sacred wood
And bubbling of the uninspired
Mephitic river.
Misunderstood
The accents of the now retired
Profession of the calamus.

 

Tortured.
When the bridegroom smoothed his hair
There was blood upon the bed.
Morning was already late.
Children singing in the orchard
(Io Hymen, Hymenaee)
Succuba eviscerate.

 

Tortuous.
By arrangement with Perseus
The fooled resentment of the dragon
Sailing before the wind at dawn
Golden apocalypse. Indignant
At the cheap extinction of his taking-off.
Now lies he there
Tip to tip washed beneath Charles' Wagon.

 

 

 

 

 

 

Eliot_Kelly
T. S. Eliot (26 september 1888 – 4 januari 1965) 
 

Portret door Gerald Kelly

 

 

 

 

 

De Nederlandse  Dichter en schrijver Bart Chabot werd geboren in Den Haag op 26 september 1954. Zie ook mijn blog van 26 september 2006 en ook mijn blog van 26 september 2007.

 

 

 

De dood accepteer ik niet

De dood accepteer ik niet
op een dag
ging het mis
het regende herfst
een uitgelezen dag om jezelf
te verhangen
op zich misschien
niet zo bijzonder
je hebt allemaal weleens
zulk soort dagen?
maar dit was anders

voor mijn hoofdpersoon
mijn ik
want dit was de zoveelste dag
van het zoveelste jaar
de zóveelste keer
ik voel me januari
de zon heeft de kracht van een waakvlammetje
goed genoeg voor deze planeet
maar niet voor mij

 

 

 

 

 

wij liepen aan zee

 

wij liepen aan zee
mijn vader mijn moeder en ik
zomer 1958
ik was vier

– de wind
wast
mijn haren
schoon – schijn ik
te hebben gezegd

– godallemachtig – riep mijn vader uit
hij keek mijn moeder aan
– het zal toch geen dichter
wezen, he? –

 

 

 

 

 

Bart-Chabot-fc
Bart Chabot (Den Haag, 26 september 1954)

 

 

 

 

 

 

De Engelse schrijver, criticus en columnist William Self werd geboren in Londen op 26 september 1961. Zie ook mijn blog van 26 september 2007.

 

Uit: The Principle

 

Still, this particular evening, walking into Gary's Place, I was struck by change. The DJ had just segued in a new track. It was a high-energy number I recognized from way back in the late 1980s, from the time before I was called. Or rather, it was that old synth racket done in the new way, to an inexorably slow beat, with a full orchestra and choir. Still, the clientele reacted just as the pumped-up poseurs of the last century would've done; pulling themselves upright, preening and parading into the center of the dance floor, where they separated into groups of eight and began to dance the quadrille. Retro-classicism — now who'd ever have imagined that was going to happen?
    It was then that I saw her — and she saw me. Absurd, that with her come-hither eyes, tossing her horsehair locks, she should think she was so unique. But then I guess young women of her age are always the same, lost in the high noon of their own good looks. She was without a partner and beckoned to me, calling out "C'mon old timer, you look spry enough to turn a calf!" Almost to spite her, I walked out on to the floor and took her hand. "Hi," she breathed. "I'm Tina." And then we whirled away beneath the little galaxy of the mirrored ball.
    I confess, I danced all night with Tina. Under her pompadour wig, pancake makeup and hooped skirt, she was a devilishly attractive girl. She also flattered me, saying "You're mighty spry for a big ol' bear, aren'tcha?" And giving my upper arm a squeeze, breathed in my ear "You must do a lotta work out on the range to keep up a build like that." I could see where she was coming from right away. Still, I preferred to dance, because when we stopped and went to the bar for refreshments, Tina began to talk the most fearful, narcissistic trash.

Despite all the many important advances we've made in my lifetime — from the first woman president, to the first woman to walk on the moon — there remain hordes of young women like Tina. Will they ever learn that their youthful beauty is just that? A garment to be put on for a few, brief seasons, then torn away by Nature herself? Will they ever understand that neither a whale-spermaceti plunge bath in Aspen, nor a golden-monkey-gland injection in Shanghai, will guard them forever from the ravages of time? I doubt it, and so Tina prattled on, about this lover who was big in Hollywood, and that one who owned a hair salon in London, and the other one who absolutely swore blind that he was going to put Tina on the cover of the Wall Street Journal.
    The only time Tina stopped talking about herself was when, on our eighth trip to the bar, she noticed that I was drinking mineral water. "Are you on something?" she leered into my ear, and when I denied this she tittered manically and trilled, "Oooh! I geddit, you must be a goddamn Mormon or something" — a remark I studiously ignored. And so the night went on, with quadrille after waltz after foxtrot, until, with the lights of Vegas looking pallid against the sharp, lemon light of morning, the bewigged revelers tumbled out of Gary's and onto the Strip.

 

 

 

 

 

will_self
William Self (Londen, 26 september 1961)

 

 

 

 

 

De Nederlandse schrijver Thomas van Aalten werd geboren in Huissen bij Arnhem op 26 september 1978. Hij debuteerde op 18-jarige leeftijd met een verhaal in het ter ziele gegane literaire tijdschrift ZOETERMEER.. Daarna volgden vier romans ( Sneeuwbeeld (2000), Tupelo (2001), Sluit Deuren en Ramen (2003) en Coyote (2006). In januari 2009 is bij Nieuw Amsterdam de vijfde roman gepland: De Onderbreking. Van Aalten werkte ook korte tijd voor VPRO TV ( Waskracht! 2000 - 2002). Schreef artikelen voor VARA TV-Magazine, Vrij Nederland en 3VOOR12 deed lezingen en voordrachten. Hij interviewde Denis Johnson (Crossing Border) en David Lynch (VARA TV-Magazine). Van Aalten schreef scenario's voor twee films: Dum Dum Boys (2002 VPRO TV, regie: Marcel Visbeen) en L'Amour Toujours (2008 Ultravista Productions, regie: Edwin Brienen).

Uit: De Onderbreking

 

Wat doet u met mijn map?’
‘U hebt hem zelf op de balie laten liggen. Daar kan ik niks aan doen. Ik zag het als een hint, alsof u wilde dat ik de verhalen las.’
‘Natuurlijk niet.’
De bruine map ligt te smeken om door mij opgepakt te worden, maar de ijzig koude hand van de receptionist weerhoudt me. Het lijkt of de vingers aan het leer vastgevroren zitten. De man legt met de andere hand zijn peuk op de rand van de asbak en kijkt dwars door me heen.
‘U wilde dat ik de verhalen las, zo simpel is het, meneer de schrijver.’
‘Hoe komt u daarbij?’
‘Het heeft zo moeten zijn. Laten we eerlijk zijn, er klopt iets niet.’
‘Wat klopt er niet?’ Ik voel dat ik rood word.
‘Alsof het normaal is dat een nacht zo lang duurt, vol sneeuwstormen en ruisende radio’s. Daar... de verhalen... U wilt dat wij ze samen lezen.’
‘In de ruis liggen de verhalen verscholen?’
‘Doet u mij een plezier en leest u uw verhalen voor. Het zal ons helpen.’
Ik denk na over alle lezingen die ik heb gegeven waar geen hond geïnteresseerd was in mijn verhalen. Deze eenzame man is een liefhebber van mijn werk en is nieuwsgierig. Bovendien: ik kan toch niet slapen.”

 

 

 

 

ThomasVanAalten
Thomas van Aalten (Huissen, 26 september 1978)

 

 

 

 

 

De Amerikaanse schrijfster Jane Smiley werd geboren op 26 september 1949 in Los Angeles en groeide op in een voorstad van St. Louis. Zij studeerde o.a aan de universiteit van Iowa. Haar eerste roman Barn Blind verscheen in 1980. In 1985 won zij de O. Henry Award voor haar verhaal “Lily” en in 1992 de Pulitzer Prize for Fiction voor haar bestseller A Thousand Acres, gebaseerd o[ Shakespeares King Lear. Haar novelle The Age of Grief werd in 2002 verfilmd als The Secret Lives of Dentists. Thirteen Ways of Looking at the Novel (2005) is een studie over geschiedenis en aard van de roman, in de traditie van E. M. Forster's seminal Aspects of the Novel. Van 1981tot 1996 doceerde zij creatief schrijven aan de Iowa State University.

 

Uit: Good Faith

 

“THIS WOULD BE '82. I was out at the Viceroy with Bobby Baldwin. Bobby Baldwin was my one employee, which made us not quite friends, but we went out to the Viceroy almost every night. My marriage was finished and his hadn't started, so we spent a lot of time together that most everyone else we knew was spending with their families. I didn't mind. My business card had the Viceroy's number in the corner, under "may also be reached at." Buyers called me there. It was a good sign if they wanted to see a house again in what you might call the middle of the night. That meant they couldn't wait till morning. And if they wanted to see it again in the middle of the night--well, I did my best to show it to them. That was the difference between Bobby and me. He always said, "Their motivation needs to be tested, that's what I think. Let 'em wait a little bit."

Bobby was not my brother, but he might as well have been. Sally, his sister, had been my girlfriend in high school for about a year and a half. She was the first person I ever knew who had a phone of her own. She used to call me up and tell me what to do. "Now, Joey," she would say, "tomorrow wear those tan pants you've got, and the blue socks with the clocks on them, and your white shirt, and that green sweater I gave you, and I am going to wear my blue circle skirt with the matching cashmere sweater, and I'll meet you on the steps. We'll look great. Have you done your algebra problems? When you get to number four, the variable is seven, and x equals half of y. If you remember that, then you won't have a problem with it. Did you wash your face yet? Don't forget to use that stuff I bought you. Rub it in clockwise, just a little tiny dab, about the size of the tip of your pencil eraser.
Okay?"

 

 

 

 

Smiley
Jane Smiley (Los Angeles, 26 september 1949)

 

 

 

 

 

 

 

De Russische schrijver en dissident Vladimir Nikolajevitsj Vojnovitsj werd geboren in Doesjanbe op  26 september 1932. Vojnovitsj is beroemd vanwege zijn satirische proza, maar heeft ook poëzie geschreven. Toen hij in het begin van de jaren 1960 voor de Moskouse radio werkte, schreef hij ook de tekst voor een kosmonautenlied, "Veertien minuten voor de start". Tussen 1951 en 1955 diende Vojnovitsj in het leger van de Sovjet-Unie.

Zijn magnum opus, Het leven en de buitengewone avonturen van soldaat Ivan Tsjonkin speelt zich af tijdens de WO II en beschrijft op satirische wijze de alledaagse absurditeiten van het leven onder een totalitair regime. "Tsjonkin" is tegenwoordig een bekend personage in de Russische populaire cultuur en het boek werd verfilmd door de Tsjechische regisseur Jiří Menzel. In het werk Moskou 2042 schetst hij met veel zwarte humor een satirisch toekomstbeeld van de uitwassen van het totalitaire communistische sovjetregime diep in de 21e eeuw.

Tijdens de periode van stagnatie onder Leonid Brezjnev werd besloten Voinovitsj' werk niet meer uit te geven, maar de schrijver werd wel zeer populair in de samizdat en in het Westen. Vanwege zijn werk en zijn activiteiten binnen de mensenrechtenbeweging werd Vojnovitsj in 1974 uit de schrijversbond van de Sovjet-Unie gezet. In 1980 werd hij gedwongen naar het Westen te emigreren en vestigde hij zich in München. Gorbatsjov gaf Vojnovitsj in 1990 zijn Russische staatsburgerschap terug en sindsdien bezoekt de schrijver zijn vaderland regelmatig. Vojnovitsj heeft vele internationale prijzen gewonnen, waaronder de Staatsprijs van Russische Federatie en de Sacharovprijs. Sinds 1995 is hij ook actief als beeldend kunstenaar. Het werk van Vojnovitsj is inmiddels in dertig talen vertaald, waaronder het Nederlands.

 

 

Uit: Monumental Propaganda

 

Porosyaninov read slowly, smacking his lips together loudly as though he were eating cherries and spitting out the pits. At the same time, he lisped and stammered over every word, especially if it was a foreign one.

As Porosyaninov read, the core of Party activists listened in silence, their faces tense, their thick necks and the backs of their skulls shorn in semi–crew cuts.

Then they asked the speaker questions: Would there be a purge of the Party? And what should they do with the portraits of Stalin, take them off the walls and rip them out of the books as they had done many times before with former leaders of the Revolution and heroes of the Civil War? Porosyaninov involuntarily turned his head and squinted sidelong at the portrait of Lenin, then shivered and said that no purge was expected and there was no need to go overboard with the portraits. Although a certain number of individual actions taken by Stalin had been incorrect, he was and remained a distinguished member (that was the phrase the speaker used) of our Party and the world communist movement, and no one intended to deny him due recognition for his services.

Aglaya Revkina, who had been through so much in her life, proved to be unprepared for a blow like this. As they were leaving the club, several people heard her declare loudly, without addressing anyone in particular: “Such filth! Such terrible filth!”

Since on that particular evening the street was not covered in filth—in fact, it was cold and there was a blizzard swirling the snow about, so that everything could more accurately have been described as pure white—no one took Aglaya’s words literally.

“Yes, yes,” said Valentina Semenovna Bochkareva, the planner from the Collective Farm Technical Unit, backing her up. “What people we put our faith in!”

Elena Muravyova (secret-agent alias “Mura”) reported this fleeting dialogue to the local department of the Ministry of State Security, and her report was confirmed by Bochkareva herself during an interview of a prophylactic nature that was conducted with her.”

 

 

 

 

vojnovitsj
Vladimir Vojnovitsj (Doesjanbe, 26 september 1932)

 

 

 

 

 

 

De Nigeriaanse schrijver Cyprian Ekwensi werd op 26 september 1921 in Nigeria geboren in Minna. Zie ook mijn blog van 26 september 2006.

 

 

25-09-08

William Faulkner, Rebecca Gablé, Andrzej Stasiuk, Lu Xun, Patricia Lasoen, Herbert Heckmann, Carlos Ruiz Zafón


De Amerikaanse schrijver William Faulkner werd geboren op 25 september 1897 in New Albany, Mississippi. Zie ook mijn blog van 25 september 2007 en ook mijn blog van 25 september 2006.

 

Uit Absalom, Absalom!

 

“Her voice would not cease, it would just vanish. There would be the dim coffin-smelling gloom sweet and oversweet with the twice-bloomed wistaria against the outer wall by the savage quiet September sun impacted distilled and hyperdistilled, into which came now and then the loud cloudy flutter of the sparrows like a flat limber stick whipped by an idle boy, and the rank smell of female old flesh long embattled in virginity while the wan haggard face watched him above the faint triangle of lace at wrists and throat from the too tall chair in which she resembled a crucified child; and the voice not ceasing but vanishing into and then out of the long intervals like a stream, a trickle running from patch to patch of dried sand, and the ghost mused with shadowy docility as if it were the voice which he haunted where a more fortunate one would have had a house. Out of quiet thunderclap he would abrupt (man-horse-demon) upon a scene peaceful and decorous as a schoolprize water color, faint sulphur-reek still in hair clothes and beard, with grouped behind him his band of wild niggers like beasts half tamed to walk upright like men, in attitudes wild and reposed, and manacled among them the French architect with his air grim, haggard, and tatterran. Immobile, bearded and hand palm-lifted the horseman sat; behind him the wild blacks and the captive architect huddled quietly, carrying in bloodless paradox the shovels and picks and axes of peaceful conquest. Then in the long unamaze Quentin seemed to watch them overrun suddenly the hundred square miles of tranquil and astonished earth and drag house and formal gardens violently out of the soundless Nothing and clap them down like cards upon a table beneath the up-palm immobile and pontific, creating the Sutpen's Hundred, the Be Sutpen's Hundred like the oldentime Be Light. Then hearing would reconcile and he would seem to listen to two separate Quentins now-the Quentin Compson preparing for Harvard in the South, the deep South dead since 1865 and peopled with garrulous outraged baffled ghosts, listening, having to listen, to one of the ghosts which had refused to lie still even longer than most had, telling him about old ghost-times; and the Quentin Compson who was still too young to deserve yet to be a ghost but nevertheless having to be one for all that, since he was born and bred in the deep South the same as she was-the two separate Quentins now talking to one another in the long silence of notpeople in notlanguage, like this: It seems that this demon-his name was Sutpen-(Colonel Sutpen)-Colonel Sutpen. Who came out of nowhere and without warning upon the land with a band of strange niggers and built a plantation -(Tore violently a plantation, Miss Rosa Coldfield says)-tore violently. And married her sister Ellen and begot a son and a daughter which-(Without gentleness begot, Miss Rosa Coldfield says)-without gentleness. Which should have been the jewels of his pride and the shield and comfort of his old age, only-(Only they destroyed him or something or he destroyed them or something. And died)-and died. Without regret, Miss Rosa Coldfield says-(Save by her) Yes, save by her. (And by Quentin Compson) Yes. And by Quentin Compson.”

 

 

 

 

william_faulkner
William Faulkner (25 september 1897 -
6 juli 1962)

 

 

 

 

 

 

De Duitse schrijfster Rebecca Gablé (pseudoniem van Ingrid Krane-Müschen) werd geboren op 25 september 1964 in Wickrath / Mönchengladbach. Na het gymnasium volgde zij een opleiding in het bankwezen. In 1991 begon zij aan een studie literatuurwetenschap en Mediëvistiek aan de Heinrich-Heine-Universität Düsseldorf. In 1996 studeerde zij af en sindsdien is zij zelfstandig schrijfster en vertaalster. Haar eerste roman Jagdfieber, een detective, verscheen in 1995. Haar doorbraak kwam echter met de historische roman Das Lächeln der Fortuna. Zij schreef nog wel een paar detectives, maar richt zich toch sinds 2000 hoofdzakelijk op historische romans.

