30-04-07

Jeroen Brouwers, Louise Rinser, Ulla Hahn, Jaroslav Hašek, John Boyne, Annie Dillard


De Nederlandse schrijver Jeroen Brouwers werd geboren op 30 april 1940 in Batavia, de hoofdstad van het voormalige Nederlands-Indië (tegenwoordig Djakarta, Indonesië). Na twee broers en een zus was Jeroen het vierde kind van Jacques Brouwers, boekhouder bij een architectenbureau, en Henriëtte van Maaren , dochter van de musicus Leo van Maaren. Later werd nog een broertje geboren.
Na de Japanse invasie in 1943 capituleerde het Koninklijk Nederlands-Indisch Leger (KNIL), en werd vader Brouwers overgebracht naar een krijgsgevangenkamp in de buurt van Tokio. Enkele maanden later belandde Jeroen met zijn grootmoeder, zijn moeder en zus eerst in het Japanse interneringskamp Kramat, en later in het kamp Tjideng, in een buitenwijk van Batavia. Zijn grootouders overleefden de kampen niet. Na de oorlog verbleef het herenigde gezin op Balikpapan (Borneo, nu Kalimantan). Op 14 juni 1947 repatrieerde mevrouw Brouwers met haar kinderen per schip naar Nederland. Het gezinshoofd kwam in 1948 naar Nederland.
Tot zijn tiende woonde Jeroen bij zijn ouders op enkele adressen in Den Bosch. Daarna kwam hij terecht op diverse rooms-katholieke kostscholen. Hij haalde zijn MULO-diploma in Delft, waarheen zijn ouders in 1955 waren verhuisd.
Na zijn dienstplicht woonde hij in Nijmegen en werkte hij als journalist. Per 1 juli 1962 trad hij in Amsterdam in dienst van de Geïllustreerde Pers, uitgever van onder meer het blad Romance (het latere Avenue), tot de redactie waarvan hij werd ingedeeld.
Begin 1964 verhuisde Brouwers naar Brussel, waar hij tot 1976 als reactiesecretaris en later als (hoofd)redacteur aan de slag ging bij uitgeverij Manteau in Brussel. Hij kreeg twee zonen. Met zijn gezin verhuisde de schrijver naar het landelijke Vossem, waar hij tot 1970/1971 bleef wonen.
Daarna trok hij naar Huize Krekelbos in Rijmenam. In januari 1976 nam hij, na onenigheid met directeur Julien Weverbergh, ontslag bij Uitgeverij Manteau, verhuisde naar Warnsveld (bij Zutphen) en werd daar full-time schrijver. Een half jaar later vestigde hij zich in huize Louwhoek, Exel, in de Gelderse gemeente Lochem. In 1980 werd zijn dochter Anne geboren. In augustus 1993 verhuisde hij naar het Belgisch-Limburgse Zutendaal, niet ver van Maastricht.

 

 

Uit: Memoires IV

 

“De Manteaubiografie van Greta Seghers is waardeloos omdat de niet in Angèles leven ingevoerde schrijfster al te onkritisch en klakkeloos alle verzinsels van de barones als onbespoten waarheid heeft aanvaard en neergeschreven. Als de biografe nader onderzoek zou hebben verricht, o.a. naar nog meer documenten dan die A. Manteau haar welberaden aanleverde terwijl ze andere zeer leep onder haar vloeiblad verborgen hield, en door belangrijke getuigen en sleutelfiguren te interviewen, wat de biografe vreemd genoeg allemaal heeft nagelaten, zou er allicht een betere, in ieder geval genuanceerdere en waarheidsgetrouwere biografie zijn ontstaan dan het sprookjesboek dat ze heeft afgeleverd. Op zeker moment kreeg de naïeve en goedgelovige Seghers toch door dat de uitgeefster zat te liegen dat ze er bekant van barstte, dat de uitgeefster zo met archiefpapieren goochelde dat het Seghers eindelijk duidelijk werd dat ze werd belazerd waar ze bijstond. Einde van de aanvankelijk zo diepe liefde: de biografe werd de deur en de afrit met de siertralies gewezen, richting ijzeren toegangspoort, en ze hoefde niet meer terug te komen.
    Een refrein in het leven van de toen inmiddels tachtigjarige verkoopster van boeken, die met vrienden, vertrouwelingen, medewerkers pleegt om te gaan of het sigaretten zijn, naar willekeur op te steken, uit te blazen, onder de schoenzool te verpletteren. Daarna maakt ze van blijdschap een dansje door het huis.
    Angèle en haar angsten: kom haar niet te na want ze is bang van affectie en nog banger om zelf van affectie blijk te moeten geven. Bang dat ze als feitenverdraaister c.q. wegmoffelaarster door de mand zal vallen, wat ze dan ook prompt steeds vaker doet: om goed te liegen is intelligentie vereist, over deze eigenschap beschikt de barones niet in overdreven mate daar ze ervan uitgaat dat iedereen nog dommer is dan zijzelf.”

 

 

brouwers
Jeroen Brouwers (Batavia, 30 april 1940)

 

De Duitse schrijfster Louise Rinser werd op 30 april 1911 in Pitzling geboren. Nadat ze haar studie psychologie en pedagogiek had afgerond was ze van 1935 tot 1939 werkzaam als lerares. In 1940 verscheen haar eerste roman Die gläsern Ringe. De jaren daarop mocht ze haar beroep niet uitoefenen. Heinrich Böll noemde de schrijfster ooit 'het geweten van Duitsland'. In de oorlog zat ze een jaar in de gevangenis en haar man overleed in een strafcompagnie. Na de oorlog trouwde ze met de componist Carl Orff en gaf openlijk blijk van haar sympathie voor de Baader-Meinhof groep. Lang leefde zij als schrijfster en critica in München en Rome. Naast de roman Mitte des lebens die in 1959 verscheen heeft ze nog talrijke andere boeken geschreven, waarvan de meest bekenden zijn; Daniela, Hochebene en Der schwarze Esel.

 

Uit: Bruder Feuer

 

"Danke", sagte ich, "danke, Paola. Können Sie mir noch mehr über Franz erzählen?"
"Ich kam bald danach fort, nach Mailand, zu einer Tante, ich sollte dort den Haushalt lernen, ich musste zwei Jahre dort bleiben und hörte nichts mehr von Franz, aber als ich zurückkam, hörte ich umso mehr und so Verschiedenes, dass ich mir überhaupt keinen Reim darauf machen konnte. Erst nach und nach verstand ich das alles. Die Leute sagten, Franz sei wirklich verrückt geworden, er laufe in einen alten Sack gekleidet in den Bergen herum und rede mit den Tieren. Die andern sagten, er sei ein überspannter Linksradikaler geworden, der eine gewaltlose Revolution predige und Anhänger gewonnen habe, die mit ihm im Gebirge lebten und das Geld verabscheuten und überall Besitzlosigkeit predigten. Andere sagten, er habe den religiösen Wahn, das Reich Gottes auf Erden gründen zu sollen. Andere sagten, er sei ein Heiliger geworden und büße für die Sünden seiner Jugend. Und andere sagten, er sei ein ideologischer Krimineller, er habe zum Beispiel eine Unterschlagung gemacht und das Geld mit seiner Bande durchgebracht. Aber alles war Unsinn, es war ganz, ganz anders."
"Was für eine Geschichte mit der Unterschlagung ist das?"
"Einmal sollte Franz im Auftrag seines Vaters ein paar Ballen Stoff nach Foligno bringen und dort verkaufen. Das tat er, aber er brachte das Geld nicht zurück und kam auch selber nicht zurück. Er hatte, das weiß man inzwischen, das Geld zum größten Teil verschenkt, und zwar an einen Priester, dessen Gemeinde so arm war, dass Kirche und Pfarrhaus noch verfallener waren als die Häuser der Armen dort. Und Franz war dort geblieben und half beim Wiederaufbau. Als sein Vater das erfuhr, nachdem er von einer langen Geschäftsreise zurückkam, war er außer sich und ließ seinen Sohn von der Polizei holen und vor Gericht bringen, und es kam zu einer schrecklichen Szene. Der Vater schrie: 'Du Herumtreiber, Asozialer, Krimineller, gib mir mein Geld zurück!' Und Franz gab ihm den nur mehr halb vollen Beutel. Dann zog er sich aus, schweigend, Stück für Stück legte er ab und machte ein Bündel daraus und legte es auf den Boden, und als er splitternackt dastand vor allen Leuten, sagte er: 'Nimm alles zurück, was dir gehört, jetzt bist du von mir frei und ich bin's von dir, ich habe keinen Vater mehr.' Dann drehte er sich um und ging fort und kam nie wieder."

 

 

RINSER
Luise Rinser
(30 april 1911 – 17 maart 2002)

 

De Duitse dichteres en schrijfster Ulla Hahn werd geboren op 30 april 1946 in Brachthausen. Zij woont in Hamburg en is getrouwd met de Duitse politicus Klaus von Dohnanyi. Zij promoveerde in de  Duitse literatuur. Zij werd bekend als dichteres, maar haar grote succes kwam met haar tweede roman Das verborgene Wort, waarin ze over de naoorlogse jaren in het katholieke Rheinland verteld vanuit het perspectief van een kind, dat uit de geestelijke benauwdheid vlucht in de wereld van boeken en woorden.

 

Zie ook mijn blog van 2 mei 2006

 

Uit: Das verborgene Wort

 

“Lommer jonn, sagte der Großvater, laßt uns gehen, griff in die Luft und rieb sie zwischen den Fingern. War sie schon dick genug zum Säen, dünn genug zum Ernten? Lommer jonn. Ich hing mir mein Weidenkörbchen über den Arm und rief den Bruder aus dem Sandkasten. Mit dem Großvater ging es an den Rhein, ans Wasser. Sonntags mit den Eltern blieben wir auf dem Damm, dem Weg aus festgewalzter Schlacke. Zeigten Selbstgestricktes aus der Wolle unserer beiden Schafe und gingen bei Fuß. Mit dem Großvater liefen wir weiter, hinunter, dorthin, wo das Verbotene begann, und niemand schrie: Paß op de Schoh op! Paß op de Strömp op! Paß op! Paß op! Niemand, der das Schilfrohr prüfte für ein Stöckchen hinter der Uhr.
Vom Westen wehte ein feuchter, lauer Wind. Der Rhein roch nach Fisch und Metall, Seifenlauge und Laich, und das Tuten der Schleppkähne, bevor sie an der Raffinerie in die Kurve gingen, war schon jenseits des Dammes in den Feldern und Weiden zu hören.
Ich riß mich los von der Hand des Großvaters, rannte vorwärts, zurück, ergriff seine Hand, ließ sie fahren und hielt sie wieder, fiel hin und stieß mir das Knie, schrie, Freudenschreie, aufsässig und wild. In einem weiten Bogen führte ein Pfad die Böschung hinab durch sumpfige Wiesen, durchs Schilf ans Ufer aus Sand und Kies.
Großvater ging voran, dicht am Wasser entlang. Flache Wellen füllten die Mulden, die sein Klumpfuß im nassen Sand hinterließ, winzige Teiche, eine blinkende, blitzende Spur, wie nur er sie schaffen konnte.
Wo im seichten Wasser am Ufer die Algen schwangen, zeigte er uns den Bart des Wassermannes, ein gewaltiges grünes Gestrüpp, das nichts von seinem Gesicht erkennen ließ und von der Piwipp, einem Bootshaus am gegenüberliegenden Ufer, bis zur Rhenania reichte. Sprang ein Frosch hoch, sagte der Großvater Prosit! und wir riefen Hatschi! Der Riese hatte geniest.
Hürt ihr de Welle? fragte der Großvater und legte den rechten Mittelfinger auf den Mund. Den Zeigefinger hatte er als junger Mann in der Maggifabrik verloren, noch bevor er aus der Schweiz ins Rheinland gewandert war.”

 

 

Hahn
Ulla Hahn (Brachthausen,  30 april 1946)

 

De Tsjechische schrijver Jaroslav Hašek werd geboren op 30 april 1883 in Praag.Bekendheid verwierf hij met zijn onvoltooid meesterwerk "De avonturen van de Goede Soldaat Švejk". Dit boek is gebaseerd op de ervaringen van de schrijver in het Oostenrijks-Tsjechische leger in 1915. De roman schildert het portret van een anarchistische, anti-autoritaire, soms zelfs asociale held, een Tsjech die de draak steekt met zijn Oostenrijkse superieuren. Švejk werd het symbool van iedereen die in zijn eentje moet vechten tegen onderdrukking.

 

 Uit: Der Urschwejk

 

 „Man hatte mich zu Beginn des Krieges aus der Offiziersschule des 91. Infanterieregimentes

hinausgeworfen, dann hatte man mir auch die Einjährigfreiwilligenstreifen abgetrennt, und während meine ehemaligen Kollegen Kadetten und Fähnriche wurden und an allen Fronten fielen wie Fliegen, saß ich eingekastelt im Kasernarrest in Budweiß und Bruck an der Leitha, und als man mich endlichfreiließ und mit der Marschkompagnie ins Feld schicken wollte, verbarg ich mich in einem Schober undüberlebte so drei Marschkompagnien. Dann simulierte ich Epilepsie, und man hätte mich fast erschossen, wenn ich mich nicht freiwillig an die Front gemeldet hätte. Von da an lächelte mir das Glück, und als ich auf dem Vormarsch bei Sambor für den Herrn Oberleutnant Lukasch ein Quartier mit einer reizenden Polin und ausgezeichneter Küche fand, wurde ich zur Ordonanz befördert.

Als sich später in Sokal bei unserem Bataillonskommandanten Läuse zeigten, fing ich sie, schmierte meinen Vorgesetzten mit Quecksilbersalbe ein und bekam dafür die große Tapferkeitsmedaille.

Doch bei dem allen weihte mich niemand in die Geheimnisse der Kriegskunst ein. Noch heute weiß ich nicht, wie viele Schlitten für den Transport einer Division leichter Kavallerie erforderlich seien. Von meinen Tschuwaschen wußte das auch keiner, wofür ich sie bedingt mit drei Tagen Arrest bestrafte.

Falls sie es binnen einem Jahre feststellen, wird ihnen die Strafe erlassen. Ich rief den Bürgermeisterzu mir und sagte ihm streng: «Ich habe erfahren, daß Sie mir verheimlichen, wieviel Mann eineDivision leichter Kavallerie zählt.»

 

 

Hasek
Jaroslav Hašek (30 april 1883–3 januari 1923)

 

De Ierse schrijver John Boyne werd geboren in Dublin op 30 april 1971. Hij studeerde Engels aan Trinity Collegeen creatief schrijven aan de University of East Anglia. Hij schrijft romans en korte verhalen die in diverse bloemlezingen zijn verschenen. The Boy in the Striped Pyjamas kwam op de bestsellerslijst van de New York Times en wordt verfilmd. Boyne woont in Dublin.

 

Uit: The Boy in the Striped Pyjamas

 

One afternoon, when Bruno came home from school, he was surprised to find Maria, the family’s maid — who always kept her head bowed and never looked up from the carpet — standing in his bedroom, pulling all his belongings out of the wardrobe and packing them in four large wooden crates, even the things he’d hidden at the back that belonged to him and were nobody else’s business.

‘What are you doing?’ he asked in as polite a tone as he could muster, for although he wasn’t happy to come home and find someone going through his possessions, his mother had always told him that he was to treat Maria respectfully and not just imitate the way Father spoke to her. ‘You take your hands off my things.’

Maria shook her head and pointed towards the staircase behind him, where Bruno’s mother had just appeared. She was a tall woman with long red hair that she bundled into a sort of net behind her head, and she was twisting her hands together nervously as if there was something she didn’t want to have to say or something she didn’t want to have to believe.

‘Mother,’ said Bruno, marching towards her, ‘what’s going on? Why is Maria going through my things?’

‘She’s packing them,’ explained Mother.

‘Packing them?’ he asked, running quickly through the events of the previous few days to consider whether he’d been particularly naughty or had used those words out loud that he wasn’t allowed to use and was being sent away because of it. He couldn’t think of anything though. In fact over the last few days he had behaved in a perfectly decent manner to everyone and couldn’t remember causing any chaos at all. ‘Why?’ he asked then. ‘What have I done?’


 

Boyne
John Boyne (Dublin, 30 april 1971)

 

De Amerikaanse schrijfster Annie Dillard werd geboren op 30 april 1945 in Pittsburgh. Zij is het bekendst van haar nonfictie, maar schrijft ook gedichten, essays en literaqire kritieken. Nadat zij een keer bijna aan longontsteking was overleden begon zij met het maken van aantekeningen van haar lectuur en haar ervaringen in de natuur die de basis vormden voor Pilgrim at Tinker Creek, het boek waarvoor zij de Pulitzer prijs kreeg in 1975. Ander werk van haar: Holy the Firm, Teaching a Stone to Talk, For the Time Being en haar autobiografie An American Childhood.

 

Uit: Pilgrim at Tinker Creek

 

"I was standing more or less in a bush. I was stock-still, looking deep into Tinker Creek from a spot on the bank opposite the house, watching a group of blue-gills stare and hang motionless near the bottom of a deep, sunlit pool. I was focused for depth. I had long since lost myself, lost the creek, lost everything but still amber depth. All at once, I couldn't see. And then I could: a young muskrat had appeared on top of the water, floating on its back. Its forelegs were folded langorously across the chest; then sun shone on its upturned belly. Its youthfulness and rodent grin...made it an enchanting picture of decadence, dissipation, and summer sloth...But in my surprise at having the light come on so suddenly, and at having my consciousness returned to me all at once and bearing an inverted muskrat, I must have...moved and betrayed myself. The kit...righted itself so that only its head was visible above the water, and swam downstream, away from me.”

