31-01-07

Norman Mailer, Anna Blaman, Alfred Kossmann, Benoîte Groult, Stefan Beuse, Marie Luise Kaschnitz, Kenzaburo Oe, John 'O Hara, Anthony Winkler Prins, Maria Elisa Belpaire


De Amerikaanse schrijver Norman Mailer werd op 31 januari 1923 in Long_Branch, New Jersey geboren, als zoon van arme joodse ouders. Hij groeide op in Brooklyn, studeerde aan Harvard University en mocht na het behalen van zijn graad als ingenieur in luchtvaarttechniek de infanterie van het leger gaan versterken. De laatste twee jaren van de oorlog vocht hij mee tegen de Japanners in de Pacific. Daar nam hij zich voor dat hij dé kroniekschrijver van deze oorlog zou worden. In 1948 maakte hij die pretentie waar met de roman The Naked and the Dead. Het succes ervan was zo overweldigend dat de 25-jarige auteur, zoals hij later schreef, er geheel door ontregeld werd. 'Het was of ik plotseling in een ander land terecht was gekomen.' In Advertisements For Myself (1959) schreef hij over zijn ervaringen in de turbulente jaren na de oorlog: zijn huwelijken en scheidingen, zijn steun aan linkse politici en zijn experimenten met drugs. In de jaren zestig en zeventig publiceerde hij nog wel enkele romans, zoals An American Dream (1965) en Why Are We In Vietnam? (1967), maar meer succes had hij met zijn reportages in de stijl van de New Journalism.

Uit: The Castle in the Forest

“Enough! Let me present Heinrich Himmler. You, the reader, must be prepared for no easy occasion. This man, whose nickname, behind his back, was Heini, had become by 1938 one of the four truly important leaders in Germany. Yet his most cherished and secret intellectual pursuit was the study of incest. It dominated our highest-level research, and our findings were kept to closed conferences. Incest, Heini would propose, had always been rife among the poor of all lands. Even our German peasantry had been much afflicted, yes, even as late as the nineteenth century. "Normally, no one in learned circles cares to speak of the matter," he would remark. "After all, there is nothing to be done. Who would bother to call some poor wretch a certified offspring of incest? No, every establishment of every civilized nation looks to sweep such stuff under the rug."

 

Mailer
Norman Mailer (Long_Branch, 31 januari 1923)

 

De Nederlandse schrijfster Anna Blaman werd geboren op 31 januari 1905 te Rotterdam. Haar echte naam was Johanna Petronella Vrugt. Blaman studeerde Frans alvorens zich aan haar schrijversloopbaan te wijden. Zij vestigde haar naam in 1941 met Vrouw en vriend. Enige jaren later, in november 1948, verscheen Eenzaam avontuur, dat wegens homoseksueel getinte passages een langduring schandaal veroorzaakte. Als hoogtepunt van dit publieke schandaal werd het boek op 8 februari 1949 middelpunt van een georganiseerd schijnproces. Met Eenzaam avontuur, dat fel werd aangevallen door de Nederlandse reformatorische en katholieke pers, vestigde Blaman haar naam definitief. In 1956 ontving ze voor Op leven en dood een literatuurprijs van de gemeente Amsterdam. Eveneens in 1956 kreeg ze de P.C. Hooftprijs voor haar gehele oeuvre.

 

Uit: Op leven en dood (1954)

 

“Z'n maag woelde in zijn lichaam, hij kokhalsde van walging en hij steunde zacht en zonder het zelf te merken. Hij dacht nog: doodgaan is moeilijk, verschrikkelijk, vooral voor een mens. En toen zag hij grijze beweeglijke draden voor z'n ogen spannen, in 't begin een doorzichtig net, en in z'n oren begon een zoemtoon die hem doof maakte. Hij dacht niet meer, hij zag beelden over doodgaan voor z'n geest. Een vlieg die je doodsloeg, een hond die een strichninespuitje kreeg en doodviel als door de bliksem getroffen en een mens die moeilijk lag dood te gaan, uren, misschien wel maanden of jaren, hij wist het niet meer. Alles deed hem pijn, alles walgde in hem, het was alsof z'n hersens in zijn hoofd bewogen en alsof zijn maag in z'n lichaam schommelde, en het net voor z'n ogen, grijze draden, werd zwaarder en donkerder. Hij dacht toen plotseling nog, moeilijk, het was alsof z'n hoofd scheurde en verpletterd werd onder zware mokerslagen: Hoe is me dat nu toch overkomen? Hij wist het niet meer, hij kwam uit een volslagen niets en daar viel hij weer in terug. En het gas stroomde maar door, en het electrische licht bleef maar branden. Alles ging door in dat huis, in heel de wereld, er was niets van belang dat ook maar even op een schokkende manier uit de maat raakte, niets- binnen de beperkte menselijkheid, maar volmaakt vervullend”

 

 

 

blaman
Anna Blaman (31 januari 1905 - 13 juli 1960)

 

Alfred Kossmann werd geboren op 31 januari 1922 in Leiden, maar hij groeide op in Rotterdam, waar zijn vader directeur was van de gemeentelijke bibliotheek. Hij zat een tijdje op het Erasmiaans Gymnasium. Daarna ging hij werken, eerst bij een boekhandel en later bij verschillende uitgeverijen. In de Tweede Wereldoorlog dook hij aanvankelijk onder, om aan de Arbeidseinsatz te ontkomen, maar hij werkt gepakt en tewerkgesteld in Duitsland, samen met zijn tweelingbroer, de later zo beroemde historicus Ernst Kossmann. Deze ervaringen verwerkte hij later in de roman De nederlaag (1950). Na de oorlog werkte hij hoofdzakelijk bij uitgeverijen, terwijl hij daarnaast een indrukwekkend oeuvre bij elkaar schreef.

 

De goochelaar spreekt

 

Dit verfoeilijke bestaan!

Ik vecht iedere avond in schelle nood

Met handen en voeten

Voor de illusie van een surplus,

Voor de waan dat ik aldus

De stap maak van ons naakte vergaan

Naar het onvolgbare, naar het volmaakte,

Naar het groot vanzelf,

Maar de tien ballen, die ik in mijn mantel verberg,

Worden geen elf,

En de bloemen van ganzeveer en lood

Die ik triomfant

Voortover uit het graf van mijn kleed, van mijn hand,

Al het dode dat ik aanraak met mijn staf,

Blijft dood.

 

 

 

 

kossmann
Alfred Kossmann
(31 januari 1922 - 27 juni 1998)

 

Benoîte Groult werd geboren op 31 januari 1920 in Parijs. Zij is een van de belangrijkste schrijfsters van Frankrijk. Eind jaren tachtig brak ze internationaal door met de bestseller Zout op mijn huid. In Nederlandse vertaling verschenen ook haar romans Een eigen gezicht en Het leven zoals het is, en haar memoires Mijn ontsnapping. Samen met haar zus Flora Groult schreef ze de romans Anne en Isabelle en Dagboek voor vier handen.

 

Uit:  La touche étoile

 

« _Tout est fou dans ce pays, dit Brian, "L'irlande c'est une névrose" a écrit un de nos poètes , je ne saurai plus lequel, il yen a tant...
_Ils auraient tous pu écrire ça ! , rien de tel que les écrivains irlandais pour dire du mal de l'Irlande.
_Et  pour ne jamais s'en guérir pourtant.
_Si tu veux mon avis Brian, c'est à un sorcier qu'il faudrait demander  une expliquation.Comment  comprendre que votre Saint  Patrick se soit embarqué sur une auge de  pierre pour aller évangéliser l'Europe  ?
Les vikings avaient déjà des drakkars et ce moine gaélique a été choisir une auge de granite... Une idée de  fou !  ...
_Au contraire, déclare Brian , vous autres, du pays de Descartes, vous ne comprendrez jamais l'Irlande. Et  saint Patrick  savait que c'est la foi qui fait  flotter !  Ils manquaient de bois pour construire un bâteau, d'expérience pour naviguer, mais de la foi ils en avaient à revendre.Ils ont utilisé  le matériau  qu'ils trouvaient sur place  !  Et  tu connais le résultat... les abbayes fondées en France, Jumièges, Saint Gall en Suisse, beaucoup d'autres. »

 

 

 

GROULT
Benoîte Groult (Parijs, 31 januari 1920)

 

De Duitse schrijver Stefan Beuse werd geboren op 31 januari 1967 in Münster. Na zijneindexamen gymnasium werkte hij voor een reclamebureau, schreef teksten, maar werkte ook als literair criticus voor Die Zeit en Die Welt. IN 1998 ontving hij de Literaturförderpreis der Stadt Hamburg, 1999 de Preis des Landes Kärnten bij de Ingeborg-Bachmann-Wettbewerb in Klagenfurt en de GWK-Literaturförderpreis. In 2005 was hij Writer in residence aan de Cornell University in Ithaca, New York.

 

Werk o.a: Ultramarin(1996), Wir schießen Gummibänder zu den Sternen (1997), Auf Augenhöhe mit dem Lauf der Dinge (2000), Gebrauchsanweisung für Hamburg (2001), Lautlos – sein letzter Auftrag (2004)

 

Uit: Die Nacht der Könige (2002)

 

"In der Luftdrucktabelle las er 2,2 für die Hinterachse und 2,0 für vorne. Winter nahm das Messgerät vom Stutzen, drehte die Ventilkappe des rechten Vorderreifens ab und setzte das silberne Rohr an. Der Zeiger sprang auf 1,8. Winter drückte die Plustaste. Mit einem gequälten Zischen presste sich Luft in den Reifen. 2,0. 2,2. 2,4. Kurz dachte er daran, den Reifen platzen zu lassen; er fragte sich, wie viel Druck dazu notwendig wäre und wie so ein aus der Form geratener Reifen wohl aussehen würde, wie dünn das Gummi werden musste, bevor es reißen würde, doch dann ließ er die überschüssige Luft wieder ab und schraubte das Ventil zu. Er wollte mit dem Messgerät in der Hand gerade zum nächsten Reifen gehen, als ihm schwarz vor Augen wurde. Winter spürte, wie ihm die Luft wegblieb, nicht jetzt, dachte er und ließ sich gegen den Wagen fallen, dreiundzwanzig, vierundzwanzig, das Blech brannte in seinem Rücken, er hörte seinen pfeifenden Atem und tastete nach dem Inhalator."

 

 

beuse
Stefan Beuse (Münster,  31 januari 1967)

 

Marie Luise Kaschnitz werd geboren als Marie Luise von Holzing-Berslett op 31 januari 1901 in Karlsruhe. Zij nam de familienaam van haar echtgenoot, die 'von Kaschnitz-Weinberg' heette, gedeeltelijk over. Marie Luise Kaschnitz behoorde tot een generatie Duitse auteurs die in de jaren 1930 hun literaire activiteiten aanvatten, en eensklaps geconfronteerd werden met de Tweede Wereldoorlog; de Trümmerliteratur-auteurs waren ofwel metafysische nihilisten, ofwel zochten ze hoop in hun geloof. Kaschnitz behoorde tot die laatste groep. Haar dichtbundel Totentanz und Gedichte zur Zeit beschrijft uitvoerig de vernietiging die de oorlog had aangericht, maar in latere werken besteedde ze veel aandacht aan zuiderse landschappen; Kaschnitz koos resoluut voor een terugkeer naar vormelijk uitgebalanceerde poëzie.