 

Uit: Das Lächeln der Fortuna

 

"Wenn sie uns erwischen, wird es sein, als sei das Jüngste Gericht über uns hereingebrochen", prophezeite Lionel düster. Sein rundes Jungengesicht wirkte besorgt, und er schien leicht zu frösteln. Eine schwache Brise bauschte seine Novizenkutte auf.
"Du kannst immer noch umkehren", erwiderte Robin kühl. Er war beinah einen Kopf größer als sein gleichaltriger Schulkamerad, und er nutzte diesen Größenunterschied, um verächtlich auf ihn hinabzublicken.
Lionel war oft der Verzagtere und immer der Vernünftigere von beiden. Doch seine Furcht, vor seinem Freund an Gesicht zu verlieren, war größer als die vor den möglichen Folgen ihres Unterfangens. "Wofür hältst du mich?"
"Das kommt darauf an ..."
Sie grinsten sich zu. Robin konnte das Gesicht seines Freundes schwach erkennen, und er sah seine Zähne aufblitzen. Die Nacht war nicht dunkel, denn in zwei Tagen war Vollmond. Zu ihrer Rechten erahnten sie die Umrisse des Kapitelsaals, wo die Mönche ihre täglichen Versammlungen abhielten. Er bildete die nördliche Begrenzungsmauer des Kreuzganges. Genau vor ihnen lag der schnurgerade Weg zum Haupttor. Die alten Linden, die ihn säumten, standen reglos in der Finsternis, wie eine Reihe Soldaten vor einem Nachtangriff. Robin und Lionel nahmen diesen Weg jedoch nicht. Lautlos überquerten sie den grasbewachsenen Innenhof, umrundeten den Fischteich und glitten schließlich in den schwarzen Schatten der Klostermauer, die sich zu beiden Seiten erstreckte und nach ein paar Ellen mit der Dunkelheit verschmolz.
Lionel ging drei Schritte nach rechts und blieb dann stehen. "Hier ist es am besten", wisperte er. "Auf der anderen Seite steht ein Baum, an dem wir herunterklettern können."
Robin sah an der Mauer hinauf und nickte. "Du zuerst."
Er machte eine Räuberleiter. Lionel legte eine Hand auf seine Schulter, stellte den rechten Fuß in Robins ineinander verschränkte Hände und stieg hoch. Er bekam die Mauerkante zu fassen und zog sich mit seinen kräftigen Armen hinauf. Dann brachte er sich in eine sitzende Haltung, ließ die Beine baumeln und spähte hinunter. "Und jetzt?"

 

 

 

 

 

rebecca_gable
Rebecca Gablé (Wickrath, 25 september 1964)

 

 

 

 

 

 

De Poolse schrijver en letterkundige Andrzej Stasiuk werd geboren op 25  september 1960 in Warschau. Volgens eigen zeggen werd hij van school gestuurd. Als pacifist deserteerde hij uit militaire dienst, wat hem anderhalf jaar gevangenisstraf opleverde. In de gevangenis schreef hij aan zijn debuut, de verhalenbundel Mury Hebronu (De muren van Hebron) dat in 1992 verscheen en hevig opzien baarde in Polen. In 1995 verscheen de roman Biały kruk (De witte raaf) die nog in hetzelfde jaar als Gnoje werd verfilmd door Jerzy Zalewski. Stasiuk schrijft ookal jaren kritieken en essays, zowel voor Poolse, Duitse en Italiaanse kranten en tijdschriften.

 

Uit: White Raven

 

"What a fucking mess," said Bandurko, stuck to his waist in slushy snow. All he could do was to start digging himself out.
It was early February and we got a bloody thaw. We'd been wading in snow for hours, getting soaked to the balls. It wouldn't be so bad if the snow were a bit firmer, but it wasn't. The south westerly wind blew hard, and every step meant a knee-deep hole with water sloshing underneath. The woods boomed above our heads without let-up, and this alone could drive anyone mad. We were halfway up the third mountain. Bandurko said it was a good short cut: even stray dogs didn't stray here. He was right about that. But not about the short cut. I was keeping my mouth shut but I was sure we were lost. That thaw was making a hell of a noise. To the boom above was added the sound of streams gushing through even the smallest valleys. The water was turbid, freezing cold, and the same everywhere.
When everything is frozen still, when it's quiet, the brain works better. I observed Bandurko as his head turned nervously in every direction. He claimed he knew the area well, so he should be pushing ahead like a blinkered horse. But we seemed to have got inside some kind of a massive mill, or a nightmare city of thousands of crossroads, each a wrong turn. Yes, that beech wood boomed like a mill. Roared and crashed. 1 wasn't hungry or thirsty; all 1 wanted was to go deaf, at least for a moment. Not a flake of snow on branches, everything bent in a motionless tension, giving to the southerly wind.
My eyes rested on Bandurko's buttocks, working rhythmically in tight, green drill trousers - an element of stability in the surrounding chaos - and pushing forward. We didn't fancy a night in the woods. With no food, no dry clothes to change into. We had three hours before it got dark.
When we reached the top of the ridge I said:
"All right, let's take five and have a smoke."
Bandurko looked around as if the view could have offered anything new. Then he pushed the snow off the trunk of a fallen tree and sat down.
"I don't know. I've done this route twice, but it was summer. One could see paths, trails, something."

 

 

 

stasiuk_ciemny
Andrzej Stasiuk (Warschau, 25 september 1960)

 

 

 

 

 

 

De Chinese schrijver Lu Xun werd in 1881 in Shaoxing in de provincie Zhejiang geboren als Zhou Shuren. Zijn familie behoorde tot de gentry,was oorspronkelijk behoorlijk rijk, maar door de mislukte carrière van Lu Xuns grootvader Zhou Fuqing verloor de familie zowel haar rijkdom als haar respect.

Lu Xun ging naar een van de beste scholen in Shaoxing, en later naar de Marineacademie in Nanking. Hier leerde hij Engels en Duits, en maakte hij bovendien kennis met westerse wetenschap en ideeën. In 1902 ging Lu Xun naar Japan, waar hij na Japans te hebben geleerd medicijnen ging studeren aan de Sendai-universiteit. Dat bleek geen goede keus, en na een jaar ging Lu Xun terug naar Tokio.  Hij besloot dat het belangrijker was 'gedachten te genezen' dan lichamen, en werd schrijver.

Vanaf 1906 publiceerde Lu Xun in Tokio, soms in samenwerking met zijn jongere broer Zhou Zuoren, verschillende essays en vertalingen. Deze werden echter geen succes.

In 1909 kwam Lu Xun terug naar China. Na de revolutie in 1911 werd hij ambtenaar bij het Ministerie van Onderwijs, aanvankelijk in Nanking, later in Peking. Het was samen met mensen van deze universiteit dat Lu Xun één van zijn beroemdste verhalen publiceerde, Dagboek van een gek. Vanaf die tijd publiceerde hij vele verhalen, essays en vertalingen, en werd hij steeds beroemder. Lu Xuns verhalen en essays waren vaak zeer maatschappijkritisch. Naast het schrijven gaf Lu Xun les op de Universiteit van Peking, en was hij redacteur van verschillende literatuurtijdschriften.

Vanaf 1926 steunde Lu Xun de Chinese Communistische Partij, hoewel hij er nooit lid van is

 

Uit: A MADMAN'S DIARY

 

I can't sleep at night. Everything requires careful consideration if one is to understand it.

Those people, some of whom have been pilloried by the magistrate, slapped in the face by the local gentry, had their wives taken away by bailiffs, or their parents driven to suicide by creditors, never looked as frightened and as fierce then as they did yesterday.

The most extraordinary thing was that woman on the street yesterday who spanked her son and said, "Little devil! I'd like to bite several mouthfuls out of you to work off my feelings!" Yet all the time she looked at me. I gave a start, unable to control myself; then all those green-faced, long-toothed people began to laugh derisively. Old Chen hurried forward and dragged me home.

He dragged me home. The folk at home all pretended not to know me; they had the same look in their eyes as all the others. When I went into the study, they locked the door outside as if cooping up a chicken or a duck. This incident left me even more bewildered.

A few days ago a tenant of ours from Wolf Cub Village came to report the failure of the crops, and told my elder brother that a notorious character in their village had been beaten to death; then some people had taken out his heart and liver, fried them in oil and eaten them, as a means of increasing their courage. When I interrupted, the tenant and my brother both stared at me. Only today have I realized that they had exactly the same look in their eyes as those people outside.

Just to think of it sets me shivering from the crown of my head to the soles of my feet.

They eat human beings, so they may eat me.

I see that woman's "bite several mouthfuls out of you," the laughter of those green-faced, long-toothed people and the tenant's story the other day are obviously secret signs. I realize all the poison in their speech, all the daggers in their laughter. Their teeth are white and glistening: they are all man-eaters.

It seems to me, although I am not a bad man, ever since I trod on Mr. Ku's accounts it has been touch-and-go. They seem to have secrets which I cannot guess, and once they are angry they will call anyone a bad character. I remember when my elder brother taught me to write compositions, no matter how good a man was, if I produced arguments to the contrary he would mark that passage to show his approval; while if I excused evil-doers, he would say: "Good for you, that shows originality." How can I possibly guess their secret thoughts—especially when they are ready to eat people?

Everything requires careful consideration if one is to understand it. In ancient times, as I recollect, people often ate human beings, but I am rather hazy about it. I tried to look this up, but my history has no chronology, and scrawled all over each page are the words: "Virtue and Morality." Since I could not sleep anyway, I read intently half the night, until I began to see words between the lines, the whole book being filled with the two words—"Eat people."

All these words written in the book, all the words spoken by our tenant, gaze at me strangely with an enigmatic smile.

I too am a man, and they want to eat me!

 

 

 

 

luxun1
Lu Xun (25 september 1881 – 19 oktober 1936)

 

 

 

 

 

 

 

De Belgische dichteres en schrijfster Patricia Lasoen werd geboren op 25 september 1948 in Brugge.Zie ook mijn blog van 25 september 2007 en ook mijn blog van 25 september 2006.

 

 

Weeën

 

Er zijn dagen:
vroeggeboren slakken.
op het hete middaguur
zoeken zij de schaduw
en smelten sissend
in hun eigen slijm

 

dan later het uur
waarop de maan gebaard wordt
maar nog niet ademt
en niet huilt.
toch helpen schallende cymbalen.

 

 

 

 

 

Plafonds

 

Er zijn er
door Michelangelo beschilderd,
met rozetten versierd,
door zuilen gestut,
maar ook gewone
tijdens grote schoonmaak
met ammoniak gewassen en gewit
of :
niets -
crèmekleurige hoge plafonds
van op een ziekenhuisbed op hoge poten,
en oude plafonds
bekeken door
versleten mensen
die liggen in oude kamers
omdat lopen lastig wordt
een stofnet wordt
verward met barsten
met zimperend vocht
een spin in de hoek wordt
een monster;
er is de angst,
de angst die neerdaalt als damp.

 

 

 

 

 

Lasoen
Patricia Lasoen (Brugge, 25 september 1948)

 

 

 

 

 

 

 

De Duitse dichter, schrijver en literatuurwetenschapper Herbert Heckmann werd geboren op 25 september 1930 in Frankfurt am Main. Zie ook mijn blog van 25 september 2007

 

Der gelbe Akrobat

Die Schultern stoßen eckig in den Tag
sind hilflos krumm
aus dürren Händen schüttelt Tricks
ein gelber Akrobat

Abenteuer vom Kothurn

Kiesel im Mund werden die Worte glätten
aber die Zunge stolpert über das Fremde
und die Füße verankern den Schritt
und Gefahr geht dem Stolz aus dem Wege

Aber
im Spiel allein
Gelächter ausgesetzt
dem stieren Blick von Messeraugen
schamlos preisgegeben
sucht er - wohin?

Die Köpfe staunen spitz

Der gelbe Akrobat
liegt gläsern
blauen Mundes
in den Scherben seines Leibes.

 

 

 

 

 

Heckmann
Herbert Heckmann (25 september 1930 – 18 oktober 1999)

 

 

 

 

 

 

De Spaanse schrijver Carlos Ruiz Zafón werd geboren op 25 september 1964 in Barcelona. Zie ook mijn blog van 25 september 2006 en ook mijn blog van 25 september 2007

 

 

24-09-08

Yves Navarre, F. Scott Fitzgerald, Charles Ferdinand Ramuz, Alfons Petzold, Hendrik Tollens, Szilvia Molnar


De Franse schrijver Yves Navarre werd geboren op 24 september 1940 in Condom. Hij studeerde Spaanse, Engelse en Franse literatuur. Vanaf 1965 studeerde hij aan het  Ecole des Hautes Etudes Commerciales du Nord. Daarna werkte hij als tekstschrijver voor een agentschap. In 1958 was hij al begonnen werk naar uitgeverijen te sturen, maar zijn eerste roman Lady Black werd pas in 1971 uitgegeven, in 1973 gevolgd door Les Loukoums. Een reeks romans volgden, vaak – zoals in Le Petit Galopin de nos corps, 1977 en Portrait de Julien devant la fenêtre, 1979 – over een liefdesrelatie tussen twee mannen. Navarre schreef ook toneel, bijvoorbeeld Il pleut : si on tuait papa-maman, La Guerre des piscines, and Les Dernières Clientes. Voor Le Jardin d'acclimation kreeg hij in 1980 de Prix Goncourt. In 1981 en 1988 nam hij deel aan de campagne voor de presidentsverkiezingen aan de zijde van François Mitterand. Hij voelde zich als romancier echter miskend en inefficiënt in de rol van campagnevoerder. Van 1990 tot 1993 woonde Navarre in Montreal, Quebec. In zijn roman uit 1992 Ce sont amis que vent emporte vertelt hij het verhaal van een beeldhouwer, Roch, en een danser, David. Het boek beschrijft hun gevecht tegen aids. Na zijn terugkeer naar Frankrijk raakte Navarre in een depressie en pleegde hij in 1994 zelfmoord met behulp van barbituraten.

 

Uit: Les Fleurs de la mi-mai

 

Première partie. Rive d'ombres. Du 11 février au 11 mars. Ce soir-là, un lundi 11 février, trois mois jour pour jour après son accident, il comprit qu'il ne pouvait plus compter sur la compassion de celles et ceux, proches, qu'il avait aimés ou admirés, alors il reprit espoir. Avec un doigt de la main droite, puisqu'il avait perdu l'usage de la main gauche et qu'il avait toujours tapé avec l'index de chaque main quand il n'écrivait pas au stylo de la main droite, gaucher contrarié qu'il avait été sans le savoir, il entreprit d'écrire en direct du malheur, contre tout orgueil et toute conviction, pour se tenir en vie, le roman du possible retour, envers et contre tout ou presque, envers et contre presque toutes et tous. Le projet, c'était la mi-mai. Ainsi, une fois de plus, il écrirait pour reculer la date de sa mort. Tout irait mieux le lendemain, au jour levé. Il avait chassé ceux qui venaient et attendu ceux qui ne venaient pas. Il avait été amoureux, incertain, douteux. Il doutait encore. Il venait de passer plusieurs semaines à La Résidence, le plus moderne centre de rééducation fonctionnelle. Là, il avait réappris à marcher sans trop tituber, seul, les mains dans les poches, et à gravir les marches des escaliers sans tenir la rampe. Là aussi, parce que Anne lui avait fait confiance, il avait appris à taper d'un seul doigt, tenant sa main gauche calmement à plat sur le bureau, à côté de la machine à écrire. Là enfin, il avait côtoyé les brisés, les brûlés, les gueules cassées, les cloués au fauteuil à roulettes. Il avait servi de brancardier pour l'une, de brancardier pour l'autre quand il y avait trop de monde dans l'ascenseur et qu'il fallait se rendre vite au réfectoire, il avait écouté chacun raconter son accident ou cacher au voisin une mort inévitable connue de tous et du voisin également, ce qui lui avait donné un calme, une sérénité du regard qui faisait baisser les yeux aux autres. Il s'en sortirait, lui. Il rentrerait chez lui et, par colère, il en ferait le texte qui lui permettrait peut-être de voir les fleurs de la mi-mai.

12 février, rendre l'ombre à la lumière, livrer le clair au clair et l'obscur à l'obscur, et, sans accuser le trait, livrer la vérité à une épure, une vérité, rien qu'une vérité. En faire un livre, en vivre, en revivre qui sait, main gauche à plat sur le bureau. Il y avait une grande pancarte dans l'entrée de l'établissement, La Résidence mérite votre respect. Il ne fallait pas dire les patients, ou les malades, mais les résidents. Le luxe du lieu cachait à grand-peine la misère et l'effroi, chacune, chacun, plus que jamais devait prendre son malheur en patience. La Résidence donnait bonne conscience, c'était luxueux, confortable, remboursé à 100 %.”

 

 

 

 

navarre05
Yves Navarre (24 september 1940 – 24 januari 1994)

 

 

 

 

 

 

De Amerikaanse schrijver Francis Scott Fitzgerald werd geboren op 24 september 1896 in Saint Paul, in de staat Minnesota. Zie ook mijn blog van 24 september 2007 en ook mijn blog van 24 september 2006.

 

Uit: BERNICE BOBS HER HAIR

 

“After dark on Saturday night one could stand on the first tee of the golf-course and see the country-club windows as a yellow expanse over a very black and wavy ocean. The waves of this ocean, so to speak, were the heads of many curious caddies, a few of the more ingenious chauffeurs, the golf professional's deaf sister -- and there were usually several stray, diffident waves who might have rolled inside had they so desired. This was the gallery.

The balcony was inside. It consisted of the circle of wicker chairs that lined the wall of the combination clubroom and ballroom. At these Saturday-night dances it was largely feminine; a great babel of middle-aged ladies with sharp eyes and icy hearts behind lorgnettes and large bosoms. The main function of the balcony was critical. It occasionally showed grudging admiration, but never approval, for it is well known among ladies over thirty-five that when the younger set dance in the summer-time it is with the very worst intentions in the world, and if they are not bombarded with stony eyes stray couples will dance weird barbaric interludes in the corners, and the more popular, more dangerous, girls will sometimes be kissed in the parked limousines of unsuspecting dowagers.

But, after all, this critical circle is not close enough to the stage to see the actors' faces and catch the subtler byplay. It can only frown and lean, ask questions and make satisfactory deductions from its set of postulates, such as the one which states that every young man with a large income leads the life of a hunted partridge. It never really appreciates the drama of the shifting, semicruel world of adolescence. No; boxes, orchestra-circle, principals, and chorus are represented by the medley of faces and voices that sway to the plaintive African rhythm of Dyer's dance orchestra.

From sixteen-year-old Otis Ormonde, who has two more years at Hill School, to G. Reece Stoddard, over whose bureau at home hangs a Harvard law diploma; from little Madeleine Hogue, whose hair still feels strange and uncomfortable on top of her head, to Bessie MacRae, who has been the life of the party a little too long -- more than ten years -- the medley is not only the center of the stage but contains the only people capable of getting an unobstructed view of it.

With a flourish and a bang the music stops. The couples exchange artificial, effortless smiles, facetiously repeat "la-de-da-da dum-dum," and then the clatter of young feminine voices soars over the burst of clapping.

A few disappointed stags caught in midfloor as they had been about to cut in subsided listlessly back to the walls, because this was not like the riotous Christmas dances -- these summer hops were considered just pleasantly warm and exciting, where even the younger marrieds rose and performed ancient waltzes and terrifying fox trots to the tolerant amusement of their younger brothers and sisters.

 

 

 

 

 

fitzgeraldfscot
F. Scott Fitzgerald (24 september 1896 - 21 december 1940

 

 

 

De Franstalige Zwitserse dichter, schrijver en essayist Charles Ferdinand Ramuz werd geboren op 24 september 1878 in Cully-sur-Lausanne. Zijn vader was een handelaar in koloniale waren en wijn. Na het gymnasium schreef hij zich in aan de filosofische faculteit van de universiteit van Lausanne. Rond 1900 was hij voor het eerst in Parijs om zijn studie voort te zetten. Hij wilde promoveren op de dichter Maurice de Guérin, maar gaf dat plan op om zelf dichter te worden. In Parijs leerde hij ook zijn vrouw, de schilderes Cécile Cellier kennen. In 1914 verliet Ramuz Parijs en vestigde zich met zijn gezin in Lausanne. Zijn werk Histoire du Soldat werd door Igor Strawinsky op muziek gezet. De roman Derborence, gebaseerd op historische gebeurtenissen uit 1714 werd in 1985 door Francis Reusser verfilmd. Farinet ou la fausse monnaie over de valsemunter Joseph-Samuel Farinet diende in 1938 al als gegeven voor de film Farinet ou l'or dans la montagne van Max Haufler.