 

 

dillard
Annie Dillard (Pittsburgh, 30 april 1945)

 

 

29-04-07

Konstantínos Petros Kaváfis, Alejandra Pizarnik, Walter Kempowski, Kurt Pinthus


Konstantínos Petros Kaváfis (hij tekende zelf met de naam ‘Cavafy’) was een bijzonder oorspronkelijk Nieuwgrieks dichter. Hij werd geboren te Alexandrië (Egypte) op 29 april 1863 als jongste zoon van een welgestelde koopliedenfamilie in de Griekse kolonie. Zijn beide ouders stamden uit Istanbul. Nadat zijn vader in 1870 was overleden, vertrok het gezin voor een tijdje naar Engeland, waar Kavafis een deel van zijn jeugd doorbracht en een Engelse opvoeding meekreeg. Teruggekeerd naar Alexandrië in 1877, moest Chariklia Kavafis in 1882 andermaal met haar kinderen de stad verlaten wegens onlusten in Egypte, en ging zij weer bij haar vader in Istanbul wonen. Opnieuw keerde zij, ditmaal definitief, naar Alexandrië terug, waar Kavafis tot aan haar dood in 1899 bij zijn moeder bleef inwonen. In 1892 was hij intussen gaan werken als ambtenaar, een saaie en onderbetaalde job, die hij niettemin dertig jaar heeft volgehouden. Het familiefortuin was sinds de dood van zijn vader langzaam weggesmolten.

Kavafis is nooit gehuwd geweest. Hij overleed te Alexandrië, uitgerekend op zijn zeventigste verjaardag, op 29 april 1933.

Kavafis is omstreeks zijn twintigste begonnen met verzen te schrijven. Hij publiceerde zijn gedichten op losse bladen, die hij slechts aan goede vrienden bezorgde. Uiterst kritisch als hij was, en voortdurend twijfelend aan zijn dichterlijk talent, achtte hij veel werk niet rijp voor publicatie of werkte hij het herhaaldelijk om. Soms voegde hij die losse bladen wel eens samen tot een bundeltje, maar tijdens zijn leven is er geen enkele officiële bundel van hem verschenen.

Zijn hele oeuvre werd voor het eerst in 1935 gebundeld. Zijn stijl is sober en suggestief. Voortdurend objectief denkend, drukt hij zich uit met een eenvoud die het prozaïsche benadert. Kenmerkend is enerzijds de nostalgie en (homo-)erotiek in de persoonlijke gedichten, anderzijds de decadente schoonheid van historische onderwerpen die hij op een suggestieve manier schildert. Vooral na de Tweede Wereldoorlog is de belangstelling voor zijn werk sterk toegenomen.

 

 

Verborgenheden

 

Laat niemand uit wat ik deed en zei

proberen af te leiden wie ik was.

Er was een belemmering, die vervormde

de daden en de wijze van mijn leven.

Er was een belemmering, die weerhield mij

vele keren als ik wou gaan spreken.

Mijn meest onopgemerkte daden,

en mijn meest verhulde geschriften -

daaruit alleen zal men mij begrijpen.

Maar misschien is het niet zoveel moeite,

zoveel inspanning waard om mij te kenen.

Later - in een volmaakter samenleving -

zal stellig iemand anders, zoals ik geschapen,

verschijnen en handelen in vrijheid.

 

Vertaling Hans Warren en Mario Molegraaf

 
MuurgedichtLeiden
'Verborgenheden' als muurgedicht aan de Turfmarkt in Leiden.

 

 

De verbonden schouder

 

Hij zei dat hij zich gestoten had tegen een muur, of was gevallen.

Maar het is waarschijnlijk dat er een andere oorzaak was

voor de gewonde en verbonden schouder.

 

Door een wat heftige beweging

om een paar foto’s van een plank te pakken,

foto’s die hij van dichtbij bekijken wilde,

raakte het verband los, en er druppelde wat bloed.

 

Ik verbond de schouder weer, en bij het verbinden

treuzelde ik wat: hij had immers geen pijn,

en ik vond het prettig om het bloed te zien. Iets

van mijn liefde was dat bloed.

 

Toen hij weg was vond ik voor zijn stoel

een bebloede lap, een stukje van het verband,

een lap om zo maar in de vuilnisbak te gooien,

en die ik aan mijn lippen bracht,

en die ik lange tijd daar hield –

het bloed der liefde aan mijn lippen.

 

 

mei 1919

 

 

 

Orofernes

 

Hij wiens gezicht op het vier-drachme-stuk

de indruk van een glimlach maakt,

dat mooi, verfijnd gezicht,

dat is Orofernes, Ariarathes’ zoon.

 

Als jongen hebben ze hem uit Kappadocië verjaagd,

uit het groot, voorvaderlijk paleis,

en ze stuurden hem om op te groeien

naar Ionië, en om daar, bij vreemden, uit het oog te raken.

 

O, verrukkelijke nachten van Ionia ,

waar hij zonder schroom, en geheel en al op Griekse wijze,

het genot ten volle leerde kennen.

Diep in zijn hart nog altijd man uit Azië;

maar in zijn levenswijze en in zijn spreken Griek,

turkoois als sieraad dragend, als een Griek gekleed,

zijn lichaam geurend van jasmijnzalf,

en van de mooie jongemannen daar in Ionië

de allermooiste, de meest ideale.

 

Later, toen de Syriërs in Kappadocië

gekomen waren, en hem tot koning maakten,

heeft hij zich op het koningschap geworpen

om van elke dag op nieuwe wijze te genieten,

om gretig goud en zilver te vergaren

en om plezier te hebben en te pralen

bij het zien van stapels fonkelende kostbaarheden.

Wat zorgen om het land betreft, en het regeren –

hij wist niet eens wat om hem heen gebeurde.

 

De Kappadociërs hebben hem al gauw verjaagd,

en hij kwam in Syrië terecht, in het paleis

van koning Demetrius, om zich met niets doen te vermaken.

 

Maar op een dag hebben toch ongewone overwegingen

zijn eindeloze werkeloosheid onderbroken;

hem kwam in herinnering dat hij door Antiochis, zijn moeder,

en door die oude vrouw Stratonike

ook zelf verwant was aan de kroon van Syrië,

en dat hij bijna een Seleucide was.

Voor korte tijd maakte hij zich los uit wellust en uit dronkenschap,

en onhandig, en half in een verdoving

deed hij een poging iets op touw te zetten,

iets te doen, en met een plan te komen,

en het mislukte jammerlijk en hij werd weggevaagd.

 

Zijn levenseind zal zijn vermeld in een geschrift dat is verdwenen;

of misschien ook is de geschiedenis eraan voorbijgegaan,

en heeft ze, met het volste recht, zich niet verwaardigd

iets zo onbeduidends te noteren.

 

Hij die op het vier-drachme-stuk

de gratie van zijn mooie jong zijn achterliet,

een weerglans van zijn dichterlijke schoonheid,

een esthetische herinnering aan een jongen uit Ionia,

dat is Orofernes, Ariarathes’ zoon.

 

 

Vertaling door G. H. Blanken

 

 

Zie ook mijn blog van 3 mei 2006. 

 

 

Cavafy
Konstantínos Petros Kaváfis (29 april 1863 – 29 april 1923)

 

De Argentijnse dichteres Alejandra Pizarnik werd geboren op 29 april 1936 in Buenos Aires als kind van joodse ouders. Zij studeerde daar aan de universiteit filosofie, literatuurwetenschap en journalistiek en volgde tegelijkertijd schilderlessen bij Juan Batlle Planas. Zij dook vroeg in het literaire leven van de stad en publiceerde haar eerste gedichten in 1955. Van 1960 tot 1964 woonde zij in Parijs waar zij Octavio Paz, Julio Cortázar en vertegenwoordigers van het surrealisme leerde kennen. Vanaf 1970 verslechterde haar gezondheid, ook als gevolg van het misbuik van medicijnen en drugs sinds haar jeugd. Zij stierf aan een overdosos slaapmiddelen, hoewel niet zeker is of zelfmoord de bedoeling was.

 

 

THE UNDERSTANDING

 

Let us begin by saying that Shadow had died. Did Shadow know that Shadow had died? Undoubtedly. Shadow and she were associates for years. Shadow was her only executrix, her only friend and the only one who dressed in mourning for Shadow. Shadow was not so terribly bereaved by the sad event and the day of the burial she celebrated it with a banquet.

Shadow didn't erase the name of Shadow. The firm was known under the trade name "Shadow and Shadow." Sometimes the new clients called Shadow Shadow; but Shadow answered to both names, as if she, Shadow, were in effect Shadow, who had died.

 

 

 

PORTRAIT OF VOICES

 

To my grandmother, Princess Dounia
Fedora Kolikovska, whom I beg to pardon
my lack of interest in magin and my exces-
sive adherence to the samovar.

At dawn I will sleep with my doll in my arms, my doll with gold blue eyes, the one with a tongue as wonderful as a poem for your shadow. "Doll, little character, who are you?"
"I'm not so little. It's you who are too big."
"What are you?"
"I am an I, and this, which seems little, is enough for a doll."
Little marionette of good luck, she writhes in my window according to what the wind wants. The rain has soaked her dress, her face and her hands, which lose their color. But she still has her ring, and with it her power. In the winter she knocks on the glass with her little feet in blue shoes and dances, dances for joy, for the cold, dances to warm her heart, her wooden heart, her heart of good luck. In the night she raises her pleading arms and at will creates a small night lit by the moon.

 

 

 

Pizarik
Alejandra Pizarnik (29 april 1936 – 25 september 1972)

 

De Duitse schrijver Walter Kempowski werd geboren in Rostock op 29 april 1929 als zoon van een reder uit Rostock en een Hamburgse moeder. Zijn opleiding volgde hij in Rostock. Hij overleefde het bombardement op Hamburg van 1943 waar hij op dat moment op bezoek was. In 1945 moest hij als 15-jarige dienst nemen in de Duitse Wehrmacht. Na WO II werkte Kempowski in Hamburg en Wiesbaden. Hij berichtte de Amerikanen over de transporten van door de Sovjet-Unie in beslag genomen Oost-Duitse machinerieën. Bij een bezoek aan zijn familie in 1948 werd hij gearresteerd door de inlichtingendienst NKVD en veroordeeld tot 25 jaar tuchthuis in Bautzen. In 1956 werd hij vrijgelaten en vertrok hij naar Hamburg. In een dorp in de buurt van Hamburg werd hij leraar. Zijn eerste succesvolle werk was het autobiografische Tadellöser und Wolf, waarin hij zijn jeugd in Nazi-Duitsland beschreef. Dit was het eerste deel van een 9-delige reeks die ook bekend staat als Deutsche Chronik

 

Uit: Sirius

 

“Januar 1989

 

Nartum

 

So 1. Januar 1989, Neujahr

 

Wir begingen den Altjahrsabend diesmal ganz traditionell, mit Kappen, Berliner Pfannkuchen und Scherzartikeln, wobei uns das für dieses Brauchtum nötige Brockhauswissen stets zur Seite stand: Bleigießen und Knallbonbons zur Zukunftserforschung, Raketen zur Austreibung von Dämonen. Zum Kotzen! Aber: ohne Folkloristisches kann ich so was überhaupt nicht mehr ertragen. Wie macht man das eigentlich, "feiern"? Das heißt doch wohl "saufen", oder?
   Wir empfingen die Gäste mit Hallo. Jeder setzte einen Papphut auf, und dann gaben wir uns in der Halle bei Kerzenlicht einem "Prasnik" hin, wie wir das im Zuchthaus nannten. In Bautzen bestand der Prasnik aus einer doppelten Portion Brot, in Nartum gab es Räucherfisch, Pfeffermakrelen und natürlich Lachs, mit scharf-süßer Meerrettichsahne, einen herrlichen Obstsalat, mit Rum angemacht, Gänsebrust und die berühmte Fleischbrühe von Hildegard, mit der man Tote wieder fit kriegt. So was sollten sie in Krankenhäusern austeilen!
   Den Tischwein (zwei Kisten) hatte ich von Knaus zu Weihnachten bekommen. Ich verstehe ja nichts von Wein, und ich bin immer neugierig, was die Gäste zu meinem "Keller" sagen. Das Urteil fiel günstig aus. Auf seinen Verleger läßt man nicht gern was kommen. - Ich selbst rühre das Arsen-Zeug nicht an, ich trinke solides Bier und Steinhäger. Das Bier hat leider keine "Blume", weil wir unsere Gläser mit Pril spülen, schmeckt also absolut widerlich. Außerdem heißt es, daß der Hopfen ebenfalls mit Arsen behandelt wird. Die Reklame mit den blankgeputzten Kupferbehältern und den drei "Königstreuen", und das Wort "Reinheitsgebot" halten mich bei der Stange. Daß die EG-Beamten das Reinheitsgebot aufheben wollen, erbittert mich.”

 

 

 

 

KEMPOWSKI
Walter Kempowski
(Rostock, 29 april 1929)

 

De Duitse schrijver Kurt Pinthus werd geboren op 29 april 1886 in Erfurt. In 1919/1920 publiceerde hij de bloemlezing Menschheitsdämmerung, dat tot een literair standaardwerk werd en waarvan de inleiding de ontwikkelingsgeschiedenis van het expressionisme weergeeft. In 1933 werd het werk van Pinthus door de nazi’s verboden. Hij vluchtte in 1937 naar de VS. Daar werd hij o.a. docent aan de New School for Social Research en wetenschappelijk adviseur bij de verzameling theater van het Library of Congress. In 1967 keerde hij naar de BRD terug waar hij medewerker werd aan het Deutsche Literatur-Archiv van het Schiller-Nationalmuseum.

 

Uit: Theorie des Expressionismus

 

"Man fühlte immer deutlicher die Unmöglichkeit einer Menschheit, die sich ganz und gar abhängig gemacht hatte von ihrer eigenen Schöpfung, von ihrer Wissenschaft, von Technik, Statistik, Handel und Industrie, von einer erstarrten Gemeinschaftsordnung, bourgeoisen und konventionellen Bräuchen. Diese Erkenntnis bedeutete zugleich de Beginn des Kampfes gegen die Zeit und die Realität. (...) Aus den Ausbrüchen der Verfluchung (der Zeit) brachen die Schreie und Aufforderungen zur Empörung, zur Entscheidung, zur Rechenschaft, zur Erneuerung..., um durch die Empörung das Vernichtende und Vernichtete ganz zu vernichten, so dass Heilendes sich entfalten konnte. Aufrufe zum Zusammenschluß der Jugend, zum Aufbruch einer geistigen Phalanx ertönten; (...) Und so gemeinsam und wild aus diesen Dichtern Klage, Verzweiflung, Aufruhr aufgedonnert war, so einig und eindringlich posaunten sie in ihren Gesängen Menschlichkeit, Güte, Gerechtigkeit, Kameradschaft, Menschenliebe aller zu allen."

 

 

 

 

Pinthus
Kurt Pinthus
(29 april 1886 – 11 juli 1975)

 

 

28-04-07

Alistair MacLean, Ğabdulla Tuqay, Bruno Apitz, Karl Kraus


De Schotse schrijver Alistair Stuart MacLean werd geboren op 28 april 1922 in Glasgow. Hij schreef vele spannende avonturenverhalen en succesvolle thrillers, waarvan The Guns of Navarone en Where Eagles Dare de meest bekende zijn. Van 1941 tot 1946 diende MacLean in de Koninklijke Marine. Daarna ging hij Engels studeren aan de Universiteit van Glasgow, slaagde in 1953, en ging daarna werken als leraar. Tijdens zijn studie aan de universiteit begon MacLean met het schrijven van korte verhalen, om wat extra inkomsten te verdienen. Hij won een schrijfwedstrijd in 1954 met het zeevaardersverhaal Dileas. De uitgeverij Collins vroeg hem een novelle te schrijven en hij gaf hun Zr.MS. Ulysses, een verhaal gebaseerd op zijn eigen oorlogservaringen én die van zijn broer Ian, een Meester Marinier. De novelle was een groot succes en MacLean kon zich al vrij snel geheel wijden aan het schrijven van oorlogsverhalen, spionnenverhalen en andere avonturen.

 

Uit: Circus

 

“A pair of giant hands reached under [the driver's] armpits, plucked him from his seat as if he were a puppet and deposited him on the floor of the van.

Manuelo applied adhesive to the unfortunate driver's mouth and then set about fixing a blindfold. He said: 'I am grieved that we should have to treat an innocent citizen in this manner.'

'Agreed, agreed.' Kan Dahn shook his head sadly and tightened the last knot on their victim's wrists. 'But the greatest good of the greatest number. Besides,' he said hopefully, he may not be an innocent citizen'

 

 

 

ALISTAIR
Alistair MacLean (28 april 1922 - 2 februari 1987)

 

De Tataarse dichter Ğabdulla Tuqay werd geboren op 28 april 1886 in Qoşlawıç in Kazan, Rusland (tegenwoordig Tatarstan). Zijn vader stierf toen hij vijf maanden oud was. Nadat enkele jaren later ook zijn moeder overleed groeide hij op bij zijn grootvader. In 1895 kwam hij bij een tante en kreeg hij een opleiding aan een Russische school. Hij kwam in contact met de wereldliteratuur en begon gedichten te schrijven. In de herfst van 1907 kwam hij naar Kazan, waar hij kennis maakte met andere Tataarse dichters en schrijvers. Zijn gedichten worden gekenmerkt door de liefde voor zijn vaderland. Tuqay stierf op de jonge leeftijd van zevenentwintig jaar aan tbc.

 

The Shuraleh

(A mythical horned demon,

which inhabits the forests of Qazan.)

 

Past Qazan into the country

There's a village called Qirlay.

In that village even hens cluck.

God alone could tell you why.

 

Even though I was not born there,

For a while it was my home.

There in spring I tilled and harrowed,

In the autumn reaped the loam.

 

I recall in all directions

Lay the backwood's broad delight.

Grasslands there of glossy velvet

Dazzled everybody's sight.

 

And is the village large? О no!

It's just a hamlet in a ring.

All its daily drinking water

Comes from one, lone tiny spring.

 

Neither cold nor hot, its water

Mild and soft will ever please;

At times it rains, at times it snows,

And sometimes comes a gentle breeze

 

Strawberries red and raspberries redder

Thrive in plenty in the woods.

In a trice you'll fill your bucket

Brim-full with these earthy goods.

 

Marvellously lined in rows

Stand pines and fir-trees, warriors proud;

Amidst their roots I used to lie

While gazing at a passing cloud.

 

Under birches, under limes grow

Sorrel, mushrooms in a glade;

Lovely flowers bloom and flourish

In the dappled light and shade.

 

Red and scarlet, blue and yellow

Blossoming in sunlit bowers;

All the world is fragrant from

The heady perfume of those flowers.

 

Butterflies which love the blooms

Return to find out now and then

How they fare; then flit and flutter,

Off once more and back again.