Hiroshima

Der den Tod auf Hiroshima warf
Ging ins Kloster, läutet dort Glocken.
Der den Tod auf Hiroshima warf
Sprang vom Stuhl in die Schlinge, erwürgte sich.
Der den Tod auf Hiroshima warf
Fiel in Wahnsinn, weht Gespenster ab
Hunderttausend, die ihn angehen nächtlich
Auferstandene aus Staub für ihn.

Nichts von alledem ist wahr.
Erst vor kurzem sah ich ihn
Im Garten seines Hauses vor der Stadt.
Die Hecken waren noch jung und die Rosenbüsche zierlich.
Das wächst nicht so schnell, dass sich einer verbergen könnte
Im Wald des Vergessens. Gut zu sehen war
Das nackte Vorstadthaus, die junge Frau
Die neben ihm stand im Blumenkleid
Das kleine Mädchen an ihrer Hand
Der Knabe der auf seinem Rücken saß
Und über seinem Kopf die Peitsche schwang.
Sehr gut erkennbar war er selbst
Vierbeinig auf dem Grasplatz, das Gesicht
Verzerrt von Lachen, weil der Photograph
Hinter der Hecke stand, das Auge der Welt

 

 

 

KASCHNITZ
Marie Luise Kaschnitz (31 januari 1901 – 10 oktober 1974)

 

De Japanse schrijver Kenzaburo Oe werd op 31 januari 1935 geboren in het dorp Oso op het eiland Shikoku. Toen WO II uitbrak ging dit gepaard met militaristische scholing en de Japanse nederlaag bracht een enorme verandering. Plotsklaps werd democratie gedoceerd en dit beïnvloedde Oe zeer. Hij ging studeren aan de universiteit van Tokio aan het Department of French Literature. Tijdens zijn studie begon hij te schrijven. Zijn eerste werk beschrijft de verwoestende invloed van oorlog op het rurale leven en de schaduw die de Amerikaanse bezetting werpt op het leven van jongeren in de stad. In 1963 werd zijn geestelijk gehandicapte zoon geboren en dit vormde een ommekeer in Oe's leven en werk. Zijn meest bekende roman "A Personal Matter" uit 1964 handelt over de langzame acceptatie van zijn gehandicapte zoon. Dit is een thema dat ook in zijn latere werk voorkomt. In 1994 ontving hij de Nobelprijs voor literatuur.

 

Uit: Teach Us to Outgrow Our Madness (Short stories)

Prize Stock

“When I woke up, fecund morning light was slanting through every crack in the slat walls, and it was already hot. My father was gone. So was his gun from the wall. I shook my brother awake and went out to the cobblestone road without a shirt. The road and the stone steps were awash in the morning light. Children squinting and blinking in the glare were standing vacantly or picking fleas out of the dogs or running around and shouting, but there were no adults. My brother and I ran over to the blacksmith's shed in the shade of the lush nettle tree. In the darkness inside, the charcoal fire on the dirt floor spit no tongues of red flame, the bellows did not hiss, the blacksmith lifted no red-hot steel with his lean, sun-blackened arms. Morning and the blacksmith not in his shop - we had never known this to happen. Arm in arm, my brother and I walked back along the cobblestone road in silence. The village was empty of adults. The women were probably waiting at the back of their dark houses. Only the children were drowning in the flood of sunlight. My chest tightened with anxiety.”

 

Oe3
Kenzaburo Oe (Oso, 31 januari 1935)

 

De Amerikaanse schrijver John 'O Hara werd geboren op 31 januari 1905 in Pottsville, Pennsylvania. Hij was in de eerste plaats een schrijver van korte verhalen (hij schreef er zo'n vierhonderd, waaronder tientallen absolute meesterwerken), maar zijn naam bij het grote publiek vestigde hij met een roman, zijn eerste, Appointment in Samarra, dat in 1934 verscheen.

 

Uit: Selected Short Stories

The Decision

 

“The home of Francis Townsend could have been taken for the birthplace of a nineteenth-century American poet, one of those little white houses by the side of the road that are regarded by the interested as national shrines. In front of the house there was a mounting block and a hitching post, iron, with the head of a horse holding an iron ring, instead of a bit, in its mouth. These, of course, had not been used in the last thirty years, but use did not govern the removal of many objects about the Townsend place. Things were added, after due consideration, but very little was ever taken away.

The Townsend place was on the outskirts of the seacoast village, out of the zone where the sidewalks were paved. In the fall of the year and in the spring, the sidewalk was liable to be rather muddy, and Francis Townsend several times had considered bricking the path-not that he minded the mud, but out of consideration for the female pedestrians. This project he had dismissed after studying the situation every afternoon for a week. He sat by the window in the front room and came to the conclusion that (a) there were not really many pedestrians during the muddy seasons, since there were few summer people around in spring or fall, and (b) the few natives who did use the sidewalk in front of his place were people who had sense enough to be properly shod in muddy weather.”

 

 

OHARA
John 'O Hara (31 januari 1905 - 11 april 1970)

 

De Nederlandse schrijver, dichter en dominee Anthony Winkler Prins werd geboren te Voorst op 31 januari 1817. Hij werkte als doopsgezind predikant te Tjalleberd en Veendam. Zijn naam leeft vooral voor door de door hem geïnstigeerde en samengestelde 'Geïllustreerde encyclopaedie'  Komrij herstelde hem door zijn bloemlezing als dichter in ere.

 

SENTIMENTELE POËZIJ

 

Duizendtallen oceanen
Zijn in 't eindloos wereldmeer
Van mijn bittre weemoedstranen
Slechts een droppel en niets meer.

 

Honderdduizend exterogen
Doen de zwerver minder smart,
Dan het branden van mijn ogen,
En het smachten van mijn hart.

 

Tachtig uitgevaste leeuwen
Om het leger der hijëen,
Kunnen samen nooit zo schreeuwen,
Als ik huil om u alleen!

 

 

Winkler
Anthony Winkler Prins (31 januari 1817 – 4 januari 1908)

 

Maria Elisa Belpaire werd geboren te Antwerpen op 31 januari 1853. Alhoewel het Frans de taal des huizes was, schreef ze op zeventienjarige leeftijd haar eerste Vlaamse verzen. Het beste van haar eerste schetsen en verzen verzamelde ze zelf in "Uit het leven" (1887). Ondertussen was ze onder invloed van Dr. Schaepman uitgegroeid tot een Vlaamsgezinde vrouw en medewerkster geworden van "Dietsche Warande" en "Het Belfort", later samengesmolten tot "Dietsche Warande en Belfort". Mede onder haar impuls en ook door haar financiële steun werd dit "het" Vlaamse literaire tijdschrift.

 

Uit: Terug naar de eenheid

“De oorlog heeft veel in de war gestuurd, veel verwoest, maar ook veel tot stand gebracht. Onder meer, op godsdienstig gebied, is Rome veel meer als eenheidscentrum in reliëf gekomen en het oog der vroeger afgescheurde landen keert zich met iederen dag meer naar de Moeder aller Kerken.

Van oudsher opende Engeland de baan. De heugelijke Oxford - beweging, onder impuls van den grooten Newman, gaf den eersten schok, waarvan de laatste uitwerksels, op verre na, nog niet uitgeput zijn. Wonder is het, die werking van één geest na te gaan, vast te stellen de macht der gedachte in de wereld.

Maanden, jaren, ja eeuwen ligt soms het levens-zaad in den duisteren grond verborgen. Plots ontstaan scheuten, al de voorteekens van een bloeienden oogst. De sluimerende levenskiem der gedachte is vruchtbaar geworden; welig schiet zij op, daar vooral waar zij besproeid werd met martelarenbloed. Dat heeft niet ontbroken in dit England waar de wreedste folteringen de moedige op het vasteland gevormde priesters verwachtten, die zich terug spoedden naar 't eiland hunner geboorte om te beletten dat de vlam van 't geloof er geheel wend uitgedoofd”.

 

 

 

Belpaire
Maria Elisa Belpaire (31 januari 1853 – 9 juni 1948)

 

 

In memoriam A. Moonen


Vorige week woensdag, 24 januari, overleed de schrijver A. Moonen in zijn woonplaats Rotterdam. Moonen noemde zich sinds zijn debuut Stadsgerechten (1978) nadrukkelijk A Punt Moonen. Deze autobiografische verhalenbundel zette de toon voor een oeuvre van zo’n tien boeken, de dichtbundel Gezagsvoerdersverzen (1988) en het toneelstuk De Huwelijksfuik (1997). Hij schreef regelmatig voor het Amsterdamse satirische studentenweekblad Propria Cures.

 

De NRC schreef naar aanleiding van zijn dood:

 

Moonen ontwikkelde een wonderlijk Nederlands zonder lidwoorden. In Naar Portugal staan gekke zinnen zoals: „Nou ben ik in deze buurt onderhand wel aan oerlelijke volwassenen gewend geraakt en bovendien is het met eigen voorkomen ook woekeren.”

Moonens zelfopgelegde eenzaamheid dreef hem naar de marge van de literatuur. Hij vereenzaamde. Na een tijd in Amsterdam te hebben gewoond keerde hij terug naar zijn geboortestad Rotterdam. Zijn jeugdjaren noemde hij ‘verkreukeld’.

 

 
moonen
A. Moonen  (28 augustus 1937 – 24 januari 2007)

 

 

19:51 Gepost door Romenu in In Memoriam | Permalink | Commentaren (0) | Tags: a moonen |  Facebook |

30-01-07

Tijs Goldschmidt, Richard Brautigan, Shirley Hazzard, Hans Erich Nossack, Anton Hansen Tammsaare, Adelbert von Chamisso, Walter Savage Landor


De Nederlandse schrijver Tijs Goldschmidt werd geboren op 30 januari 1953 in Amsterdam. Daar groeide hij ook op,  ging er naar het gymnasium en startte hij zijn studie biologie. Tijdens zijn studie verruilde hij de Amsterdamse Universiteit voor die van Leiden, om opgeleid te worden door leerlingen van de Nobelprijswinnaar Niko Tinbergen. Goldschmidt slaagde zowel voor zijn kandidaats- als voor zijn doctoraalexamen cum laude. Na zijn studie verbleef evolutiebioloog Goldschmidt vijf jaar in Tanzania om in het Victoriameer "furu" te bestuderen. "Furu" zijn kleine baarsachtige vissen, cichliden, die razendsnel opsplitsen in nieuwe soorten en daardoor de droom zijn van elke darwinist. Hij schreef hier een dissertatie over en publiceerde vele artikelen in nationale en internationale tijdschriften.
 