 

Uit: Derborence

 

Il tenait de la main droite une espèce de long bâton noirci du bout qu'il enfonçait par moment dans le feu ; l'autre main reposait sur sa cuisse gauche.
C'était le vingt-deux juin, vers les neuf heures du soir.
Il faisait monter du feu avec son bâton des étincelles ; elles restaient accrochées au mur couvert de suie où elles brillaient comme des étoiles dans un ciel noir.
On le voyait mieux alors, un instant, Séraphin, pendant qu'il faisait tenir son tisonnier tranquille ; on voyait mieux également, en face de lui, un autre homme qui était beaucoup plus jeune, et lui aussi était accoudé des deux bras sur ses genoux remontés, la tête en avant.
- Eh bien, disait Séraphin, c'est-à-dire le plus vieux, je vois ça... Tu t'ennuies.
Il regardait Antoine, puis s'est mis à sourire dans sa barbiche blanche :
- Il n'y a pourtant pas si longtemps qu'on est montés.
Ils étaient montés vers le quinze juin avec ceux d'Aïre, et une ou deux familles d'un village voisin qui s'appelle Premier : ça ne faisait pas beaucoup de jours, en effet.
Séraphin s'était remis à tisonner les braises où il avait jeté une ou deux branches de sapin ; et les branches de sapin prirent feu, si bien qu'on voyait parfaitement les deux hommes, assis en face l'un de l'autre, de chaque côté du foyer, chacun sur le bout de son banc : l'un déjà âgé, sec, assez grand, avec de petits yeux clairs enfoncés dans des orbites sans sourcils, sous un vieux chapeau de feutre ; l'autre beaucoup plus jeune, ayant de vingt à vingt-cinq ans, et qui avait une chemise blanche, une veste brune, une petite moustache noire, les cheveux noirs et taillés court.
- Voyons, voyons, disait Séraphin... Comme si tu étais à l'autre bout du monde... Comme si tu allais être séparé d'elle pour toujours...
Il hocha la tête, il se tut.
C'est qu'Antoine n'était marié que depuis deux mois ; et il importe de noter tout de suite que ce mariage ne s'était pas fait sans peine. Orphelin de père et de mère, il avait été placé à treize ans comme domestique dans une famille du village, tandis que celle qu'il aimait avait du bien. Et longtemps sa mère à elle n'avait pas voulu entendre parler d'un gendre qui n'aurait pas apporté au ménage sa juste part. Longtemps la vieille Philomène avait secoué la tête, disant : " Non ! " puis : " Non ! " et encore " Non ! " Qu'est-ce qui se serait passé si Séraphin n'avait pas été là, c'est-à-dire tout à fait à la place qu'il fallait et important à cette place, car il était le frère de Philomène, femme Maye, qui était veuve, et, n'étant pas marié, c'était lui qui menait le train de sa sœur ? Or, Séraphin avait pris le parti d'Antoine ; et il avait fini par avoir le dessus.
Le mariage avait eu lieu en avril ; maintenant Séraphin et Antoine étaient, comme on dit, en montagne.

 

 

 

RamuzCharlesFerdinand
Charles Ferdinand Ramuz (24 september 1878 – 23 mei 1947)

 

 

 

De Oostenrijkse dichter en schrijver Alfons Petzold werd geboren op 24 september 1882 in Wenen. Zie ook mijn blog van 24 september 2006.

 

 

 

Ich bin das Schwere und das Harte

Ich bin das Schwere und das Harte,
Du bist die sanfte Leichtigkeit,
Du baust aus Sonne eine Warte,
ich grabe Höhlen in die Zeit.
Was ich an Dunkel mir ersparte,
das machst du licht und liederweit,
Du bist die Glänzende und Zarte,
um die sich all mein Denken reiht.

Ich ringe mit dem Unsagbaren,
um seines Geistes irdisch Los,
Du liegst noch wie in Kinderjahren
ganz demütig in seinem Schoß.
Ich kämpfe mit ihm Lend' an Lende
und denk im Kampfe kaum an Dich,
Du aber streckst die lieben Hände
zu ihm empor, für wen? Für mich!

 

 

 

 

 

Jede Nacht ist eine Stufe

 

Jede Nacht ist eine Stufe
zur Erfüllung meiner Sehnsucht hin
und auf jeder steh ich lang und rufe
laut nach Dir mit überwachem Sinn.

Gläubig hülle ich mein Denken
in die Seide meiner Liebe ein.
Einmal wirst Du kommen und im Schenken
reich wie jetzt in dem Versagen sein.

 

 

 

 

 

O so Lipp' an Lippe hängen dürfen

 

O so Lipp' an Lippe hängen dürfen
eine lange schöne Ewigkeit,
aus des ander'n Atem Süße schlürfen
für die Bitternis der argen Zeit.

Nichts mehr reden, sondern nur noch lauschen,
wie des ander'n Herzschlag schneller geht -
und in allen Gliedern dieses Rauschen,
das Gesang ist und zugleich Gebet

 

 

 

 

 

Petzold
Alfons Petzold (24 september 1882 – 25 januari 1923)

 

 

 

 

 

De Nederlandse dichter Hendrik Tollens werd op 24 september 1780 te Rotterdam geboren. Zie ook mijn blog van 24 september 2007 en ook mijn blog van 24 september 2006.

 

 

 

MIJNE VERZEN

 

Zielloos staat gij, levenloos,
Zonder klem of zwier,
Zangen, uit mijn hart geweld!
Op het koud papier.

Neen, van 't uitgestroomd gevoel
Vonkt in u geen sprank:
Zielloos zijt gij, levenloos,
Noten zonder klank!

'k Heb de borst met u geroerd
En het hart gekneed,
Maar mijn adem was de ziel,
Die u leven deed.

'k Schiep met klem en kracht van toon
Al úw kracht en klem;
'k Blies u geest en leven in
Met mijn eigen stem!

o, Wie op mijn dode kunst
Nog in deernis ziet,
Geve hij 't leven nogmaals weer
Aan mijn zielloos lied.

Of wat is 't gevoel en vuur,
Dat mijn zang bezit?
Of wat is zijn verv' en zwier?
Treurig zwart op wit.

'k Vraag terug, van elk terug,
Wat mijn kunst ontviel:
't Is de nadruk van de toon -
De afdruk van de ziel.

Wie te traag is, te loom van bloed,
Adem heeft noch stem,
Roert mijn koude zangen niet:
Zij zijn dood voor hem.

 

 

 

 

 

 

Wien Neêrlands bloed

 

Wien Neêrlands bloed in d'ad'ren vloeit
Van vreemde smetten vrij
Wiens hart voor land en koning gloeit
Verheff' de zang als wij!
Hij zett' met ons, vereend van zin,
Met onbeklemde borst,
Het godgevallig feestlied in
Voor Vaderland en Vorst,
Voor Vaderland en Vorst.

De Godheid, op haar hemeltroon
Bezongen en vereerd
Houdt gunstig ook naar onze toon
Het heilig oor gekeerd:
Zij geeft het eerst, na 't zalig koor
Dat hoger snaren spant
Het rond en hartig lied gehoor
Voor Vorst en Vaderland,
Voor Vorst en Vaderland.

Bescherm, o God! bewaak de grond,
waar op onze adem gaat,
De plek waar onze wieg op stond,
Waar eens ons graf op staat.
Wij smeken van Uw Vaderhand,
Met diepgeroerde borst,
Behoud voor 't lieve Vaderland,
Voor Vaderland en Vorst,
Voor Vaderland en Vorst.

Dring' luid, van uit ons feestgedruis
Die beê uw hemel in:
Bewaar de Vorst, bewaar zijn huis
En ons, zijn huisgezin.
Doe nog ons laatst, ons jongst gezang
Die eigen wens gestand:
Bewaar, o God! de Koning lang
En 't lieve Vaderland,
En 't lieve Vaderland.

 

 

 

 

 

Tollens
Hendrik Tollens (24 september 1780 -21 oktober 1856)

 

 

 

 

 

 

Zie voor onderstaande schrijver ook mijn blog van 24 september 2007

 

De Engels-Zweedse schrijfster en vertaalster Szilvia Molnar werd geboren op 24 september 1984 in Boedapest, Hongarije.

 

 

23-09-08

Theodor Körner, Euripides, Jaroslav Seifert, Leni Saris, Mary Coleridge, Emma Orcy, Daniel Czepko von Reigersfeld


De Duitse dichter en schrijver Theodor Körner werd geboren op 23 september 1791 in Dresden. Zie ook mijn blog van 23 september 2007.

 

 

 

Gebet vor der Schlacht

 

Vater, ich rufe Dich!
Brüllend umwölkt mich der Dampf der Geschütze,
Sprühend umzucken mich rasselnde Blitze.
Lenker der Schlachten, ich rufe dich!
Vater, du führe mich!

 

Vater, du führe mich!
Führ mich zum Siege, führ' mich zum Tode:
Herr, ich erkenne deine Gebote;
Herr, wie du willst, so führe mich.
Gott, ich erkenne dich!

 

Gott, ich erkenne dich!
So im herbstlichen Rauschen der Blätter,
Als im Schlachtendonnerwetter,
Urquell der Gnade, erkenn' ich dich!
Vater du, segne mich!

 

Vater du, segne mich!
In deien Hand befehl' ich mein Leben,
Du kannst es nehmen, du hast es gegeben;
Zum Leben, zum Sterben segne mich!
Vater, ich preise dich!

 

Vater, ich preise dich!
's ist ja kein Kampf für die Güter der Erde;
Das heiligste schützen wir mit dem Schwerte:
Drumm, fallend und siegend, preis' ich dich,
Gott, dir ergeb' ich mich!

 

Gott dir ergeb' ich mich!
Wenn mich die Donner des Todes begrüßen,
Wenn meine Adern geöffnet fließen:
Dir, mein Gott, dir ergeb' ich mich!
Vater, ich rufe Dich!

 

 

 

 

Theodor_Koerner
Theodor
Körner (23 september 1791 - 26 augustus 1813)

 

 

 

 

Annalen.net laat de Griekse schrijver Euripides geboren worden op 23 september 484 voor Christus. Zie ook mijn blog van 23 september 2007.

 

Uit: Medea

 

Voedster:
Ach, ware de Argo nooit de blauwe poort
der Symplegaden door naar Colchi heen
gevlogen; ware in Pelions dal geen boom
ooit neergevallen, om met riem en roer
de hand te waap´nen van de helden, die
voor Pelias streefden naar d´ algouden vacht.
Dan ware ook nooit Medea, mijn gebiedster,
naar Iolcos´ burchten heengevaren, toen
liefde voor Jason haar van zinnen bracht;
dan waren Pelias´ dochters niet door haar
schuldig geworden aan heur vaders dood,
en zou zij nu ook niet met haar gemaal
en kind´ren in Corinthe hier vertoeven,
in ´t gastvrij ballingsoord welgaarne ontvangen,
en zelve in alles Jasons trouwe bijstand -
want dat is in het leven ´t grootste heil,
als tusschen man en vrouw geen tweespalt is.
Maar nu is ´t haat, en ´t liefste dreigt gevaar.
Jason verraadt haar en zijn eigen kroost;
want bruigom werd hij van een koningskind,
wier vader, Creon, heer is van dit land.
Medea, in haar ziel en eer getroffen,
roept al zijn eeden, roept zijn eerewoord
weer voor den geest en goden tot getuigen,
hoe ´t haar vergaat, hoe Jason ´t haar vergeldt.
Elk voedsel weig´rend ligt zij neer, en kwijnt
van smart, in tranen smeltend al den tijd,
sinds zij zich door haar man verraden weet;
zonder ooit op te zien of van den grond
´t gelaat te beuren; maar een rots gelijk
of als der golven branding blijft zij doof
voor vriendenraad, tenzij ze nu en dan
den hals, d´ alblanken wendt en in zich zelf
om haren vader jammert, om haar land
en huis en zooveel liefs, dat zij verliet,
om hem te volgen, die haar nu verraadt.
Bittre ervaring doet haar ondervinden,
hoe zoet het is, in ´t eigen land te zijn.
Haar kind´ren schuwt ze en ziet ze zonder vreugde;
op booze dingen zint zij, naar ik vrees.
Zwaar is haar geest; zij zal geen smart verdragen;
ik ken Medea, en ik vrees, ik vrees haar:
zij is te duchten; wie haar wraaklust tart,
die zingt zoo spoedig niet zijn zegezang.
Doch zie, het spelen moede met den hoepel
komen haar kind´ren thuis, maar weten, noch
beseffen iets van ´t geen hun moeder lijdt;
een jonge ziel kent ´s werelds zorgen niet.”

 

 

Vertaald door Dr. Chr. Deknatel

 

 

 

 

 

euripides
Euripides (484 v. Chr – 406 v. Chr)

 

 

 

 

 

De Tsjechische dichter Jaroslav Seifert werd op 23 september 1901 geboren en groeide op in de arbeiderswijk Žižkov in Praag.Zie ook mijn blog van 23 september 2006.

 

Transformations

A lad changed to a shrub in spring,
the shrub into a shepherd boy,
A fine hair to a lyre string,
snow into snow on hair piled high.

And words turn into question signs,
wisdom and fame to old-age lines,
and strings revert to finest hair,
the boy's transformed into a poet
the poet is transformed once more,
becomes the shrub my which he slept
when he loved beauty till he wept.

Whoever falls in love with beauty
will love it to his dying day,
stagger toward it aimlessly,
beauty has feet of charm and grace
in sandals delicate as lace.

And in this metamorphosis
a spell binds him to woman's love,
a single second is enough
like steam in a retort to hiss
obedient to the alchemist
and drops dead as a hunted dove.

Without a stick old age is lame,
the stick turns into anything
in this ceaseless, fantastic game,
perhaps into an angel's wings
now spreading wide for soaring flight
bodyless, painless, feather light.

 

 

 

 

 

To Be a Poet

Life taught me long ago
that music and poetry
are the most beautiful things on earth
that life can give us.
Except for love, of course.

In an old textbook
published by the Imperial Printing House
in the year of Vrchlický's death
I looked up the section on poetics
and poetic ornament.

Then I placed a rose in a tumbler,
lit a candle
and started to write my first verses.

Flare up, flame of words,
and soar,
even if my fingers get burned!

A startling metaphor is worth more
than a ring on one's finger.
But not even Puchmajer's Rhyming Dictionary
was any use to me.

In vain I snatched for ideas
and fiercely closed my eyes
in order to hear that first magic line.
But in the dark, instead of words,
I saw a woman's smile and
wind-blown hair.

That has been my destiny.
And I've been staggering towards it breathlessly
all my life.

 

 

seifert
Jaroslav Seifert ( 23 september 1901 – 10 januari 1986)

 

 

 

De Nederlandse schrijfster Leni Saris werd geboren in Rotterdam op 23 september 1915. Ze schreef meer dan honderd meisjesboeken, waarvan er in totaal zo'n acht miljoen werden verkocht. Leni Saris brak in de eerste jaren van WO II door bij het grote publiek en schreef vanaf dat moment elk jaar twee boeken. Bijna dertig jaar werkte ze na een secretaresseopleiding bij een notariskantoor. Schrijven deed ze in de avonduren. Pas in 1971 wijdde ze zich fulltime aan het schrijven van haar boeken, die ze als 'ontspanningsromans' typeerde. Saris' boeken gingen over de liefde in een wereld met aardige mensen, maar zonder seks. Bij de romantiek mocht beschaafd gezwijmeld worden. Haar boeken hadden altijd een happy end: aan het eind krijgt het meisje de knappe man die ze zocht. Hoewel Saris nooit beweerde literatuur te schrijven, was ze niet gelukkig met de neerbuigende manier waarop de literaire kritiek met haar omging.

Saris bleef tot aan haar dood actief als schrijfster; haar laatste boek, Wij drieën, verscheen postuum in het voorjaar van 2000 bij haar vaste uitgever, uitgeverij Westfriesland in Hoorn.

 

Uit: Hollands Dagboek

 

Vrijdag 19 november

Ik ga nu bij mijn vrienden in Laren logeren, dat centraal ligt voor diverse werkzaamheden in verband met het verschijnen van het honderdste boek. Een paar dagen; langer kan niet, er zijn thuis al teveel afspraken genoteerd. Ik wil niet langer met een kruk lopen maar het blijft moeilijk. Autorijden gaat niet, Els en Wim helpen me. Ze komen vroeg en beginnen mijn omvangrijke bagage naar hun wagen te sjouwen.

'Dat zijn we gewend'', zegt Els blijmoedig. 'Als jij niet de helft van je garderobe meesjouwt, denken wij dat je ziek bent.'' Zij kan het weten, we zijn al vijfendertig jaar bevriend. Els rijdt, ik zit comfortabel naast haar, Wim zit achterin, iets minder comfortabel tussen mijn garderobe die beslist niet mag kreuken.

Blij dat ik weer eens echt uit ben, zonder geworstel om krukken in en uit de wagen te wringen. Ik loop in ieder geval 'los', al is het niet fraai.

De fanbrieven heb ik meegenomen, ik beantwoord die brieven per omgaande, dat is een van mijn stelregels. Behalve om boekenlijsten wordt er om foto's gevraagd maar die zijn op, dus plunder ik nu mijn privé-album, want van nasturen komt niets terecht.

Ik blader in de aantekeningen voor een nieuw boek, maar de vakantiestemming wint het. Anouk, dochter van Els en Wim en mijn petekind, studeert en is ijverig bezig aan een scriptie, maar wil even iets anders en ontvoert De Gouden Handjes. Ze woont in Baarn en belt later, dat ze het boek zo gezellig en ontspannend vindt. Dat is de bedoeling van dit boek, dat door de lichte en gezellige inhoud ook voor mij een ontspanning betekende na alle pech en pijn. Chiara daarentegen, nummer honderd, is gebaseerd op een ware gebeurtenis, die veel indruk op mij heeft gemaakt.”

 

 

 

saris
Leni Saris (23 september 1915 – 9 december 1999)

 

 

 

 

 

De Engelse dichteres en schrijfster Mary Elizabeth Coleridge werd geboren in Londen op 23 september 1861.  Coleridge publiceerde vijf romans, waaronder The Seven Sleepers of Ephesus (1893) en The King with Two Faces (1897). Daarnaast schreef zij essays en kritieken.