 

All at once the birds of Allah

Fill the woods with their sweet song.

Ah, those tunes! They tear my heart-strings;

Up into the sky they throng.

 

Bird-song outstrips dancing parties,

Orchestras and sidewalk clubs;

Circuses, theatres, concerts -

All replaced by trees and shrubs.

 

Like the ocean, vast and boundless

Stretch the woodlands in their breadth;

Like the hordes of Chingiz Khan

No limit to their awesome depth.

 

In an instant old men's stories

Are forgotten; names, domains -

All those glories of the past!

At present nothing much remains

 

Then the curtain slowly rises

And our present lot we see.

Alas! Alas! What happened to us?

Slaves of God we too must be.

 

I've talked a little of the summer,

Autumn, winter - that's my style.

What of girls red-cheeked and black-eyed?

Dusky brows can wait a while!

 

I'll forgot my recollections

Of the Plough-Day, Harvest-Day.

If I mused too long on those things,

I should surely lose my way.

 

But wait! I dwell on pleasant things

And I may easily go astray.

How could I forget the title

Of this poem is Shuraleh?

 

You will have the tale, my reader.

Have some patience. Be so kind.

When I think about my village,

I quite often lose my mind.

 

You might guess that in those thickets

Many birds and beasts reside:

Bears and wolves, and then the fox

For villainy known far and wide.

 

Hare and squirrel, moose and mink

And other sorts are often met

By the huntsman who dares roam

The wide, broad woodland with his net.

 

In those woods, so thick and gloomy

There live demons - so they say:

Ghostly forms like albasti

And ub'r and even shuraleh !

 

This is the most likely reason

Why those woods are broad and wide.

In this world devised by God

Can any wonder be denied?

 

About such wonders I shall utter

A word or two, If that I may;

Sing a little, lilt a little -

That's my custom, that's my way.

 

Once a fellow from the village

Harnessed up and took his horse.

In the moonlight, all alone,

Through the woods he steered his course.

 

Soon he drove into a thicket,

Heaved his axe and set to work,

Feeling trees and chopping branches,

Chipping trunks of bark and cork.

 

The air was silent and quite chilly,

Usual for a summer's night;

Birds were sleeping in the forest,

Hushed beneath the pale moonlight.

 

With such calm and clement weather

There in good and cheerful mood,

See our fellow working bravely

In the darkness of the wood.

 

Axe in hand, he stopped awhile

To wipe his brow, then jerked his head.

A piercing cry within the forest

Filled him with a sudden dread.

 

Chilled and startled, our poor fellow

Looks and sees a dread sight.

Something strange and eerie greets him,

Comes towards him from the night.

 

What can this be? Ghost or demon?

Fugitive? He could not tell.

Such a foul and ugly creature

As might live this side of hell!

 

See its nose, hooked like a moose's.

See how from its face it shoots.

Arms and legs all curved and crooked,

Looking more like twins and roots.

 

Eyes deep set in burning sockets,

Sparkling in the moon;

In broadest daylight, even here,

A beast like that would make you swoon

 

Its feet are bare with bony toes;

Its form like man of woman born.

From its forehead of the size

Of a middle finger sticks a horn.

 

Then the fingers, thin and narrow

From its hands stretch straight and long;

Ugly fingers like the devil's,

Each of them six inches long.

 

Both began to eye each other;

Then our man courageously

Asked the ugly creature, saying:

"What is it you want of me?"

 

The beast replied to him: "Please trust me.

I'm no robber in this wood.

I don't bar the road to people,

Though to some I bring no good."

 

"I am fond of tickling humans.

That's the practice I employ.

When I saw you in my thicket,

I could only jump for joy."

 

"Come to me; come closer, fellow!

Let me brighten your sad eyes.

Let us play a game of tickling.

Let us laugh till someone dies."

 

"I'll not argue", said the fellow.

"Gladly I shall play, but see

Let me make my own condition.

"I've no doubt that you'll agree."

 

"Your condition?" said the beast.

"Well, make it now, without delay.

"I shall do whatever's needed.

But for God's sake, let us play!"

 

"Listen", said the man, "I'll tell you

What is needed right away.

Over there I want to move

That heavy trunk that blocks my way.'

 

"I shall help you", said the beast.

The work is hard, but I'll agree.

First we'll load it on the carriage,

Then we'll trust in destiny."

 

The woodsman said: "The work's begun.

I've split the end of the trunk already.

Now can you put your hand inside,

My forest ram, to hold it steady?"

 

The Shuraleh made no objection,

And obedient as a dog,

Clumsily and awkwardly

He hobbled over to the log.

 

Into the cleft he slipped his fingers.

Now, dear reader, can you find

The answer to this simple question:

What did the woodsman have in mind?

 

With the butt-end of his axe

He rammed a wedge beside the hand.

Step by step and knock by knock

His ruse was working as he planned.

 

The Shuraleh sat by the log

His fingers stuffed into the end.

What the forester was up to

He could just not comprehend.

 

Finally the wedge dropped out

And then the heavy log at once,

As the forester had plotted,

Squeezed the fingers of the dunce!

 

The Shuraleh began to howl,

Tried to escape and break away

But how to get of his trap?

He simply could not find the way.

 

Then finally he understood

The nature of this clever hoax

Forced to give up all his efforts,

He began to plead and coax.

 

"Have pity on me. Let me go,

Dear human. Please be kind and fair.

In the future I'll not worry

Your dear kinsmen. This I swear!

 

"Nor shall I allow the others

To molest your family.

All the other shuralehs will hear me:

"He's my brother! Let him be!

 

"Ah what awful pain I suffer!

Set me free I beg and pray.

Do you really find such joy

In torturing a Shuraleh?

 

The Shuraleh was squirming, swearing

That one he'd his part.

In the meantime our brave woodsman

Made all ready to depart.

 

He checked the bridle and the harness

Placed his axe upon his mare.

What happened to the Shuraleh

He did not have slightest care.

 

"You are so ruthless. Set me free.

Where do you go? This is no game!

But if you are so hard of heart,

At least tell me your own good name."

 

"Well then, listen and remember.

I am called "A Year Ago".

Learn it carefully for the future.

As for me I ought to go!"

 

The Shureleh, all writhing, groaning

Tried to tear himself away,

As he pondered in the future

How he'd make this man his prey.

 

He yelled: "A Year Ago! He squeezed

My fingers with a log. What pain!

Now who will rescue me from here?

And who will save me from this bane?

 

Next morning all the forest cursed him,

Beasts of every shape and kind.

"You're insane", they said. "You're crazy.

Have you gone out of our mind?

 

Why disturb the sleep of others,

Howling, yelling, shouting so?

What's the point of telling us

That you were squeezed a year ago?"

 

 

 

Tuqay
Ğabdulla Tuqay (28 april 1886 – 15 april 1913)

 

De Duitse schrijver Bruno Apitz werd geboren in Leipzig op 29 april 1900. Tijdens WO I was hij een enthousiaste aanhanger van Karl Liebknecht. Toen hij 19 jaar was hield hij een toespraak tot de stakende werknemers van een munitiefabriek waarvoor hij 19 maanden gevangenis kreeg. In 1924 schreef hij zijn eerste toneelstuk Der Mensch im Nacken. In 1927 werd hij lid van de KPD. Na WO I werd hij diverse keren wegens anti-oorlogspropaganda veroordeeld en door de nazi’s in concentratiekampen vastgezet. Na 1945 was hij een van de oprichters van de SED. Als zelfstandig schrijver publiceerde hij in 1958 zijn roman Nackt unter Wölfen, die hem, vertaald in dertig talen, wereldroem opleverde. In 1963 werd het boek door de DEFA verfilmd onder de regie van Frank Beyer. Apitz werkte zelf als acteur en draaiboekauteur aan de film mee. In 1976 verscheen de autobiografische roman Der Regenbogen.

 

Uit: Nackt unter Wölfen

 

“Die Bäume auf dem Gipfel des Etterberges troffen vor Nässe und ragten reglos in das Schweigen hinein, das den Berg umhüllte und ihn absonderte von der Landschaft ringsum. Laub, vom Winter ausgelaugt und verbraucht, moderte nassglänzend am Boden. Hier kam der Frühling nur zögernd herauf. Schilder, zwischen den Bäumen aufgestellt, schienen ihn zu warnen. "Kommandaturbereich des Konzentrationslagers Buchenwald, Achtung, Lebensgefahr! Beim weitergehen wird ohne Anruf scharf geschossen." Darunter ein Totenkopf und zwei sich kreuzende Knochen als Signum. Der ewige Nebelregen klebte auch an den Mänteln der fünfzig SS-Leute, die an diesem Spätnachmittag des März 1945 auf der betonierten Plattform standen, die von einem Regendach geschützt wurde. Diese Plattform, Bahnhof Buchenwald genannt, war das Ende des Eisenbahngleises, das von Weimar nach dem Gipfel des Berges führte. In der Nähe befand sich das Lager. Auf seinem weitgestreckten, nach Norden hin abfallenden Appellplatz waren die Häftlinge zum Abendappell angetreten. Block neben Block, Deutsche, Russen, Polen, Franzosen, Juden, Holländer, Österreicher, Tscheschen, Bibelforscher, Kriminelle..., eine unübersehbare Masse, zu einem exakt ausgerichteteten Riesenquadrat zusammenkommandiert. Heute gab es unter den angetretenden Häftlingen ein heimliches Geflüster. Irgendwer hatte die Nachricht mit ins Lager gebracht, die Amerikaner hatten bei Remagen den Rhein überschritten...... .”

 

 

 

Apitz
Bruno Apitz (28 april 1900 – 7 april 1979)

 

De Joods-Oostenrijkse dichter, schrijver en journalist Karl Kraus werd geboren in Jičin, Bohemen, Oostenrijk-Hongarije (thans Tsjechië) op 28 april 1874. In 1899 stichtte hij het eenmanstijdschrift Die Fackel, dat hem in het Wenen voor en na de Eerste Wereldoorlog grote faam bezorgde als 'opiniemaker'. Hij was links en democratisch, maar bovenal stelde hij zich op als een scherp cultuurcriticus die boven de partijen stond. De Eerste Wereldoorlog maakte hem tot een van de felste tegenstanders van het (toen nog) Oostenrijks-Hongaarse rijk en een onverzoenlijk bestrijder van 'oorlog en domheid'. Hiervan getuigt zijn toneelwerk Die letzten Tage der Menschheit (1919), een gigantische satire op Oostenrijk en het verloop van de oorlog. Centraal in het stuk staat de Nörgler (mopperaar), een alter ego van Kraus, die voortdurend commentaar levert op de corruptie en de oorlogshetze, veelal in dialoog met de Optimist. Het stuk bevat meer dan 500 personages en zou, indien integraal uitgevoerd, 10 avonden beslaan; reden waarom het lang als leesdrama gold. Hitlers machtsovername in 1933 sloeg Kraus bijna letterlijk met stomheid; wel schreef hij nog een scherpe kritiek tegen het nationaalsocialisme, maar hij zag er geen heil in het uit te geven en staakte zijn uitgave van Die Fackel.

 

 

Die Lage der Deutschen in Österreich

 

Sie war, man denke an die Friedenszeiten,

halt immer eine rechte Menschheitsplage.

Nichts hörte man als täglich Zank und Klage,

Vereinskrakeel und Zeitungsstreitigkeiten.

 

Ob Schande! man, ob Hanba! dazu sage,

blieb ein Problem, und einmal zu entscheiden

wer recht wohl hätte von den beiden: beiden

erst recht war eine nationale Frage.

 

Und dies zumal erbitterte die Böhmen:

die Deutschen hatten wahrlich alle Tage

in Östreich ihre ganz besondre Lage,

und jene wollten sich nicht anbequemen.

 

Um endlich auf des Krieges Völkerwage

das Hochgelegene zu Fall zu bringen,

konnt' ihnen doch der große Wurf gelingen:

die Deutschen hatten nun die Niederlage.

 

Es war geglückt, den Sieger zu besiegen,

und ob er an dem deutschen Gott verzage,

er kam in jene fürchterliche Lage,

in Österreich einmal allein zu liegen.

 

Doch daß dem andern der Triumph behage,

und daß die Katze munter weitermause,

behielt er einen Teil von ihm im Hause,

und daß geteiltes Leid sich leichter trage.

 

Sich selbst bestimmend, hat er's eingerichtet,

damit kein Zweifel am Gewissen nage

und er mit jenem dieses gleich erschlage;

und also ward der alte Streit geschlichtet:

 

Der Antwort folgt die nationale Frage.

Denn um sich ganz an Österreich zu rächen,

bestimmten sie, die konsequenten Czechen,

den Deutschen selbst nun eine neue Lage.

 

Die liegt nun gut in Tschechien gebettet;

und daß die Qual in alle Neuzeit rage,

die alte Klage, Frage, Menschheitsplage,

sie werden österreichisch fortgefrettet.

 

Und klingts nicht anders doch mit einem Schlage?

Ists nicht die Umkehr aller bösen Geister?

Der Arrestant versperrt den Kerkermeister,

Tag ward aus Nacht und diese folgt dem Tage.

 

Nur offen bleibt die nationale Frage,

ob denn die Katze nicht bei ihrer Jause

sich und der Maus gönnt eine Atempause,

damit die Katze halt, in solcher Lage,

nicht mehr die Maus, doch sich mit ihr vertrage.

 

 

 

 

kkraus
Karl Kraus (28 april 1874 - 12 juni 1936)

Portret door Oskar Kokoschka

 

 

VSB Poëzieprijs voor Tomas Lieske


De Nederlandse dichter en schrijver Tomas Lieske heeft de veertiende VSB Poëzieprijs gewonnen met de bundel Hoe je geliefde te herkennen. De prijs bestaat uit een bedrag van 25.000 euro en een sculptuur. De jury zegt ‘met enthousiasme en overtuiging’ te hebben gekozen voor de bundel waar ‘het taalplezier van afdruipt, waarin het ene na het andere register met het grootste gemak wordt opengetrokken.’

Ook genomineerd waren de bundels van Al Galidi, Dirk van Bastelaere, Anneke Brassinga en Joke van Leeuwen.

 

Tomas Lieske, pseudoniem van Ton van Drunen, groeide op in de Haagse wijk Bezuidenhout en studeerde Nederlands en Theaterwetenschappen. Lieskes literaire debuut vond vrij laat plaats. Hij was 38 toen zijn gedichten voor het eerst in de literaire tijdschriften Tirade en Revisor verschenen. In die periode werd hij ook benaderd om voor Tirade een poëziekroniek te schrijven. Deze essays kwamen terecht in de bundel Een hoofd in de toendra. Lieske had toen al twee dichtbundels op zijn naam staan. Met zijn prozadebuut Oorlogstuinen (1992) verdiende hij de Geertjan Lubberhuizen-prijs. Zijn daarop volgende roman Nachtkwartier werd genomineerd voor de Libris Literatuur Prijs 1996, maar het is de roman Franklin waarmee Lieske in 2001 de Libris Literatuur Prijs won. Ook zijn roman Gran Café Boulevard (2003) werd zeer enthousiast ontvangen.

 

Neem de segrijnslak.

Is hij dan eetbaar, zoals zijn voldane familie?
Wordt ook hij gedood door het zout, voor de boter met kruiden?

Slakken zijn reizigers, hun zak met organen
op de rug gebonden. Zo rijk gevuld dat mantel en zak
precies in het huis passen. Tussen de wanden
kalken pijlen en kristallen stelen om het eten te roeren.
Zij zijn op pad, zij bestaan slechts uit huis,
ogen en voet. Pelgrims met een vergeten doel.

Wat moet ik je vertellen om je op te vrolijken?
Zij, de wandelaars weten wat winst en verlies is.
Hun huizen zijn verkocht als sieraad om de hals
van smalle, slagvaardige vrouwen. Betaalmiddel
zijn ze geworden en symbool voor de dood
en het overleven. Zelf gegeten en in hun huis
is olie opgeslagen. Ze dienden
in vreemde muziekkorpsen. Hun geheimste
missie is het leveren van purper aan
de Romeinse keizers. Hun kleinsten
tonen een grote doorzichtigheid:
parelmoeren miniatuurpaleizen
trillen bij de eerste wandelpas. Lijfje
van gelatine, huis van glas.
Met slijm lijmen ze onderweg hun liefdes
en ze schieten hun pijlen gevoelig
in de ander. Jij zwicht, jij
bent mijn segrijnslak. Ik proef je en richt
mijn pijl in je zoetste delen. Geen zout,
geen puntje. Met het voorste lik ik je.

 
Uit "Grondheer", Querido 1993

 

 

Lieske_Keuris
Tomas Lieske (Den Haag, 8 juni 1943)

 

 

16:32 Gepost door Romenu | Permalink | Commentaren (0) | Tags: tomas lieske |  Facebook |

27-04-07

Astrid Roemer, Edwin Morgan, Cecil Day Lewis


De Surinaamse schrijfster Astrid Roemer werd in Paramaribo geboren op 27 april 1947. In 1966 vertrok zij naar Nederland, maar zij keerde terug naar haar geboorteland om daar te werken als onderwijzeres. In 1975 vestigde zij zich opnieuw in Nederland. Zij debuteerde in 1970 onder het pseudoniem Zamani met de poëziebundel Sasa Mijn actuele zijn. De in 1974 verschenen roman Neem mij terug Suriname werd in Suriname uitermate populair. Hij geeft een klassieke emigrantenthematiek: de ontheemding van een Surinamer in Nederland en zijn terugverlangen. Met de novelle De wereld heeft gezicht verloren (1975) hield Roemer zich voor het eerst bezig met wat later haar hoofdproblematiek zou worden: het mysterie van het vrouw-zijn.

 

Uit: Lola of het lied van de lente

 

“Haar ogen gaan naar de klok die precies boven het voeteneinde van het ledikant hangt - ze neemt de tijd en het bijbelwoord van de dag mee uit de slaapkamer. Niets bedenkt ze om het citaat heen - het is reeds duidelijk zoals het er staat en net zo onontkoombaar als het feit dat het acht uur is.

