22-05-07
Arthur Conan Doyle, Alfonsina Storni, Anne de Vries, Kees Winkler
De Britse schrijver Sir Arthur Ignatius Conan Doyle werd geboren in Edinburgh op 22 mei
Uit: The Return of Sherlock Holmes
“It can be imagined that my close intimacy with Sherlock Holmes had interested me deeply in crime, and that after his disappearance I never failed to read with care the various problems which came before the public, and I even attempted more than once for my own private satisfaction to employ his methods in their solution, though with indifferent success. There was none, however, which appealed to me like this tragedy of Ronald Adair. As I read the evidence at the inquest, which led up to a verdict of wilful murder against some person or persons unknown, I realized more clearly than I had ever done the loss which the community had sustained by the death of Sherlock Holmes. There were points about this strange business which would, I was sure, have specially appealed to him, and the efforts of the police would have been supplemented, or more probably anticipated, by the trained observation and the alert mind of the first criminal agent in Europe. All day as I drove upon my round I turned over the case in my mind, and found no explanation which appeared to me to be adequate. At the risk of telling a twice-told tale I will recapitulate the facts as they were known to the public at the conclusion of the inquest.”

De Argentijnse dichteres Alfonsina Storni werd geboren in Sala Capriasca, Zwitserland op 22 mei 1892. Op vierjarige leeftijd verhuisde ze met haar ouders wegens economische omstandigheden naar Argentinië, waar ze woonde in Rosario, Santa Fe en Buenos Aires. Ze publiceerde in zeven dichtbundels, een Antología poética in 1938 en een boek met poëzie in de vorm van proza, Poemas de amor. Ziek door kanker, pleegde ze zelfmoord door zich te verdrinken in zee bij Mar del Plata op 25 oktober 1938, nadat ze naar
Am Going to Sleep
Teeth of flowers, hairnet of dew,
hands of herbs, you, perfect wet nurse,
prepare the earthly sheets for me
and the down quilt of weeded moss.
I am going to sleep, my nurse, put me to bed.
Set a lamp at my headboard;
a constellation; whatever you like;
all are good: lower it a bit.
Leave me alone: you hear the buds breaking through . . .
a celestial foot rocks you from above
and a bird traces a pattern for you
so you'll forget . . . Thank you. Oh, one request:
if he telephones again
tell him not to keep trying for I have left . . .
Lighthouse in the Night
The sky a black sphere,
the sea a black disk.
The lighthouse opens
its solar fan on the coast.
Spinning endlessly at night,
whom is it searching for
when the mortal heart
looks for me in the chest?
Look at the black rock
where it is nailed down.
A crow digs endlessly
but no longer bleeds.

De Nederlandse schrijver en onderwijzer Anne de Vries werd geboren op 22 mei 1904. Hij werd vooral bekend door een tweetal streekromans over de Drentse jongen Bartje. Zijn jeugd bracht de Vries hij door op een oude boerderij die eenzaam was gelegen in het veld bij Assen. Als scholier schreef hij berichtjes voor de Asser Courant die hem twee kwartjes per stuk opleverden. Ook schreef hij eens een kerstverhaal dat een rijksdaalder waard was. Uit heimwee naar zijn Drentse geboortegrond schreef hij zijn eerste boekjes in zijn latere woonplaats Zeist. Daar schreef hij ook het boek Bartje dat niet lang daarna een begrip werd. Naar eigen zeggen mag dit boek niet gezien worden als een autobiografie.
Uit: De storm steekt op
“Het kwam misschien door de storm dat Frits op die morgen in Maart 1942 baldadiger was dan ooit. Die joelde nog door zijn hoofd, nadat hij zich als de leider van een troep schreeuwerige buitenjongens op de fiets naar de stad had laten blazen, die raasde ze allen door het bloed en bracht ze tot een wilde stoeipartij op het schoolplein. Maar plotseling viel er een stilte en ze groepten samen, want ze zagen meneer Muys komen, het kleine driftige Muysje met zijn glinsterbril en zijn geitenbaardje, leraar Duits en Geschiedenis, ook wel genoemd ‘de Afrikaan’. Hij was een paar weken ziek geweest en niemand wist precies wat hem gescheeld had; sommigen zeiden ‘bronchitis’ en anderen ‘overspannen’. De meesten waren overtuigd van het laatste en nauwelijks was de leraar de stoep op, of Frits kwam met een overmoedig plan voor de dag. Ze moesten het die lelijke Afrikaan vandaag zo lastig maken, dat hij morgen weer op zijn bed zou liggen.
De anderen schrokken er van, dat zag hij wel, maar toch was er niemand die protesteerde. Voor Muys durfde niemand het op te nemen, want hij ging door voor een Moffenknecht en landverrader. De andere leraren waren allemaal ‘goed’ en dat merkte je dagelijks.”

De Nederlandse dichter Kees Winkler werd op 22 mei
September
Mijn hemel de rozen verwelken
de treurwilg staat al op nul
aanschouw het zéro van de kelken
mijn hemel wat ben ik een sul
Ik had van de roos moeten plukken
meeldraden uit moeten zeven
alleen om een kwestie van bukken
verspeel ik de winst van een leven
Bij de rozenhof in het Vondelpark
staat stil de tuinman met zijn hark
en ziet de bloemen kwijnen
Geven wij elk het zijne
de dichter staat voor zijn sonnet
een tuinman voor het rozenbed
De dichter en de dood
Ik peuter maar wat en ik mier
aan gindse wilgen hangt mijn lier
onbereikbaar voor de hand
in 't bekende polderland.
Ik peuter wat en mier verder
in de woestijn is geen herder
de wolf in schaapskleren gehuld
huilt, doch de jager brult
Brult tegen de karavaan
die verder trekt naar Ispahan
brult vanwege de vette kamelen
en de ruiters die ze bevelen
Eén raakt achter, wordt verslonden
wolven vechten om de botten
de karavaan is niet te stoppen
de enkeling gaat snel te gronde.

12:11 Gepost door Romenu | Permalink | Commentaren (0) | Email dit | Tags: arthur conan doyle, alfonsina storni, anne de vries, kees winkler |
Facebook |














Post een commentaar