Zij overleed in 1907 ten gevolge van complicaties die voortkwamen uit een blindedarmonsteking terwijl zij op vakantie was in Harrogate. Zij liet een onvoltooid manuscript van een nieuwe roman achter en honderden onuitgegeven gedichten. Haar gedichten werden pas na haar dood gepubliceerd, waarschijnlijk uit achting voor haar beroemde naamgenoot en verre familielid Samuel Taylor Coleridge. Succesvolle bundels waren Poems Old and New (1907) en Gathered Leaves (prozawerk, 1910). In 1954 verscheen haar verzameld werk onder de titel The Collected Poems of Mary Coleridge.

 

 

We never said farewell

 

We never said farewell, nor even looked
Our last upon each other, for no sign
Was made when we the linkèd chain unhooked
And broke the level line.

And here we dwell together, side by side,
Our places fixed for life upon the chart.
Two islands that the roaring seas divide
Are not more far apart.

 

 

To Memory

 

Strange Power, I know not what thou art,
Murderer or mistress of my heart.
I know I'd rather meet the blow
Of my most unrelenting foe
Than live---as now I live---to be
Slain twenty times a day by thee.

Yet, when I would command thee hence,
Thou mockest at the vain pretence,
Murmuring in mine ear a song
Once loved, alas! forgotten long;
And on my brow I feel a kiss
That I would rather die than miss.

 

 

 

 

Coleridge
Mary Coleridge (23 september 1861 – 25 augustus 1907)

Illustratie door Eleanor Vere Boyle in Voices from Fairyland, the fantastical poems of Mary Coleridge Charlotte Mew and Sylvia Townsend Warner. (Geen portret beschikbaar)

 

 

 

 

 

De Hongaarse schrijfster Emmuska Orcy de Orczi, ook wel Baronesse Orczy of Baronesse d'Orczy werd geboren in Tarnaörs op 23 september 1865. Haar eerste roman, "The scarlet pimpernel", het verhaal van een Engelsman, die tijdens de Franse Revolutie allerlei mensen van de guillotine redde, werd eerst door alle uitgeverijen in Londen geweigerd. Toen het toch als toneelstuk met succes werd opgevoerd, kwam er toch een uitgeverij die het wilde publiceren. Het werd een groot succes. Ze stierf in 1947.

 

Uit: The Scarlet Pimpernel

 

“Paris: September 1792

A surging, seething, murmuring crowd, of beings that are human only in name, for to the eye and ear they seem naught but savage creatures, animated by vile passions and by the lust of vengeance and of hate. The hour, some little time before sunset, and the place, the West Barricade, at the very spot where, a decade later, a proud tyrant raised an undying monument to the nation’s glory and his own vanity.

During the greater part of the day the guillotine had been kept busy at its ghastly work: all that France had boasted of in the past centuries, of ancient names, and blue blood, had paid toll to her desire for liberty and for fraternity. The carnage had only ceased at this late hour of the day because there were other more interesting sights for the people to witness, a little while before the final closing of the barricades for the night.

And so the crowd rushed away from the Place de la Grève and made for the various barricades in order to watch this interesting and amusing sight.

It was to be seen every day, for those aristos were such fools! They were traitors to the people of course, all of them, men, women, and children, who happened to be descendants of the great men who since the Crusades had made the glory of France: her old noblesse. Their ancestors had oppressed the people, had crushed them under the scarlet heels of their dainty buckled shoes, and now the people had become the rulers of France and crushed their former masters—not beneath their heel, for they went shoeless mostly in these days—but beneath a more effectual weight, the knife of the guillotine.

And daily, hourly, the hideous instrument of torture claimed its many victims—old men, young women, tiny children, even until the day when it would finally demand the head of a King and of a beautiful young Queen.

But this was as it should be: were not the people now the rulers of France? Every aristocrat was a traitor, as his ancestors had been before him: for two hundred years now the people had sweated, and toiled, and starved, to keep a lustful court in lavish extravagance; now the descendants of those who had helped to make those courts brilliant had to hide for their lives—to fly, if they wished to avoid the tardy vengeance of the people.

And they did try to hide, and tried to fly: that was just the fun of the whole thing. Every afternoon before the gates closed and the market carts went out in procession by the various barricades, some fool of an aristo endeavoured to evade the clutches of the Committee of Public Safety. In various disguises, under various pretexts, they tried to slip through the barriers which were so well guarded by citizen soldiers of the Republic. Men in women’s clothes, women in male attire, children disguised in beggars’ rags: there were some of all sorts: ci-devant counts, marquises, even dukes, who wanted to fly from France, reach England or some other equally accursed country, and there try to rouse foreign feeling against the glorious Revolution, or to raise an army in order to liberate the wretched prisoners in the Temple, who had once called themselves sovereigns of France.”

 

 

 

orczy1
Emma Orcy (23 september 1865 – 12 november 1947)

 

 

 

 

 

Zie voor onderstaande schrijver ook mijn blog van 23 september 2007.

De Duitse dichter en schrijver Daniel Czepko von Reigersfeld werd op 23 september 1605 in Koschwitz geboren.

 

 

 

22-09-08

Lodewijk van Deyssel, Fay Weldon, Dannie Abse, Hans Leip


De Nederlandse schrijver Lodewijk van Deyssel werd geboren op 22 september 1864 in Amsterdam. Zie ook mijn blog van 22 september 2006. En ook mijn blog van 22 september 2007.

Uit : De Scheldkritieken (Mevrouw Jeanne Fortuyn)

« Mevrouw Jeanne Fortuyn. Goeye-morrege, mevrouw Fortuyn, ah! bonjour, bonjour, mevróuw! Alle duivels, Jans, meid, Jeanne, kind, drommels, mevrouw, wil verschoonen dat ik het zoo maar zeg, maar, voor-den-hier-en-ginder, sapperloot, wat kan u van u afpraten! Nou, hoor, maar... papperlepáp,... wat ik zeggen wil, ja, hm., waarom die brieven niet stilletjes geláten in de portefeuille van uw vriendin, waarom ze doen uitgeven? Hè, wablief? Pardon, ik versta u niet, wil voor even een klein weinigje langzamer spreken...

O, hohoho, maar wat zeg ik daar! 't mondje voorbijgepraat, aijaijai, 't mondje voorbijgepraat! Zoo-zoo, wel-wel, en heeft u dat nou allemaal zoo beleefd, zoo bij-gewoond! Ja, ja, 't is je wat, 't ís je wát as 't voor de heeren komt, die boel daar in Indië! Aardige wereld, áardige wéreld, hè? - Maar, 't ís wáar óok, en dát zal wáar zijn, niet ieder-een, nee, warempel niet, niet ieder-éen is het gegeven, is het gegeven zeg ik, dat alles zoo op te merken en te kunnen weêrgeven.

Ja, as je me nou vráagt, dat van dat drinken en baden van die meneer ‘Gladvink’ (hoe aardig van u, mevrouw, om de menschen, nu uw brieven in 't publiek kwamen, niét alleen-gefingeerde námen te geven, dat is te zeggen, dát is óok wel aardig, maar dat zouden toch méer menschen doen, maar, híer wil ik héen,: om ze gefingeerde namen te geven, die met-een zoo veel-als als 't ware een resumeerende aanduiding van hun karakter in zich houden: b.v. ‘Gladvink’ voor een slimmerik, voor iemant, die zich door het leven wel héen weet te slaan en flink-weg van alle markten thuis is, ‘Kantenklaar’ voor iemant, die altijd voor alles te vinden is en altijd precies weet waar hij heen wil; maar het állerkoddigste, het uitap-mopperde-moppigste, het flip-flap-flap - uit - beroerd - lekker - proest - stik - lolligste, het om - het - lachen - d'r - over - te - voelen - aankomen - en - dan - terwijl - je - buik - al - op - en - neêr - gaat - in - de - bierkroeg - zich - voor - een - heelen - avond - te - installeeren - alléen - om - telkens - even - stil - te - zijn - en - dan - telkens - de - gedachte - weêr - te - laten - bovenkomen - om - op - nieuw - weêr - te - hiksnotteren - van - de - belabberlazerde - lach - woelingen - sappig - grappigste vin ik, dat u je man meneer Fortuyn noemt, omdat-i naar Indië gaat om fortuin te maken; hi hi, nog lach ik er van; maar, wat ik zeggen woû, dat van dat drinken en baden, en ook dat van dat kaartspelen om hooge tarieven, dat, en zoo de meeste rest, dat wisten we eigenlijk al, ja, wel zeker, dat wisten we eigenlijk al! van meheer Maurits! uit de romans van meneer Maurits: we wisten het allemaal al, hi hi, ben ik dwaas!, we wisten het al zoo goed dat we het bijna al weêr overgegeven hadden van ajakkebakkigheid t'r over. U overlaadt ons, mevrouw, alles heeft zijn grenzen, ook de trek in de meest uitgelezen jokkernij.

Wat? wat is dat? wat doe ik daar? Ik doe, ik doe zoo-waar niks as me verspreken. Ik bedoel het zoo niet, mevrouw, ik woû heel iets anders zeggen. Ik woû zeggen, dat u zoo'n open-blik en zooveel opmerkingsgave heeft, en dat u niet larmoyant of sentimenteel is, maar fiksch met alles ruiterlijk voor de boeg. U heeft ook een allervrouwelijkste en nobele liefde voor het fortuin-maken. En wat zegt u alles natuurlijk, zoo natuurlijk ja, erg natuurlijk juist, zoo zonder affektatie of zoo.”

 

 

deyssel
Lodewijk van Deyssel  (22 september 1864 - 26 januari 1952)

 

 

 

 

De Britse schrijfster Fay Weldon werd geboren op 22 september 1931 in Alvechurch, Engeland.  Zie ook mijn blog van 22 september 2006. En ook mijn blog van 22 september 2007.

 

Uit: Big Girls Don't Cry

 

“The world envied them, derided them, adored, loathed and pitied them by turns - these women who were larger than life. Layla, Stephanie, Alice, Nancy and company - a small, vivid group of wild livers, free-thinkers, lusters after life, sex and experience, who in the last decades of the century turned the world inside out and upside down. Unable to change themselves, they turned their attention to society, and set about changing that, for good or bad.

If in achieving so much they all but destroyed themselves, who should be surprised? Being flawed, they were the stuff of tragedy as well as triumph. They walked amongst ordinary mortals like goddesses down from Mount Olympus, without so much as deigning to notice their own difference. 'Who, me?' they'd enquire, handed doctorate or writ. 'Little me?'

Others described them as feminists, but they were never quite in step; too far in front to notice what the rest were doing. Layla, Stephanie, Alice, Nancy and company. Big Women, not Little Women, that was the point: and Medusa, their creation. Medusa the Gorgon, the one who turned men's hearts to stone.


Will You, Won't You?


Slap, slap, slurp: a hollow, juicy sound. Stephanie's pasting up posters on the dark green wall of a Victorian urinal. The year's 1971. This urinal still stands there at the bottom of Carnaby Street, alongside Liberty's of London. See it now, as then. Stephanie is clearly not an expert at what's called posting bills. Paste dribbles down all over the place: they go up crooked, they overlap. But up they go. The legend Bill Posters Will Be Prosecuted gets obscured, as another poster slips and slides. 'Poor Bill Posters,' says Layla.”

Weldon
Fay Weldon (Alvechurch, 22 september 1931)

 

 

 

 

 

 

De Britse dichter en schrijver Dannie Abse werd geboren op 22 september 1923 in Cardiff, Wales. Hij studeerde zowel aan de universiteit van zijn geboortestad als aan het King’s College in Londen medicijnen. In 1954 verscheen zijn autobiografie Ash on a Young Man's Sleeve. Abse ontving de  Welsh Arts Council Award en in 1985 de Cholmondeley Award. Hij is lid van de Poetry Society en de Royal Society of Literature. Zijn eerste dichtbundel After Every Green Thing verscheen in 1949. Verder schrijft hij ook romans, toneelstukken en essays.

 
At Ogmore-by-Sea This August Evening

I think of one who loved this estuary -
my father - who, self-taught, scraped upon
an obstinate violin. Now, in a room
darker than the darkening evening outside,
I choose a solemn record, listen to
a violinist inhabit a Bach partita.
This violinist and violin are unified

Such power! The music summons night. What more?
It's twenty minutes later into August
before the gaudy sun sinks to Australia
Now nearer than the promontory paw
and wincing electric of Porthcawl
Look! the death-boat, black as anthracite,
at its spotlit prow a pale familiar.

Father? Here I am, Father. I see you
jubilantly lit, an ordered carnival.
The tide's in. From Nash Point no foghorns howl.
I'm at your favourite place where once you held
a bending rod and taught me how to bait
the ragworm hooks. Here, Father, here, tonight
we'll catch a bass or two, or dabs, or cod.

Senseless conjuration! I wipe my smile away
for now, lit at the prow, not my father
but his skeleton stands. The spotlight fails,
the occult boat's a smudge while three far lighthouses
converse in dotty exclamation marks.
The ciaccona's over, the record played,
there's nothing but the tumult of the sea.

 

 
dannie+abse
Dannie Abse (Cardiff, 22 september 1923)

 

 

 

 

 

 

De Duitse dichter en schrijver Hans Leip werd geboren op 22 september 1893 in Hamburg. Hij diende in WO I, raakte verwond aan het front in het oosten en werd in 1917 afgekeurd. Hij keerde terug tot zijn beoep van leraar en begon tegelijkertijd in Hamburgse tijdschriften korte verhalen te publiceren. Leips literaire werk bestaat uit romans, verhalen, gedichten, toneelstukken, draaiboeken en hoorspelen. Voornaamste thema’s zijn de zee en de zeevaart. Zijn werk stond onder invloed van het expressionisme. Zijn grootste roem dankt hij echter aan zijn gedicht Lili Marleen, dat hij in 1915 schreef en in 1937 opnam in de bundel Die kleine Hafenorgel. Het werd op muziek gezet door Norbert Schultze en gezongen door Lale Andersen en verspreid door de radiozender Belgrado. Tijdens WO II verkreeg het lied een ongekende populariteit, niet allen bij het Duitse leger, maar ook bij de geallieerden.

 

Lili Marleen

 

Vor der Kaserne
Vor dem großen Tor
Stand eine Laterne
Und steht sie noch davor
So woll'n wir uns da wieder seh'n
Bei der Laterne wollen wir steh'n
Wie einst Lili Marleen.

Unsere beide Schatten
Sah'n wie einer aus
Daß wir so lieb uns hatten
Das sah man gleich daraus
Und alle Leute soll'n es seh'n
Wenn wir bei der Laterne steh'n
Wie einst Lili Marleen.

Schon rief der Posten,
Sie blasen Zapfenstreich
Das kann drei Tage kosten
Kam'rad, ich komm sogleich
Da sagten wir auf Wiedersehen
Wie gerne wollt ich mit dir geh'n
Wie einst Lili Marleen.

Deine Schritte kennt sie,
Deinen zieren Gang
Alle Abend brennt sie,
Doch mich vergaß sie lang
Und sollte mir ein Leids gescheh'n
Wer wird bei der Laterne stehen
Wie einst Lili Marleen.

Aus dem stillen Raume,
Aus der Erde Grund
Hebt mich wie im Traume
Dein verliebter Mund
Wenn sich die späten Nebel drehn
Werd' ich bei der Laterne steh'n
Wie einst Lili Marleen.

 
 
 
 
Leip
Hans Leip (22 september 1893 – 6 juni 1983)

Op de foto met o.a. Lale Andersen

 

 

 

 

21-09-08

Leonard Cohen, Johann Peter Eckermann, H.G. Wells, Stephen King, Frédéric Beigbeder

 

De Canadese dichter, folk singer-songwriter en schrijver Leonard Cohen werd geboren op  21 september 1934 te Montréal. Zie ook mijn blog van 21 september 2007.

 

 

Do not forget old friends

 

Do not forget old friends
you knew long before I met you
the times I know nothing about
being someone
who lives by himself
and only visits you on a raid

 

 

 

When this American woman

 

When this American woman,
whose thighs are bound in casual red cloth,
comes thundering past my sitting place
like a forest-burning Mongol tribe,
the city is ravished
and brittle buildings of a hundred years
splash into the street;
and my eyes are burnt
for the embroidered Chinese girls,
already old,
and so small between the thin pines
on these enormous landscapes,
that if you turn your head
they are lost for hours.

 

 

 

 

I perceived the outline of your breasts

I perceived the outline of your breasts
through your Hallowe'en costume
I knew you were falling in love with me
because no other man could perceive
the advance of your bosom into his imagination
It was a rupture of your unusual modesty
for me and me alone
through which you impressed upon my shapeless hunger
the incomparable and final outline of your breasts
like two deep fossil shells
which remained all night long and probably forever

 

 

 

 

cohen
Leonard Cohen (Montréal, 21 september 1934)

 

 

 

 

 

 

De Duitse dichter Johann Peter Eckermann werd geboren op 21 september 1792 in Winsen (Luhe). Hij was bovenal de medewerker en vriend van Johann Wolfgang von Goethe. Zie ook mijn blog van 21 september 2007.

 

 

Tisch-Lied.
Zur Feier des 28. August 1826.
(Goethes Geburtstag.)

 

Wenn den Meister hoch zu feiern
Heute schon manch Lied erklang,
Und von vielgeübten Leyern
Tönte lieblicher Gesang;
Will auch ich mein Liedchen bringen,
Gleicher Kräfte mir bewusst;

Lebe hoch vor allen Dingen
Süßer Wonnemond August!

Dichter, die vor uns gekommen,
Nannten Wonnemond den Mai;
Bleib' es ihnen unbenommen,
Aber wir sind nicht dabei;
Denn wir wissen, was wir sagen,
Schön'rer Dinge uns bewusst:

Darum hoch vor allen Tagen,
Achtundzwanzigster August!

Ach, was wäre doch das Leben,
Säßen da wir ohne Wein!
Drum wer uns den Saft der Reben
Gibt, er soll gepriesen sein.
Und so lasset denn erschallen
Gläserklang zu heitrer Lust,
Und so lebe hoch vor allen

Süßer Traubenmond August!

Doch was hätten wir vom Weine,
Säßen da wir still und stumm!
Darum abermals das eine
Wend ich wiederum herum:
Und so sag' ich, dass die Lieder
Zu dem Wein die höchste Lust;
Und so sag' ich, lebe wieder
Achtundzwanzigster August!

 

Schöner Tag, der uns den Meister
Deutscher Lieder hold gesandt;
Der den edelsten der Geister
Deutschem Boden treu verband.
Du vor allen andern Festen
Jedes Guten höchste Lust!
Immer hoch von allen Besten
Achtundzwanzigster August!

 

 

 

 

 

eckermann
Johann Peter Eckermann (21 september 1792 - 3 december 1854)

 

 

 

 

 

De Britse schrijver Herbert George Wells werd geboren op 21 september 1866 in Bromley, Kent. Zie ook mijn blog van 21 september 2007.