Terwijl ze een vierkante tafel met de zijkant van een hand stofvrij maakt, laat ze het gezicht van het bezoek toe: een vrouwenhoofd, ovaal en op de bekende plekken bijgesteld met kosmetika. Hoewel ze in de loop van veertig jaar honderden soorten heeft aangestaard kan zij zich vrij precies herinneren bij welk gezicht een bepaalde kwestie hoort. De vrouw die voor twee uur geboekt staat heeft een konflikt met haar zoon, betreffende een identiteitsprobleem - volgens de huisdokter. Met de vlakke hand strijkt ze het kleed glad over de tafel; het is smetteloos wit en stijf gestreken als een linnen servet. Uit de la van een hoog wandmeubel trekt ze een stofdoek; ze slaat hem ruw uit, alsof ze de gedachten die haar overvallen afschudt - en gaat geruisloos langs het houtwerk, de glazen deurtjes en de accessoires die deze en gene haar wilden geven uit dankbaarheid voor de bewezen diensten. Het meeste heeft ze weggegeven bij verjaardagen van kennissen, anders was haar woning in een pakhuis veranderd.

Als ze met de doek bij de kozijnen komt trekt ze de gordijnen open - donkerrood zijn ze en van dicht fluweel. Er valt licht op het meubilair en met de glasgordijnen voor de ruiten lijken de ramen op schilderijen. Ze kijkt graag naar buiten op elk uur van de dag; het licht is er steeds anders, maar de fragmenten van gebouwen, bomen en lucht die tussen het raamwerk vallen kan ze dromen. Ze slaat de stofdoek weer uit: dat kind dat de hoer is gaan uithangen om haar familie te bewijzen hoeveel mannen ze kan krijgen - ze ziet steeds dát gezicht wanneer ze aan de middagafspraak denkt.

De telefoon - ze aarzelt en besluit toch op te nemen. Te laat. Er is neergelegd. Even staat ze nog met de hoorn in de hand; alsof ze in gedachten is verzonken wrijft ze met de doek over het apparaat. Zodra ze de hoorn op de haak drukt rinkelt het door de woonkamer - ze schrikt en neemt meteen op.”

 

 

 

AstridRoemer
Astrid Roemer (Paramaribo, 27 april 1947)

 

De Schotse dichter en vertaler Edwin Morgan werd geboren in Glasgow op 27 april 1920.  Hij was de eerste Poet Laureate van Glasgow en werd in 2004 de eerste nationale dichter van Schotland: The Scots makar.

 

Absence

 

My shadow --
I woke to a wind swirling the curtains light and dark
and the birds twittering on the roofs, I lay cold
in the early light in my room high over London.
What fear was it that made the wind sound like a fire
so that I got up and looked out half-asleep
at the calm rows of street-lights fading far below?
Without fire
Only the wind blew.
But in the dream I woke from, you
came running through the traffic, tugging me, clinging
to my elbow, your eyes spoke
what I could not grasp --
Nothing, if you were here!

The wind of the early quiet
merges slowly now with a thousand rolling wheels.
The lights are out, the air is loud.
It is an ordinary January day.
My shadow, do you hear the streets?
Are you at my heels? Are you here?
And I throw back the sheets.

 

 

 

One Cigarette

 

No smoke without you, my fire. 
After you left,
your cigarette glowed on in my ashtray
and sent up a long thread of such quiet grey
I smiled to wonder who would believe its signal
of so much love. One cigarette
in the non-smoker's tray.
As the last spire
trembles up, a sudden draught
blows it winding into my face.
Is it smell, is it taste?
You are here again, and I am drunk on your tobacco lips.
Out with the light.
Let the smoke lie back in the dark.
Till I hear the very ash
sigh down among the flowers of brass
I'll breathe, and long past midnight, your last kiss.

 

 

 

Morgan
Edwin Morgan (Glasgow,  27 april 1920)

 

De Brits-Ierse dichter Cecil Day Lewis werd geboren in Ballintogher, Ierland, op 27 april 1904. Hij studeerde in Oxford, waar hij behoorde tot een kring van marxistische dichters als W.H. Auden, Stephen Spender en Louis MacNeice. Na WO II wendde hij zich af van het marxisme. In 1968 werd hij Poet Laureate.

 

 

Consider These, for We Have Condemned Them

 

Consider these, for we have condemned them;
Leaders to no sure land, guides their bearings lost
Or in league with robbers have reversed the signposts,
Disrespectful to ancestors, irresponsible to heirs,
Born barren , a freak growth, root in rubble,
Fruitlessly blossoming, whose foliage suffocates,
Their sap is sluggish, they reject the sun.

The man with his tongue in his cheek, the woman
With her heart in the wrong place, unhandsome, unwholesome;
Have exposed the new-born to worse than weather,
Exiled the honest and sacked the seer.
These drowned the farms to form a pleasure-lake,
In time of drought they drain the reservoir
Through private pipes for baths and sprinklers.

Getters not begetters; gainers not beginners;
Whiners, no winners; no triers, betrayers;
Who steer by no star, whose moon means nothing.
Daily denying, unable to dig:
At bay in villas from blood relations,
Counters of spoons and content with cushions
They pray for peace, they hand down disaster.

They that take the bribe shall perish by the bribe,
Dying of dry rot, ending in asylums,
A curse to children, a charge on the state.
But still their fears and frenzies infect us;
Drug nor isolation will cure this cancer;
It is now or never, the hour of the knife,
The break with the past, the major operation.

 

 

DAY-LEWIS
Cecil Day Lewis
(Ballintogher, 27 april 1904)

 

 

21:08 Gepost door Romenu | Permalink | Commentaren (0) | Tags: cecil day lewis, astrid roemer, edwin morgan |  Facebook |

26-04-07

Bernard Malamud, Theun de Vries, Hannelies Taschau


De Amerikaanse schrijver Bernard Malamud werd op 26 april 1914 in Brooklyn, New York. Hij was de zoon van Joods-Russische emigranten. Zijn eerste roman, The Natural, dateert uit 1952 en beschrijft op komische wijze de Amerikaanse held als honkbalspeler. Het boek werd later verfilmd. Veel van zijn verhalen beschrijven de lotgevallen van gewone joodse mensen in de stedelijke getto's. In The Assistant (1957) behandelt hij met humor en inlevingsvermogen het leven van een kleine joodse kruidenier die het moet zien op te nemen tegen de grote concurrentie van de zelfbedieningswinkels in de buurt. Ook dit werk is verfilmd. Voor de roman The Fixer ontving Malamud in 1967 zowel de Amerikaanse National Book Award als de Pulitzer Prijs voor fictie. Het werk werd verfilmd in 1968 met in de hoofrollen o.a. Dirk Bogarde en Alan Bates. In zijn laatste en in vergelijking met zijn eerdere werk opvallende roman, God's grace (1982), bouwt een overlevende van een atoomoorlog een nieuw leven op te midden van apen.

 

Uit: The assistant

 

“Business were now very bad and Morris didn't know what to do anymore. Then one day there came a man to him and told him that if you set fire to your own house with a strip of cellu-loid you get a lot of money from the insurrance-company. Because with celluloid there wouldn't be any sign that you start the fire by yourself.
One night in the cellar Morris wanted to set fire to his house, but his clothes began to burn. Frank who was in the cellar stopped the fire and asked Morris to let him stay but he wouldn't. Morris decided to sell the store and the house. Karp was interested and offered a lot of money.
Ward Minogue came to Bober's grocery and knocked on the door by Tessa and Nick. He needed something to drink. He was very sick and needed alcohol. He was an alcoholic. Nick told him that Frank didn't live there anymore and Ward went away. He went to Karp's liquor store, but Louis Karp wouldn't gave him any strong drink. Ward became very mad he struck some bottles of whiskey to the cashregister and when he lit a cigaret and threw away his match, the whole place began to burn. That was the end of Karp's liqour store.
Now he couldn't buy Morris store anymore, so Morris tried to make the best of it. The Norwegians grocery-store didn't sell as much as in the beginning. Customers came back to Morris and every-thing went better. But Morris wasn't completely recoverd. Ida told him to slow down but he didn't. He took another job in the evenings to get some money. Then one night it snowed very hard and Morris went outside to put away the snow. Ida told him not to do it, but he did. He became very sick. He had a pneumonia and had to go to the hospital. A few days later Morris Bober died. He was burried at the cemetery. Frank was also at the funeral.
Then Frank worked again in the grocery-store. He had a lot of ideas and he began to make sandwitches and lasagna etc. Busi-ness were very good for Frank. He gave the money to Ida and Helen. Helen went to college and talked again to Frank though Frank told her that he was the one who held her father up that night. Eve-rything went good. Frank also began to read the bible. He liked it and one day he came from the hospital. He was circum-cised and after Passover he became a Jew.”

 

 

 

Malamud
Bernard Malamud (26 april 1914 – 18 maart 1986)

 

Theun de Vries werd geboren in Veenwouden op 26 april 1907. Hij was een Nederlands en Fries schrijver van vooral historische en sociale romans. Hij was ook actief als dichter en als toneel- en hoorspelschrijver en hij schreef tevens biografieën en essays. In 1936 werd De Vries lid van de CPN, en in 1937 verhuisde hij naar Amsterdam en keerde hij weer terug naar de journalistiek. Hij werd redacteur van De Tribune, (later De Waarheid) en De Vrije Katheder. De Vries zat enige tijd voor de CPN in de Amsterdamse gemeenteraad en de Tweede Kamer, maar werd vervolgens weer fulltime schrijver. Ten tijde van de Koude Oorlog werd zijn lidmaatschap van de CPN hem door collega-schrijvers hoogst kwalijk genomen. Hij rechtvaardigde de communistische staatsgreep in Tsjecho-Slowakije (1948) en het Russische ingrijpen in Hongarije (1956, en in 1953 schreef hij een loflied op Stalin.

 

Uit: Een gunst van het leven

“ Zelfanalyse is een nuttige bezigheid, in veel gevallen heilzaam, soms ook ongewenst. Dit althans is mijn ervaring: voor schrijvers en kunstenaars in het algemeen kan zo'n analyse vruchtbaar blijken; maar er bestaan vooral tijdens het scheppende proces perioden waarin met dat ‘zelf’ maar aan zichzelf moet overlaten en als daimoon laten werken vanuit het onbewuste.

Een vriendelijke uitnodiging van de redactie van het NLM bracht mij er toe om weer eens af te dalen in mijn schrijvende persoonlijkheid, nu inzonderheid om de relatie tussen mijn Nederlandstalig en Fries werk nader te onderzoeken. Ik doe dat niet voor de eerste keer; en ook voor mijzelf rezen er herhaaldelijk vragen omtrent genoemde relatie. Dat ze verband houden met onderscheidene levensfasen was mij al lang duidelijk; het verband lag zelfs voor de hand.

Geboren als Fries heb ik mijn leven lang Fries gesproken, met Friezen uiteraard. Mijn beslissende literaire inspiratie kreeg ik echter niet vanuit Friesland, maar in Apeldoorn, waarheen ons gezin in 1920 was verhuisd. Het Apeldoorns gymnasium was de haard waar het apollinisch vuur voor mij ging branden: de Friese dichters die ik las moesten het afleggen tegen de glans van de toen moderne Nederlandse literatuur, vooral de poëzie, waarbij namen als die van Willem Kloos, Herman Gorter, Henriëtte Roland Holst en P.C. Boutens als sterren aan het literaire uitspansel verschenen en mij, door schoonheidsverlangen bezielde puber, hun eclatante voorbeeld gaven. Mijn menselijke en literaire vorming stond in het teken van genoemde dichters; het Fries en alle bijbehorende Friese aangelegenheden kregen voor mij meer en meer een folkloristische kleur en verdwenen bij mijn volwassenheid geheel naar de achtergrond. Ik wilde een Nederlandse schrijver zijn en ik werd het, met alle implicaties van dien.”

 

 

 

DeVries
Theun de Vries
(26 april 1907 – 21 januari 2005)

 

De Duitse schrijfster Hannelies Taschau werd geboren op 26 april 1937 in Hamburg. Haar werk omvat gedichten, proza, hoorspelen, toneelstukken en draaiboeken. Haar thema’s zijn ontwikkelingsprocessen van vrouwen, maatschappelijke onderwerpen en de nieuwste geschiedenis van Duitsland.

 

Niemand Kroch

lieber als ich des Abends
im Winter ins Bett
Eissturm wenn ich den Zeh bewegte
vereist die Augen die Nase
nichts mehr was zu mir gehörte
Zur Kugel gerollt erfand ich
Wärme und Träume
unbesorgt ob auch diesmal alles
gelingen würde
nach Neufundland zu schwimmen
oder die Häuser in Ponta Delgada
umzudrehn
Fenster zum Meer

 

 

Taschau
Hannelies Taschau (Hamburg, 26 april 1937)

 

 

25-04-07

Walter de la Mare, Ted Kooser, Richard Anders

 

De Engelse dichter Walter John de la Mare werd geboren op 25 april 1873 in Charlton, Kent. Zijn familie stamde af van Franse Hugenoten. Zijn eerste baan bij een oliemaatschappij  liet hem voldowende vrije tijd om te schrijven. Later werkte hij achttien jaar lang als boekhouder.. Een beurs van de regering maakte het hem mogelijk om zich vanaf 1908 gehel aan het schrijven te wijden. Naast poëzie schreef hij korte verhalen, romans en kinderboeken.

 

 

A Song of Enchantment

 

A song of Enchantment I sang me there,
In a green-green wood, by waters fair,
Just as the words came up to me
I sang it under the wild wood tree.

Widdershins turned I, singing it low,
Watching the wild birds come and go;
No cloud in the deep dark blue to be seen
Under the thick-thatched branches green.

Twilight came: silence came:
The planet of Evening's silver flame;
By darkening paths I wandered through
Thickets trembling with drops of dew.

But the music is lost and the words are gone
Of the song I sang as I sat alone,
Ages and ages have fallen on me -
On the wood and the pool and the elder tree.

 

 

 

 

Arabia

 

Far are the shades of Arabia,
Where the Princes ride at noon,
'Mid the verdurous vales and thickets,
Under the ghost of the moon;
And so dark is that vaulted purple
Flowers in the forest rise
And toss into blossom 'gainst the phantom stars
Pale in the noonday skies.

Sweet is the music of Arabia
In my heart, when out of dreams
I still in the thin clear mirk of dawn
Descry her gliding streams;
Hear her strange lutes on the green banks
Ring loud with the grief and delight
Of the dim-silked, dark-haired Musicians
In the brooding silence of night.

They haunt me -- her lutes and her forests;
No beauty on earth I see
But shadowed with that dream recalls
Her loveliness to me:
Still eyes look coldly upon me,
Cold voices whisper and say --
'He is crazed with the spell of far Arabia,
They have stolen his wits away.'

 

 

 

delaMareWalter
Walter John de la Mare
(25 april 1873 – 22 juni 1956)

 

De Amerikaanse dichter Ted Kooser werd geboren op 25 april 1939 in Ames, Iowa. Hij werd de dertiende Poet Laureate van de VS in 2004 en nog eens herbenoemd in 2005. Kooser schreef tien dichtbundels.

 

Selecting A Reader

 

First, I would have her be beautiful,
and walking carefully up on my poetry
at the loneliest moment of an afternoon,
her hair still damp at the neck
from washing it. She should be wearing
a raincoat, an old one, dirty
from not having money enough for the cleaners.
She will take out her glasses, and there
in the bookstore, she will thumb
over my poems, then put the book back
up on its shelf. She will say to herself,
"For that kind of money, I can get
my raincoat cleaned."
And she will.

 

 

After Years

 

Today, from a distance, I saw you
walking away, and without a sound
the glittering face of a glacier
slid into the sea. An ancient oak
fell in the Cumberlands, holding only
a handful of leaves, and an old woman
scattering corn to her chickens looked up
for an instant. At the other side
of the galaxy, a star thirty-five times
the size of our own sun exploded
and vanished, leaving a small green spot
on the astronomer's retina
as he stood on the great open dome
of my heart with no one to tell.

 

 

 

 

tedkooser_large
Ted Kooser (Ames, 25 april 1939)

 

De Duitse schrijver Richard Anders werd geboren op 25 april 1928 in Ortelsburg, tegenwoordig Szczytno, Polen. Anders studeerde germanistiek en geografie in Münster en Hamburg.Hij heeft o.a. als leraar Duits gewerkt in Athene en leeft tegenwoordig als zelfstandig schrijver in Berlijn. In 1998 kreeg hij als eerste de Wolfgang-Koeppen-Preis van de stad Greifswald.

 

Uit: Ich erfahre, daß sich jetzt in der Dichtung nichts mehr reimt

Ich grüße den Kreisjugendführer von Ortelsburg nicht. Er tritt auf mich zu und befiehlt mir, am Nachmittag des nächsten Tages in sein Arbeitszimmer  zu kommen. Ich tue es. Er fragt warum ich ihn nicht gegrüßt habe. Ich sage, ich hätte ihn wahrscheinlich nicht gesehen. Er fragt mich, was ich einmal werden wolle. Ich sage: Dichter. Er sagt mir, ich träumte wohl zuviel. Dichter sollten aber nicht in der Dachkammer sitzen und träumen, sondern für die Volksgemeinschaft dasein.

Während des Rußlandfeldzuges Party in der Villa meiner verstorbenen Großeltern. Weil ich eingesegnet bin, darf ich an dieser Erwachsenenveranstaltung teilnehmen. Junge Offiziere von der kurländischen Front. Meine Tante Ella sitzt auf dem rosa Seidensofa des Musikzimmers und zündet die Kerzen an. Sie liest aus Hölderlins Gesammelten Werken. Anschließend zieht sie das Grammophon auf und setzt eine neue Stahlnadel ein. Wir lauschen Mozarts Kleiner Nachtmusik und unterhalten uns gedämpft in kleinen Gruppen. Serviererinnen in Schwarz und mit weiß gerüschelten Häubchen auf dem Kopf reichen in geschliffenen Kelchgläsern Mosel. Ein junger sympathischer Leutnant erzählt, wie er einem nach einem Angriff schwerverwundet am Boden liegenden Russen mit dem Knobelbecherabsatz den Schädel zertrümmert habe. „Es hat mich zuerst Überwindung gekostet“, sagt er, „aber wer Gefühlen nachgibt, bricht den Fahneneid.“

 

anders
Richard Anders (Ortelsburg, 25 april 1928)

 

 

13:53 Gepost door Romenu | Permalink | Commentaren (0) | Tags: ted kooser, walter de la mare, richard anders |  Facebook |

24-04-07

Frans Coenen, Robert Penn Warren, Carl Friedrich Spitteler


De Nederlandse schrijver, essayist en criticus Frans Coenen werd in Amsterdam geboren op 24 april 1866. Coenen was afkomstig uit een burgerlijk Amsterdams gezin. Hij leed aan astma, welke ziekte hem afsloot van contact met leeftijdgenoten. Hij doorliep het gymnasium in Amsterdam en Utrecht en deed in 1886 staatsexamen. Hij studeerde rechten in Amsterdam en promoveerde in 1892 tot doctor in de rechtswetenschap. In zijn studietijd ontdekte hij zijn schrijftalent. Naast journalistieke arbeid en enkele novellen, veelal in Propria Cures gepubliceerd, werkte hij aan wat later de roman Verveling zou worden.