In 1993 gaf Tijs Goldschmidt zijn baan als bioloog aan de Universiteit van Leiden op om zich op het schrijven te gaan richten. In 1994 kreeg hij als schrijver nationale bekendheid met zijn boek "Darwins Hofvijver", een spannend ooggetuigenverslag van zijn onderzoekstijd aan het Victoriameer. Het boek werd in 1995 genomineerd voor de AKO-Literatuurprijs en kreeg in datzelfde jaar de Kijk/Wetenschapsprijs. Ook in het buitenland was het boek een groot succes. In 2000 verscheen de essaybundel "Oversprongen", een koppeling tussen kunst en wetenschap met persoonlijke, vaak tegendraadse observaties. In 2001 ontving Goldschmidt voor "Oversprongen" de Jan Hanlo Essayprijs. Er verschenen meerdere artikelen van zijn hand over kunst. In 2003 hield hij de eerste Stephen Gould lezing met als titel  "De andere linkerkant/ Links en rechts in de evolutie".

 

Uit: Een olifant in de Schwebebahn (2000)

In de trein was het zo druk dat ik aan lezen niet toekwam. Ik las dezelfde zin ten minste zeven maal: ‘... Schlemmers triadisch ballet is eigenlijk een anti-dans, een constructivisme van de dans, zoals alleen door een schilder en beeldhouwer bedacht kon worden. Immers niet meer het menselijk lichaam en zijn bewegingen waren uitgangspunt en dragende kracht van expressie, maar bepaalde figuurlijke vindingen ...’ Ik had me voorgenomen het Bauhausboek waaruit deze zin afkomstig was uit te lezen, maar daarvan kwam niets terecht. Kaartjes laten zien, koffie. Een buurman die opstond, wegliep en terugkwam, opstond, wegliep en weer terugkwam. Tevergeefs op zoek naar een rustiger coupé. Boek weer opengeslagen: ‘zoals alleen door een schilder en beeldhouwer bedacht kon worden ...’ Toen zei mijn reisgenoot O. zich op te winden over jagers. Vlak buiten de grens van een natuurgebiedje in de Betuwe waar hij vaak wandelde, lagen ze met het geweer in de aanslag in het gras te wachten. Zodra een wintertaling of smient het in zijn hoofd haalde om een meter in onbeschermde lucht te vliegen, werd hij neergeknald. Ik overwoog ook iets weerzinwekkends te vertellen, maar besloot alleen instemmend te knikken en begon weer aan die zin. Düsseldorf. We moesten overstappen op de S-Bahn naar Wuppertal, want daar woonde Heinz Rasch, die we zouden bezoeken. Rasch, nu in de negentig, was architect en stoelenontwerper geweest. Hij werkte ooit als assistent van Mies van der Rohe. Vlakbij het station Wuppertal wees O. uit het raam en zei: ‘Kijk, de Schwebebahn. Dat is leuk. Daar heeft Mart Stam al een idee voor gehad. Ze hebben er voor de grap ooit een olifant mee vervoerd, maar die is in de rivier beland.’ Door de lucht sneed, hangend aan kabels, een trammetje, dat afboog boven een rivierdal.”

 

 

GOLDSCHMIDT
Tijs Goldschmidt (Amsterdam, 30 januari 1953)

 

De Amerikaanse schrijver Richard Brautigan werd geboren op 30 januari 1935 in Tacoma, Washinton. Hij wordt beschouwd als de belangrijkste vertegenwoordiger van de Underground scene van de Amerikaanse westkust uit de jaren 60 en 70. Brautigans geboorte viel midden in de grote depressie en zijn jeugd is dan ook door armoede getekend. Aan het eind van de jaren 50 kwam hij met literaire kringen in San Francisco in contact. Met zijn romans en dichtbundels werd hij gedurende de late jaren 60 een beetje een icoon van de hippie-generatie. In 1967 was hij "Poet in Residence" aan het California Institute of Technology. In de jaren 70 lukte het hem niet goed aansluiting te vinden bij zijn vroegere successen, iets wat bij hem leidde tot verbittering. Hij leefde steeds meer teruggetrokken en raakte verslaafd aan alcohol. In september 1984 pleegde hij zelfmoord. Gevonden werd hij echter pas op 25 oktober.

 

Uit: Revenge of the Lawn

 

A need for gardens

 

When I got there they were burying the lion in the back yard again. As usual, it was a hastily dug grave, not really large enough to hold the lion and dug with a maximum of incompetence and they were trying to stuff the lion into a sloppy little hole.

The lion as usual took it quite stoically. Having been buried at least fifty times during the last two years, the lion had gotten used to being buried in the back yard.

I remember the first time they buried him. He didnt know what was happening. He was a younger lion, then, and was frightened and confused, but now he knew what was happening because he was an older lion and had been buried so many times.

He looked vaguely bored as they folded his front paws across his chest and started throwing dirt in his face.

It was basically hopeless. The lion would never fit the hole. It had never fit a hole in the back yard before and it never would. They just couldnt dig a hone big enough to bury that lion in.

“Hello,” I said. “The holes too small.”

“Hello,” they said, “No, it isnt.”

This had been our standard greeting now for two years.

I stood there and watched them for an hour or so struggling desperately to bury the lion, but they were only able to bury of him before they gave up in disgust and stood around trying to blame each other for not making the hole big enough.

“Why dont you put a garden in next year? I said. ”This soil looks like it might grow some good carrots.“

They didnt think that was very funny

 

 

richardb
Richard Brautigan 30 januari 1935 – september 1984)

 

De Australische schrijfster Shirley Hazzard werd geboren op 30 januari 1931 in Sydney, maar het grootste deel van haar leven heeft zij verdeeld tussen New York City en Capri, Italië. In 1963 trouwde zij met Francis Steegmuller; hij overleed in 1994. Hazzard schreef de romans The Evening of the Holiday (1966), The Bay of Noon (1970), The Transit of Venus (1981), en The Great Fire (2003), novellen die verzameld zijn in Cliffs of Fall and Other Stories (1963), en People in Glass Houses (1967), de verhandelingen Defeat of an Ideal (1973) en Countenance of Truth (1990) en de biografie Greene On Capri (2000), over de schrijver Graham Greene. De werken van Hazzard hebben diverse prijzen behaald. The Transit of Venus werd onderscheiden met de National Book Critics' Circle Award. The Great Fire, haar eerste roman na meer dan twintig jaar, kreeg de American Book Award, de National Book Award en de Miles Franklin Award

 

Uit: The Great Fire (2003)

 

“Now they were starting. Finality ran through the train, an exhalation. There were thuds, hoots, whistles, and the shrieks of late arrivals. From a megaphone announcements were incomprehensible in American and Japanese. Before the train had moved at all, the platform faces receded into the expression of those who remain.

Aldred Leith sat by a window, his body submissively chugging as they got under way. He would presently see that rain continued to fall on the charred suburbs of Tokyo, raising, even within the train, a spectral odour of cinders. Meanwhile, he was examining a photograph of his father. Leith was holding a book in his right hand - not reading, but looking at a likeness of his father on the back cover.

It was one of those pictures, the author at his desk. In an enactment of momentary interruption, the man was half-turned to the camera, left elbow on blotter, right hand splayed over knee. Features fine and lined, light eyes, one eyelid drooping. A taut mouth. Forehead full, full crop of longish white hair. The torso broad but spare; the clothes unaffected, old and good. As a boy, Leith had wondered how his father could always have good clothes so seldom renewed - a seeming impossibility, like having a perpetual two days' growth of beard.”

 

 

Hazzard
Shirley Hazzard (Sydney, 30 januari 1931)

 

De Duitse schrijver Hans Erich Nossack werd op 30 januari 1901 geboren in Hamburg. Na het gymnasium studeerde hij aanvankelijk kunstgeschiedenis en literatuurwetenschap in zijn geboortestad. In 1920 ging hij naar Jena om rechten en economie te studeren. In 1923 keerde hij naar Hamburg terug, trouwde er in 1925 en volgde een opleiding als bankkoopman. Daarnaast schreef hij gedichten en toneelstukken, maar tot publicatie kwam het niet. In 1930 werd hij lid van de KPD en werkte hij in het verzet tegen de nazi’s. In 1933 kwam het tot huisdoorzoekingen door de SA en de politie. Nossack ging in de firma van zijn vader werken en nam kort daarna de leiding ervan over. In 1943 werden zijn dagboeken en manuscripten door het bombardement op Hamburg vernietigd. Hij begon met publiceren in 1947. Vertalingen van zijn eerste boeken verschenen al snel in Frankrijk. In zijn prozatekst

Der Untergang beschrijft hij als eerste Duitse schrijver de verschrikkingen van de bommenoorlog aan de hand van de verwoesting van Hamburg. In 1955 verscheen zijn wellicht succesvolste roman Spätestens im November.

 

Uit: Der Untergang

 

„Man wagte nicht, Luft zu holen, um es nicht einzuatmen. Es war das Geräusch von achtzehnhundert Flugzeugen, die in unvorstellbaren Höhen von Süden her Hamburg anflogen. Wir hatten schon zweihundert oder auch mehr Angriffe erlebt, darunter sehr schwere, aber dies war etwas völlig Neues. Und doch wußte man gleich: es war das, worauf jeder gewartet hatte, das wie ein Schatten seit Monaten über all unserm Tun lag und uns müde machte, es war das Ende. Dies Geräusch sollte anderthalb Stunden anhalten, und dann in drei Nächten der kommenden Woche noch einmal. Gleichmäßig hielt es sich in der Luft. Gleichmäßig hörte man es auch dann, wenn sich das viel lautere Getöse der Abwehr zum Trommelfeuer steigerte. Nur manchmal, wenn einzelne Staffeln zum Tiefangriff ansetzten, schwoll es an und streifte mit seinen Flügeln den Boden. Und doch war dies furchtbare Geräusch wieder so durchlässig, daß auch jeder andere Laut zu hören war: nicht nur die Abschüsse der Flak, das Krepieren der Granaten, das heulende Rauschen der abgeworfenen Bomben, das Singen der Flaksplitter, nein, sogar ein ganz leises Rascheln, nicht lauter als ein dürres Blatt, das von Ast zu Ast fällt, und wofür es im Dunkeln keine Erklärung gab.
Das Geräusch trieb mich sofort zurück. Ich weiß nicht mehr, ob Misi mich etwas fragte und welche Antwort ich gab. Es ist möglich, daß wir uns von oben nach unten etwas zuriefen, aber es werden nicht viele Worte gewesen sein; denn dies Geräusch machte alles Reden zur Lüge und drückte Worte wehrlos nieder.“

 

 

 

 

nossack
Hans Erich Nossack (30 januari 1901 – 2 november 1977)

 

Anton Hansen Tammsaare werd geboren als Anton Hansen op 30 januari 1878 in Albu. Zijn vijfdelige romancyclus Tõde ja õigus (Waarheid en Gerechtigheid, 1926 – 1933) geldt als een van de wezenlijke werken van de Estlandse literatuur. Hoewel Tammsaare zijn thema’s uit de geschiedenis en uit het leven van het volk van Estland koos hebben zijn romans de invloed ondergaan van mensen als Henri Bergson, Carl Gustav Jung en Sigmund Freund en van schrijvers als Knut Hamsun en André Gide. Tammsaare was lid van de kunstenaarsgroep Noor-Eesti (Jong-Estland) die tegen de culturele dominantie van Rusland gericht was.