 

Uit: God the Invisible King

 

God comes we know not whence, into the conflict of life. He works in men and through men. He is a spirit, a single spirit and a single person; he has begun and he will never end. He is the immortal part and leader of mankind. He has motives, he has characteristics, he has an aim. He is by our poor scales of measurement boundless love, boundless courage, boundless generosity. He is thought and a steadfast will. He is our friend and brother and the light of the world. That briefly is the belief of the modern mind with regard to God. There is no very novel idea about this God, unless it be the idea that he had a beginning. This is the God that men have sought and found in all ages, as God or as the Messiah or the Saviour. The finding of him is salvation from the purposelessness of life. The new religion has but disentangled the idea of him from the absolutes and infinities and mysteries of the Christian theologians; from mythological virgin births and the cosmogonies and intellectual pretentiousness of a vanished age.

 

Modern religion appeals to no revelation, no authoritative teaching, no mystery. The statement it makes is, it declares, a mere statement of what we may all perceive and experience. We all live in the storm of life, we all find our understandings limited by the Veiled Being; if we seek salvation and search within for God, presently we find him. All this is in the nature of things. If every one who perceives and states it were to be instantly killed and blotted out, presently other people would find their way to the same conclusions; and so on again and again. To this all true religion, casting aside its hulls of misconception, must ultimately come. To it indeed much religion is already coming. Christian thought struggles towards it, with the millstones of Syrian theology and an outrageous mythology of incarnation and resurrection about its neck. When at last our present bench of bishops join the early fathers of the church in heaven there will be, I fear, a note of reproach in their greeting of the ingenious person who saddled them with OMNIPOTENS. Still more disastrous for them has been the virgin birth, with the terrible fascination of its detail for unpoetic minds. How rich is the literature of authoritative Christianity with decisions upon the continuing virginity of Mary and the virginity of Joseph--ideas that first arose in Arabia as a Moslem gloss upon Christianity--and how little have these peepings and pryings to do with the needs of the heart and the finding of God!

 

Within the last few years there have been a score or so of such volumes as that recently compiled by Dr. Foakes Jackson, entitled "The Faith and the War," a volume in which the curious reader may contemplate deans and canons, divines and church dignitaries, men intelligent and enquiring and religiously disposed, all lying like overladen camels, panting under this load of obsolete theological responsibility, groaning great articles, outside the needle`s eye that leads to God.”

 

 

 

 

HG_WELLS
H. G. Wells (21 september 1866 - 13 augustus 1946)

Portret door Alan Phillips

 

 

 

 

 

 

De Amerikaanse schrijver Stephen Edwin King werd geboren in Portland, Maine, op 21 september 1947. King begon al vroeg met schrijven. Rond zijn 13e jaar vond hij een doos met oude boeken van zijn vader in het huis van zijn tante, meest horror en sciencefiction. Hij was direct verslingerd aan deze genres.Van 1966 tot 1970 studeerde King Engels aan de universiteit van Maine. Daar schreef hij een column in de schoolkrant getiteld King's Garbage Truck. Op de universiteit ontmoette hij ook Tabitha Spruce, met wie hij in 1971 trouwde. King werkte in allerlei baantjes om zijn studie te kunnen betalen.

Na zijn universitaire studies te hebben afgesloten met de titel Bachelor of Science in English en het certificaat om op middelbare scholen les te mogen geven, nam hij een baan als leraar Engels op een school in Hampden (Main). Gedurende deze tijd woonden hij en zijn gezin in een camper. Het was soms moeilijk de eindjes aan elkaar te knopen, en het geld dat verdiend werd met korte verhalen die gepubliceerd werden in tijdschriften voor mannen kwam zeer van pas. King kreeg ook een drankprobleem, iets waar hij meer dan 10 jaar mee heeft geworsteld.

Tijdens deze periode begon King met een aantal verhalen. Een daarvan ging over een jong meisje met bovennatuurlijke krachten. Omdat het verhaal hem frustreerde, gooide King het weg. Later kwam hij er achter dat Tabitha het verhaal had gevonden en uit de vuilnisbak had gehaald, ze haalde hem over om het af te maken onder de naam Carrie. Hij stuurde het verhaal naar een vriend bij een uitgeverij en vergat het toen min of meer. Enige tijd later ontving hij een aanbod met een voorschot van $2500,00, wat zelfs in die tijd niet een bijzonder hoog bedrag was. Jaren later werden de paperback rechten verkocht voor $400.000,00.

 

Uit: Bag of Bones

 

On a very hot day in August of 1994, my wife told me she was going down to the Derry Rite Aid to pick up a refill on her sinus medicine prescription -- this is stuff you can buy over the counter these days, I believe. I'd finished my writing for the day and offered to pick it up for her. She said thanks, but she wanted to get a piece of fish at the supermarket next door anyway; two birds with one stone and all of that. She blew a kiss at me off the palm of her hand and went out. The next time I saw her, she was on TV. That's how you identify the dead here in Derry -- no walking down a subterranean corridor with green tiles on the walls and long fluorescent bars overhead, no naked body rolling out of a chilly drawer on casters; you just go into an office marked PRIVATE and look at a TV screen and say yep or nope.

The Rite Aid and the Shopwell are less than a mile from our house, in a little neighborhood strip mall which also supports a video store, a used-book store named Spread It Around (they do a very brisk business in my old paperbacks), a Radio Shack, and a Fast Foto. It's on Up-Mile Hill, at the intersection of Witcham and Jackson.

 

 

She parked in front of Blockbuster Video, went into the drugstore, and did business with Mr. Joe Wyzer, who was the druggist in those days; he has since moved on to the Rite Aid in Bangor. At the checkout she picked up one of those little chocolates with marshmallow inside, this one in the shape of a mouse. I found it later, in her purse. I unwrapped it and ate it myself, sitting at the kitchen table with the contents of her red handbag spread out in front of me, and it was like taking Communion. When it was gone except for the taste of chocolate on my tongue and in my throat, I burst into tears. I sat there in the litter of her Kleenex and makeup and keys and half-finished rolls of Certs and cried with my hands over my eyes, the way a kid cries.”

 

 

 

king
Stephen King (Portland, 21 september 1947)

 

 

 

 

 

 

 

De Franse schrijver Frédéric Beigbeder werd geboren op 21 september 1965 in Neuilly-sur-Seine. Hij studeerde politieke wetenschappen en werkte tien jaar lang als tekstschrijver in een reclamebureau. Tegenwoordig woont en werkt hij als zelfstandig schrijver in Parijs. Met de publicatie van zijn roman 99 francs werd hij buiten de grenzen van Frankrijk bekend.

 

Uit: Au secours pardon

 

C’est l’année de mes quarante ans que je suis devenu complètement fou. Auparavant, comme tout le monde, je faisais semblant d’être normal. La vraie folie surgit quand cesse la comédie sociale. C’était après mon deuxième divorce. Il me restait un peu d’argent ; j’avais quitté mon pays. J’avais aimé, j’aimerais encore, mais j’espérais pouvoir me passer de l’amour, ce « sentiment ridicule accompagné de mouvements malpropres », comme dit Théophile Gautier. D’ailleurs j’avais arrêté toutes les drogues dures, je ne vois pas pourquoi l’amour aurait bénéficié d’une exception. Pour la première fois depuis ma naissance, je vivais seul, et j’entendais en profiter un instant. Je ressemblais peut-être à mon époque dénuée de structure. Je reconnais qu’il est fastidieux de vivre sans colonne vertébrale. J’ignore comment se débrouillent les autres invertébrés. J’avais grandi dans une famille décomposée, avant de décomposer la mienne. Je n’avais ni patrie, ni racines, ni attaches d’aucune sorte, à part une enfance oubliée, dont les photos sonnaient faux, et un ordinateur portable à connexion wifi qui me donnait l’illusion d’être relié au reste de l’univers. Je prenais l’amnésie pour le sommet de la liberté ; c’est une maladie assez répandue de nos jours.

Je voyageais sans bagages et louais des appartements meublés. Vous trouvez sinistre de vivre dans des meubles que l’on n’a pas choisis ? Je ne suis pas d’accord. Ce qui est glauque, c’est de passer des heures dans des magasins à hésiter entre différentes sortes de chaises. Je ne m’intéressais pas aux voitures non plus. Les hommes qui comparent leurs cylindrées me font pitié ; le temps qu’ils perdent à énumérer des marques est effrayant. Je lisais des livres de poche en soulignant certaines phrases au stylo à bille, avant de jeter les deux à la poubelle (le livre avec le stylo). J’essayais de ne rien conserver ailleurs que dans ma tête ; j’avais l’impression que les choses m’encombraient, mais je crois que les pensées aussi, qui prennent encore plus de place. Dans un garde-meuble de la banlieue parisienne, mes vieux postes de télévision étaient empilés dans des cartons, au fond d’un hangar en tôle ondulée. Sur mon agenda, je raturais les jours passés, comme un prisonnier grave les murs de sa cellule. Ne lisant plus les journaux français, j’apprenais les nouvelles avec des semaines de retard : « Ah bon ? Eddy Barclay est mort ? » Je passais des semaines sans sortir, seulement connecté au monde par des sites de pharmacie ou de spanking sur internet. Je n’ai rien mangé en 2005.

 

 

beigbeder-galeries-lafayettes
Frédéric Beigbeder (Neuilly-sur-Seine, 21 september 1965)

 

 

20-09-08

Cyriel Buysse, Javier Marías, Upton Sinclair, Adolf Endler, Hanns Cibulka


De Vlaamse schrijver Cyriel Buysse werd geboren op 20 september 1859 in Nevele. Zie ook mijn blog van 20 september 2007. Zie ook mijn blog van 20 september 2007.

 

Uit: Tantes

 

Het feestmaal liep naar zijn einde... Enkele heeren hadden alvast een sigaret opgestoken en de blauwe rook krinkelde licht langs de verhitte gezichten heen en bleef hier en daar hangen, als een doorschijnende sluier, om het kapsel van de dames.

Het wazig-grijze licht van den Novemberdag stierf langzaam weg en de verste hoeken van de ruime eetkamer werden schemerig. De silhouetten van de jonggehuwden, die naast elkander met den rug naar een der ramen zaten, begonnen zich donker tegen 't lichtvak te omlijnen.

Het nagerecht was gebruikt en de glazen bleven halfvol staan en werden niet meer bijgevuld noch leeggedronken. Eenieder werd moe en was verzadigd. Op sommige plaatsen klonk het gesprek nog levendig en opgewonden, maar de meesten zaten strak en stil, wachtend naar wie 't sein zou geven om de benauwde kamer te verlaten.

Marie stond langzaam op en Max volgde meteen haar voorbeeld. Er viel een plotse stilte om de lange tafels. Zij schoven zacht achter de stoelen naar de plaats waar meneer Dufour zat en bogen naar hem toe.

- Papa, 't wordt onze tijd, fluisterde Max.Meneer Dufour, in druk gesprek nog met zijn buurvrouw, keek in verrassing op.

- Nu al!

- Jawel, Papa, het is vier uur en 't rijtuig staat voor, zei op haar beurt Marie.

Meneer Dufour rees op; en zijn beweging was een sein tot allen om ook op te staan: in een gewemel van neergelegde servietten en achteruitgeschoven stoelen waren zij klaar om van het bruidspaar afscheid te nemen.

- Allons, bon voyage! zei meneer Dufour, en zijn stem, die als altijd barsch klonk, verried toch eenige emotie.

Hij strekte zijn armen uit en omhelsde eerst zijn zoon en daarna zijn schoondochter. Zijn oogen stonden waterig, zijn onderlip stak stug zijn bovenlip met stekelige snor op. Hij herinnerde zich niet in jaren een van zijn kinderen omhelsd te hebben.

- Bon voyage!... et heureux retour! herhaalde hij met een korten hik in de stem. Zijn handen beefden lichtelijk.

- Gaat u nu gerust weer zitten, Papa; blijf bij uw gasten, drong Max bezadigd aan.

Meneer Dufour, zijn emotie bedwingend, gehoorzaamde machinaal.

Zacht schoven de jonggehuwden verder, achter de lange rij stoelen. Max glimlachte. Zijn gelukstralende, zegevierende oogen blonken in zijn regelmatig gezicht met donkeren, vollen baard.”

 

 

 

 

buysse
Cyriel Buysse (20 september 1859 -  25 juli 1932)

 

 

 

 

De Spaanse schrijver Javier Marías Franco werd op 20 september 1951 in Madrid geboren. Zie ook mijn blog van 20 september 2007.

 

Uit: Dein Gesicht morgen  (Vertaald door Elke Wehr))

 

"Sagen Sie mir Ihre Meinung." Und er machte eine Kopfbewegung zur zweiflügeligen Tür hin. "Was Sie gefolgert haben." Und da ich zögerte (ich war nicht sicher, was er meinte, er hatte mich nach den Chilenen und Mexikanern nichts gefragt), fügte er hinzu: "Sagen Sie irgend etwas, was Ihnen einfällt, reden Sie." Im allgemeinen ertrug er das Schweigen sehr gut, es sei denn, es entzog sich seinem Willen und seiner Entscheidung; dann schienen seine ständige Heftigkeit oder seine Anspannung von ihm zu fordern, die ganze Zeit mit greifbaren, erkennbaren oder berechenbaren Inhalten zu füllen. Es war anders, wenn das Schweigen von ihm ausging.

"Na ja", antwortete ich, "ich weiß nicht, was genau dieser venezolanische Herr von Ihnen will. Unterstützung und Finanzierung, nehme ich an. Ich vermute, daß ein Putsch gegen den Präsidenten Hugo Chávez in Vorbereitung ist oder erwogen wird, das habe ich mehr oder weniger mitbekommen. Dieser Herr trug Zivilkleidung, aber nach seinem Äußeren und nach dem, was er sagte, könnte er Militär sein. Beziehungsweise, ich denke, daß er sich Ihnen als Militär vorgestellt hat."

"Was noch. Das hätte an Ihrer Stelle, in Ihrer Funktion auch jeder andere gefolgert, Mr. Deza."

"Was noch von was, Mr. Tupra?"

"Was bringt Sie auf den Gedanken, daß er Militär war? Haben Sie schon einmal einen venezolanischen Militär gesehen?"

"Nein. Na ja, im Fernsehen, wie jeder. Chávez selbst ist Militär, er läßt sich Comandante nennen, nicht? Oder Leutnant, ich weiß nicht, Oberster Fallschirmjäger vielleicht. Aber ich bin natürlich nicht sicher, daß dieser Herr es war, Militär. Ich meine, daß er sich Ihnen wahrscheinlich als solcher vorgestellt hat. Das denke ich."

"Später kommen wir darauf zurück. Was für einen Eindruck macht das Komplott auf Sie, die Drohung mit einem Putsch gegen einen vom Volk und außerdem durch Akklamation gewählten Regierungschef?"

"Einen sehr schlechten, den schlimmsten. Bedenken Sie, daß mein Land vierzig Jahre lang wegen eines solchen Putsches gelitten hat. Drei Jahre vielleicht romantischen Krieges (mit englischen Augen gesehen), aber danach siebenunddreißig in Erniedrigung und Unterdrückung. Doch einmal abgesehen von der Theorie, das heißt von den Prinzipien, würde es mir in diesem konkreten Fall eher keine Sorgen machen. Chávez hat seinerzeit einen Putschversuch unternommen, wenn ich mich recht erinnere. Er hat konspiriert und sich mit seinen Einheiten gegen eine gewählte Regierung erhoben, noch dazu eine zivile. Auch wenn sie korrupt und räuberisch war, welche ist es nicht heutzutage, alle gehen sie mit zuviel Geld um, sie sind wie Unternehmen, und die Unternehmer wollen Gewinne. Deshalb dürfte er sich nicht beklagen, wenn sie ihn absetzen. Etwas anderes sind die Venezolaner. Sie dürfen es wohl. Und es scheint, daß sich schon ziemlich viele über den beklagen, den sie durch Akklamation gewählt haben. Gewählt zu werden macht nicht immun dagegen, auch ein Diktator zu sein."

 

 

 

escritor_Javier_Marias
Javier Marías (Madrid, 20 september 1951)

 

 

 

 

 

 

De Amerikaanse schrijver Upton Beall Sinclair werd geboren op 20 september 1878. Zie voor onderstaande schrijver mijn blog van 20 september 2006.

 Uit: THE GOOSE-STEP

 Once upon a time there was a little boy; a little boy unusually eager, and curious about the world he lived in. He was a nuisance to old gentlemen who wanted to read their newspaper; but young men liked to carry him on their shoulders and maul him about in romps, old ladies liked to make ginger cakes for him, and other boys liked to play "shinny" with him, and race on roller skates, and "hook" potatoes from the corner grocery and roast them in forbidden fires on vacant lots. The little boy lived in a crowded part of the city of New York, in what is called a
"flat"; that is, a group of little boxes, enclosed in a large box called a "flat-house." Every morning this little boy's mother saw to his scrubbing, with special attention to his ears, both inside and back, and put a clean white collar on him, and packed his lunch-box with two sandwiches and
a piece of cake and an apple, and started him off to school.

The school was a vast building--or so it seemed to the little boy. It had stone staircases with iron railings, and big rooms with rows of little desks, blackboards, maps of strange countries, and pictures of George Washington and Abraham Lincoln and Aurora driving her chariot. Every­
where you went in this school you formed in line and marched; you talked in chorus, everybody saying the same thing as nearly at the same instant as could be contrived.
The little boy found that a delightful arrangement, for he liked other boys, and the more of them there were, the better. He kept step happily, and sat with glee in the assembly room, and clapped when the
others clapped, and laughed when they laughed, and joined with them in
shouting:

 

Oh, Columbia, the Gem of the Ocean,
The--ee home of the Bra--ave and the Free--ee!

 

The rest of the day the little boy sat in a crowded class­ room, learning things. The first thing he learned was that you must be quiet--otherwise the teacher, passing down the aisle, would crack your knuckles with a ruler. Another thing was that you must raise your hand if you wanted to
speak. Maybe these things were necessary, but the little boy did not learn why they were necessary; in school all you learned was that things were so. For example, if you wanted to divide one fraction by another, you turned the second fraction upside down; it seemed an odd procedure,
but if you asked the reason for it, the teacher would be apt to answer in a way that caused the other little boys to laugh at you--something which is very painful.”

 

Sinclair
Upton Sinclair (20 september 1878 – 25 november 1968)

 

 

De Duitse dichter, schrijver en essayist Adolf Endler werd geboren op 20 september 1930 in Düsseldorf. Na een afgebroken opleiding tot boekhandelaar werkte Endler als transportarbeider en kraandrijver. Toen hij wegens zijn activiteiten in de vredesbeweging aangeklaagd werd voor het in gevaar brengen van de staat ging hij in 1955 de DDR wonen. Hij studeerde twee jaar aan het Literaturinstitut Johannes R. Becher in Leipzig. Sindsdien is hij zelfstandig schrijver. Hij geldt als vertegenwoordiger van de Sächsische Dichterschule. Na protesten tegen de „Ausbürgerung““  van Wolf Biermann in 1976 en een veroordeling van Stefan Heym wegens valutafraude in 1979 werd hij geroyeerd uit het verbond van DDR schrijvers. Sinds 2005 is Endler lid van de Deutschee Akademie für Sprache und Dichtung in Darmstadt.