In 1895 werd hij benoemd tot conservator van de kunstverzameling Willet-Holthuysen aan de Herengracht te Amsterdam. Dit museum bracht hem bestaanszekerheid en daarnaast een grote vrijheid om voor zichzelf te werken. In hetzelfde jaar vond hij een literair onderkomen in het in dat jaar opgerichte tijdschrift De Kroniek, dat, onder leiding van P.L. Tak, de taak van De Nieuwe Gids wenste voort te zetten. Tussen 1892 en 1905 schreef Coenen acht uiterst sombere romans en verhalenbundels, naturalistische verhalen, met een grote voorkeur voor alles wat grauw en triest, uitzichtloos en lelijk is. Korte tijd heeft Coenen als schrijver een vooraanstaande positie ingenomen. Lodewijk van Deyssel sprak zelfs van een 'machtig kunstenaarschap'. Maar vanaf 1925 is zijn roem als schrijver van fictie voortdurend gedaald. Zijn belangrijkste invloed heeft Coenen gehad als literair criticus. Bij elkaar verschenen van zijn hand meer dan 1600 boekbesprekingen, bijna 1000 artikelen over toneel, meer dan 300 over muziek en over schilderkunst en bijna 1000 overige tijdschriftpublicaties

`Zondagsrust.

Een laat-Octobermorgen lichtte bleek over de nieuwe stad. De strekking der huizenblokken, de rechte, diepe straatgeulen werden al duidelijker in den barren opstand hunner hardbruine muren, in hun ver-heenlijnende, uitgestorven verlatenheid. Het was een Zondag en alles bleef stil lang over het gewone uur, dat de ambachtslieden met bleeke slaapgezichten haastig naar hun werk gaan. Alleen de melkwagens rammelden in de verte in 't kil vochtgrijze, naderden, tot hun gebolder een oogenblik aan de ingang eener straat, als voor een tunnelholte, rammelde, dan afzwakte om een hoek, en allengs verging.

Toen kwamen ook de kleine zwarte gedaanten, die doofden de eindelooze rijen ros gloeiende lichten, van de een naar de ander gaande in gestadige stap, een lange stok over de schouder. En achter hen lieten zij de nuchtere grijsheid van de morgen, huizen en straten vaal en armelijk onder de dichtdekkende gure wolkenlucht.

Maar in de huizen zelve was het nog nacht.

Op de eerste verdieping, midden in de lange straat, waar de Verhoefs woonden, hing nog het broeiend nachtzwijgen, de zware stilte van de slaap, die schijnt te verdichten in 't donker der slepende uren. Zware schaduwen huifden in 't smalle gangetje naast de trap, waar een snelle ademhaling uit een openstaande bedsteê als een vederlicht geluidje wiegde op de stilte.

In het keukentje, waarvan de deur wijd-open stond, begonnen de dingen zich allengs tot eigen vormen af te scheiden onder de dofgrauwende morgen. De hooge bank van het aanrecht, onder het raam, dat als een grijs vierkant de zwarte wand brak, was bedekt met een verwarden hoop ruw en haastig daar uit de hand gezet tafelgerij, een flauw te onderscheiden warboel van donkere pannen, bleekopen schalen, waaruit heften van messen en stalen vorken en lepels, in een snelle greep dooreen gesmeten, opstaken.

 

 

COENEN
Frans Coenen
(24 april 1866 - 23 juni 1936)

 

De Amerikaanse dichter en schrijver Robert Penn Warren werd geboren op 24 april 1905 in Guthrie, Kentucky. Hij publiceerde 16 dichtbundels en 10 romans. Hij was nationale "poeta laureatus" en winnaar van de Pulitzerprijs. Warren was hoogbegaafd.Met zestien jaar bezocht hij al de Vanderbilt University in Nashville. In het voorjaar van 1921 verloor hij door een ongeluk zijn linkeroog. In de zomer vann het jaar daarop publiceerde hij zijn eerste gedicht "Prophecy".

 

True Love

 

In silence the heart raves.It utters words
Meaningless, that never had
A meaning.I was ten, skinny, red-headed,

Freckled.In a big black Buick,
Driven by a big grown boy, with a necktie, she sat
In front of the drugstore, sipping something

Through a straw. There is nothing like
Beauty. It stops your heart.It
Thickens your blood.It stops your breath.It

Makes you feel dirty.You need a hot bath.
I leaned against a telephone pole, and watched.
I thought I would die if she saw me.

How could I exist in the same world with that brightness?
Two years later she smiled at me.She
Named my name. I thought I would wake up dead.

Her grown brothers walked with the bent-knee
Swagger of horsemen.They were slick-faced.
Told jokes in the barbershop. Did no work.

Their father was what is called a drunkard.
Whatever he was he stayed on the third floor
Of the big white farmhouse under the maples for twenty-five years.

He never came down.They brought everything up to him.
I did not know what a mortgage was.
His wife was a good, Christian woman, and prayed.

When the daughter got married, the old man came down wearing
An old tail coat, the pleated shirt yellowing.
The sons propped him.I saw the wedding.There were

Engraved invitations, it was so fashionable.I thought
I would cry.I lay in bed that night
And wondered if she would cry when something was done to her.

The mortgage was foreclosed. That last word was whispered.
She never came back.The family
Sort of drifted off.Nobody wears shiny boots like that now.

But I know she is beautiful forever, and lives
In a beautiful house, far away.
She called my name once.I didn't even know she knew it.

 

 

San Francisco Night Windows

 

So hangs the hour like fruit fullblown and sweet,
Our strict and desperate avatar,
Despite that antique westward gulls lament
Over enormous waters which retreat
Weary unto the white and sensual star.
Accept these images for what they are--
Out of the past a fragile element
Of substance into accident.
I would speak honestly and of a full heart;
I would speak surely for the tale is short,
And the soul's remorseless catalogue
Assumes its quick and piteous sum.
Think you, hungry is the city in the fog
Where now the darkened piles resume
Their framed and frozen prayer
Articulate and shafted in the stone
Against the void and absolute air.
If so the frantic breath could be forgiven,
And the deep blood subdued before it is gone
In a savage paternoster to the stone,
Then might we all be shriven.

 

 

Warren_robert_penn
Robert Penn Warren
(24 april 1905 – 15 september 1989)

 

De Zwitserse schrijver, dichter, essayist en criticus Carl Friedrich Georg Spitteler werd geboren op 24 april 1845 in Liestal. Toen hij door een erfenis van zijn schoonvader in 1893 financieel onafhankelijk werd vestigde hij zich als zelfstandig schrijver. Zijn eerste werken bleven echter vrijwel onopgemerkt. Pas op zijn grotes epos in 20.000 verzen, Olympischer Frühling, waar hij vijf jaar aan werkte, kreeg hij positieve reacties.

Ajax und die Giganten (Fragment uit Olympischer Frühling)

 

Breitbeinig aber standen auf den Bergeskanten,
Die Hände auf dem Rücken, grinsend die Giganten.
Und wenn die Götter flogen auf die Erde als,
So wieherten sie Hohngelächter aus dem Hals.
Doch der Giganten Häuptling, der verwegne Thaut,
Begann und sprach: «Genossen, wackre Brüder traut,
Betrachtet diese neugebacknen Götterscharen,
Der Herrschaft ungewohnt, im Weltland unerfahren,
Indes ihr sogenannter König Zeus deswährend
Im Lotterbette liegt, den Speck der Faulheit zehrend.
Was meint ihr: soll man nicht ein klein Versüchlein spassen,
Wieviel sie sich von unsereinem bieten lassen?
Mag sein, wofern wir herzhaft sind und nicht bescheiden,
Daß wir das Erdenfledern ihnen grundverleiden.»
Also sprach Thaut. Und die Giganten jauchzten: «Ja!
Leidwerken wir den Göttern! Höchste Not ist da.»
Und gingen hin, und sonst schon Riesen überhaupt,
So pflanzten sie großmächtige Helme auf ihr Haupt,
Und auf die Helme, nur zum Trotz und zum Verdruß,
Anstatt der Sträuße ganze Büsche Haselnuß,
Mit denen sie, auf daß die Absicht werde klar,
Hohnspöttische Wink und Zeichen wippten hin und dar.
Also geschmückt, zu jeder Widerwart bereit,
Stiegen sie eines Abends spät in Heimlichkeit
Hinunter auf die Erde, wo die ganze Nacht
Sie auf die Götter harrten, lungernd auf der Wacht
Und gierig spähend gen Olymp. Und wenn nunmehr
Die Götter aller Tage Morgen wie bisher
Frohmütig reisten auf die lustige Erdenkehre,
So trieben die Giganten ihnen in die Quere,
Die einzelnen, die das Gefild zu Fuß durchzogen,
In breiten Reihen stoßend mit den Ellenbogen,
Sie zwingend, in den Sumpf und in den Bach zu weichen,
Den Wagenzügen aber fahrend in die Speichen
Geflissentlich und gern, den Rossen in die Beine,
Und legten ihnen Balken auf den Weg und Steine.

 

 

 

 

spitteler_inga
Carl Friedrich Spitteler
(24 april 1845 – 29 december 1924)

 

 

23-04-07

William Shakespeare


De komende paar dagen opereer ik niet vanaf mijn vertrouwde werkplek, dus hou ik het wat beknopter. Maar als je Shakespeare heet mag je ook wel weer eens alleen in het zonnetje gezet worden.

 

William Shakespeare werd geboren in Londen op, vermoedelijk, 23 april 1564. Shakespeare werd acteur, schrijver en uiteindelijk mede-eigenaar van een toneelgezelschap dat bekend stond als The Lord Chamberlain's Men, genoemd naar de aristocraat die hen sponsorde. Jacobus I van Engeland adopteerde het gezelschap later. Daarna stond het gezelschap bekend als The King's Men. Uit verschillende documenten uit die tijd blijkt dat Shakespeare een rijk man werd in de jaren dat hij in Londen woonde en werkte. Hij stopte met werken in 1613 en hij overleed op 23 april 1616 - wellicht is dit de reden dat zijn geboortedatum ook op die dag wordt gezet.

 

Zie ook mijn blog van 23 april 2006.

 

XII.

When I do count the clock that tells the time,
And see the brave day sunk in hideous night;
When I behold the violet past prime,
And sable curls all silver'd o'er with white;
When lofty trees I see barren of leaves
Which erst from heat did canopy the herd,
And summer's green all girded up in sheaves
Borne on the bier with white and bristly beard,
Then of thy beauty do I question make,
That thou among the wastes of time must go,
Since sweets and beauties do themselves forsake
And die as fast as they see others grow;
  And nothing 'gainst Time's scythe can make defence
  Save breed, to brave him when he takes thee hence.

 

XVI.

But wherefore do not you a mightier way
Make war upon this bloody tyrant, Time?
And fortify yourself in your decay
With means more blessed than my barren rhyme?
Now stand you on the top of happy hours,
And many maiden gardens yet unset
With virtuous wish would bear your living flowers,
Much liker than your painted counterfeit:
So should the lines of life that life repair,
Which this, Time's pencil, or my pupil pen,
Neither in inward worth nor outward fair,
Can make you live yourself in eyes of men.
  To give away yourself keeps yourself still,
  And you must live, drawn by your own sweet skill.

 

XXII.

My glass shall not persuade me I am old,
So long as youth and thou are of one date;
But when in thee time's furrows I behold,
Then look I death my days should expiate.
For all that beauty that doth cover thee
Is but the seemly raiment of my heart,
Which in thy breast doth live, as thine in me:
How can I then be elder than thou art?
O, therefore, love, be of thyself so wary
As I, not for myself, but for thee will;
Bearing thy heart, which I will keep so chary
As tender nurse her babe from faring ill.
  Presume not on thy heart when mine is slain;
  Thou gavest me thine, not to give back again

 

 

 

shakespeare
William Shakespeare (23 april 1564 – 23 april 1616)

 

 

15:09 Gepost door Romenu | Permalink | Commentaren (0) | Tags: william shakespeare |  Facebook |

22-04-07

Jan de Hartog, Kingsley William Amis, Vladimir Nabokov, Madame de Staël, Jos de Haes


De Nederlandse schrijver Jan de Hartog werd geboren in Haarlem op 22 april 1914. Jan de Hartog publiceerde aanvankelijk onder het pseudoniem F.R. Eckmar (verrekmaar) een aantal detectiveromans. Hij werd vooral bekend door zijn boek Hollands Glorie, over de beginperiode van de zeesleepvaart, dat in 1976 door de AVRO als televisieserie is verfilmd. Zijn boek Gods geuzen gaat over zendingswerk in de oerwouden van Indonesië. De Kapitein, Stella Maris en Thalassa gaan alle over de scheepvaart. Na publicatie van Het Hospitaal over de misstanden in een Amerikaans ziekenhuis, moest hij zelfs de stad waar het zich afspeelde ontvluchten. Een ander boek - ook verfilmd - is De Kleine Ark, handelend over de watersnood van 1953. Ook Jan de Hartog verleende hulp bij het redden van de slachtoffers. In 2004 onthulde zijn weduwe in Maassluis een gedenkplaat ter nagedachtenis van Jan de Hartog wegens de historische banden die deze stad heeft met de zeesleepvaart, waarover hij vaak schreef. De gedenkplaat is aangebracht vlakbij de stoomsleepboot Furie, het schip dat in 1976 een belangrijke rol speelde in de televisiebewerking van zijn boek Hollands Glorie.

Uit: Hollands Glorie

“Een snelle bevordering als die van Jan Wandelaar - najaar '06 nog matroos, voorjaar '08 stuurman - was in die jaren, toen de zeesleepvaart uit de kinderschoenen kwam, geen uitzondering. Omstreeks 1840 was de eerste sleepdienst geopend: een raderbootje, dat zeilschepen de haven in- en uitbracht door de nauwe vaarwaters, waarvoor zij anders soms dagen lang op gunstige wind moesten liggen wachten. Gedurende de halve eeuw daarna was het bedrijf gestadig gegroeid; sterkere boten werden gebouwd en de vloot werd uitgebreid, maar verder dan het Engelse Kanaal werd niet buitengaats gevaren.

Omstreeks 1890 waren de Hollandse baggerlieden zo in trek gekomen bij de aanleg van havens en kanalen in den vreemde, dat over de gehele wereld, in Afrika, Azië en Zuid-Amerika, onze vlag bij de waterbouw woei. De aannemers bestelden hun materiaal in Holland: baggermolens, zandzuigers, lichters, sluisdeuren, pontons en drijvende kranen. Aanvankelijk werden al deze zaken in onderdelen verscheept, om te bestemder plaatse gemonteerd te worden, maar dit kostte veel tijd en veel geld en dikwijls was het zelfs onmogelijk. Er werd over een doelmatiger wijze van transport gedacht en men ging sleepboten bouwen, geschikt voor de grote vaart, die het materiaal kant en klaar over zee zouden kunnen slepen. In 1892 liep de eerste zeesleepboot van stapel; dat jaar werden reeds zes en dertig stuks baggermateriaal weggebracht. Men kon de vraag niet bijhouden met bouwen; wat vroeger havensleepboot was werd zeesleepboot, met een toverformule, om de bemanning niet al te ongerust te maken.”

 

tn_JdeHartog
Jan de Hartog
(22 april 1914 – 22 september 2002)

 

De Engelse schrijver Kingsley William Amis werd op 16 april 1922 geboren in Londen.

Uit: ONE FAT ENGLISHMAN

 

“Roger began eating. There was a roll-basket on the table near him, its contents hidden by a napkin. Underneath this were lengths of hot Italian bread soaked in garlic butter. He decided he would not eat this, and then suddenly found he had started to. His decision to eat only one piece went the same way. By the time the Southern fried chicken arrived from the gloved hand of the Negroe mad it was plain to him that he might as well be hung for a fat-tailed sheep as a lamb. With the chicken there were turnips, spring onions - and corn on the cob with more butter. A razor-blade embedded in a wooden handle for sclicing the cobs and a paint-brush affair for spreading the melted butter on them were passed from hand to hand. Roger used both instruments a lot.
While Ernst and Parteger, who was sitting opposite, filled him in on what terrible courses of study were available at Budweiser (College), Roger concentrated on his food. It was the least he could do for something that was bringing his coronary nearer at such a clip, that was already, he sensed, sidling irremovably into his paunch and his neck and his bosom. Let it. As he was waiting for his helping of blueberry pancakes with fresh cream and Wisconsin cheddar, the thought of dieting brushed feebly at his mind like an old remorse. He was aware that just eating a little of what he did no fancy would sooner or later do him good in the sexual chase. This idea had been brought sharply into focus at a fellow-publisher's party the previous year. Somebody's secretary had told him that what he wanted was all right with her on the understanding that he brought his block and tackle along. Five days later, sipping a half-cup of sugarless and milkless tea to round off a luncheon of a lightly boiled egg with no salt, a decarbohydrated roll resembling fluff in plastic, and a small apple, he had made up his mind for ever that, if it came to it, he could easily settle down to a regime of banquets and self-abuse. He sent his palte up now for a second helping of pancakes and put three chocolate mints into his mouth to tide him over. Outside every fat man there was an even fatter man trying to close in.
With the Gaelic coffee, surmounted by half an inch or so of chilled cream, he felt his survival till breakfast guaranteed and ceremoniously produced for him by Joe."