 

Uit:  Miniatures

 

"... The very first spring, when the prison was built, a nightingale began to sing in an alder-tree in front of the prison-house.
This was at once reported to the King by his faithful henchmen.
"What is the burden of the song?" the King asked.
"Love and freedom, Your Majesty," answered the henchmen, bowing to the ground.
For a moment the wise King was deep in thought. They they heard him say:
"Life is captivity, and it would be wrong to sing of freedom. Life is vengeance, and it would be a crime to glorify love. I, your king, do not know what freedom is, for I am a slave of slaves. I, your master, do not know what love is, for I have only obligations. Therefore, take my fiercest falcon and set it on the nightingale."
 

 

 

TAMMSAARE
Anton Hansen Tammsaare (30 januari 1878 – 1 maart 1940)

 

Adelbert von Chamisso heette eigenlijk Louis Charles Adélaïde de Chamisso de Boncourt. Hij werd op het slot Boncourt in de Champagne geboren op 30 januari 1781, maar zijn adellijke familie moest in 1794 voor de Franse Revolutie op de vlucht. Chamisso werd page van Frederika Louise van Pruisen. Hij leerde in een snel tempo Duits en schreef er verschillende vertellingen en sprookjes in. In Berlijn kwam hij in contact met onder anderen Kleist, Motte-Fouqué, Eichendorff, Hoffmann en Brentano. Chamisso diende als officier in het Pruisische leger van 1798 tot 1807, en werd lid van de Nordsternbund, een verzameling gelijkgestemde dichters. Chamisso keerde na zijn legerdienst nog naar Frankrijk terug en bezocht ook Zwitserland, maar kreeg een afkeer van Napoleon. Hij legde zich toe op de plantkunde en besloot in 1815 op expeditie te gaan.

In 1814 publiceerde hij Peter Schlemihls wundersame Geschichte; het is een enigszins autobiografische kruising tussen een sprookje en een novelle, vol magische wendingen, dat in alle belangrijke talen uit die tijd vertaald werd en Chamisso wereldberoemd maakte.

Aangezien Chamisso een van de succesrijkste niet-oorspronkelijk Duitstalige auteurs was, is in 1985 een prijs naar hem vernoemd: de Adelbert-von-Chamisso-Preis, die aan schrijvers wordt uitgereikt wier moedertaal niet het Duits is en die een lovenswaardig Duits werk hebben geschreven.

 

Traum der eignen Tage

 

Traum der eignen Tage,
Die nun ferne sind.
Tochter meiner Tochter,
Du mein süßes Kind,
Nimm, bevor die Müde
Deckt das Leichentuch,
Nimm ins frische Leben
Meinen Segensspruch.

 

Siehst mich grau von Haaren,
Abgezehrt und bleich,
Bin, wie du, gewesen
Jung und wonnereich,
Liebte, so wie du liebst,
Ward, wie du, auch Braut,
Und auch du wirst altern,
So wie ich ergraut.

 

Laß die Zeit im Fluge
Wandeln fort und fort,
Nur beständig wahre
Deines Busens Hort;
Hab ich's einst gesprochen,
Nehm ich's nicht zurück:
Glück ist nur die Liebe,
Liebe nur ist Glück.

 

Als ich, den ich liebte,
In das grab gelegt,
Hab ich meine Liebe
True in mir gehegt:
War mein Herz gebrochen,
Blieb mir fest der Mut,
Und des Alters Asche
Wahrt die heilge Glut.

 

Nimm, bevor die Müde
Deckt das Leichentuch,
Nimm ins frische Leben
Meinen Segensspruch:
Muß das Herz dir brechen,
Bleibe fest dein Mut,
Sei der Schmerz der Liebe
Dann dein höchstes Gut.

 

 

 

chamiss1
Adelbert von Chamisso  (30 januari 1781 - 21 augustus 1838)

 

De Engelse schrijver Walter Savage Landor werd geboren op 30 januari 1775 in Ipsley Court, Warwickshire. Hij begon met schrijven al tijdens zijn studiejaren in Oxford. Zijn werk bestond uit zowel klassieke epigrammen als gedichten en toneelstukken. Beroemd werd hij echter in het bijzonder wegens zijn geslepen proza. Nietzsche zag in hem een van de vier „meesters van het proza“ in de 19e eeuw. Vanaf 1814 bracht hij een groot deel van zijn leven door op het Europese vasteland. In de jaren 1824 – 1829 ontstonden er zijn Imaginary conversations, die als zijn hoofdwerk beschouwd kunnen worden.

 

Uit: Imaginary conversations

Henry VIII. and Anne Boleyn

 

“Henry. Dost thou know me, Nanny, in this yeoman's dress? 'S blood! does it require so long and vacant a stare to recollect a husband after a week or two? No tragedy-tricks with me! a scream, a sob, or thy kerchief a trifle the wetter, were enough. Why, verily the little fool faints in earnest. These whey faces, like their kinsfolk the ghosts, give us no warning. (Sprinkling water over her) Hast had water enough upon thee? take that then . . . art thyself again?

Anne. Father of mercies! do I meet again my husband, as was my last prayer on earth! do I behold my beloved lord . . . in peace . . . and pardoned, my partner in eternal bliss! It was his voice. I can not see him . . . why can not I? O why do these pangs interrupt the transports of the blessed!

Henry. Thou openest thy arms: faith! I came for that: Nanny, thou art a sweet slut: thou groanest, wench: art in labour? Faith! among the mistakes of the night, I am ready to think almost that thou hast been drinking, and that I have not.

Anne. God preserve your highness: grant me your forgiveness for one slight offence. My eyes were heavy; I fell asleep while I was reading; I did not know of your presence at first, and when I did I could not speak. I strove for utterance; I wanted no respect for my liege and husband.

Henry. My pretty warm nestling, thou wilt then lie! Thou wert reading and aloud too, with thy saintly cup of water by thee, and . . . what! thou art still girlishly fond of those dried cherries!”

 

Late Leaves

THE leaves are falling; so am I;
The few late flowers have moisture in the eye;
        So have I too.
Scarcely on any bough is heard
Joyous, or even unjoyous, bird
        The whole wood through.

Winter may come: he brings but nigher
His circle (yearly narrowing) to the fire
        Where old friends meet.
Let him; now heaven is overcast,
And spring and summer both are past,
        And all things sweet.

 

 

 

Landor
Walter Savage Landor (30 januari 1775 – 17 september 1864)

 

 

29-01-07

Anton Tsjechov, Romain Rolland, Olga Tokarczuk, Germaine Greer, Mirjam Müntefering, Serap Çileli, Muna Lee, Gert Hofmann, Johann Gottfried Seume


Anton Pavlovitsj Tsjechov werd geboren op 29 januari 1860 in Taganrog, een havenstad in Zuid-Rusland, als derde zoon van een kruidenier. In 1876 vluchtte zijn vader voor schuldeisers naar Moskou. Anton bleef in Taganrog om er het gymnasium af te maken. Drie jaar later, in 1879, voegde de jonge Tsjechov zich bij zijn familie in Moskou en begon hij zijn studie medicijnen. In 1880 publiceerde Tsjechov zijn eerste humoristische verhaal onder het pseudoniem Antosja Tsjechonte. In 1884 studeerde hij af als arts en begon hij een eigen praktijk, die hij echter twee jaar later alweer sloot om zich volledig aan het schrijven te wijden. In 1887 ging zijn toneelstuk Ivanov in première. In 1888 ontving Tsjechov de Poesjkinprijs voor de bundel In de schemering. In 1896 ging het toneelstuk De Meeuw in première: ook dit werd een groot fiasco! Tsjechov nam zich voor nooit meer een toneelstuk te schrijven.

In 1897 openbaarde zich tuberculose. Tsjechov kocht een landgoed bij Jalta op de Krim. De opvoering van De Meeuw was toen in Moskou inmiddels een succes.

In 1899 ging Oom Vanja in première met Olga Knipper als Sonja. Deze première verliep succesvol. Een jaar later al kwam het stuk De drie zusters. Tsjechov trouwde in 1901 met Olga Knipper. In 1903 ging zijn gezondheidstoestand snel achteruit. Hij schreef nog wel De Kersentuin. In 1904 vertrok hij naar het Duitse kuuroord Badenweiler waar hij overleed aan de gevolgen van gevorderde tuberculose.

 

Uit: Wolodja (Vertaald door Alexander Eliasberg)

 

„Wolodja, ein siebzehnjähriger, unschöner, kränklicher und schüchterner Junge saß an einem Sonntag, gegen fünf Uhr nachmittags in einer Gartenlaube an der Schumichinschen Landwohnung und langweilte sich. Seine wenig lustigen Gedanken bewegten sich in drei Richtungen. Erstens, hatte er morgen, Montag ein Examen in der Mathematik; er wußte, daß ihm, wenn er die schriftliche Aufgabe nicht machen würde, die Relegation bevorstand, da er in der sechsten Klasse schon einmal sitzengeblieben war und dreieinviertel als Jahresnote in der Algebra hatte. Zweitens, bereitete der Aufenthalt bei den Schumichins, der reichen Familie mit Prätentionen auf Aristokratismus, unaufhörliche Schmerzen seinem Ehrgeize. Ihm schien es, daß Frau Schumichin und ihre Nichten ihn und seine Mutter als arme Verwandte und Schmarotzer ansahen, daß sie seine Mama wenig achteten und über sie lachten. Einmal hatte er zufällig gehört, wie Frau Schumichin ihrer Kusine Anna Fjodorowna auf der Veranda sagte, daß seine Mama sich noch immer um jeden Preis jugendlich und schön machen wolle, daß sie ihre Kartenverluste niemals bezahle und eine Vorliebe für fremdes Schuhwerk und fremde Zigaretten habe. Wolodja flehte seine Mutter tagtäglich an, die Schumichins nicht mehr zu besuchen; er schilderte ihr die traurige Rolle, die sie bei diesen Herrschaften spielte, suchte sie zu überreden, wurde zuweilen auch grob, aber die leichtsinnige, verhätschelte Mama, die in ihrem Leben schon zwei Vermögen – ihr eigenes und das ihres Mannes – durchgebracht hatte und stets zu den vornehmsten Kreisen tendierte, wollte ihn nicht verstehen, und Wolodja mußte sie zweimal in der Woche auf die ihm verhaßte Landwohnung begleiten.”

 

 

 

Tsjechov
AntonTsjechov (29 januari 1860 – 15 juli 1904)

 

 

 

Romain Rolland werd geboren op 29 januari 1866 in een rooms-katholiek gezin in Clamecy, maar brak met het katholieke geloof. Hij bleef zijn hele leven wel een religieus mens. Rolland wilde musicus worden, maar werd hierin tegengewerkt door zijn ouders. Hij studeerde aan het École française in Rome, alwaar hij sterk onder de invloed kwam van de Duitse Malvida von Meysenbug. Von Meysenbug die o.a. bevriend was met Friedrich Nietzsche en Richard Wagner, maakte hem bewust van de nauwe band tussen Frankrijk en Duitsland. In Rome schreef hij zijn eerst drama's: Empédocle en Orsino, die echter niet werden opgevoerd. Terug in Frankrijk werd hij lector van de École normale supérieure van Parijs. Tussen 1904 en 1912 verscheen zijn 17-delige Jean Christophe, een fictieve biografie over een geniaal musicus (Ludwig van Beethoven) en toont hij tegelijk de nauwe verbondenheid tussen Frankrijk en Duitsland. Nadien schreef hij veel werken voor het volkstoneel en drama's over de Franse Revolutie. In 1913 ontving hij de grote prijs van de Acádemie Française voor Jean Christophe. In 1916 ontving hij de Nobelprijs voor de literatuur. Hij aanvaardde de prijs en gaf de daaraan verbonden geldprijs aan het Rode Kruis.