 Uit: EIN KOFFER DES UNFLATS

 ... um diesen graublauen Koffer hatte selbst Bubi Blazezak bei der Vorführung seiner Sammlungen stets einen großen Bogen geschlagen; aber eines trüben Novembertags wurde er aufgrund meiner immer dringlicheren Blicke natürlich doch ausgepackt: Dutzende verrücktester Gartenzwerge und ungewöhnlichster Godmichés, durcheinandergewirbelt, wie zu gemeinsamer Höllenfahrt vereint - abwärts, abwärts! Abwärts...? - »Und montags Wiebke Mewissen«, nickte Bubi Blazezak erklärend; und er nickte es so betont und bedeutungsschwanger, als trüge er den wenig Gutes versprechenden Titel eines kleinen neu-sachlichen Roman- oder Filmwerks vor: »UND MONTAGS WIEBKE MEWISSEN!« Der Verfasser mußte, nachdem er über den Fall zureichend unterrichtet war, hoffnungslos und stirnrunzelnd Bubi Blazezak beistimmen: Und montags Wiebke Mewissen... Doris Hampel wohl kaum! Übrigens eine in ethischer und moralischer Hinsicht vielleicht doch um einige Grade anspruchsvollere Aufgabe, als es den Leser zunächst bedünken mag. Bubi Blazezak: »Ein unerläßlicher Freundschaftsdienst für den vor einigen Jahren tiefgreifend verunglückten Arthur Mewissen, Du hast den Namen sicher schon ´mal gehört: Arthur ist ja monatelang Gesprächsstoff gewesen im Kiez!, Arthur der Mann, der beim Straßenbahnleitungsreparieren von der Auszieh-Leiter gesegelt ist, Arthur, der Unglücksrabe, von einer unvorschriftsgemäß verbogenen Sprosse um sein... naja, seines 'Allermännlichsten' beraubt; die Linie Siebzig übrigens, wo das passiert ist, kurz vor der Danziger! Ich will nicht prahlen, Ede, aber ich bin schon seit achtundvierzig / neunundvierzig sein engstes Freundschaftsverhältnis...« - Und so ist es schicksalsbedingt und unausbleiblich, daß Bubi Blazezak eines heiteren Abends unter fadenscheinigem Vorwand - »Willst du nicht 'mal unser neues Tapetenmuster bewundern?« - vom dienernden Arthur ins giftig girrende Schlafkabuff der Mewissens geschoben wird, wo die liebeshungrige Wiebke - Feministinnen, bitte, weggucken, weggucken, weggucken! - mit gleichermaßen schadenfroh (?) wie schamlos entblößtem und vesuvartig bebenden (in Schaltjahren feurig-speienden) Venusberg schon seit Monden einer empfindlichen Verletzung ihrer Intimsphäre harrt; da von einem Moment zum andern der als führender Nymphologe bekannte CASANOVA VON MITTE vor ihrem Luder-Lager erscheint, sind es ätzende Rauchwölkchen, schräge Rattenpfiffe sogar, welche Schwall um Schwall den schrundigen Klüften der Venusberg-Landschaften Wiebkes entweichen; umgekehrt fallen von der Zimmerdecke mehrere tote Fliegen herab... Kann man sich ernstlich einen Menschen denken, der in dieser prekären Situation anders gehandelt hätte als Bubi Blazezak? Eigentlich braucht es garnicht gesagt zu werden, sei aber der Vollständigkeit halber trotzdem gesagt, daß Bubi - »um diese an und für sich harmonische Ehe zu retten« - keine Sekunde gezögert hat, für seinen von jäher und gänzlich unverschuldeter Impotenz geschlagenen Kameraden und Kegel-Bruder hilfsbereit einzuspringen. (Sicher kam unserem Helden bei seiner Entscheidung die katholische Grundausbildung in puncto »Nächstenliebe« zustatten, wie sie in Preußen der größere Teil der Bevölkerung leider missen muß; nach Bubi Blazezaks Darstellung scheint es sich fast ausschließlich um »Akte der Nächstenliebe« gehandelt zu haben, die ihm in Münster den Ruf eines Don Juan, in Berlin den eines Casanova eingebracht haben.) - »Aber allzu viel ist ungesund«, um eine der rätselhaften Lebensmaximen Bubi Blazezaks mitzuteilen, und nach einer Weile muß Bubi Blazezak erschüttert feststellen, daß der Wiebke-Montag für ihn zu einer puren Routine-Angelegenheit geworden ist, seiner Lebenslust eher abträglich; für Arthur Mewissen hatten die Stunden am Montag indessen im Laufe der Jahre an Bedeutung nur noch gewonnen - unverzichtbares Lebenselixier, dem allsonntäglichen Gang zur Heiligen Messe und der regelmäßigen Kommunion vergleichbare Seelen-Speisung.:...“

 

 

 

 

Endler
Adolf Endler (
Düsseldorf, 20 september 1930)

 

 

 

 

De Duitse dichter en schrijver Hanns Cibulka werd geboren op 20 september 1920 in Jägerndorf, in het toenmalige Tsjechoslowakije. Hij schreef voornamelijk gedichen en dagboeken. Het verlies van zijn thuisland, Sudetenland, zijn oorlogservaringen en zijn indrukken van Italie verwerkte hij in zijn werk. In „Swantow" (1982) oefende openlijk kritiek uit op het milieubeleid van de DDR, raakte daardoor in ongenade bij de regering, maar zocht en vond  wel bij de kerkelijke gemeenschap een machtig forum. Het verhaal „Swantow" werd bijna een geheim manifest van de DDR milieubeweging. Vanaf 1989 kom hij weer opnenlijker stelling nemen ten aanzien van de politieke en maatschappelijke ontwikkelingen in Europa.

 

 

Lagebericht II.

 

Wir, die Unzufriedenen,

die im Überfluß leben,

wir,

die auf Wert und Gegenwert aus sind,

wir,

die alles besitzen,

von dem unsere Väter nur geträumt,

plötzlich stehen wir da

mit zuwenig Dasein

in der Hand.

 

Noch leben wir, verwischen die Grenzen,

geben Beifall der Zeit,

die hinter unserem Rücken laufend tötet.

 

Öllaken treiben auf uns zu,

leere Stellen im Gespräch,

an den Herzrändern

Schweigen.

 

 

 

 

Uit: Sizilianisches Tagebuch

 

„Unter dem grellen Licht der Mittagssonne wanderte ich hinab in das Dorf. Die Dorfhunde, denen der Geruch des Fremden in die Nase stieg, reckten ihre Hälse, rissen an den Ketten und setzten zum Sprung an. So schlenderte ich, verfolgt von ihrem heiseren Bellen, durch die leeren, staubigen Gassen, in denen die Mittagsglut am Boden zitterte.

Hoch in den Bergen steht ein altes griechisches Theater. Die Jahrhunderte haben den Steinen eine goldbraune Färbung gegeben. Das blaugetäfelte Meer schimmert durch die Zwischenräume der Säulen. Wilder Fenchel öffnet am Fuße der Kapitelle seine schwefelgelben Blüten. Die schwarzen Lavazungen des Ätna stoßen drohend hinab bis zum Meer.

Plötzlich tönt durch die heiße Stille das Zirpen einer Grille und legt sich mir wie eine fremde Traurigkeit aufs Herz.

Heute sind diese Berge von einer unbeschreiblichen Schönheit. Mit gläserner Schärfe heben sich ihre Konturen gegen den Himmel ab. Wunderbar ist der Kontrast der Farben. Am Fuße der Berge das kräftige Grün der Orangenwälder, dann das Silbergrau der Olivenhaine, der dunkle Waldgürtel der Kastanien und schließlich die nackten Hänge, die in den Himmel steigen und der abendlichen Luft die zartbraune Tönung geben. Über allem aber steht der Ätna.

Am Abend versinken die Berghänge im tiefen Dunkelblau. Wie ein Klumpen Lehm steigt der Mond am Horizont empor, wirft sein Licht auf die abgeernteten Felder. Drohend steht im Hintergrund das Gebirge. Nur der Gipfel des Ätna ist durch die Brechung des Lichtes mit Silber überhaucht.“

 

 

cibulka4-150
Hanns Cibulka (20 september 1920 - 20 juni 2004)

 

 

19-09-08

William Golding, Ingrid Jonker, Orlando Emanuels, Crauss, Stefanie Zweig


De Engelse schrijver Sir William Gerald Golding werd geboren in St. Columb Minor, Newquay, Cornwall, op 19 september 1911. Zie ook mijn blog van 19 september 2007.

 

Uit: Lord of the flies

 

“Beyond the platform there was more enchantment. Some act of God—a typhoon perhaps, or the storm that had accompanied his own arrival—had banked sand inside the lagoon so that there was a long, deep pool in the beach with a high ledge of pink granite at the further end. Ralph had been deceived before now by the specious appearance of depth in a beach pool and he approached this one preparing to be disappointed. But the island ran true to form and the incredible pool, which clearly was only invaded by the sea at high tide, was so deep at one end as to be dark green. Ralph inspected the whole thirty yards carefully and then plunged in. The water was warmer than his blood and he might have been swimming in a huge bath.

Piggy appeared again, sat on the rocky ledge, and watched Ralph's green and white body enviously.

"You can't half swim."

"Piggy."

Piggy took off his shoes and socks, ranged them carefully on the ledge, and tested the water with one toe.

"It's hot!"

"What did you expect?"

"I didn't expect nothing. My auntie—"

"Sucks to your auntie!"

Ralph did a surface dive and swam under water with his eyes open; the sandy edge of the pool loomed up like a hillside. He turned over, holding his nose, and a golden light danced and shattered just over his face. Piggy was looking determined and began to take off his shorts. Presently he was palely and fatly naked. He tiptoed down the sandy side of the pool, and sat there up to his neck in water smiling proudly at Ralph.”

 

 

 

 

golding
William Golding (19 september 1911 – 19 juni 1993)

 

 

 

 

 

De Zuidafrikaanse dichteres en schrijfster Ingrid Jonker werd geboren op 19 september 1933 bij Komberley (Noord Kaap). Zie ook mijn blog van 19 september 2006.

 

 

Ladybird 

     Okergloed 
     en een licht breekt 
     uit de zee. 

          Op het achtererf 
          ergens tussen het wasgoed 
          en een boom vol granaatappels 
          jouw lach en de ochtend 
          schielijk en klein 
          als een lieveheersbeestje 
          dat valt op mijn hand 

 

 

 

 

Ontvluchting 

 

Hier, aan dit Valkenburg, ben ik ontvlucht 
en droom mij nu in Gordonsbaai terug: 

 

Ik speel met kikkervisjes in een stroom 
en kerf runen in een wilgenboom 

 

Ik ben de hond die langs de stranden draaft 
en dom-alleen de avondwind toeblaft 

 

Ik ben de schrokop-zeevogel die daalt 
en dode nachten opdist als een maal 

 

De god die jou gebouwd heeft uit de wind 
zodat mijn smart volmaaktheid in je vindt: 

 

Mijn lijk ligt uitgespoeld in wier en gras 
op al de plekken waar ik met je was.

 

 

 

 

 

Vertaald door Gerrit Komrij 

 

 

 

 

Ingrid_Jonker_
Ingrid Jonker (19 september 1933 – 19 juli 1965)

 

 

 

 

 

 

De Surinaamse dichter Orlando Emanuels werd geboren in Paramaribo op 19 september 1927. Hij schreef jarenlang onder het pseudoniem Orlando, hoewel hij voor zijn vroegste publicaties ook het pseudoniem Cyrano heeft gebruikt. Orlando Emanuels werkte als voorlichter van De Surinaamsche Bank. Hij debuteerde in het tijdschrift Soela onder de schuilnaam Cyrano. Zijn eerste bundel verscheen in 1969 met nogal zwaar getoonzette kritisch-nationalistische poëzie, Onze misdaad van zwijgen. Hij bleef gedichten en proza publiceren in verspreide uitgaven. Beter dan in zijn eerste bundel is de balans in Getuige à decharge (1987), de eerste dichtbundel die ooit bij een Surinaamse uitgeverij verscheen (De Volksboekwinkel). Zijn poëzie is afwisselend Iyrisch-melancholisch en hard politiek-kritisch. Getuige à decharge vormde een doorbraak in het stilzwijgen van dichters in de eraan voorafgaande jaren.

Emanuels schreef voorts veel cabaretteksten en teksten voor kinderen, zoals de bundels versjes Popki patu 1 en 2 [Poppenkeuken] (1980). Hij schreef verder onder meer het verhaal 'De bloemen zijn gek' in Nieuwe Surinaamse verhalen (1986), later opgenomen in Verhalen van Surinaamse schrijvers (1989) en ook gebracht als toneelmonoloog. Zijn verhalen werden gebundeld in Verhalen voor de grotere jeugd en anderen (1993) en De spookavond van vrouw Anna (2001). Zie ook mijn blog van 19 september 2006.

 

Uit: De Bloemen zijn gek

 

Terwijl de dag nog slaapdronken is, hobbelt de marktbus over de zandweg naar de stad. Het dak hoog opgeladen met manden groenten en vruchten, tomaten en kippen. Elke dag opnieuw proberen de vroegversleten landbouwers nog wat te slapen tijdens de rit. Natuurlijk tevergeefs. De kinderen hangen uit de ramen. Laten de koude ochtendwind over hun kokosoliehoofden blazen. Kijken uit naar Willem, de man met de bloemen. Als ze hem eindelijk ontdekken en de bus langs hem suist, begint de jongen uit het tweede raampje luidkeels te roepen: ‘Willem, law Willemmm.’ De andere kinderen echoën gierend: ‘Law Willem, Willemmm.’ Niemand die er aanstoot aan neemt. Niemand die het ze verbiedt.

Want Willem is gek. Hij praat met zijn bloemen...

 

De chauffeur speelt elke dag het spelletje mee, manoeuvreert de bus dan gevaarlijk dicht langs Willem, toetert luid, grijpt alles aan om zijn sleurbestaan van zich af te schudden.

En altijd weer schrikt Willem, schreeuwt de dolle buskolonie zijn ergste scheldwoorden na: ‘Hondevangers, blikkewassers, rioolratten, analfabeten.’ Maar tegen de tijd dat hij bij ‘rioolratten’ is, verdwijnt de bus al in een stofwolk uit het gezicht. Zijn scheldpagara is dan nog slechts een voetzoeker. Zijn woede haast afgekoeld.

 

Uit de grote kippemand achter op zijn gammele fiets, steken ontelbare bloemen in het heerlijkste kleurencarnaval.

Willem is tuinier.

Willem is bloemenverkoper.

En Willem is gek. Hij praat met zijn bloemen...

 

 

 

 

Orlando
Orlando Emanuels (Paramaribo, 19 september 1927)

 

 

 

 

 

De Duitse dichter en schrijver Crauss werd geboren in Siegen op 19 september 1971. Als schrijver „zonder voornaam“ kreeg Crauss, die aan de universiteit van Siegen literatuurwetenschap studeerde, midden jaren negentig grotere bekendheid. In 2001 veerscheen zijn dichtbundel Crausstrophobie, waarin hij thema’s en tradities uit de popcultuur en de popliteratuur verwerkt. Net zo experimenteel als deze eerste bundel was ook zijn tweede, in 2004 verschenen, bundel Alles über Ruth met gedichten over het thema liefde. Behalve gedichten publiceert Crauss ook literair  -kritische teksten en is hij redacteur van het literatuurwetenschappelijke tijdschrift Kritische Ausgabe. Hij is lid van het literatuurprojekt Forum der 13, van de kunstenaarsgroep Musenflucht en hij is docent creatief schrijven aan de universiteit van Siegen.

 

 

strömungen

 

die letzten funksprüche waren ein wimmern
die musik war ein lowpass von meldung
und störungen der tag war ein zunehmender
wind eine grobe see aber du hast jetzt
was du dir wünschtest: ein dasein
aus erster hand. über schneewehen
ins land gleitest du lautlos man wird sich
sehr sorgen nur einer wird wissen
du steuerst ihn an ein häuschchen im osten
du drehst am kontrollrad
und schwenkst leicht nach links. die luft
ist edelsteinklar und unten beginnt es zu dämmern
noch denkst du ein lied noch denkst du die eltern
und strömungen wiegen dich sanft du gleitest
ins land. nur einer wird wissen
was von der küste aus niemand erahnt
einmal noch siehst du zwischen dem wehen
eine hand die dir winkt einen mann einen unterstand
glitzerndes rufen
bevor die maschine sinkt
bevor die instrumente fünfhundert fuss
bevor die geschwindigkeit vierhundert
die höhenruder gefrieren
der schnee ––

 

 

 

 

russischer zopf/ und dann im november

 

jemand schaut skeptisch auf deinen
kakau und geht pissen. ganz gelbe gestalten strömen
die stube vom trottoir her, der hüftknochige bube
kann kaum halten, was die schlingernden jeans dir
versprechen. zwei zimtwangen scheinens zu wissen,
an der wand strahlt egoïste in riesigen minuskeln,
blau, breit. betrunken sucht jemand nach platz. dann
maszloser regen. die sredzki, versunken, im arm einer
golden rushhour.

jemand nimmt sich was raus, rennt auf und davon
zur husemannstrasse, die russischen locken schon
nass. dann eine pause im müden geplätscher, die
stimmung ganz weich, die blase bloss voll. die eben noch
lachten, bestellen schnell neu. der durstige speit, dann
wird was frei (dein kakau beinah kalt). ein pärchen hält ein:
im fenster spiegelt der bratapfelrote schankstubensohn.
die abrechnung im stehn, das fazit beim heimweg –– es ist
überall schön, nur hier ist es gleich.

 

 

 

 

Crauss
Crauss (Siegen, 19 september 1971)

 

 

 

 

 

 

De Duitse schrijfster Stefanie Zweig werd geboren in Leobschütz, Oberschlesien, op 19 september 1938. Haar familie vluchtte voor de nationaalsocialisten naar Afrika waar zij haar jeugd doorbracht. In 1947 keerde zij terug naar Duitsland. Later leidde Zweig dertig jaar lang het feuilleton van een Frankfurtse krant. Omdat zij het land uit haar jeugd miste begon zij autobiografische romans te schrijven en ontwikkelde zij zich tot een schrijfster van bestsellers. Haar eerste boek Ein Mund voll Erde verscheen in 1980.