 

 

 

amis
Kingsley Amis
(22 april 1922 — 22 oktober 1995)

 

De Russisch-Amerikaanse schrijver Vladimir Vladimirovic Nabokov werd geboren in St. Petersburg, op 22 april 1899 Nabokov publiceerde zijn eerste verhalen en gedichten onder het pseudoniem Vladimir Sirin. Later schreef hij vooral romans en novelles, nu onder zijn eigen naam. Zijn vroege werk is geschreven in het Russisch, later begint hij in het Engels te schrijven en beschouwt hij zich als Amerikaans romancier. Zijn bekendste Russische romans zijn de korte debuutroman Matsjenka (1926), Een Lach in het Donker (1936), de Dostojewski-parodie Wanhoop (1936), zijn, naar eigen zeggen, beste en meest nostalgische roman De Gave (1937-38) die handelt over het leven van een Russische balling in Berlijn, en Gebroken Schild (1947). Van zijn Engelstalige romans zijn in het bijzonder The Real Life of Sebastian Knight (1941), Pnin (1957), Pale Fire (1962) zijn autobiografische roman Speak, Memory (1966), King, Queen, Knave (1968), de grote familieroman Ada or Ardor (1969), Glorie (1971), en zijn laatste belangrijke roman Harlekinade (1974) noemenswaardig. Zijn bekendste werk is echter de geruchtmakende roman Lolita uit 1955, die de uitzinnige liefde van een veertigjarige intellectueel Humbert Humbert voor een jong Amerikaans meisje Dolores Haze beschrijft. Het boek veroorzaakte een schandaal. De roman kreeg het predicaat 'pervers' opgeplakt en Nabokov werd voor pornograaf uitgemaakt. Dit leidde ertoe dat het boek van 1956 tot 1958 verboden werd in Parijs en ook in de V.S. pas in 1958 gepubliceerd kon worden. Inmiddels wordt het boek beschouwd als een van de absolute hoogtepunten van de moderne romankunst.

 

Uit: Lolita

 

“Lolita, light of my life, fire of my loins. My sin, my soul. Lo-lee-ta: the tip of the tongue taking a trip of three steps down the palate to tap, at three, on the teeth. Lo. Lee. Ta.

She was Lo, plain Lo, in the morning, standing four feet ten in one sock. She was Lola in slacks. She was Dolly at school. She was Dolores on the dotted line. But in my arms she was always Lolita.

Did she have a precursor? She did, indeed she did. In point of fact, there might have been no Lolita at all had I not loved, one summer, a certain initial girl-child. In a princedom by the sea. Oh when? About as many years before Lolita was born as my age was that summer. You can always count on a murderer for a fancy prose style.

Ladies and gentlemen of the jury, exhibit number one is what the seraphs, the misinformed, simple, noble-winged seraphs, envied. Look at this tangle of thorns”. 

 

 

nabokovvladimir_1
Vladimir Nabokov (22 april 1899 -  2 juli 1977)

 

Madame de Staël werd in Parijs geboren op 22 april 1766. Zij was een Frans-Zwitsers romanschrijfster en essayiste die de literaire smaak van het einde van de 18e en het begin van de 19e eeuw bepaalde. Mme de Staël kan als een rebel worden beschouwd ten tijde van het Empire. Na de revolutie betekende het bewind van Napoleon voor de vrouwen een terugkeer naar een meer onderdanige rol. De Code civil van Napoleon bevestigt de overheersende rol van de man en plaatst de vrouw op hetzelfde niveau als dat van kinderen en bedienden. Het recht op scheiding is nagenoeg onbestaande. De meeste vrouwen schikten zich in deze rol en daarom lijken de daden van Mme de Staël des te meer dapper. Zij biedt het hoofd aan Napoleon en toont zich via haar salons als een vrijgevochten dame, zowel op intellectueel vlak als op dat van de zeden.

Uit: Delphine 

 

“Il y a parmi les personnes qui vivent dans l'obscurité beaucoup de vertus souvent bien supérieures à toutes celles qu'accompagne l'éclat; mais il y a aussi une espèce de gens médiocres qui sont le vrai fléau des esprits remarquables et des âmes imprudentes et généreuses: ils tendent leurs fils imperceptibles pour enlacer tout ce qui prend un vol élevé; ils s'arment de leurs petites plaisanteries, de leurs insinuations qu'ils croient fines, de leur ironie qu'ils croient de bon goût, pour rabattre l'enthousiasme de tous les sentimens nobles; la morale elle-même perd dans leurs discours son caractère de générosité et d'indulgence;”

 

 

 
Stael
Madame de Staël
(22 april 1766 – Parijs, 14 juli 1817)

 

 

De Vlaamse dichter en essayist Jos de Haes werd geboren in Leuven op 22 april 1920.

 

Avondschemering III

 

Een dwergvleermuis vlerkt zuinig

langs de stal,

de kleine netel bij de beerput

maakt nu haar suiker met de lucht,

en aan de waslijn hangt kamille

met munt, met linde thee te worden.

Wie over Hellas vliegt naar Israël,

tienduizend hoog en in de zon,

ziet bruin Euboia nog van Attika gescheiden.

 

Hiernumaals,

hiernumaals op het makadam

tikken twee dunne vrouwenhakken

als in de kalk van schouderbladskelet.

Waar ergens vreet de bidsprinkhaanse

nu de kop leeg

van haar zaadlozende haan,

of stoot een diepzeeslak

haar oude ingewanden af voor nieuwe?

 

Terwijl de fokram van ’t kanton

twee lange weiden verder

tegen ’t portier beukt van een autowrak,

en alle knagers uit hun holen kruipen,

pelzig, glanzend, warm en kogelrond,

hiernumaals dan

zijn alle vallen gezet,

heeft elke vrouw haar man vermoord,

zal eer het nacht wordt

mijn bloed veranderen,

en weet ik nog vandaag

wie ik niet ben geweest,

hoewel bekend, bij lucht,

bij water, vuur en donkerte bekend.

 

 

DeHaes
Jos de Haes (22 april 1920 – 1 maart 1974)

 

 

21-04-07

Charlotte Brontë, Henry de Montherlant, Patrick Rambaud, Jamie McKendrick


De Britse schrijfster Charlotte Brontë werd geboren in Thornton op 21 april 1816. Ze had twee zussen die ook beroemde schrijfsters waren: Anne en Emily. Ook had ze een broer, Branwell, die verslaafd was aan drank en drugs. Hun vader Patrick was een Ierse predikant.

Charlotte schreef onder het pseudoniem Currer Bell. In 1831 volgde zij lessen in Roe Head en was twee keer voor korte tijd gouvernante. In 1842 ging zij met haar zus Emily, met wie zij een privéschool wilde opzetten, naar het pensionaat Heger te Brussel, waar zij verliefd werd op de directeur. Veel van haar ervaringen verwerkte zij in haar romans, met name in het beroemd geworden Jane Eyre (1847). Een jaar voor zij overleed trouwde ze met de hulppredikant van haar vader, Arthur Bell Nichols.

 

Uit: Jane Eyre

 

“There was no possibility of taking a walk that day. We had been wandering, indeed, in the leafless shrubbery an hour in the morning; but since dinner (Mrs. Reed, when there was no company, dined early) the cold winter wind had brought with it clouds so sombre, and a rain so penetrating, that further out-door exercise was now out of the question.

I was glad of it: I never liked long walks, especially on chilly afternoons: dreadful to me was the coming home in the raw twilight, with nipped fingers and toes, and a heart saddened by the chidings of Bessie, the nurse, and humbled by the consciousness of my physical inferiority to Eliza, John, and Georgiana Reed.

The said Eliza, John, and Georgiana were now clustered round their mama in the drawing-room: she lay reclined on a sofa by the fireside, and with her darlings about her (for the time neither quarrelling nor crying) looked perfectly happy. Me, she had dispensed from joining the group; saying, "She regretted to be under the necessity of keeping me at a distance; but that until she heard from Bessie, and could discover by her own observation, that I was endeavouring in good earnest to acquire a more sociable and childlike disposition, a more attractive and sprightly manner-- something lighter, franker, more natural, as it were--she really must exclude me from privileges intended only for contented, happy, little children."

"What does Bessie say I have done?" I asked.

"Jane, I don't like cavillers or questioners; besides, there is something truly forbidding in a child taking up her elders in that manner. Be seated somewhere; and until you can speak pleasantly, remain silent."

 

 

Charlotte_Bronte
Charlotte Brontë (
21 april 1816 – 31 maart 1855)

 

De Franse schrijver Henry de Montherlant werd geboren op 21 april 1896 in Parijs. Tot zijn vroege successen horen werken als Les jeunes filles en Les célibataires. In die tijd maakte hij verwschillende reizen: Spanje, Italië en Algerije. Na WO II schreef hij veel voor het toneel. De Montherlant publiceerde Le solstice de Juin in 1941, een essay waarin hij zijn bewondering verwoordde voor het Duitse leger en stelde dat Frankrijk terecht verslagen was. De Montherlant

Verzeeg zijn liefde voor jongens gedurende het grootste deel van zijn leven. In 1912 was hij van een prestigieuze school gestuurd vanwege een relatie met een jongere leerling. Zijn roman Les garçons (1969) en zijn correspondentie met Roger Peyrefitte (schrijver van Les amitiés particulières (1943) getuigen wel van deze kant van hem. Tussen 1960 en 1972 was De Montherlant lid van de Académie française.

 

Uit: MADEMOISELLE DE PLEMEUR

« Son frère était spahi en Afrique, après s'être fait prendre un jour dans une mauvaise histoire, quand le vieux M. de Plémeur vint sangloter chez le commissaire, qui laissa sur le banc des souteneurs cette proie à particule ; et les agents se retournaient pour ricaner : pensez donc, un vicomte ! Elle, nous savions vaguement qu'elle avait, par coup de tête, par excès d'ennui, quitté le hobereau qui noyait sous l'alcool, au fond d'un manoir crasseux près de Morlaix, l'angoisse de reconnaître peu à peu qu'on devient pauvre. Elle avait horreur du « monde » et vivait dans une petite pension, rabattant sur le domaine paternel, à ce qu'on disait, tous ceux qui se ventrent avec les maisons qui déclinent. Et parfois, quand le jeu cessait de mettre sur sa face un beau masque de ménade-vierge, j'avais cru y lire cette tristesse, croisée chaque jour dans la rue, et chaque jour avec une même pitié : « Il est possible que je ne me marie pas. »

Me trompé-je ? Mais le sport, comme la religion, est quelquefois un dérivatif. J'ai vu des garçons et des jeunes filles comprendre la victoire de leur corps comme un moyen de se redonner confiance, de balancer quelque impuissance ou quelque échec de la vie quotidienne : timidité, déboires, humiliation sociale. Nouvelle idole et nouvelle illusion.

Un jour, Melle de Plémeur, à la surprise de tous, se fit largement battre dans son trois cents mètres, par manque de « pointe » finale. Elle accepta la défaite avec cette loyauté sportive si méritoire dans un génie féminin. Mais, sans avoir dit au revoir à quiconque, elle cessa de venir au stade, ne donna plus de ses nouvelles, et ce fut, par hasard que nous apprîmes, après quelque temps, qu'elle était retournée à Morlaix. »

 

 

MONTHERLANT
Henry de Montherlant (21 april 1896 – 21 september 1972)

 

De Franse schrijver Patrick Rambaud werd geboren op 21 april 1946 in Parijs. Rambaud werkte eerst als filmcriticus. Hij was medeoprichter van het tijdschrift Actuel en schreef draaiboeken en toneelstukken. Ook schreef hij een trilogie over de napoleontische tijd. In 1997 kreeg hij voor zijn roman la Bataille de Prix Goncourt en de romanprijs van de Académie française. In 2000 verscheen het tweede deel van de trilogie, Il neigeait, en in 2003 deel drie, l’Absent.

 

Uit: L’ Absent

 

« Octave remplaça le mameluck Roustam devant la porte de l’Empereur. Il était allongé sur le lit de sangle quand il entendit appeler, il sursauta, se leva d’un bond, prit un flambeau et entra sans cérémonie dans la chambre. Napoléon était renfoncé dans ses oreillers. Son lit, sur l’estrade de velours et sous un dais, à la lumière basse de la lampe de nuit, on aurait dit un catafalque, mais le gisant murmurait :
– Monsieur Sénécal, je vais me lever.
En posant son flambeau sur un meuble, Octave nota qu’il était quatre heures du matin à la pen-dule. Il apporta des pantoufles, aida à enfiler la robe de chambre damassée, ranima le feu moribond, replaça sur leurs cheneaux les bûches cassées par les flammes, puis, à quatre pattes, souffla sur les braises.
– Allez me chercher du papier.
Octave retourna dans l’antichambre. Du papier ? Où donc ? Il bouscula un des aides de camp qui d’une voix pâteuse lui indiqua, dans le cabinet de travail voisin, le secrétaire où l’on rangeait le nécessaire à écrire, il y alla, trouva, prit une liasse, repartit dans la chambre. Napoléon était assis dans une causeuse, près de la cheminée où des flammèches léchaient le bois. Octave approcha un guéridon, disposa les feuilles et de quoi écrire. L’Empereur avait les yeux dans le vague. Octave lanternait, bras ballants, il espérait une directive qui ne venait pas, alors il vérifia d’un coup d’œil circulaire que tout était en ordre, mais non, Monsieur Hubert, qui l’avait précédé dans son service, avait oublié de poser le sucrier sur la commode, à côté de la carafe d’eau. Octave ne dit rien. Il sortit à reculons, lentement, et regagna son antichambre, mais il ne ferma pas la porte complètement pour guetter l’Empereur par cette mince ouverture. Eclairé par le foyer qui dessinait sur le mur, derrière lui, une ombre géante et tremblée, Napoléon plongeait une plume dans son encrier de cristal ; il grattait le papier avec frénésie, puis il déchira la feuille, froissa les morceaux et les lança en boule dans le feu ; il recommença, déchira, brûla, et une troisième fois encore avant de se redresser, le souffle rauque. Octave ne l’avait plus dans son champ de vision mais il écoutait, parce que le plancher craquait et que les pas étaient lourds et lents. Il y eut ensuite un bruit d’eau qui coule ; il devait remplir un verre. Il y eut aussi un son plus métallique, celui de la petite cuiller remuant le sucre.
Quel sucre ?”

 

 

RAMBAUD
Patrick Rambaud (Parijs, 21 april 1946)

 

Er is ruimte voor een recente ontdekking, onafhankelijk van geboortedagen.

 

De Engelse dichter Jamie McKendrick werd geboren in 1955 in Liverpool. Hij publiceerde vijf dichtbundels. Voor zijn bundel, The Marble Fly, kreeg hij de Forward Prize, de grootste prijs voor poëzie in Engeland, die jaarlijks wordt uitgereikt. Ook werd deze bundel uitgeroepen tot Whitbread Book of the Year 1997. Ink Stone (2003) werd zowel voor de T.S. Eliot Prize als voor de Whitbread Poetry Award genomineerd. McKendrick wordt algemeen beschouwd als een van de meest opmerkelijke jonge Engelse dichters. Hij gaf les in Italië en vertaalt poëzie uit het Italiaans. In zijn poëzie zijn veel verwijzingen terug te vinden naar de overblijfselen van het Romeinse rijk en naar de Romeinse mythen en sagen.

 

Oil and Blood

 

Sleep on my chosen one it's only me
intent as a Madagascan sloth that moves
through the tall twilight of mahogany,
padding down the wall towards your pillowcase
and the hollows of your neck I ache for.
Lifting one knee, you shape a linen vault
that frees the scent of nard and nightflowers.
Does my dark disturb you, sweetheart, do you dream
of the rooftree burdened by a roost of bats,
your outline inscaped by their squeaky jargon?

 

Within a tongue's length of your ear lobe,
I could consume whole nights in this vestibule
of paradise if waiting weren't such hell
or if Van Helsing, that bony eunuch,
weren't striding upstairs with his cricket bag
full of sharpened stumps and oil of garlic,
the paraphernalia of intolerance.
Let him come. Rather than leave you be
I'd have the sun impale me and the breeze distress
my mouldy flavoured, still enamoured dust.

 

 

 

 

MCKENDRICK
Jamie McKendrick (Liverpool, 1955)

 

 

20-04-07

Martinus Nijhoff, Jan Cremer, Jozef Deleu, Jean Pierre Rawie, Steven Erickson, Arto Paasilinna


De Nederlands dichter, toneelschrijver en essayist Martinus Nijhoff werd geboren in Den Haag op 20 april 1894. Nijhoff studeerde rechten in Amsterdam, later ook letteren in Utrecht. Van 1926 tot na de Tweede Wereldoorlog maakte hij enkele malen deel uit van de redactie van De Gids. Ook werkte hij lange tijd als criticus bij de Nieuwe Rotterdamsche Courant en korte tijd bij de familie-uitgeverij. Hij is twee keer getrouwd geweest, tot 1950 met de schrijfster A.H. Wind en daarna met de actrice Georgette Hagedoorn.

Zijn debuut als dichter vond plaats in 1916 toen de bundel De wandelaar verscheen. In 1924 publiceerde hij de bundel Vormen. In romantische verzen uitte hij zijn gevoelens van angst, eenzaamheid en het verlangen naar ongerept kind zijn. Hij deed dat gewoonlijk in toegankelijk Nederlands.

In de gedichten Awater (uit Nieuwe Gedichten, 1934) en Het uur U (1936) weet hij op bijzondere wijze het mysterie achter alledaagse dingen en gebeurtenissen te beschrijven, in een stijl die steeds meer neigt naar spreektaal.

Succes had Nijhoff ook met drie bijbelse spelen, verzameld in Het heilige hout (1950). Daarnaast was hij een vermaard vertaler van gedichten en toneelstukken. In 1953 werd de Martinus Nijhoffprijs ingesteld, die jaarlijks wordt toegekend voor vertaalwerk in en uit het Nederlands. In datzelfde jaar ontving hij postuum de Constantijn Huygensprijs voor zijn gehele oeuvre.

 

De vervloekte

III

Het was zoo goed bij jou, het was zoo goed -
Ik werd zoo heerlijk door je kracht gebroken.
De dood heeft in je stem tot mij gesproken,
En je mond kuste me als een bloem van bloed.

Nu zie 'k de witte wijdheid van het sterven:
Sneeuwlandschap van uw rust, waar 'k zal vergaan,
Zooals een zwerver, eindlijk moe van zwerven,
Zich zacht uitstrekt om nooit weer op te staan.