 

Uit: Jean Christophe

 

“From behind the house rises the murmuring of the river. All day long the rain has been beating against the window-panes; a stream of water trickles down the window at the corner where it is broken. The yellowish light of the day dies down. The room is dim and dull.

 

The new-born child stirs in his cradle. Although the old man left his sabots at the door when he entered, his footsteps make the floor creak. The child begins to whine. The mother leans out of her bed to comfort it; and the grandfather gropes to light the lamp, so that the child shall not be frightened by the night when he awakes. The flame of the lamp lights up old Jean Michel's red face, with its rough white beard and morose expression and quick eyes. He goes near the cradle. His cloak smells wet, and as he walks he drags his large blue list slippers, Louisa signs to him not to go too near. She is fair, almost white; her features are drawn; her gentle, stupid face is marked with red in patches; her lips are pale and' swollen,

and they are parted in a timid smile; her eyes devour the child--and her eyes are blue and vague; the pupils are small, but there is an infinite tenderness in them.

 

The child wakes and cries, and his eyes are troubled. Oh! how terrible! The darkness, the sudden flash of the lamp, the hallucinations of a mind as yet hardly detached from chaos, the stifling, roaring night in which it is enveloped, the illimitable gloom from which, like blinding shafts of light, there emerge acute sensations, sorrows, phantoms--those enormous faces leaning over him, those eyes that pierce through him, penetrating, are beyond his comprehension!... He has not the strength to cry out; terror holds him motionless, with eyes and mouth wide open and he rattles in his throat. His large head, that seems to have swollen up, is wrinkled with the grotesque and lamentable grimaces that he makes; the skin of his face and hands is brown and purple, and spotted with yellow....

 

"Dear God!" said the old man with conviction: "How ugly he is!"

 

 

 

Rolland
Romain Rolland (29 januari 1866 – 30 december 1944)

 

 

De Poolse schrijfster Olga Tokarczuk is in Sulechów, dichtbij Zielona Góra, geboren op 29 januari 1962. Zij studeerde psychologie aan de Universiteit van Warschau. Tijdens haar studie werkte ze als vrijwilligster met geestelijk zieke patiënten. Na de afronding van haar studie in 1989 werkte Tokarczuk als therapeute in het Centrum voor Geestelijke Gezondheid. Na het succes van haar eerste romans stopte ze met het werk en wijdde ze zich aan het schrijven. Samen met haar man begon ze ook de uitgeverij Ruta. Olga Tokarczuk debuteerde in 1997 met proza in het weekblad Na przełaj. In de jaren tachtig verscheen enkele van haar gedichten in een bijlage van het tijdschrift Okolice. Tegenwoordig overheersen in haar werk vooral korte prozavormen en romans. Daarnaast is ze auteur van essays en talloze artikelen in tijdschriften voor literatuur en psychologie, die ze onder andere in Nowy Nurt, Czas Kultury, Kultura, Kresy en Charaktery publiceerde.

 

Uit: Letzte Geschichten  (vertaald door Esther Kinsky)

 

„Auf den kleinen Seitenstraßen sieht man im Winter nicht die weißen Linien. Nur an den Schneehaufen, die sich am Straßenrand türmen, zeichnet sich der Verlauf der Straße grob und ungefähr ab. Die Autoscheinwerfer bohren sich in die unförmigen Hügel am Rand, doch sie enthüllen nur halbkreisförmige Ausschnitte einer beweglichen Bühne, die sich immer weiter nach vorn verschiebt, in der Hoffnung, daß sie ihren Schauspieler schließlich aus der Dunkelheit hervorholen wird. Die Fernscheinwerfer sind völlig nutzlos, sie entlocken dem Dunkel nur die milchigen winterlichen Dunstschwaden, die über der Welt hängen.
     "Gefrorener Leichenatem", denkt die Frau am Steuer des Autos. "Leichenatem" ist ein Oxymoron, das eine Wort steht im Widerspruch zum anderen, doch auf merkwürdige Weise ergeben sie zusammen einen Sinn. Gleich kommt sie an eine größere Kreuzung, wo sie nach rechts abbiegen wird, in Richtung Süden, und an der Landesstraße wird sie mit Sicherheit ein Motel oder eine Pension finden. Hier wimmelt es von Pensionen, dauernd springen ihr aus der Dunkelheit die Schriftzüge entgegen: "Zimmer frei", "Zimmer", "Ferien auf dem Bauernhof", auf Bretter gemalt, die an Zäune oder Bäume am Straßenrand genagelt sind. Das Radio murmelt vor sich hin, eine Diskussion zieht sich träge in die Länge, die Frau hört nicht zu.“

 

 

 

Tokarczuk
Olga Tokarczuk (Sulechów, 29 januari 1962)

 

 

 

 

De Australische literatuurwetenschapper en publiciste Germaine Greer werd geboren in Melbourne op 29 januari 1939. Ze wordt in het algemeen beschouwd als een zeer invloedrijk feministe. Ze is gepensioneerd hoogleraar literatuurwetenschappen aan de Universiteit van Warwick (Engeland) en was tevens hoogleraar aan de Universiteit van Cambridge.Een van haar bekendste boeken is De vrouw als eunuch (The female Eunuch) uit 1970. Germaine Greer provoceerde met haar uitspraken en uitgaven. Eén van haar laatste werken was een boek met foto's met erotisch geëtaleerde mannelijke tieners.

 

Werk o.a.: The Obstacle Race:The Fortunes of Women Painters and Their Work (1980), Sex and Destiny: The Politics of Human Fertility (1984), One Hundred Poems by Women (2001), Shakespeare: A Very Short Introduction (2002), The Beautiful Boy (2003)

 

Uit: The Whole Woman (1999)

 

Our culture is far more masculinist than it was thirty years ago. Movies deal with male obsessions. Soccer is Britain's most significant cultural activity. Computer use is spreading into every home, but more than 80 percent of Internet users are male.
Women are ignored by manufacturers of video games, which are mostly war games of one sort or another. Popular music is split as never before; the consumers of commercial pop are female; the rock music that appeals to men is deliberately, unbelievably and outrageously misogynist. While women were struggling to live as responsible dignified adults, men have retreated into extravagantly masculinist fantasies and behaviours.
Every day, terrible revenges are enacted on women who have dared to use their new privileges. Female military recruits are sexually abused and harassed, young policewomen subjected to degrading ordeals, and hideous brutality inflicted on women apparently simply because they are female.
On every side, we see women troubled, exhausted, lonely, guilty, mocked by the headlined success of the few. The reality of women's lives is work--most of it unpaid and, what is worse, unappreciated. Every day, we hear of women abused; every day, we hear of new kinds of atrocities perpetrated on the minds and bodies of women; yet every day, we are told that there is nothing left to fight for.
Even if it had been real, equality would have been a poor substitute for liberation; fake equality is leading women into double jeopardy. The rhetoric of equality is being used in the name of political correctness to mask the hammering that women are taking.
When The Female Eunuch was written, our daughters were not cutting or starving themselves. On every side, speechless women endure endless hardship, grief and pain, in a world system that creates billions of losers for every handful of winners.
It's time to get angry again. “         

 

 

 

Greer
Germaine Greer (Melbourne, 29 januari 1939)

 

 

De Duitse schrijfster Mirjam Müntefering werd geboren op 29 januari 1969 in Neheim. Ze is de dochter van de SPD-politicus Franz Müntefering. In haar jeugd was zij actief voor de jonge socialisten. (Jusos). Zij studeerde aan de Ruhr-Universität in Bochum theater- en filmwetenschappen en kreeg een opleiding als televisiejournaliste. Thema’s in haar werk zijn burgerlijkheid en de middenklasse. Ook homoerotische thema’s vormen een belangrijke thematiek in haar werk.

 

Uit: Verliebt in Camilla

 

„Iris wendet sich ihr zu und legt ihr die Hand auf die Schulter. "Reg dich doch nicht so auf. Du wolltest ihn doch vergessen", ermahnt sie Dunja sanft. "Du weißt doch, dass dir das nicht gut tut, ihm so hinterherzuschmachten. Das erniedrigt und demütigt dich."
Dunja reißt sich zusammen, reckt den Kopf nach oben und wischt sich die Haare aus der Stirn.
"Stimmt", sagt sie dann fest und kneift ihre Lippen zu einem dünnen Strich zusammen.
Ich finde, manchmal würde sie auch eine super Schauspielerin abgeben. Immer dann, wenn sie in ihrem Kopf ihren eigenen dramatischen Film dreht, in dem sie natürlich die Hauptrolle spielt.
"Und wann trefft ihr zwei euch dann allein, um den Text zu lernen?", will Iris von mir wissen.
"Ich weiß nicht mehr so genau", stammele ich.
"Wieso weißt du das nicht mehr?", faucht Dunja, fasst sich aber gleich wieder und fährt dann zuckersüß fort: "So was kann man doch nicht einfach vergessen."
Ich spüre, dass auf meiner Stirn lauter kleine Runzelfalten entstehen. Vor Verwirrung.
"Ich weiß es einfach nicht mehr. Ich war so aufgeregt. Schließlich war es das erste Treffen nach den Ferien. Und dann war da auch noch Camilla. Und die hat immer so seltsam geguckt. Ich meine, eigentlich nicht wirklich seltsam. Es kam mir wahrscheinlich nur so vor. Aber trotzdem war ich total durcheinander deswegen und da hab ich ... es einfach vergessen." Meine Stimme wird immer leiser und ich fühle deutlich, wie mir das Blut in den Kopf steigt. Jetzt werd ich vor meinen beiden besten Freundinnen auch noch rot.“

 

 

 

Muentefering
Mirjam Müntefering (Neheim, 29 januari 1969)

 

 

Serap Çileli is een Duitse schrijfster van Turkse komaf. Zij werd geboren op 29 januari 1966 in Mersin, in Turkije. Zij werd verloofd toen zij twaalf was en ontkwam aan het huwelijk door een zelfmoordpoging. Toen zij 15 jaar was werd zij tegen haar wil oppnieuw uitgehuwelijkt an een man die tien jaar ouder was. Na de geboorte van haar twee kinderen lukte het haar een scheiding te bewerkstelligen en door een list haar twee kinderen te behouden. Tegenwoordig is ze een zeer gevraagde expert en raadgeefster voor andere vrouwen in nood. Zij woont op een voor haar familie geheim gehouden adres in het Odenwald. Zij ontving voor haar werk het Bundesverdienstkreuz.

 

Frei sein

 

Leben möchte ich ohne Angst,
frei Leben ohne Gewalt.

 

Frei sein ohne Ketten,
frei ohne Rollenzwänge und Normen.