 

Uit: Owuors Heimkehr

 

Nachmittag am Baringosee

Ale Kenner des Landes waren sich über das Tempo von geschäftlichen Verhandlungen in Kenia einig gewesen. Ausnahmslos hatten sie Georg Stern geraten, für seinen Auftrag das Doppelte der in Deutschland dafür erforder­lichen Zeit anzusetzen. Die Mahnungen fielen auf einen Boden, der nicht fruchtbarer hätte sein können, denn Georg war nicht nur Pessimist, sondern auch Pedant und darauf versessen, seinen Vorgesetzten zu imponieren. Ein halbes Jahr zuvor war sein Vorgänger in derselben Angelegenheit ohne befriedigende Ergebnisse nach Frankfurt zurückge­kehrt, vor drei Wochen Meyer-Palmin aus der Kreditabtei­lung, der als ein begnadeter Afrika-Fachmann und benei­denswerter Diplomat galt. Mit Meyer-Palmins Gesicht vor Augen und seinem Bericht im Ohr hatte Georg die Sekre­tärin eine ganze Woche Nairobi buchen lassen. Sein Vorrat an Kopfschmerztabletten und Hemden deutete allerdings darauf hin, dass er sich mental auf eine noch längere Ver­weildauer eingerichtet hatte. Die Unterredung mit dem Direktor der Commercial Bank of Africa, in Frankfurt sogar vom Vorstandsvorsitzenden als diffizil klassifiziert und als eine Angelegenheit deklariert, deren Erledigung leider noch weitaus mehr Takt und Geduld als Zeit erfor­dern würde, hatte dann doch keine drei Stunden gedauert. Nicht eingerechnet in die Dauer der Verhandlungen waren eine längere Teepause mit Nürnberger Lebkuchen und eine noch länger andauernde Jagd auf einen Gecko, der sich im Papierkorb verirrt hatte und um dessen Leben der Besucher aus Deutschland zum Erstaunen des Hausherrn so besorgt gewesen war, dass nach der endlich erfolgten Festnahme des Eindringlings seitens des Bankdirektors seine Überführung in die Freiheit durch einen verblüfften Schalterangestellten organisiert werden musste.“

 

 

 

 

Zweig
Stefanie Zweig (Leobschütz, 19 september 1932)

 

 

 

18-09-08

Ton Anbeek, Michaël Zeeman, Samuel Johnson, Omer Karel De Laey, Jan Mens, Armando


De Nederlandse schrijver en letterkundige Ton Anbeek werd geboren in Ede op 18 september 1944. Hij promoveerde in januari 1978 bij Sötemann in Utrecht, was daar ook korte tijd werkzaam, doceerde een jaar in de Verenigde Staten en aanvaardde vervolgens het ambt van hoogleraar aan de Universiteit Leiden in 1982 met de oratie In puinhopen voel ik mij prettig, ergens anders hoor ik niet thuis. Hij was hoogleraar in de Nederlandse letterkunde van de Romantiek tot nu. Anbeek ging in september 2005 vervroegd met emeritaat. Op 27 september 2005 hield hij zijn afscheidscollege over ‘De jaren Zestig en de literatuur of: Is cultuurgeschiedenis mogelijk?’. In het academisch jaar 2005-2006 heeft hij aan de universiteit van Padua (Italië) Nederlandse en Vlaamse letterkunde gedoceerd.

 

Uit: Doodknuffelen

 

“Op twee punten verschilt Bouazza van Sahar: zijn verhalen spelen bijna allemaal in Marokko en zijn taal is niet flitsend als rap, maar hoogst literair. Bij Sahar komt men een enkele keer een woordspeling tegen. Zo heet een hoofdstuk ‘Het vegende lijf’: een variant op ‘het vege lijf’ dat de hoofdpersoon in de vijandige wereld moet redden, maar tegelijkertijd is ‘vegen’ hier een platte uitdrukking voor copuleren (vergelijk het Italiaans ‘scopare’). Zo'n taalspel blijft bij Sahal uitzondering; bij Bouazza is het regel.

De tweede zin van het openingsverhaal in De voeten van Abdullah luidt:

‘De stilte ging ongemakkelijk verzitten als een schroomvallige vrouw in mannelijk gezelschap.’ Deze formulering is gelukkig, niet alleen omdat zij een duidelijk beeld oproept, maar vooral ook omdat zij indirect verwijst naar een samenleving waar vrouwen schroomvallig bij mannen gaan zitten: het dorp dat Bouazza in zijn verhalen evoceert.

Elke nostalgie ontbreekt in deze beschrijvingen. In feite is het leven op het platteland dat Bouazza oproept even rauw als de asfaltjungle waarin Sahars held ronddoolt. In het Marokkaanse dorp waar de verhalen uit De voeten van Abdullah zich afspelen, overheersen seksueel geweld en godsdienst. Die twee lijken elkaar uit te sluiten waar bijvoorbeeld een fanatieke imam (Bouazza schrijft in tegenstelling tot Sahar het woord met een m op het eind) de verkoop van komkommers en aubergines verbiedt omdat de vorm van die vruchten vrouwen op verkeerde gedachten zou kunnen brengen. Maar een godsdienstleraar kan ook de koranlessen gebruiken om jongens seksueel in te wijden. Bij Bouazza wordt net als bij Sahar het koranonderricht weinig aantrekkelijk voorgesteld.”

 

 

 

 

 

 

anbeek_200
Ton Anbeek (18 september 1944)

 

 

 

 

 

De Nederlandse dichter, schrijver, journalist en literair criticus Michaël Zeeman werd geboren op Marken op 12 september 1958.  Zeeman studeerde enkele jaren filosofie, in Utrecht en in Groningen. In 1974 begon hij te werken bij boekhandel De Tille in Leeuwarden. Hij schreef recensies voor de Leeuwarder Courant en later ook voor NRC Handelsblad. Hij nam vaak boeken mee naar huis ter recensie. In 1986 werd hij door de eigenaar van de boekhandel aangeklaagd wegens diefstal van boeken ter waarde van honderdduizenden guldens. In 1993 werd hij veroordeeld. Volgens Zeeman was er een afspraak dat hij de boeken mocht houden, maar volgens de eigenaar van De Tille was er geen probleem met het meenemen van boeken ter recensie, maar moesten ze wel worden teruggebracht.

In 1987 werd hij stafmedewerker letteren bij de Rotterdamse kunststichting en hij begon in 1991 te werken bij de Volkskrant, waar hij chef kunst werd. Twee jaar na die aanstelling werd hij wegens ernstige interne conflicten met collega's van de Volkskrant weer uit die functie ontheven en werd hij redacteur van het Boekenkatern. Nadat bekend werd dat hij in privécomputers van een collega van de Volkskrant had ingebroken, gaf de directie hem ontslag en veranderde het dienstverband in een freelancerdienstverband en werd hij freelance correspondent in Rome voor de krant.

Zeeman ontving in 1991 de C. Buddingh'-prijs voor het beste poëziedebuut voor de bundel Beeldenstorm. Vanaf 1995 presenteerde hij voor de VPRO Zeeman met boeken (onderdeel van het cultuurprogramma Laat op de avond na een korte wandeling onder eindredactie van George Brugmans) waarvoor hij in januari 2002 de Gouden Ganzenveer kreeg. In datzelfde jaar 2002 ging hij bij de VPRO weg en vestigde hij zich in Rome.

 

 

Bericht aan de laatkomers

 

U bent te laat: wij zijn vertrokken.

als u goed luistert is misschien

de echo van een laatste voetstap

nog te horen. De rest is stof:

't geluid van vallend puin lijkt

louter van een afstand nog op lachen.

 

Op u viel niet te wachten;

de lichten zijn gedoofd,

zie maar dat u ons vindt.

Wij werden data in uw boeken,

wat u van buiten leert, het

heeft ons uit de slaap gehouden.

 

Wij hebben u benijd: u zult de uitkomst

kennen van het spel dat wij begonnen.

Wij moesten voor de pauze weg: geen mens

speelt ooit een stuk van achteren naar voren.

 

Stoor u eens niet aan tijd,

en schrijf ons terug. Wij

zouden graag wat van u houden.

 

 

 

 

 

Uit: Halverwege, de liefde

 

En altijd moet, bijvoorbeeld, Troje dringend bevrijd,

moet Rome vandaag nog gesticht of tot de orde geroepen,

moet de boodschap beslist nu beantwoord, de oproep

gehoorzaamd, de groente gewassen en de was nog gedaan.

 

En terwijl ik nog maar net aan haar tepel proef

hoont op het nachtkastje een mobiele telefoon,

terwijl mijn hand nog pas zoekt in haar schoot,

sommeren rode cijfers zich en tellen de nacht af.

 

Wat hebben wij om ’s lichts wil op te staan,

die om het donker niet het bed in zijn gegaan?

Een beest, twee koppen, jawel, maar ook:

een borst met op zijn minst twee zielen -

 

dat is twee borsten met een legioen, het bed

een bijeenkomst, de nacht een agenda.

 

 

 

 

 

zeeman2
Michaël Zeeman (Marken, 18 september 1958)

 

 

 

 

De een Britse lexicograaf, dichter, essayist en criticus Samuel Johnson werd geboren in Lichfield op 18 september 1709. Johnson was de zoon van een boekverkoper, in zijn jeugd nogal ziekelijk. Hij deed niets liever dan lezen. Toen hij negentien was, verhuisde hij naar Oxford om daar te studeren. Johnson liep de eerste week nauwelijks college, maar zat boeken te lezen in zijn kamertje boven de poort. Samuel gaf de studie na anderhalf jaar op wegens geldgebrek en reisde terug naar zijn geboortestad, waar zijn vader op sterven lag. Een carrière in Lichfield als boekverkoper zag hij niet zitten; terwijl ook zijn publicaties in de plaatselijke courant niet aansloegen. Zijn leven veranderde toen hij een twintig jaar oudere weduwe, Elisabeth Porter trouwde. Johnson richtte een school op en David Garrick was een van zijn (weinige) leerlingen. In 1737 verhuisden alle drie naar Londen. Johnson schreef een aantal lange gedichten, essays en boeken, de meeste van nogal morele, stichtende strekking. Ze worden dan ook niet of nauwelijks meer gelezen. Johnson heeft zich echter vooral onsterfelijke roem verworven, omdat James Boswell, een jongere, maar na hun eerste ontmoeting in 1763 verder levenslange vriend, in 1791 een biografie over hem publiceerde The Life of Samuel Johnson, waarin zijn vlijmscherpe geest en briljante aforismen bewaard zijn gebleven. Samen maakten ze in 1773 een reis naar de westelijke eilanden van Schotland. Beide mannen publiceerden een verslag. Johnson hield van conversatie en goed eten en drinken, en een belangrijk deel van Boswell's biografie is gevuld met de tafelgesprekken die Johnson hield met andere vooraanstaande intellectuelen en kunstenaars van zijn tijd. In ieder Engels citatenwoordenboek heeft Johnson een aanzienlijk hoofdstuk voor zichzelf.

 

Uit: A Journey to the Western Islands of Scotland

                       

“Inverness was the last place which had a regular communication by high roads with the southern counties. All the ways beyond it have, I believe, been made by the soldiers in this century. At
Inverness therefore Cromwell, when he subdued Scotland,* stationed a garrison, as at the boundary of the Highlands. The soldiers seem to have incorporated afterwards with the inhabitants, and to have peopled the place with an English race; for the language of this town has been long considered as peculiarly elegant.

Here is a castle, called the castle of Macbeth, the walls of which are yet standing. It was no very capacious edifice, but stands upon a rock so high and steep, that I think it was once not accessible, but by the help of ladders, or a bridge. Over against it, on another hill, was a fort built by Cromwell, now totally demolished; for no faction of Scotland loved the name of Cromwell, or had any desire to continue his memory.

Yet what the Romans did to other nations, was in a great degree done by Cromwell to the Scots; he civilized them by conquests, and introduced by useful violence the arts of peace. I was told at Aberdeen that the people learned from Cromwell’s soldiers to make shoes and to plant kail.

How they lived without kail, it is not easy to guess. They cultivate hardly any other plant for common tables, and when they had not kail they probably had nothing. The numbers that go barefoot are still sufficient to show that shoes may be spared. They are not yet considered as necessaries of life; for tall boys, not otherwise meanly dressed, run without them in the streets; and in the islands the sons of gentlemen pass several of their first years with naked feet.”

 

 

 

 

 

Samuel_Johnson_by_Joshua_Reynolds_2
Samuel Johnson (18 september 1709 – 13 december 1784)

Portret door Joshua Reynolds

 

 

 

 

 

 

De Vlaamse dichter, toneelschrijver en essayist Omer Karel De Laey werd geboren in Hooglede op 18 september 1876. Zie ook mijn blog van 18 september 2006.

 

Het boek des levens

 

Op 't agenda waar de cijfers

onzer levensdagen staan,

teekent Sinte Pieter nevens

vele dagen zero aan.

 

Slechts den schijn der waarheid vragen

in de dingen, of te wel

Als men zelf den weg kan vinden

zoeken eenen reisgezel;

 

Derschen, met gespannen spieren

op de terweschoven slaan,

en dan weerom 't kaf oprapen

in de plaatse van het graan;

 

Gaven krijgen en verachten

't gene er ons geschonken wordt,

Dat is alles aan te teeknen

langs den kant van het: te kort.

 

Zoo, de mensch die op den akker

zijner ziele al zweeten zwoegt,

vindt er, als 't gedaan is, enkel

eene brokke van geploegd.

 

 

 

 

DeLaey_oke
Omer Karel De Laey (18 september 1876 - 16 december 1909)

 

 

 

 

 

 

De Nederlandse schrijver Jan Mens werd geboren in Amsterdam op 18 september 1897 als zoon van Jan Mens, diamantslijper en Helena Elisabeth Falke. Hij groeide op in een sober milieu. Op 9-jarige leeftijd verloor hij zijn vader, en zijn moeder was gedwongen als schoonmaakster de kost voor het gezin te winnen. Jan ging naar de ambachtsschool om het meubelmakervak te leren, en kreeg in 1922 een vaste baan. Datzelfde jaar trouwde hij met Abeltje Stenhuis. In 1933 verloor Mens zijn baan, en hij begon te schrijven, eerst wat kinderboeken en verhalen. In 1934, onder het pseudoniem J. Rebel werd een selectie sociale schetsen uitgegeven met de titel Rafels. In 1935 kwam hij in contact met de schrijver en oud-schoolmeester Theo Thijssen, die hem van aanbevelingen voorzag en zijn manuscripten corrigeerde. In 1938 won Mens de Kosmos Eerstelingen Prijs voor jonge schrijvers met zijn manuscript van Mensen zonder geld, en dit was het begin van zijn doorbraak als schrijver. Begin jaren zestig, kort voor zijn dood, was hij de best verkochte schrijver van Nederland.

 

Uit: De Maasbode, 17 oktober 1953, aan de vooravond van de presentatie van zijn roman Elisabeth

 

“Nadien ben ik zelf gaan snuffelen in Betje's verleden - een fascinerende bezigheid, die tot gevolg had dat ik haar heel anders ben gaan zien dan voorheen. [...] Ik had altijd gedacht, dat ze een van die vervelende oude vrijsters was, waar de jeugd van onze middelbare scholen mee geplaagd wordt. Niets is minder waar! Betje Wolff was een ontzaglijk geestige en strijdbare vrouw, die na een amoureus avontuur te Vlissingen, haar geboortestad, op twintigjarige leeftijd met de anderhalf maal zo veel oudere dominee Wolff trouwde. Een roman in optima forma! “

 

 

 

 

Jan_Mens
Jan Mens (18 september 1897 – 31 oktober 1967)

 

 

 

 

 

Zie voor onderstaande schrijver ook mijn blog van 18 september 2006.

 

De Nederlandse kunstschilder, beeldhouwer, dichter, schrijver, violist, acteur, journalist, film-, televisie- en theatermaker Armando werd geboren op 18 september 1929 in Amsterdam.

 

 

 

 

 

17-09-08

William Carlos Williams, H.H. ter Balkt, Ken Kesey, Abel Herzberg, Ludwig Roman Fleischer, Dilip Chitre, Albertine Sarrazin


De Amerikaanse dichter William Carlos Williams werd geboren in Rutherford (New Jersey) op 17 september 1883. Zie ook mijn blog van 18 september 2006 en ook mijn blog van 17 september 2007.

 

 

A Celebration

 

A middle-northern March, now as always--
gusts from the South broken against cold winds--
but from under, as if a slow hand lifted a tide,
it moves--not into April--into a second March,

the old skin of wind-clear scales dropping
upon the mold: this is the shadow projects the tree
upward causing the sun to shine in his sphere.

So we will put on our pink felt hat--new last year!
--newer this by virtue of brown eyes turning back
the seasons--and let us walk to the orchid-house,
see the flowers will take the prize tomorrow
at the Palace.
Stop here, these are our oleanders.
When they are in bloom--
You would waste words
It is clearer to me than if the pink
were on the branch. It would be a searching in
a colored cloud to reveal that which now, huskless,
shows the very reason for their being.

And these the orange-trees, in blossom--no need
to tell with this weight of perfume in the air.
If it were not so dark in this shed one could better
see the white.
It is that very perfume
has drawn the darkness down among the leaves.
Do I speak clearly enough?
It is this darkness reveals that which darkness alone
loosens and sets spinning on waxen wings--
not the touch of a finger-tip, not the motion
of a sigh. A too heavy sweetness proves
its own caretaker.
And here are the orchids!
Never having seen
such gaiety I will read these flowers for you:
This is an odd January, died--in Villon's time.
Snow, this is and this the stain of a violet
grew in that place the spring that foresaw its own doom.

And this, a certain July from Iceland:
a young woman of that place
breathed it toward the South. It took root there.
The color ran true but the plant is small.

This falling spray of snow-flakes is
a handful of dead Februaries
prayed into flower by Rafael Arevalo Martinez
of Guatemala.

Here's that old friend who
went by my side so many years: this full, fragile
head of veined lavender. Oh that April
that we first went with our stiff lusts
leaving the city behind, out to the green hill--
May, they said she was. A hand for all of us:
this branch of blue butterflies tied to this stem.

June is a yellow cup I'll not name; August
the over-heavy one. And here are--
russet and shiny, all but March. And March?
Ah, March--
Flowers are a tiresome pastime.
One has a wish to shake them from their pots
root and stem, for the sun to gnaw.

Walk out again into the cold and saunter home
to the fire. This day has blossomed long enough.
I have wiped out the red night and lit a blaze
instead which will at least warm our hands
and stir up the talk.
I think we have kept fair time.
Time is a green orchard.

 

 

 

 

Youth and Beauty

                       

I bought a dishmop--
having no daughter--
for they had twisted
fine ribbons of shining copper
about white twine
and made a tousled head
of it, fastened it
upon a turned ash stick
slender at the neck
straight, tall--
when tied upright
on the brass wallbracket
to be a light for me
and naked
as a girl should seem
to her father.

 

 

 

 

 

 

The Uses of Poetry

 

I've fond anticipation of a day
O'erfilled with pure diversion presently,
For I must read a lady poesy
The while we glide by many a leafy bay,

Hid deep in rushes, where at random play
The glossy black winged May-flies, or whence flee
Hush-throated nestlings in alarm,
Whom we have idly frighted with our boat's long sway.

For, lest o'ersaddened by such woes as spring
To rural peace from our meek onward trend,
What else more fit? We'll draw the latch-string

And close the door of sense; then satiate wend,
On poesy's transforming giant wing,
To worlds afar whose fruits all anguish mend.