Ik zie omhoog: ik zie in 't lachend leven
Van je oogen en je schuldeloos gelaat.
Het is mijn wil die dezen moord begaat.

Moeder, die leven geeft, dat sterven moet:
Het is jouw glorie mijn daad te vergeven -
Je was zoo goed voor mij, lieve, zoo goed.

 

Voor dag en dauw

V

Hij was een avond vroeg naar bed gegaan,
Hij kon niet slapen. het was volle maan.
Uit een café niet ver van 't huis vandaan
klonk dansmuziek. Hij is weer opgestaan.

Hij had niet veel tijd nodig zich te kleden.
Hij liep snel de drie trappen naar beneden.
Nauwelijks op straat, voerde, na een paar schreden,
de mensenmenigte hem met zich mede.

Hij kreeg een tafeltje bij de muziek.
Maar toen hij, door 't rumoer der kleine luiden
geërgerd, acht ging slaan op het publiek,

begonnen de gezichten straatgeluiden,
dromen en kinderliedjes te beduiden
en in de dichte mist alarm te luiden.

 

Het tuinfeest

De Juni-avond opent een hoog licht
Boven den vijver, maar rondom de helle
Lamp-lichte tafel in het grasveld zwellen
De bomen langzaam hun groen donker dicht.

Wij, aan 't dessert, eenzelvige rebellen,
Ontveinzen 't in ons mijmerend gedicht,
Om niet, nu 't uur eind'lijk naar weemoed zwicht,
Elkanders kort geluk teleur te stellen.

Ginds, aan de overkant, gaan reeds gitaren,
En lampions, en zacht-plassende riemen,
Langzaam over verdronken sterren varen -

Zij zingen, nijgen naar elkaar en kussen,
Geenszins om liefde, maar om de sublieme
Momenten en het sentiment daartusschen.

 

NIJHOFF
Martinus Nijhoff (20 april 1894 – 26 januari 1953)

 

De Nederlands schrijver en beeldend kunstenaar Jan Cremer werd geboren in Enschede op 20 april 1940. Hij is vooral bekend van de roman Ik, Jan Cremer. Hij heeft onderwijs genoten aan de kunstacademies van Den Haag en Arnhem. Cremers literatuur en beeldende kunst vertonen opvallende overeenkomsten. Beide richten zich op het zich losmaken van traditonele esthetiek en eeuwenoude culturele bagage. Met name "Ik Jan Cremer - deel I", maar ook zijn 'peinture barbariste', vergelijkbaar met die van Karel Appel, hebben een grote schok door de maatschappij doen gaan. Acties als het hangen van een kaartje van fl 1.000.000,- aan een schilderij (hij was toen slechts 18 jaar) en het luid toeterend langs het boekenbal crossen hebben hem tot enfant terrible van de Nederlandse beeldende kunst en literatuur gemaakt. De literaire relevantie van Cremers werk is vooral belichaamd in "Ik Jan Cremer - deel I". Centraal daarbij is de bevrijding van de idealen van de jaren vijftig. Het is een voorbode van de vrije seks en wilde jaren zestig. Over het boek werden Kamervragen gesteld, het werd fascistisch genoemd en voetbalvandalen werden beschuldigd van "Jan Cremerisme". Cremer zelf werkte hier flink aan mee, omdat hij er de commerciële mogelijkheden van zag. Toen een ijverige politieman in Hengelo begin 1964 exemplaren van "Ik Jan Cremer" in beslag nam, verschenen in enkele dagbladen steunbetuigingen van bezorgde ouders. Ze bleken alle te zijn geschreven door Jan Cremer...

 

Uit: Ik Jan Cremer

 

“Het consulaat lag aan 'n grote boulevard bij de Plaza Cataluna, op de derde verdieping van 'n groot flatgebouw. Met de lift naar boven en we gingen het kantoor binnen. Aan de balie stonden 'n paar Hollanders, Friese boeren met grote sigaren in de bek, in hun brabbelig taaltje naar hotels en geldzaken te informeren. Bij onze binnenkomst keken de mensen achter de balie op en bekeken ons of we stront waren. Ik wilde mijn verhaal doen, maar een verschrikkelijke burgertrut van 'n jaar of veertig zei met bitse stem: ‘Gaat u op de bank zitten en wacht u tot u geroepen wordt, ja!’ Daar de consul onze enige kans was om geld voor de overtocht te krijgen, beheerste ik me en zei niets terug. ‘Laat mij het woord maar doen,’ zei ik tegen Barry, ‘en beheers je voor dit schorem!’
Eindelijk kwam er een jongeman, prototype van de gezonde Hollandse ambtenaar, blozende wangen, rood haar en geen wenkbrauwen, naar ons toe en vroeg wat we wensten, maar duidelijk met de toon van: ‘We kunnen u toch niet helpen, waar dan ook mee, en hopen maar dat u zo snel mogelijk opsodemietert.’ We legden hem uit dat we met de consul wilden spreken, maar hij zei: ‘U naar de consul? Wat moet u bij de consul, de consul is voor u niet te spreken, zegt u mij maar waar u hem voor nodig heeft!’
Ik legde hem de situatie uit, dat we geld hadden verloren, we nog vandaag naar Ibiza wilden en of de consul ons geld voor de overtocht wilde lenen, wat ik hem morgen al terug kon sturen, want ik had daar 'n bankrekening en geld genoeg! Al met al was het 'n kwestie van ongeveer twaalf piek, daar hadden we genoeg aan.
Op harde toon, zodat iedereen het kon verstaan en opkeek, zei de rooie hond tegen ons: ‘Wat denkt u eigenlijk wel? Dat we hier hulp voor onbehuisden zijn, of sociale zaken? Er is geen sprake van dat u geld krijgt of met de consul komt te spreken. Gaat u maar naar de politie en laat u het land maar uitwijzen als ongewenste vreemdeling, maar hier krijgt u toch heus niets los hoor, dag heren!’

 

 

 

BLUEMOUNTAINBLUE
Blue Mountain Blue 1998

 

 

 

cremer22
Jan Cremer (Enschede, 20 april 1940)

Foto uit 1959

 

De Vlaamse dichter en schrijver Jozef Hugo Maria Deleu werd geboren in Roeselare op 20 april 1937. Deleu is de zoon van een Fransman die zich tot Belg liet naturaliseren. Hij studeerde voor onderwijzer en gaf van 1956 tot 1970 les. In 1957 richtte hij met een aantal vrienden het tijdschrift Ons Erfdeel op om iets te doen aan de bedreigde positie van het Nederlands in Frans-Vlaanderen. Al snel groeide het tijdschrift uit tot een belangrijke vertegenwoordiger van het culturele erfgoed van de lage landen. In 1972 begon hij met de uitgave van een gelijkaardig blad dat zich tot de Franstalige markt richtte, Septentrion, revue de culture néerlandais. Vier jaar later gaf hij voor de eerste keer het jaarboek De Franse Nederlanden/Les Pays Bas Français uit. Naast uitgever is hij ook samensteller van een aantal belangrijke bloemlezingen en heeft hij in de loop der jaren een bescheiden, maar belangrijke rol als schrijver verworven.

 

 

NA DE STORM

Hazen troepen samen
naast de weerschijn
van de wolken
in de plassen.

De dood wordt
aangeleerd en eeuwigheid
voor straks
om in te spelen.

 

Waar het op aankomt

Waar het op aankomt
de trein die niet
voortijdig stopt
in het station
de zon die niet ongezien
wegzinkt in zee.

Waar het op aankomt
een werkwoord vervoegd
in een goede zin
een vraagstuk opgelost
zonder vermogen
en zonder verlies.

Waar het op aankomt
een verlicht meer
en verliefd tot over
de oren. Het gaat voorbij
maar er blijft
overschot.

Waar het op aankomt
gerijpt in een eiken
vat reisvaardig
voor de overtocht
zonder overkant
als het moet.

 

 

 

deleu
Jozef Deleu (Roeselare, 20 april 1937)

 

De Nederlandse dichter en vertaler Jean Pierre Rawie werd geboren op 20 april 1951 in Scheveningen. Drie jaar na zijn geboorte, in 1954, verhuisde het gezin Rawie naar Winschoten. In 1970 verhuisde Rawie naar de stad Groningen om daar talenstudies te gaan volgen. In 1975 werd hij medewerker van het tijdschrift De nieuwe Clercke, onder het pseudoniem Albert Zondervan. In 1976 publiceerde hij, samen met Driek van Wissen, het duo-debuut De match Luteijn-Donner. In 1979 maakte hij zijn solodebuut met Het meisje en de dood waarna in 1982, na een korte maar intensieve ziekenhuisopname, Intensive care volgde. In datzelfde jaar werd hij nationaal bekend door zijn optredens in het televisieprogramma van Sonja Barend. De bundel Kwade trouw kwam uit in 1986, en in 1989 werd hem de Wessel Gansfortprijs toegekend. Met Woelig stof uit datzelfde jaar verdiende hij algemeen erkenning bij de literaire kritiek.

In 1990 verscheen sonnetten, een bibliofiele uitgave. In 1992 verscheen Onmogelijk geluk, zijn grootste verkoopsucces. in 1997 verscheen de vertaling van Vier gedichten van Aleksandr Blok. In 1999 verschenen Geleende tijd en Gedeeld verleden (bibliofiel) en in 2004 Verzamelde verzen.

In zijn woonplaats Groningen, maar ook daarbuiten, staat Rawie bekend om zijn flamboyante levensstijl. In 1987 werd hij met een kapotte alvleesklier door overmatig drankgebruik en een longontsteking opgenomen in een ziekenhuis en verkeerde drie maanden tussen leven en dood. Hierna leek Rawie zijn leven enigszins te hebben gebeterd wat, volgens critici, zijn werk zeker ten goede komt.

 

 

Ritueel

 

Ik houd het kleine ritueel in ere,

opdat je elk moment terug kunt keren.

 

Iedere dag wanneer het avond wordt,

maak ik de tafel klaar: een extra bord,

 

bestek, je eigen stoel, een kaars, een glas,

alsof je enkel opgehouden was.

 

Ik hoor (hoe kon ik denken dat hetgene

waardoor ik ben, voor altijd was verdwenen?),

 

ik hoor, alsof de woning nog bestond,

het grind, de klink, het aanslaan van de hond,

 

en je komt binnen op het ogenblik

dat ik de lamp ontsteek, de bloemen schik.

 

Ik hoop alleen dat ik dan rustig blijf

en haast niet opziend van mijn stil bedrijf

 

de woorden vind, als was het vanzelfsprekend:

Schuif aan; tast toe: er is op je gerekend.

 

Adieu

Ook deze liefde deed ik uitgeleide,
en weer was het: Adieu, mijn hart, aanstonds
is het gedaan met jou, met mij, met ons,
en schuiven tijd en ruimte tussen beide.

Ach, hoeveel treinen heb ik weg zien rijden
van andere, van eendere stations?
Ik draai mij om en mompel binnensmonds
wat wij elkaar ook deze keer niet zeiden.

Zelfs voor wie weinig heeft geleerd te hopen
neemt de illusie gaandeweg de wijk.
Weer liggen stad en wereld voor mij open;

maar liefste, ik zie enkel, wáar ik kijk,
in elke winkelruit een vreemde lopen
op wie ik sinds je weggegaan bent lijk.

 

 

 

Rawie
Jean Pierre Rawie (Scheveningen, 20 april 1951)

 

De Amerikaanse schrijver, essayist en criticus Steven Michael Erickson werd geboren op 20 april 1950 in Los Angeles. Ericson schrijft regelmatig voor tijdschriften als Esquire, Elle en Rolling Stone. Hij is uitgever van het literaire blad Black Clock.

 

Werk o.a.: Tours of the Black Clock (1989), Leap Year (1989), Arc d'X (1993), American Nomad (1997), The Sea Came In At Midnight (1999), Zeroville (2007)

Uit: Days Between Stations (1985)

“When Lauren was a small girl, she would stand in the Kansan fields and call the cats. One by one they would come to her through the grass, across which lay the ice of the coming winter; and she could see them in the light of the moon. The shadows of the crossing clouds formed a thousand small dark junctions before her. The glint of the ice was like the glint of the cats' eyes, and that in turn was something like the glint of the stars through the clouds. She herself wondered why they came. They were wild and heeded no one else; their thrashing in the fields did the farmers no good; and Lauren's father hated the howl they invested in the night, like a thousand bleeding babies in the grass. But they came for her and it was certain therefore, because of that, that she was in some way special; and perhaps, she was to wonder twenty years later, they came for the same reason she came to them, which was that it was beautiful to see them, all the crucifixes of shadow and the array of lights like knives, and she was beautiful like that too.

Twenty years later, when she was making love to him, she thought of them, rather than of her husband on his bicycle riding a highway that led away from her. When he was far up inside her she cried a bit and held his black hair, and remembered stroking the fur of the wildest black cat in Kansas.

And then she looked at him in the dark and wondered where he'd come from. And knew he could never tell her, because he didn't know himself. They were both across the borderland of their youth, traveling with visas on the verge of expiration, imperiled by the pending truth of their trespasses.

 

 

Ericson
Steven Erickson (Los Angeles, 20 april 1950)

 

De Finse schrijver Arto Paasilinna werd geboren op 20 april 1942 in Kittilä in Lapland. Paasilinna is een van de populairste schrijvers van Finland. Hij werkte meer dan tien jaar als journalist voordat hij in 1971 debuteerde als romanschrijver. In 1975 brak hij door met de inmiddels verfilmde roman Haas, waarvoor hij in 1994 de Italiaanse GiuseppeAcerbiprijs en de Franse Literatuurprijs ontving. Zijn romans zijn vertaald in achttien talen, waaronder het Duits, Frans, Italiaans, Portugees en Japans. In 2001 verscheen in Nederland de vertaling van de roman De huilende molenaar, in 2002 verscheen De gifkokkin, in 2004 De zelfmoordclub en in 2005 Wees genadig.

Uit: Die Giftköchin

„Durch diese tröstlichen Informationen erleichtert, nahm Linnea ein heisses Bad und ging dann zu Bett. Jaakko Kivistö brachte ihr den Abendtee aufs Zimmer und wünschte ihr eine gute Nacht. Als er sich entfernte, dachte Linnea bei sich, dass Jaakko doch tatsächlich alt geworden sei, aus dem früher hochgewachsenen Mann und von den besseren Kreisen bevorzugten Arzt war ein Opa geworden, der vorsichtige Schritte macht und sich irgendwie tastend zum Leben verhielt.

Ein Kavalier war er allerdings immer noch, und Linnea verspürte Dankbarkeit und auch eine gewisse Wärme für ihn. An Jaakko schien sich die Richtigkeit der Behauptungen zu beweisen, dass Männer nicht so lange leben wie Frauen.
Eigentlich ziemlich traurig, dachte Linnea mitleidig, während sie dem alten Arzt nachsah. Wenn es Mattila gelänge, für das Haus in Harmisto einen guten Käufer zu finden, könnte sie zur Freude des alten Mannes bei ihm in dieser grossen Wohnung bleiben, zumindest vorläufig. Während Linnea im Helsinkier Stadtteil Töölö den tiefen Schlaf eines müden, alten Menschen schlief, war auch in Harmisto der Abend hereingebrochen“.

 

 

paasil_b
Arto Paasilinna (
Kittilä, 20 april 1942)

 

 

19-04-07

Manuel Bandeira, Pierre-Jean de Béranger, norbert c. kaser, Gudrun Reinboth, Stefan Schütz


De Braziliaanse dichter, schrijver en vertaler Manuel Carneiro de Souza Bandeira Filho werd geboren op 19 april 1886 in Recife. Hij schreef meer dan twintig boeken met gedichten en proza. In 1904 werd bij hem tbc geconstateerd en verhuisde hij naar Rio de Janeiro vanwege het gunstiger klimaat. In 1922, na een langdurig verblijf in Europa, waar hij veel bekende schrijvers en schilders ontmoette, droeg hij politieke en sociaal kritische gedichten bij aan de modernistische beweging in São Paulo. Bandeiro publiceerde zijn belangrijkste werk vanaf 1924. Hij werd een zeer gerespecteerde Braziliaanse schrijver die ook veel artikelen in kranten en tijdschriften publiceerde. Daarnaast doceerde hij Spaanse literatuur in Rio de Janeiro. In 1956 begon Bandeira met het vertalen van klassieke werken uit de literatuur in het Portugees.

 

 

A Estrela

 

Vi uma estrela tão alta,
Vi uma estrela tão fria!
Vi uma estrela luzindo
Na minha vida vazia.

Era uma estrela tão alta!
Era uma estrela tão fria!
Era uma estrela sozinha
Luzindo no fim do dia.

Por que da sua distância
Para a minha companhia
Não baixava aquela estrela?
Por que tão alto luzia?

E ouvi-a na sombra funda
Responder que assim fazia
Para dar uma esperança
Mais triste ao fim do meu dia.

 

 

 

The star

 

I saw a so high star

I saw a so cold star

I saw a shining star

In my empty life.

 

It was a so high star

It was a so cold star

It was a lonely star

Shining in the end of the day.

 

Why that so distant star

Didn't come down

To make me company?

Why did it shine so high?

 

And I listen to it in the deep shadow

Answering that it behaved this way

In order to give a sadder hope

To the end of my day.

 

 

 

 

Belo Belo

 

Belo belo belo,
Tenho tudo quanto quero.

Tenho o fogo de constelações extintas há milênios.
E o risco brevíssimo - que foi? passou - de tantas estrelas cadentes.

A aurora apaga-se,
E eu guardo as mais puras lágrimas da aurora.

O dia vem, e dia adentro
Continuo a possuir o segredo grande da noite.

Belo belo belo,
Tenho tudo quanto quero.

Não quero o êxtase nem os tormentos.
Não quero o que a terra só dá com trabalho.

As dádivas dos anjos são inaproveitáveis:
Os anjos não compreendem os homens.

Não quero amar,
Não quero ser amado.
Não quero combater,
Não quero ser soldado.

- Quero a delícia de poder sentir as coisas mais simples.

 

 

 

 Nice, Nice

 

 Nice, nice, nice

 I have everything I want

 

 I have the fire of constellations

 Extinct millennia ago.