 

Frei, um ja oder nein zu sagen.

 

Frei, um meine Schwächen zu zeigen,
weil auch du nicht fehlerfrei bist,
so frei, um Gefühle geben zu können, ohne Zwang, ohne Scham.

 

Frei sein von Tränen aus Trauer,
möchte frei lachen, wie so manches Kind, aus der Seele.

 

Träume träumen und keine Albträume mehr.

Leben möchte ich in unbegrenzter Freiheit,
frei um Wege zu gehen, ohne gebunden zu sein.

 

Frei leben und nicht gelebt werden,
frei und
ohne Gewalt, dass es anderen Mut macht.

 

 

 

 

Serap_Çileli
Serap Çileli (Mersin, 29 januari 1966)

 

 

 

De Amerikaanse schrijfster Muna Lee werd geboren op 29 januari 1895 in Raymond, Mississippi. Zij begon haar literaire loopbaan als dichteres. Als vertaalster en promotor van de Latijns-Amerikaanse literatuur leverde zij een grote bijdrage aan de Panamerikaanse literaire traditie. Lee was tevens een feministe en belangrijk voorvechtster van de vrouwenbeweging, vooral op het gebied van gelijke rechten. Zij was de oprichtster van de Inter-American Commission of Women.

 

 

Behind the House is the Millet Plot

 

Behind the house is the millet plot,
And past the millet, the stile;
And then a hill where melilot
Grows with wild camomile.

There was a youth who bade me goodby
Where the hill rises to meet the sky.
I think my heart broke; but I have forgot
All but the smell of the white melilot.

 

 

 

 

Lee
Muna Lee (29 januari 1895 – 3 april 1965)

 

 

 

De Duitse schrijver Gert Hofmann werd geboren op 29 januari 1931 in Limbach in Sachsen. In 1948 verhuisde zijn familie naar Leipzig. In 1951 verliet Hofmann de DDR en ging naar Freiburg im Breisgau, waar hij zijn studies moderne talen, sociologie en politicologie voortzette. In 1957 promoveerde hij op Henry James tot doctor in de filosofie. Hofmanns literaire werk bestaat uit hoorspelen en theaterstukken die in het begin van de jaren zestig ontstonden. Vanaf 1979 publiceerde hij een reeks verhalen en romans die hem bekend maakten bij een groter publiek.

 

Uit: Zur Phänomenologie des Snobs (Erzählungen, 2005)

Nach dem Begräbnis

 

„Während meine junge Frau und ich am Mittwochnachmittag unseren guten Kaspar auf dem Friedhof begraben haben, ist in unsere bescheidene, für unsere Verhältnisse aber schon zu teure Altbauwohnung hinter unserem Rücken ein neuer Mieter eingezogen. Noch ist Kaspar nicht von der Erde bedeckt, und schon sitzt ein anderer auf seinem Stuhl, ißt von seinem Teller, schläft in seinem Bett und schaut aus seinem Fenster hinaus. Noch haben wir bei unserer Rückkehr die Treppe nicht erstiegen, und schon fällt unser Blick auf das Kärtchen, das er an unsere Tür gezweckt hat: Popper, Opernsänger. Kennst du ihn, frage ich, indem ich, um den Namen zu lesen, in dem dunklen Treppenhaus ein Streichholz anzünde und mich wie in Verehrung vor seiner Karte neige. Nein, sagt meine Frau. Ich auch nicht, sage ich, hoffentlich ist er verträglich. Und warum sollte er nicht verträglich sein, sagt meine junge Frau, die von dem langen Begräbnis – einer nach dem anderen wollte an Kaspars Grab seine kleine Rede halten – noch ganz erschöpft ist. Weil er uns hätte fragen können, ehe er seine Karte an unsere Türe zweckt, sage ich. Aber es ist ja nun auch seine Tür, sagt sie. Richtig, sage ich. Und sage mir, daß es für Streitereien ja auch keine Gründe gibt. Der Wohnungsbesitzer, dessen Untermieter wir sind, lebt, wie wir wissen, weit von uns entfernt, unsere Wohnung ist geräumig, ihre Mauern sind dick, auf dem Gang ist ein Teppich ausgerollt, und wir haben unsere eigene kleine Toilette und Dusche, so daß wir mit dem Opernsänger, außer der Wohnungstür, nichts werden teilen müssen. Und dann sind wir ja im sicheren Besitz der besten zwei Zimmer in der Vierzimmerwohnung, in den anderen, viel kleineren, hatte Kaspar gewohnt.“

 

 

 

Hofmann
Gert Hofmann (29 januari 1931 – 1 juli 1993)

 

 

 

De Duitse schrijver en dichter Johann Gottfried Seume werd geboren op 29 januari 1763 in Posema, Sachsen-Anhalt. Hij studeerde theologie in Leipzig. In 1781 werd hij op weg naar Parijs gevangen genomen, gedwongen dienst te nemen in het leger en naar de VS verkocht om te vechten in de burgeroorlog. Zover kwam het niet, maar het zou niet de laatste keer zijn dat hij in het leger gedwongen werd. Eenmaal vrij man maakte hij vanaf 1801 heel wat voetreizen door Europa, o.a. naar Syracuse, Finland, Rusland en Zweden.

 

Uit: Spaziergang nach Syrakus im Jahre 1802

 

„Der Weg zwischen Triest und Venedig ist außerordentlich wasserreich; sehr viele große und kleine Flüsse kommen rechts von den Bergen herab, unter denen der Tagliamento und die Piave die vorzüglichsten sind. Zwischen Codroipo und Valvasone ging ich über den Tagliamento in vier Stationen, auf dem Rücken eines großen, ehrenfesten Charons, der seine langen Fischerstiefeln bis an die Taille hinaufzog. Der Fluß war jetzt ziemlich klein; und dieses ist zu solcher Zeit die Methode Fußgänger überzusetzen. Sein Bett ist über eine Viertelstunde breit und zeigt, wie wild er sein muß, wenn er das Bergwasser herabwälzt. Wenn die Bäche groß sind, mag die Reise hier immer bedenklich sein; denn man kann durchaus an den Betten sehen, welche ungeheuere Wassermenge dann überall herabströmt. Jetzt sind alle Wasser so schön und hell, daß ich überall trinke: denn für mich geht nichts über schönes Wasser. Die Wohltat und den Wert davon zu empfinden, mußt Du Dich von den Engländern einmal nach Amerika transportieren lassen, wo man in dem stinkenden Wasser fingerlange Fasern von Unrat findet, die Nase zuhalten muß, wenn man es durch ein Tuch geschlagen trinken will, und doch noch froh ist, wenn man die kocytische Tunke zur Stillung des brennenden Durstes nur noch erhält. So ging es uns, als wir in den amerikanischen Krieg zogen.“

 

 

 

seumepor

Johann Gottfried Seume (29 januari 1763 – 13 juni 1810)
Krijttekening van Wilhelm von Kügelgen, ca 1805

 

 

28-01-07

Ramsey Nasr, Colette, Ismail Kadare, José Martí, Miguel Barnet, David Lodge, Christian Felix Weiße, Hermann Peter Piwitt


De Palestijns-Nederlandse dichter, schrijver en acteur Ramsey Nasr werd geboren in Rotterdam op  28 januari 1974. Als dichter geniet hij de meeste bekendheid, hij was de tweede stadsdichter van Antwerpen. Nasr groeide op in Rotterdam, waar hij onderwijs volgde aan het Erasmiaans Gymnasium. Na de toneelacademie Studio Herman Teirlinck te hebben gevolgd, sloot hij zich aan bij het Zuidelijk Toneel. Na een korte toneelcarrière debuteerde hij in 2000 als dichter. Hij heeft van 27 januari 2005 tot 26 januari 2006 de functie van stadsdichter van de stad Antwerpen bekleed.

 

 

MAAK MIJN MOEDER

 

maak van mijn moeder een sneeuwende tuin om te planten

witte jasmijn en de theeroos wordt wit

voller geluid komt vanuit binnenkanten

zoals de vrucht in de pit

 

maak van mijn moeder twee kameleons zonder ogen

groen gokte hij en hij streelde haar buik

die zij dieprood naar hem toe had gebogen

waarna iets mooiers ontluikt

 

maak van mijn moeder een lichtkathedraal in een kistje

open het elleke ochtend en hoor

hoe zich daarbinnen een meerstemmig misje

opent om wat het verloor

 

maak van mijn moeder hetzelfde maar ijzeren meisje

breng haar met krachtige vuistslagen groot

breng haar wat troost of een slim toverwijsje

want in dit lijf gaat zij dood

 

 

de zuivere minnaar

de roos de lelie de duif de zon
de aap saturnus de waterstofbom
liefdesroes omvat allerlei zaken
groot en tastbaar passen ze
met gemak in de knuistjes
van allesverkruimende minnaars

daar is het:
a. koffietje theetje
b. koetsji-moetsji
c. lepeltje-lepeltje poepjeliefje
d. dag schattie dag beertje

minnaars kleineren de elementen
een beetje
stappen als gepantserd kind
samen het vervoer in

zitten in hun holderdebolderend treintje
dat voor de tweede keer deze week
tot stilstand komt
vanwege het gekke meneertje eronder

ook hij vol liefde
had de taal met zijn handen
willen verbrijzelen als hen
alleen op andere wijze

hij had ingegrepen
blies zichzelf van element
tot immens vertragende chaos
werd plotse dooi en ijzel ineen

mensenroes kleeft aan sterren en stuifmeel
geen wonder groot of klein genoeg

voor blinden met wilskracht
is aap roos duif zon

voor de zuivere minnaar bestaat geen verschil
tussen lelie en waterstofbom

 

 

 

RAMSEY_NASR
Ramsey Nasr (Rotterdam, 28 januari 1974)

 

Colette wordt geboren op 28 januari 1873 als Sidonie Gabrielle Colette in Saint-Sauveur-en-Puisaye waar haar vader belastingontvanger is. Ze kent een gelukkige jeugd met liefhebbende ouders en vooral haar moeder Sido heeft een enorme invloed op haar.Door slecht beheer verliest haar vader gaandeweg het niet onaanzienlijke familiebezit. In 1891 moeten zelfs meubels verkocht worden. Op 20 jarige leeftijd trouwt ze met een Parijse playboy Henri Gauthier-Villars, beter bekend als Monsieur Willy. Haar echtgenoot is een bekend journalist, maar in feite schrijft hij niet zelf: hij heeft verscheidene ‘ghostwriters’ ter beschikking. Na een jaar huwelijk, op een ogenblik dat ze geldgebrek hebben, suggereert hij dat Colette schoolherinneringen zou schrijven, liefst met zoveel mogelijk pikante details. Het resultaat bevalt hem niet, maar een jaar of vijf later herneemt hij de tekst, vult hem aan en geeft hem uit onder zijn naam als ‘Claudine à l’école’. Dit is het begin van een reeks, voor die tijd alleszins, ‘gewaagde’ boeken, geschreven door Colette en ondertekend door Willy. In 1911 wordt ze verliefd op Henri de Jouvenel en ze trouwen eind 1912, twee maanden na de dood van haar moeder. Zes maand later wordt haar dochter Colette (Bel-Gazou) geboren. Zijzelf is dan 40 jaar.Colette blijft schrijven, niet alleen over de Parijse Belle Epoque, maar ook over haar geliefde natuur, de dieren en de planten uit haar geboortestreek. Tijdens de 1e wereldoorlog is ze ook journaliste aan het front.In 1920 krijgt ze het Légion d’honneur voor haar verdienste als auteur. In 1923 verschijnt ‘Le blé en herbe’ haar eerste roman die ze alleen met Colette ondertekent (daarvoor ondertekende ze met Willy Colette).