 

 

 

 

wiiliams_wcw
William Carlos Williams (17 september 1883 -  4 maart 1963)

 

 

 

 

 

 

De Nijmeegse dichter H.H. (Herman Hendrik) ter Balkt werd geboren in Usselo op 17 september 1938. Zie ook mijn blog van 19 september 2006 en ook mijn blog van 19 september 2007.

 

 

Hymne aan een veldleeuwerik

Straf kreeg zo menigmaal linde, veldmuis,
varken, wegens omvallen, graanvraat of iets
ergers. Nu verwoesting heilig verklaard, ben
jij, roest, zilver en jij, veldleeuwerik

zanger en balling. Heen ging menige
vogelveer, maar jij, frêle verdwijnpunt, stijgt en
daalt nog aan de hemel ook belt geworden:
haard van ruwgevederde rook en geur.

Jij, laatste rebel! Beraam je nog iets bij
de kluisters van roet en steen, vliegroutes
van niets naar nergens, de Zadkine-zangen met

uitgehakt hart? Sta ons bij, klein verenpak.
Houd met halm en aar hoog de lantaren
van de goudglans van eeuwen, gloed en geloof.

 

 

 

 

 

De mist

 

Door de genadige avond gaat de mist, drager

van al het voorgaande, al het vervlogene: o,

verbleekte goden! Zelfs als er al gebergten

waren, zijn ze nu niet meer te zien. Al de bergen

 

die ooit oprezen, goden op hun toppen, alle

verbrijzelende gedachten, zoals die van De-

mocritus van Abdera, voor wie de ziel uit de

fijnste, gladste onder de atomen, vuuratomen

 

bestond: alles heen. Willie slaapt in de kist,

regen slaapt naast de weerman. Somber gonzend

fluit okeren vuurwerk een hymne aan december,

 

raaf de pracht. "Ik bezong: weiden, het land-

leven, helden". Het millennium hinnikt. Niets

daagt op in de mist, Andes van de leegte wacht.

 

 

 

 

 

Yemantszoon, Oudejaarsavond’:

 

Yemantszoon koopt zout in het dorp.

Kleiner dan de witte maansikkel

is dat dorp en Yemantszoon haast zich

naar ’t dorp door sneeuwzeisen gemaaid.

Met verborgen vossenogen rondom,

met doodstil sneeuwen op de takken,

roggeakkers als gestopte trompetten

rondom hem, loopt hij naar het dorp.

Er kraken heel oude kranten, geel,

die zeggen dat er iets mis is, al lang.

Er kraken stokoude takken, besneeuwd

zuchten ze ‘Het is mis, het is mis.’

Yemantszoon koopt zout bij Bath

in het eeuwenlang ondergesneeuwd dorp.

Schoorstenen roken hard. De sneeuw

is wit en de kranten voorspellen

‘Yemantszoon wordt sneeuw op de weg!’

Yemantszoon om zout gegaan in ’t dorp,

hij valt niet neer op de weg. Neer

stort van de deuren de bloedzuigertros.

 

 

 

 

TerBalkt
H.H. ter Balkt (Usselo, 17 september 1938)

 

 

 

 

 

 

 

 

De Amerikaanse schrijver Ken Kesey werd geboren in La Junta (Colorado) op 17 september 1935. Kesey had de typische jeugd van een Amerikaan: hij genoot een christelijke opvoeding, deed het goed op school, kon goed worstelen en had een glanzende universitaire carrière in het vooruitzicht. Hij ging inderdaad naar de Stanford-universiteit, waar hij een ervaring onderging die zijn leven ingrijpend zou veranderen. Om geld te verdienen deed hij mee aan een onderzoek van de faculteit Psychologie waarbij de effecten van het gebruik van drugs (onder andere LSD en mescaline) getest werden. Drugs zouden een terugkerend verschijnsel worden in Keseys leven en hij besloot schrijver te worden. Om aan de kost te komen werd hij zaalknecht van een psychiatrische afdeling in een lokaal ziekenhuis, wat hem inspiratie opleverde voor zijn eerste roman One Flew Over the Cuckoo's Nest (1962).

Voor het schrijven van zijn tweede boek verhuisde Kesey naar La Honda Californië. Hier schreef hij Sometimes a Great Notion (1964): een roman over de tegenstelling tussen het typische individualisme van de Amerikaanse westkust en het intellectualisme van de oostkust. Dat Kesey zich tot de eerste aangetrokken voelde bleek uit de feesten die hij gaf. Die hadden een zeer eigen karakter met psychedelische effecten zoals lichtshows, fluorescerende verf en het gebruik van LSD. In 1964 organiseerden Kesey en zijn vrienden – zich de Merry Pranksters noemend – een reis naar New York die beroemd zou worden. Neal Cassady zat achter het stuur van een bus die bizar was uitgedost en die op de meest vreemde plaatsen belandde. De bus werd symbolisch voor de nieuwe tegen-cultuur in Amerika. De bus – met de naam 'Furthur' – werd het symbool van de vernieuwing en van het anders zijn dan de "rest": "Are you on or off the bus?" werd de slogan. Grote delen van de reis werden op film vastgelegd, die later weer werd gebruikt bij door Kesey georganiseerde feesten. In New York leerde Kesey andere kopstukken van de Beat generatie kennen: Jack Kerouac, Allen Ginsberg en Timothy Leary.

 

Uit: One Flew Over the Cuckoo's Nest

 

“Psychedelic sixties. God knows whatever that means it certainly meant far more than drugs, though drugs still work as a pretty good handle to the phenomena.

I grabbed at that handle. Legally, too, I might add. Almost patriotically, in fact. Early psychedelic sixties...

Eight o'clock every Tuesday morning I showed up at the vet's hospital in Menlo Park, ready to roll. The doctor deposited me in a little room on his ward, dealt me a couple of pills or a shot or a little glass of bitter juice, then locked the door. He checked back every forty minutes to see if I was still alive, took some tests, asked some questions, left again. The rest of the time I spent studying the inside of my forehead, or looking out the little window in the door. It was six inches wide and eight inches high, and it had heavy chicken wire inside the glass.

You get your visions through whatever gate you're granted.

Patients straggled by in the hall outside, their faces all ghastly confessions. Sometimes I looked at them and sometimes they looked at me. but rarely did we look at one another. It was too naked and painful. More was revealed in a human face than a human being can bear, face-to-face.

Sometimes the nurse came by and checked on me. Her face was different. It was painful business, but not naked. This was not a person you could allow yourself to be naked in front of.

Six months or so later I had finished the drug experiments and applied for a job. I was taken on as a nurse's aide, in the same ward, with the same doctor, under the same nurse—and you must understand we're talking about a huge hospital here! It was weird.

But, as I said, it was the sixties.

Those faces were still there, still painfully naked. To ward them off my case I very prudently took to carrying around a little notebook, to scribble notes. I got a lot of compliments from nurses: "Good for you, Mr. Kesey. That's the spirit. Get to know these men."

I also scribbled faces. No, that's not correct. As I prowl through this stack of sketches I can see that these faces bored their way behind my forehead and scribbled themselves. I just held the pen and waited for the magic to happen.

This was, after all, the sixties.”

 

 

 

 

kesey
Ken Kesey
(17 september 1935 – 10 november 2001)

 

 

 

 

 

 

De Nederlandse toneel- en kroniekschrijver en essayist Abel Herzberg werd geboren in Amsterdam op 17 september 1893. Herzberg was de zoon van Russisch-joodse ouders. Als jongen was hij bevriend met Jacob Israël de Haan. In 1918 werd hij tot Nederlander genaturaliseerd. Hij studeerde rechten in Amsterdam en werd na zijn studie advocaat en procureur. Hij was van 1934 tot 1939 voorzitter van de Nederlandse Zionistenbond. In 1943 werd hij geïnterneerd, eerst in Barneveld, en daarna in Westerbork. Tot 10 april 1945 zat hij in Bergen-Belsen. Op 30 juni 1945 kwam hij terug in Nederland. Abel Herzberg heeft kans gezien in het kamp een dagboek bij te houden. Na de oorlog is dit gepubliceerd onder de titel Tweestromenland. In 1950 verscheen de aangrijpende Kroniek der jodenvervolging, waarvoor hij de Jan Campertprijs won. Eerder had hij al opstellen geschreven over het concentratiekamp Bergen-Belsen (Amor fati 1946) waarvoor hij de Dr. Wijnaendts Franckenprijs kreeg. In zijn stukken over het proces tegen de nazi Adolf Eichmann worden naast de harde feiten ook de menselijke achtergronden belicht en pleit Herzberg voor een waarachtige geestelijke cultuur. Ook zijn toneelstukken over figuren uit de joodse geschiedenis gaan over alledaagse, menselijke problematiek.

 

Uit: Brieven aan mijn kleinzoon. De geschiedenis van een Joodse emigrantenfamilie

 

“Wij hebben eens aan tafel gezeten, toen er gebeld werd en er een man kwam vragen, of hij een kaartje kon krijgen naar Antwerpen. Ik weet van die avond nog alles. Ik weet, wat we gegeten hebben en als het er toe deed, zou ik het je vertellen. Ik weet, hoe de lamp gebrand heeft en het licht in de gang kapot was, zodat ik het gezicht van de man niet kon zien. Ik weet, dat mijn moeder woedend werd, toen zij hoorde, wie er was en dat zij hem de deur wou wijzen. Want ze had zijn zuster, een heel arm meisje, uitgehuwelijkt, voor haar uitzet en inrichting van haar woning gezorgd en ook de bruidegom werk verschaft. Maar in sjoel, dadelijk na de voltrekking van het huwelijk, was die broer op haar toe gekomen en had haar openlijk uitgescholden voor alles wat maar lelijk was, zodat iedereen het horen kon. Dat was geen wonder, zei mijn moeder, want hij droeg een medaillon op zijn jas met het portret van Karl Marx. Die man woonde in Antwerpen, had de reiskosten niet om naar huis terug te gaan, en kwam nu, alsof er niets gebeurd was, vragen, of mijn vader hem die geven wilde.
Mijn vader stond op, liet de man binnenkomen en gaf hem, wat hij verlangde. En toen de man weg was, zei hij tegen mij: ‘Als die man, die ons beledigd heeft, bij ons moet aankloppen om hulp, dan is hij door God gestraft. En dat is genoeg’.
Als mijn vader in zijn leven nooit iets anders gezegd had, was dit voor mijn opvoeding voldoende geweest. Ik was toen niet veel ouder, dan jij nu bent en heb dit altijd in mij rondgedragen. Pas na lange jaren begreep ik waarom. Het is een kenmerkende joodse gedachte, die wel doet denken aan de leerstelling: ‘Heb uw vijanden lief’, maar toch een heel andere strekking heeft. Want hier gaat het niet om de houding jegens de vijand, maar om de eerbiediging van de tegen hem uitgesproken straf. Hij is verslagen. Komt hij bij zijn vroegere vijand om hulp, dan mag je die niet weigeren, omdat dit in strijd zou zijn met de goddelijke gerechtigheid. De situatie van die avond herhaalt zich voortdurend. Denk maar eens aan de nazi's na de Tweede Wereldoorlog. Ze hebben vaak aan joodse deuren geklopt om hulp.

 

 

 

 

Herzberg
Abel Herzberg (17 september 1893 - Amsterdam, 19 mei 1989)

 

 

 

 

 

 

De Oostenrijkse schrijver Ludwig Roman Fleischer werd geboren op 17 september 1952 in Wenen. Na een studie Engels en filosofie verdiende hij zijn brood als nachtwaker, chauffeur en bankbediende. Sinds 1977 gaf hij les in het middelbaar onderwijs. Vanaf 1980 runde hij een kleine uitgeverij. Sinds 1990 levert hij elk jaar een roman af. Achter elkaar gelezen vormen zij een als het ware een kroniek  en zedenschets van Oostenrijkse komaf, waarbij stoutmoedige voorspellingen achteraf pure realiteit blijken te zijn.

 

Werk o.a: Aus der Schule oder Europaanstalt Mayerlingplatz (1999), Glück ohne Ruh. (2003), Zurück zur Schule.(2006)

 

 

Uit: Letzte Weihnachten

 

„In jeder Pause trank Schellander im Raucherzimmer, trank Tarnkaffee aus seiner Tarnschale, womit er natürlich nur das Sichtbare tarnen konnte, nicht aber Geruch und Wirkung. Wir stellten uns vor, er trinke, weil ansonsten seine Hände gezittert hätten, wenn er an der Tafel schrieb oder eine Folie auf den Overheadprojektor legte. Man weiß über den Unterricht der Kollegen so viel wie über die eigene Geburt oder die Herstellung von Computer-Software. Es gibt einen Mythos von der eigenen Geburt, vom Entstehen von Windows 98, vom Entstehen des Universums. Und es gab einen Mythos von Schellanders einstigem Sängerknabentum: Blondengel, der in einer sonderbaren Knabenlageratmosphäre Trillern und Tremolieren lernt, vom Blatt Singen, Klavier- und Geigespielen. Dem in dieser geschlechtslosen Genierolle die eigene Haut zu eng wird, dessen Seele sich zum Schwellkörper aufbläht und auf die Knabenstimme drückt, bis diese bricht. Der bei einem Konzert in Japan oder Taiwan aus der Kindheit ins Mannestum kiekst und den der Vater fortan zwingt, etwas Ordentliches zu lernen, denn ein Mann kann nicht als trällernde Putte existieren.
Schellander soff sich im Raucherzimmer fit für den Unterricht. Weil sein Vater ihn dazu gedrängt hatte, Betriebswirtschaft und Rechnungswesen zu studieren, stellte man sich vor. Und weil der Vater ein Weingut besaß, stellte man sich vor. Und weil der Vater ein Weingut besaß, war er Bürgermeister jener kleinen Weinbaugemeinde geworden, in der sein Sohn die ersten Töne von sich gegeben hatte.“

 

 

 

 

fleischer
Ludwig Roman Fleischer (Wenen, 17 september 1952)

 

 

 

 

 

 

De Indiase dichter, schrijver, schilder en regisseur Dilip Purushottam Chitre werd geboren op 17 september 1938 in Baroda. Nadat zijn ouders verhuisd waren naar Bombay (Mumbai) verschenen in 1960 zijn eerste dichtbundels. Chitre werkte o.a. als directeur van het Indian Poetry Library, archive, and translation centre im Bharat Bhavan in Bhopal. Ook vertaalde hij klassieke Indiase literatuur, deels uit de twaalfde eeuw. Als filmmaker en documentairemaker is hij sinds 1969 actief.

 

Ode an Bombay

Ich hatte dir ein Gedicht versprochen vor meinem Tod
Diamanten die aus der Schwärze eines Pianos stürmen
Stück für Stück fall ich mir vor die eignen toten Füße
Entlasse dich wie ein Konzert aus meinem Schweigen
Ich löse deine Brücken von meinen widerspenstigen Knochen
Befreie deine Eisenbahnschienen von meinen verzweifelten Adern
Reiß nieder deine überfüllten Mietshäuser und meditierenden Maschinen
Entferne deine Tempel und Bordelle die mir in den Schädel geheftet sind

Du trittst aus mir in einer reinen Sternspirale
Ein Leichenzug der sich zum Ende der Zeit bewegt
Zahllose Flammenblumenblätter entkleiden deinen dunklen
Dauernden Stiel des Wachstums

Ich trete heraus aus Morden und Unruhen
Ich falle aus schwelenden Biographien
Ich schlafe auf einem Bett aus brennenden Sprachen
Lasse dich steigen in deinem ätherischen Feuer und Rauch
Stück für Stück vor meine eignen Füße falle ich
Diamanten stürmen aus einem schwarzen Piano

Einst versprach ich dir ein Epos
Und jetzt wo du mich beraubt hast
Du mich zu Schutt zermahlen hast
Endet dieses Konzert

 

 

 

 

Chitre
Dilip Chitre (17 september 1938)

 

 

 

 

 

De Franse dichteres en schrijfster Albertine Sarrazin werd geboren op 17 september 1937 in Allgiers. Toen zij 18 maanden was werd zij door een Frans echtpaar geadopteerd. Nauwelijks 10 jaar oud werd zij door een onbekende verkracht en door haar adoptief ouders in een tehuis geplaatst. Daarna bracht zij het grootste deel van haar leven door in opvoedingsgestichten en tussen gevangenismuren. Toen zij haar eindexamen had behaald maakte zij gebruik van de dag verlof om naar Parijs te vluchten. Daar leeft zij als prostituee tot zij haar geliefde uit het tehuis, Emilienne, weer ontmoet. Samen plegen zij een overval. Albertine werd tot zeven jaar jeugdgevangenis veroordeeld. Julien Sarrazin met wie zij tot slot trouwt is eveneens een crimineel en de acht jaar van hun huwelijk brengen zij het grootste deel gescheiden in aparte gevangenissen door. Terwijl zij vast zit begint Sarrazin te schrijven. Toen zij in 1964 in vrijheid was gesteld werkte zij haar notities om tot de romans  L'Astragale, La Cavalle en La Traversière die met behulp van Simone de Beauvoir in 1965 verschijnen. Albertine Sarrazin overleed in 1967 aan de gevolgen van een nieroperatie.

 

Uit: L’ASTRAGALE

 

“Pour la première fois, je n’ai pas envie de connaître la fin, ni même la suite de cette aventure. Je suis là, nue, sur le fauteuil, à regarder Julien qui dort ; je voudrais rester ainsi, stagnante, tiède, dans le silence où s’élèvent seules nos respirations régulières, sans plus devoir faire les gestes, dire les mots qui nous échangent et nous trahissent ; cette minute vraie et vivante, je l’étire en éternité...

Puis, le temps reprend, les questions et les désirs me réentortillent ; je me lève, en m’accrochant à l’armoire, pour franchir les deux énormes mètres qui séparent le fauteuil du lit. Je fais le premier mètre en décalant mon pied droit de côté, talon-pointe, talon-pointe, le be-bop des bals dominicaux, là-bas et de là, le pied du lit. Je rampe jusqu’à l’oreiller : de tout près, je détaille, pore à pore, ce visage d’homme tué ; je me voudrais cruelle et j’ai envie de douceur, je suis jalouse : réveille-toi, ou fais que je vienne aussi dans ton sommeil.

Nous redescendons pour le dîner. L’heure approche où je serai hissée, bordée, embrassée et laissée seule : Julien doit partir, regagner la ville où il fait semblant de travailler. Il reviendra “bientôt...” J’ai une vague envie de hurler, je barbouille le pull de Ginette de maladroites traînées d’oeuf, quelle idée aussi, Nini, des oeufs sur le plat, vos oeufs sont gluants, je les déteste, je n’ai pas faim. Julien, ne pars pas tout de suite, laisse-moi m’assommer d’abord.”...

 

 

 

 

Photo_Albertine_page_accueil
Albertine Sarrazin (17 september 1937 – 10 juli 1967)