 And the over-short trace

 What's that? It is over!

 For so many cadent stars

 Dawn dims, and I retain

 The most pure tears of the dawn.

 

 The day comes, and day on

 I keep possessing

 The great secret of death.

 

 Nice, nice, nice

 I have everything I want

 

 I don't want ecstasy nor torments

 I don't want something which

 Earth gives only by working,

 

Gifts from angels are useless

Angels cannot understand men.

 

 I don't want to love,

 I don't want to be loved

 I don't want to fight

 I don't want to be a soldier

 I want the pleasure of being able to feel

 The most simple things...

 

 

 

Vertaald door Mirna Rubim

 

 

 

Bandeira
Manuel Bandeira (19 april 1886 – 13 oktober 1968)

 

De Franse dichter en schrijver van liedteksten Pierre-Jean de Béranger werd geboren op 19 april 1780 in Parijs. In 1813 werd hij op slag beroemd met het chanson Le Roi d'Yvetot, een loflied op een goedmoedige en vreedzame dorps-“koning” , een sympatieke tegenfiguur van de altijd oorlog voerende en dictaoriale Napoleon. Toen Béranger in 1821 een tweede bundel verzamelde gedichten publiceerde werd deze verboden en moest hij voor korte tijd de gevangenis in, iets wat zijn aanzien enorm vergrootte. De in 1825 verschenen Chansons nouvelles maakten van hem de populairste dichter van zijn tijd en bij alle lagen van de bevolking. Toen hij in 1828, na het verschijnen van de Chansons inédites opnieuw de gevangenis in moest, nu wegens majesteitsschennis, regende het protesten uit heel Europa, zo geliefd was hij intussen ook buiten Frankrijk geworden.

Mon habit

Sois-moi fidèle, ô pauvre habit que j'aime !
Ensemble nous devenons vieux.
Depuis dix ans, je te brosse moi-même,
Et Socrate n'eut pas fait mieux.
Quand le sort à ta mince étoffe
Livrerait de nouveaux combats,
Imite-moi, résiste en philosophe :
Mon vieil ami, ne nous séparons pas.

Je me souviens, car j'ai bonne mémoire,
Du premier jour où je te mis.
C'était ma fête, et pour comble de gloire,
Tu fus chanté par mes amis ;
Ton indigence, qui m'honore,
Ne m'a point banni de leurs bras.
Tous ils sont prêts à nous fêter encore :
Mon vieil ami, ne nous séparons pas.

A ton revers, j'admire une reprise :
C'est encore un doux souvenir.
Feignant un soir de fuir la tendre Lise,
Je sens sa main me retenir.
On te déchire, et cet outrage
Auprès d'elle enchaîne mes pas.
Lisette a mis deux jours à tant d'ouvrage :
Mon vieil ami, ne nous séparons pas.

Y'ai-je imprégné des flots de musc et d'ambre
Qu'un fat exhale en se mirant !
M'a-t-on jamais vu dans une antichambre
T'exposer au mépris d'un grand ?
Pour des rubans, la France entière
Fut en proie à de longs débats.
La fleur des champs brille à ta boutonnière :
Mon vieil ami, ne nous séparons pas.

Ne crains plus tant ces jours de courses vaines
Où notre destin fut pareil :
Ces jours mêlés de plaisirs et de peines,
Mêlés de pluie et de soleil.
Je dois bientôt, il me le semble,
Mettre pour jamais habit bas.
Attends un peu ; nous finirons ensemble :
Mon vieil ami, ne nous séparons pas.

 

 

 

Beranger
Pierre-Jean de Béranger (19 april 1780 – 16 juli 1857)

 

De Zuidtiroolse dichter norbert c. kaser (eig. Norbert Conrad Kaser) werd geboren op 19 april 1947 in Brixen. In 1961 begon hij aan het gymnasium in Bruneck, maar hij maakte de school niet af. Hij werkte tijdelijk als leraar en schreef zijn eerste gedichten. In 1968 trad hij in Bruneck bij de paters Capucijnen in, maar na een jaar verliet hij het klooster weer. Hij haalde alsnog zijn gymnasiumdipkoma en begon aan een studie kunstgeschiedenis aan de universiteit van Wenen. Ook deze studie voltooide hij niet. Hij verving hier en daar een tijd docenten en ondernam in 1972-1973 verschillende reizen, o.a. naar Venetië en Barcelona. Hij kreeg gezondheidsklachten door zijn drankmisbruik en werd verschillende keren opgenomen. In 1976 trad hij toe tot de communistische partij van Italië en trad hij uit de katholieke kerk.

 

st. sebastian

sie haben ihn eingezogen

mit langem haar

das haben sie ihm rattenkurz

geschnitten

da ist er

ihr spott geworden & ueberhaupt

hat er nicht getan wie

sie

geflucht gehurt das pferd

zu tod geritten

einmal jagten alle uebers

feld

den feind erschlagen

keinen hat er
ueber sich

gebracht

& war bleich im gesicht

ihre wangen waren rot

vor blut & bier & wein:

sie nehmen ihn binden ihn

& schießen auf ihn ein

mit der nacht kommen

engel seine todeswunden

lecken

 

 

kloster (I)

aus den schalloechern

der ursulinen

toent es zur

vierzigstuendigen

anbeterei

eine frau

die in den lippen

rasch blaettert

ein bessrer film

fuer altweiber mit tuch

massive suende draus

in den faschingsgassen

weihrauch

harmonium

stinkgas

zischen um kirchbankplaetze

in zweierreih

schweben die klosterfraun

durchs schiff

geschluckter husten

eine frau

die in den lippen

schnell rosenkranz

blaettert

die rente sinkt

kaffee steigt

der bettnaessende neffe

der geliebte

fault wie kraut

die haarnadel sticht

& Die da Die da

ist eine schlange

vor mir

gib der mission licht

& den heiden

& geld

beim letzten glockenschlag

flattert

atemkurz

der diensthabende

kapuziner ein

den leib des HERRN

enthuellen

& sanften worts

die seel zu fuellen

amen

 

 

 

kaser1
n. c. Kaser
(19 april 1947 – 21 augustus 1978)

 

De Duitse schrijfster en dicteres Gudrun Reinboth werd geboren op 19 april 1943 in Berlijn. Zij groeide op in Gießen en Murten en studeerde kunstgeschiedenis en germanistiek in Bern. Na haar studie keerde zij naar Duitsland terug en werkte voor verschillende wetenschappelijke bibliotheken. Daarnaast schreef zij voor kranten en tijdschriften. Uiteindelijk begon zij gedichten en verhalen voor volwassenen te schrijven. Tegenwoordig schrijft zij vooral jeugdboeken.

beginn eines abschieds

du erwachsener sohn
wie du gehst wie du kommst
wie dein lächeln weit wird beim
anblick der mutter
wie unsere augen
nichts sagen wollen als
freude da bist du

aber
probeweis legt sich die
ferne schon
zwischen uns

ich lach dir zu reich dir
die bücher den koffer
noch
kommst du ja wieder

tief in mir regt sich
ein dunkler Gast

 

 

 

Reinboth
Gudrun Reinboth (Berlijn, 19 april 1943)

 

De Duitse schrijver Stefan Schütz werd geboren op 19 april 1944 in Memel. Hij studeerde af aan de toneelschool in Oostberlijn en werkte eerst als acteur aan het theater Neustrelitz en aan het Landestheater Halle tot hij in 1968 met schrijven begon.

 

Werk o.a. Fabrik im Walde (1972) , Antiopi und Theseus (Die Amazonen)(1973), Ikarus und Daedalus und kein Ende (1980), Medusa (1986), Galaxas Hochzeit (1993)

 

Uit: Peyotè (2001)

 

"So so, du warst schon öfter hier... Jedes Jahr in den letzen sieben Jahren!... Deine zweite Heimat! Nein, beim besten Willen auch, führen kann ich dich nicht zurück nach Banff. Nicht gegen Geld und gute Worte, denn deine "Zweite Heimat" hat scheints beschlossen, dich auf die Wartebank zu schieben. Am besten, du trennst dich von deiner Armbanduhr... Wenn du nicht willst, dann lass es bleiben... Was hast du? Rieche ich dir zu streng oder erträgsr du nur schwerlich meinen Anblick... Ach, wo du seiest. Oh, weit, sehr weit weg... Im Grunde ganz nah etwa eine Handbreit entfernt von der Nahtstelle, vor der jedes weiße Ethnologenhirn zu scheuen beginnt... Ich sehe wohl, das du kein Ethnologe bist und trotzdem stockt dirs Herz vor meiner zahngelückten, nach Gin stinkenden und schmutzbefallenen Gesellschaft. Stimmts, oder habe ich recht... Du schüttelst den Kopf, mein Freund, aber mit geschlossenen Augen sehe ich was du wirklich denkst: Dieser alte, heruntergekommene indianische Bastard ist es nicht wert, daß man seine Zeit an ihm verschwendet...Wie, ich täte dir Unrecht, du seiest als Freund gekommen , oh heiliger Stechapfelzauber sag nur noch du hättest den Adler gesehen und seine Spirale in den Himmel verfolgt... Dann hast du bestimmt auch den reinigenden Rauch von Sweetgras über dich geworfen, die Zeder im Haus benutzt, um böse Geister zu vertreiben, Peyotè gekaut und Tabak geraucht... Oh großer Manitu..."

 

 

 

sschuetz
Stefan Schütz (Memel 19 april 1944)

 

 

18-04-07

Thomas Middleton, Richard Harding Davis, Henry Kendall, Udo Werner Steinberg


De engelse schrijver Thomas Middleton werd in Londen geboren en daar gedoopt op 18 april 1580. Rond 1600 schreef Middleton zijn eerste bekende stuk, waarvoor hij ook veel waardering kreeg: Penniless Parliament of Threadbare Poets. In dezelfde tijd schreef hij aan Admiral's Men.

In tegenstelling tot Shakespeare bleef hij een onafhankelijk schrijver die voor iedereen schreef die hem daarvoor betaalde. In 1803 trouwde hij. In hetzelfde jaar brak de pest uit in Londen, wat er toe leidde dat alle theaters werden gesloten. James I besteeg de troon. Al deze gebeurtenissen markeren het begin van Middletons vruchtbaarste scheppingsperiode. In deze tijd ontstonden stukken als City Comedy en The Revenger's Tragedy. Grote bekendheid verwierf Middleton met zijn allegorie A Game at Chess uit 1624 dat gespeeld werd door de King's Men.

Het stuk toonde de intriges aan het Spaanse hof en mocht na de negende voorsteling wegens klachten van de Spaanse ambassadeur niet meer gespeeld worden.

Uit: No Wit, No Help like a Woman's

Prologue

How is't possible to suffice
So many ears, so many eyes?
Some in wit, some in shows
Take delight, and some in clothes:
Some for mirth they chiefly come,
Some for passion, for both some;
Some for lascivious meetings, that's their arrant;
Some to detract, and ignorance their warrant.
How is't possible to please
Opinion toss'd in such wild seas?
Yet I doubt it not, if attention
Seize you above, and apprehension
You below, to take things quickly,
We shall both make you sad and tickle ye.

 

Love for Such a Cherry Lip

 

LOVE for such a cherry lip

   Would be glad to pawn his arrows;

Venus here to take a sip

   Would sell her doves and teams of sparrows.

      But they shall not so;

         Hey nonny, nonny no!

      None but I this lip must owe,

         Hey nonny, nonny no!

Did Jove see this wanton eye,

   Ganymede must wait no longer;

Phoebe here one night did lie,

   Would change her face and look much younger.

      But they shall not so;

         Hey nonny, nonny no!

      None but I this lip must owe;

         Hey nonny, nonny no!

 

 

MIDDLETON
Thomas Middleton (18 april 1580 – 4 juli 1627)

 

De Amerikaanse journalist en schrijver Richard Harding Davis werd geboren op 18 april 1864 in Philadelphia. Hij volgde een opleiding aan de Lehigh University en de Johns Hopkins. Hij schreef romans en drama. Als journalist werd hij beroemd door zijn verslagen over de Spaans – Amerikaanse oorlog, de Boerenoorlog en WO I.

 

Uit: The King’s Jackal

 

“The private terrace of the Hotel Grand Bretagne, at Tangier, was shaded by a great awning of red and green and yellow, and strewn with colored mats, and plants in pots, and wicker chairs. It reached out from the Kings apartments into the Garden of Palms, and was hidden by them on two sides, and showed from the third the blue waters of the Mediterranean and the great shadow of Gibraltar in the distance.

 

The Sultan of Morocco had given orders from Fez that the King of Messina, in spite of his incognito, should be treated during his stay in Tangier with the consideration due to his rank, so one-half of the Hotel Grand Bretagne had been set aside for him and his suite, and two soldiers of the Bashaw's Guard sat outside of his door with drawn swords. They were answerable with their heads for the life and safety of the Sultan's guest, and as they could speak no language but their own, they made a visit to his Majesty more a matter of adventure than of etiquette.

 

Niccolas, the King's majordomo, stepped out upon the terrace and swept the Mediterranean with a field-glass for the third time since sunrise. He lowered it, and turned doubtfully toward the two soldiers.

 

"The boat from Gibraltar--has she arrived yet?" he asked.

 

The two ebony figures shook their heads stiffly, as though they resented this introduction of a foreign language, and continued to shake their heads as the servant addressed the same question to them in a succession of strange tongues.”

 

 

 

Harding
Richard Harding Davis (18 april 1864—11 april 1916)

 

De Australische dichter Henry Kendall werd geboren op 18 april 1839 in Milton. Na twee jaar walvisvaart keerde hij in 1862 terug naar Sidney en publiceerde zijn eerste gedichtenbundel Poems and Songs. Hij verhuisde naar Melbourn in 1868 na zijn huwelijk en zijn tweede bundel, Leaves from Australian Forests, verscheen er in 1869. Zijn gebrek aan succes en de dood van zijn dochter dreven hem tot alcoholisme en hij werd verschillende keren opgenomen in een ontwenningskliniek. Uiteindelijk genas hij, keerde bij zijn vrouw terug en kreeg toch nog succes met zijn laatste bundel Songs from the Mountains uit 1880

 

PREFATORY SONNETS

     

 I


I purposed once to take my pen and write,

   Not songs, like some, tormented and awry

   With passion, but a cunning harmony

Of words and music caught from glen and height,

And lucid colours born of woodland light

   And shining places where the sea-streams lie.

But this was when the heat of youth glowed white,

   And since I've put the faded purpose by.

I have no faultless fruits to offer you

   Who read this book; but certain syllables

   Herein are borrowed from unfooted dells

And secret hollows dear to noontide dew;

And these at least, though far between and few,

   May catch the sense like subtle forest spells.



      II


So take these kindly, even though there be

   Some notes that unto other lyres belong,

   Stray echoes from the elder sons of song;

And think how from its neighbouring native sea

The pensive shell doth borrow melody.

   I would not do the lordly masters wrong

   By filching fair words from the shining throng

Whose music haunts me as the wind a tree.

   Lo, when a stranger in soft Syrian glooms

Shot through with sunset, treads the cedar dells,

And hears the breezy ring of elfin bells

   Far down be where the white-haired cataract booms,

He, faint with sweetness caught from forest smells,

   Bears thence, unwitting, plunder of perfumes.

 

 

 

Kendall
Henry Kendall
(18 april 1839 – 1 augustus 1882)

 

De Duitse schrijver Udo Werner Steinberg werd geboren op 18 april 1913 in Neurode. In 19312 werd hij lid van de communistische partij en van de socialistische scholierenbond. Ook publiceerde hij al eerste literaire teksten in linkse tijdschriften. In 1934 volgde hij in Hirschberg een opleiding tot leraar. Daar richtte hij een illegale groep op om verzet te plegen tegen het nazi-regime. Hij werd door de Gestapo gearresteerd en werd tot drie jaar jeigdgevangenis veroordeeld. In de eerste naoorlogse jaren was Steinberg medewerker van het Schwäbische Tagblatt en bij het socialistische jongerenblad Zukunft. Al in 1945 was hij weer lid geworden van de communistische partij. Naast zijn journalistieke werk schreef hij romans die echter in de Bondrepubliek vaak moeizaam gepubliceerd konden worden of werden geweigerd. Na het verbod op de KPD in 1956 besloot Steinberg in de DDR te gaan wonen. Daar kon hij op zo’n gunstige condities van de uitgeverijen werken dat hij zich volledig op het schrijven van romans kon concentreren.

 

Uit: Der Tag ist in die Nacht verliebt

 

„In Paris findet Heine einen Brief von jenem Marx, der, wie die Gazetten berichten, von der preußischen Regierung ausgewiesen wurde und nun in Paris Asyl gesucht hat. Man sollte ihn sehen. Er diktiert dem Sekretär ein paar einladende Zeilen.

Pünktlich stellt sich Marx ein, ein junger Mann Mitte Zwanzig. Das Gesicht ist umrahmt von pechschwarzem Bart, wehendes schwarzes Haupthaar darüber.

»Ich hätte Sie nicht gebeten, wären Sie mir nicht von der preußischen Regierung so heftig empfohlen worden«, sagt Heine.

Marx lacht auf, und schon ist ein Einverständnis hergestellt, freilich nur, was die gemeinsame Feindschaft gegen die Gewaltherrschaft Preußens betrifft.

»Ich preise das Schöne in der Welt<<, sagt Heine, »nur daher die Feindschaft gegen alle Unterdrückung. Ich will eine Welt der Schönheit, ihr aber erstickt das Schöne in einer roten Revolutionsflut! «

Marx widerspricht. Aber Heine zuckt die Schultern: »Lieber Marx, sehen Sie Ihre Freiheitsdichter! Jetzt, wo es gegen den gemeinsamen Feind geht, werde ich sie gewiß nicht öffentlich angreifen, aber um nichts in der Welt möchte ich mir die Zinnen einer Partei mit so schlechten Versen erkaufen.«

Marx versteht gleich, worauf er anspielt. Natürlich ist Freiligrath gemeint.

Er sagt: »Herr Heine, lassen Sie doch die ewige Liebesnörgelei und zeigen Sie den politischen Dichtern einmal, wie man das richtig macht ‑ mit der Peitsche!«

 

 

 

Steinberg
Udo Werner Steinberg (18 april 1913 – 25 april 1992)