Uit: CHÉRI

« Elle se recoucha sur le dos et constata que Chéri avait jeté, la veille,

ses chaussettes sur la cheminée, son petit caleçon sur le bonheur-du-

jour, sa cravate au cou d'un buste de Léa. Elle sourit malgré elle à ce

chaud désordre masculin et referma à demi ses grands yeux tranquilles

d'un bleu jeune et qui avaient gardé tous leurs cils châtains. A

quarante-neuf ans, Léonie Vallon, dite Léa de Lonval, finissait une

carrière heureuse de courtisane bien rentée, et de bonne fille à qui la

vie a épargné les catastrophes flatteuses et les nobles chagrins. Elle

cachait la date de sa naissance; mais elle avouait volontiers, en

laissant tomber sur Chéri un regard de condescendance voluptueuse,

qu'elle atteignait l'âge de s'accorder quelques petites douceurs. Elle

aimait l'ordre, le beau linge, les vins mûris, la cuisine réfléchie. Sa

jeunesse de blonde adulée, puis sa maturité de demi-mondaine riche

n'avaient accepté ni l'éclat fâcheux, ni l'équivoque, et ses amis se

souvenaient d'une journée de Drags, vers 1895, où Léa répondit au

secrétaire du _Gil Blas_ qui la traitait de "chère artiste" :

 

"Artiste? Oh! vraiment, cher ami, mes amants sont bien bavards...."

 

Ses contemporaines jalousaient sa santé imperturbable, les jeunes femmes,

que la mode de 1912 bombait déjà du dos et du ventre, raillaient le

poitrail avantageux de Léa,--celles-ci et celles-là lui enviaient

également Chéri.”

 

colette
Colette (28 januari 1873 – 3 augustus 1954)

 

De Albanese schrijver Ismail Kadare werd geboren in Gjirokastër op 28 januari 1936. Hij is sinds de verschijning van zijn roman De generaal van het dode leger in 1963 internationaal de bekendste Albanese schrijver. In 2005 was hij de eerste laureaat van de internationale versie van de Booker Prize, de Man Booker International Prize. Kadare woont afwisselend in Tirana en in Parijs. Zijn werk is buiten Albanië vooral via zijn Franse vertalingen bekend geworden. Van zijn talrijke romans werden er vele in het Nederlands vertaald, in eerste instantie uit het Frans en later direct uit het Albanees.

 

Uit: Leven, spel en dood van Florian Mazrek (vertaald door Roel Schuyt)

 

"Hij begon te vertellen dat het geklets van de hoeren, met alle verdraaiingen, onvolledigheden, leugens en onduidelijkheden die erin zaten, een oneindige informatiebron vormde waaruit de staat de meest waardevolle gegevens kon putten. Iedereen, van hoog tot laag, kreeg op een dag, of hij dat nu wilde of niet, met die donkere diepe poel van hele en halve waarheden en leugens te maken. Beroemde kunstenaars, dieven, sportmensen, regeringsfunctionarissen, epileptici, gerespecteerde dames, nietsnutten en types waar zelfs de gevangenis de neus voor ophaalde, het maakte niets uit. Net als alle onderaardse stromen en rivieren stond alles en iedereen met elkaar in een duister contact. Of het nu ging om een alledaags voorvalletje of om een geraffineerd complot, er kon niets gebeuren of het moest in die smerige, duistere diepte wel een of ander spoor nalaten. Daarom waren er dag en nacht honderden mensen bezig om daarin alle bruikbare gegevens op te sporen. En als de staat zich in zijn bestaan bedreigd voelde, kwamen er nog eens honderden anderen bij."

 

 

 

Kadare
Ismail Kadare (Gjirokastër, 28 januari 1936)

 

De Cubaanse schrijver José Martí werd geboren op 28 januari 1853 in Havanna. Hij heeft zich ingespannen voor de Cubaanse onafhankelijkheid van het Spaanse regime. Op 11 april, 1895 leidde José Martí een landing van Cubaanse bannelingen en voegde hij zich bij de troepen van de rebelse generaal Máximo Gómez. José Martí kwam om in de veldslag met de Spaanse troepen in de slag om Dos Ríos op 19 mei 1895. Vanwege zijn rol in deze strijd en zijn grote waarde voor de Cubaanse literatuur en cultuur, wordt hij soms "de apostel van de Cubaanse republiek" genoemd. Een van zijn gedichten uit de bundel "Versos Sencillos" is later op muziek gezet als "Guantanamera", een van Cuba's bekendste en meest patriottistische liedjes. Hier een Duitse vertaling van de strofen.

„Guantanamera“  is een vrouwelijk adjectief en betekent zoveel als „komend uit Guantanamero“. „Guajira“ staat voor een muzikale stijl uit Cuba, maar kan ook zoiets betekenen als „witte boerin“, waarbij „wit““ staat voor „van Spaanse komaf“.

Guantanamera

 

Guantanamera

Guajira Guantanamera

Guantanamera

Guajira Guantanamera

 

Ich bin ein aufrichtiger Mensch
von da, wo die Palme wächst,
und bevor ich sterbe, möchte ich
mir diese Verse von der Seele singen.

Refr.

 

Mein Vers ist von hellem Grün
und von entflammtem Rot
Mein Vers ist ein verwundeter Hirsch
der im Gebirge Zuflucht sucht

Refr

 

Ich ziehe eine weiße Rose heran,
im Juli wie im Januar,
für den ehrlichen Freund
der mir seine offene Hand reicht.

Refr

 

Mit den Ärmsten der Erde
will ich mein Schicksal teilen.
Der Bach im Gebirge
erfreut mich mehr als das Meer.

 

 

I Cultivate a White Rose

I cultivate a white rose
In July as in January
For the sincere friend
Who gives me his hand frankly.

And for the cruel person who tears out
the heart with which I live,
I cultivate neither nettles nor thorns:
I cultivate a white rose.

 

 

Marti
José Martí (28 januari 1853 – 19 mei 1895)

 

De Cubaanse dichter en schrijver Miguel Barnet werd geboren op 28 januari 1940 in Havanna. Hij is een van Cuba’s toonaangevende etnografen. Hij was medeoprichter van de Cubaanse Academie van Wetenschappen en van de Fundación Fernando Ortiz, Cuba’s etnografische instituut, waar hij sinds 1994 leiding aan heeft gegeven. Hij schreef talrijke studies, maar ook vijf etnografische romans en zeven gedichtenbundels. In 2000 kreeg hij de Nationale Prijs voor Literatuur. Barnet vertegenwoordigt Cuba bij de UNESCO.

 

In Chinatown

 

I wait for you
beneath the wrecked marquee
of the Chinese movie
in the yellow smoke
of an extinct dynasty

I wait for you
by the gutter
where black ideograms
that no longer say anything
float

I wait for you at the door
of a restaurant
on the Paramount lot
where they shoot the same film every day

Anticipating your arrival
I allow the rain to cover me
with its broken lines

Accompanied by a choir of eunuchs
and Li Tai Po’s
violin with just one string
I wait for you

But don’t ever come
what I want in truth
is to wait for you

 

 

Vertaald door Mark Weiss

 

 

barnet
Miguel Barnet (Havanna, 28 januari 1940)

 

De Engelse schrijver en literatuurwetenschapper David Lodge werd geboren op 28 januari 1935 in Londen. Hij geldt als een meester van de campus novel. Hij heeft echter ook door satirisch en humoristisch werk over andere onderwerpen naam gemaakt. Lodge was van 1960 tot 1987 universitair docent Engels aan de universiteit van Birmingham en leeft daar sindsdien als zelfstandig schrijver.

 

Uit: Nice Work

 

“A typical instance of this was the furious argument they had about the Silk Cut advertisement... Every few miles, it seemed, they passed the same huge poster on roadside hoardings, a photographic depiction of a rippling expanse of purple silk in which there was a single slit, as if the material had been slashed with a razor. There were no words in the advertisement, except for the Government Health Warning about smoking. This ubiquitous image, flashing past at regular intervals, both irritated and intrigued Robyn, and she began to do her semiotic stuff on the deep structure hidden beneath its bland surface.

It was in the first instance a kind of riddle. That is to say, in order to decode it, you had to know that there was a brand of cigarettes called Silk Cut. The poster was the iconic representation of a missing name, like a rebus. But the icon was also a metaphor. The shimmering silk, with its voluptous curves and sensuous texture, obviously symbolized the female body, and the elliptical slit, foregrounded by a lighter colour showing through, was still more obviously a vagina. The advert thus appealed to both sensual and sadistic impulses, the desire to mutilate as well as penetrate the female body.

Vic Wilcox spluttered with outraged derision as she expounded this interpretation. He smoked a different brand himself, but it was as if he felt his whole philosophy of life was threatened by Robyn’s analysis of the advert. ‘You must have a twisted mind to see all that in a perfectly harmless bit of cloth,’ he said.

‘What’s the point of it, then?’ Robyn challenged him. ‘Why use cloth to advertise cigarettes?’

‘Well, that’s the name of ‘em, isn’t it? Silk Cut. It’s a picture of the name. Nothing more or less.’

‘Suppose they’d used a picture of a roll of silk cut in half - would that do just as well?’

‘I suppose so. Yes, why not?’

‘Because it would look like a penis cut in half, that’s why.’

 

 

lodge
David Lodge (Londen, 28 januari 1935)

 

De Duitse dichter en schrijver Christian Felix Weiße werd geboren op 28 januari 1726 in Annaberg, in het Erzgebergte.  Hij is een belangrijke vertegenwoordiger van de Verlichting. Behalve met zijn gedichten en toneelstukken had Weiße veel succes met zijn tijdschrift Der Kinderfreund dat van 1775 tot 1782 verscheen en dat beschouwd wordt als Duitslands eerste tijdschrift voor kinderen.

 

Die Zufriedenheit

 

 Wie sanft, wie ruhig fühl' ich hier

 Des Lebens Freuden ohne Sorgen!

 Und sonder Ahnung leuchtet mir

 Willkommen jeder Morgen.

 

 Mein frohes, mein zufried'nes Herz

 Tanzt nach der Melodie der Haine,

 Und angenehm ist selbst mein Schmerz,

 Wenn ich vor Liebe weine.

 

 Wie sehr lach' ich die Großen aus,

 Die Blutvergießer, Helden, Prinzen!

 Denn mich beglückt ein kleines Haus,

 Sie nicht einmal Provinzen.

 

 Wie wüten sie nicht wider sich,

 Die göttergleichen Herr'n der Erden!

 Doch brauchen sie mehr Raum als ich,

 Wenn sie begraben werden?

 

 

weisse
Christian Felix Weiße (28 januari 1726 – 16 december 1804)

 

De Duitse schrijver Hermann Peter Piwitt werd geboren op 28 januari 1935 in Wohldorf bij Hamburg. Hij groeide op in Frankfurt am Main. Piwitt studeerde sociologie, filosofie en literatuurwetenschap in Frankfurt am Main, Berlijn en München. 1967 – 1968 Werkte hij als lector bij de Rowohlt Verlag in Hamburg. In 1968 begon zijn medewerking aan het tijdschrift „konkret“. Zijn verhalend werk belicht vooral de toestand in Duitsland en Italië. De maatschappijcriticus Piwitt komt naar voren in zijn essays over politieke thema’s.

 

Uit: Ein unversöhnlich sanftes Ende (1988)

 

„An einem Frühjahrsmorgen zwei Jahre später rückte der Feind ein, der Krieg war aus, und am Nachmittag spielten wir Fußball, nicht wie bisher auf der Straße, denn die war inzwischen gesperrt und voll von Panzern und Militärfahrzeugen, sondern auf einer Wiese nebenan. Eines Tages tauchte ein schlaksiger Junge mit einer brillantinegestärkten Schmachtlocke in der Stirn am Rand des Spielfelds auf. Er stand eine Weile so da in weißen Turnschuhen, die er dann "Badeschuhe" nannte. Und wenn ein Ball ins Aus ging, schnappte er ihn sich mit der Spitze und gab, nein, ditschte ihn ins Feld zurück. So wie das eben einer macht, der einem sagen will: Ich will mitspielen. Wir ließen ihn. Er wirkte weich in seinen Bewegungen und hatte Übergewicht; und doch ging er locker, fast federnd. Und dabei paddelte er über den großen Zeh. Und so spielte er und zog ab. Mit dem Außenrist. In seinen Badeschuhen. Ditschi, wie er dann hieß, zeigte uns den Schalker Kreisel: den Ball nicht direkt zuspielen, sondern in den freien Raum, in den dann der Mitspieler lief. Hepp, rief Ditschi, und: Cheerio!
Wir wählten damals vor jedem Spiel die Mannschaften neu. So, daß jeder mal, auch der Kleinste und Schlechteste, zusammen mit den Besten gewinnen und verlieren konnte. Aber einmal passierte es, daß die einen unerwartet hoch verloren, und die anderen setzten einen Kopfball nach dem anderen ins Tor, das aus zwei Mützen bestand und dem Jüngsten, der es sauber zu halten hatte, und das war ich. Wir hatten damals den Tick, jedes Wort mit 'o' enden zu lassen. Das hörte sich dann so an: Hasto duo eino Knallo? Und so hießen die beiden Mannschaften schnell "Glatzomanno" und "Müdomanno". Mit den "Müdomanno" blieb ich offenbar zusammen auch, als ich später im Verein spielte. Mit dem Kreisel traten wir gegen die Bauernjungen der umliegenden Dörfer an. Aber sie husteten uns was und droschen uns zusammen.”

 

 

Piwitt
Hermann Peter Piwitt (Wohldorf, 29 januari 1935)

 

 

27-01-07

Lewis Carroll, Bernd Jentzsch, Benjamin von Stuckrad-Barre, Mordecai Richler, Ethan Mordden, Leopold von Sacher-Masoch, Mikhail Saltykov-Shchedrin, Ilja Ehrenburg, Neel Doff


Lewis Carroll werd op 27 januari 1832 in Daresbury geboren als Charles Lutwidge Dodgson Charles Lutwidge Dodgson, was een Engels wiskundige en logicus maar hij is vooral bekend geworden door zijn kinderboeken. Hij studeerde cum laude af in de wiskunde aan Christ Church college, Oxford, in 1854. Later werd hij daar ook lector, tot 1881. Hij stierf op 14 januari 1898 in Guildford waar hij ook begraven werd. Zijn beroemdste werken zijn: Alice's Adventures in Wonderland (1865) (Nederlands: Alice in Wonderland) en Through the Looking Glass (1872) (Nederlands: Door de spiegel) Dodgson was zelf een wat neurotische, zonderlinge man die makkelijk met jonge meisjes omging en bevriend raakte. Hij kon goochelen en had altijd wat bij zich om kinderen die hij tegenkwam mee te vermaken. Omgang met volwassenen ging hem niet goed af. Zijn werk biedt naast een groot aantal logische en wiskundige grapjes (voor wie er oog voor heeft) een ongewone rijkdom aan mogelijke freudiaanse duidingen.

 

Uit: Alice in Wonderland

 

“ALICE was beginning to get very tired of sitting by her sister on the bank and of having nothing to do: once or twice she had peeped into the book her sister was reading, but it had no pictures or conversations in it, "and what is the use of a book," thought Alice, "without pictures or conversations?'

So she was considering, in her own mind (as well as she could, for the hot day made her feel very sleepy and stupid), whether the pleasure of making a daisy-chain would be worth the trouble of getting up and picking the daisies, when suddenly a White Rabbit with pink eyes ran close by her.

There was nothing so very remarkable in that; nor did Alice think it so very much out of the way to hear the Rabbit say to itself "Oh dear! Oh dear! I shall be too late!" (when she thought it over afterwards it occurred to her that she ought to have wondered at this, but at the time it all seemed quite natural); but, when the Rabbit actually took a watch out of its waistcoat-pocket, and looked at it, and then hurried on, Alice started to her feet, for it flashed across her mind that she had never before seen a rabbit with either a waistcoat-pocket, or a watch to take out of it, and burning with curiosity, she ran across the field after it, and was just in time to see it pop down a large rabbit-hole under the hedge.

In another moment down went Alice after it, never once considering how in the world she was to get out again.”

 

 

lewis
Lewis Carroll (27 januari 1832 – 14 januari 1898)

 

De Duitse dichter en schrijver Bernd Jentzsch werd geboren op 27 januari 1940 in Plauen. Hij studeerde germanistiek, en kunstgeschiedenis in Leipzig en Jena. Hij was uithgever van "Poesiealbum", een blad waarin talrijke DDR-auteurs voor het eerst publiceerden en moderne internationale dichters coor het eerst gepresenteerd werden aan het DDR publiek. In 1976 verliet Jentzsch de DDR nadat er strafmaatregelen tegen hem dreigden wegens zijn protest tegen de uitburgering van Wolf Biermann. Hij werkte als lector, gastdocent en als directeur van het door hem opgerichte Deutsche Literaturinstitut Leipzig.

 

 

Ich bin der Weggehetzte

 

Ich bin der Weggehetzte.
Nicht der erste, nicht der letzte.

Von keiner Mine zerrissen.
Vorm Zaun nicht ins Gras gebissen.

Keine blaue Bohne in der Lunge
Nichtmal Blut auf der Zunge.

Mein Leib und meine sieben Sinne,
Alles frisch und unversehrt.

Das Leben, das ich nun beginne,
Lebt sich grade umgekehrt.

Ich bin der Weggehetzte.
Nicht der erste, nicht der letzte.

Mir ist die Welt ins Herz gesprungen.
Mir, dem großen Lausejungen.

 

 

 

Der Ort

 

Wo ich über Zäune kletterte,

Die Taschen voller Kirschen,

Wo ich Schätze suchte,

Kühle Kiesel mit den Adern der Erde,

Mehlfässln‘ fürs Blasrohr aus Holunder,

Schneckenhäuser, grüne Scherben, blaue,

Wo ich den jungen Vogel begrub hinterm Regenfaß,

Drei Sprünge über sein Grab, damit er mich höre,

Wo ich Winnetou war,

Wo ich Sherlock Holmes war,

Wo ich am Bach saß und auf den Wassermann wartete,

Wo ich die Stichlinge im Bach für Hechte hielt,

Eine Sonnenfinsternis für den Weltuntergang,

Den nächsten Morgen für ein Wunder,

Wo ich die erste Zigarette rauchte mit zwölf

Im Fahrradschuppen vor der Schule

An einem todlangweiligen Nachmittag,

Ich machte zwei kurze Züge und hatte genug,

Wo das Hochwasser stieg und stieg,

Und der Hund an der Kette an seiner Hütte

Tat mir so leid, aber jemand schnappte mich

Grade noch am Hosenboden,

Wo ich einen Mann kannte, der Blut spuckte,

Wo die Hühner Hubschrauber waren,

Nachts lag der Startknüppel unter dem Bett,

Wo die Wiesen dottergelb waren im Mai,

Wo es schön war,

Wo ich klein war und dann auf einmal groß,

Wo jetzt eine alte Frau wohnt,

Die schlechte Augen hat und gut sieht,

Wenn die Kinder ihren Kirschbaum plündern,

Und sie verscheucht sie wie Amseln

Und ruft sie alle mit meinem Namen.

 

 

 

 

 

Jentzsch
Bernd Jentzsch (Plauen, 27 januari 1940)

 

De Duitse schrijver Benjamin von Stuckrad-Barre werd op 27 januari 1975 in Bremen geboren. 1995-1996 Werkte hij als redacteur voor Rolling Stone, daarna tot 1997 als productmanager bij de platenfirma MotorMusic. Daarnaast werkte hij ook als journalist voor o.a. de FAZ. Die Woche en Stern en schreef hij teksten voor de "Harald Schmidt Show". Bekend werd hij met zijn debuutroman uit 2003 “Soloalbum” en zijn volgende werken "Livealbum" en "Blackbox".

 

Uit: Soloalbum

 

„Was ich aber immer mal wieder gerne klaue (das ist ziemlich risikolos, da es nicht piepen kann, und gewiß auch straffrei bleibt), sind die sogenannten "Lagerfachkarten"- also diese überall anders beschrifteten (optimal zum Sammeln!) Plastikscheiben, die die Pet Shop Boys von zum Beispiel Robert Palmer zwar ordnend trennen, jedoch nicht annähernd dem Coolness-Graben zwischen beiden Künstlern Rechnung zu tragen vermögen (hinter den Pet Shop Boys zumeist: Tom Petty; vor ihnen fast immer ein gewisser Ray Peterson, irgendwann kaufe ich mal aus Spaß eine CD von Ray Peterson, der nervt nun wirklich schon jahrelang). Ich bin zwar der Meinung, das Ocean Colour Scene eine eher verzichtbare (dabei gewiss nicht schlechte) Band ist, aber seit die hinter Oasis stehen, ist mir viel wohler, als dort dauernd auf (das ist mir schon passiert!) Uwe Ochsenknecht, Sinead O'Connor oder Mike Oldfield zu stoßen. Da kriegt man sonst gleich so schlechte Laune.
Aus reinem Interesse, ach Quatsch, aus purer Bosheit erkundige ich mich, wie viele Kuschelrock-Sampler es inzwischen gibt. Die Frau an der Kasse sagt: - Ich glaube 17, aber es kommt bald ein neuer.
Ich sage der Frau, das ich den dann noch abwarte und mich darauf freue, ob denn wieder Phil Collins dabei ist und Rod Stewart. Sie glaubt schon. Ich glaube auch. Vor dem Haushaltswarenladen, der "tausend praktische Dinge" bereithält, nur gar nichts, was für mich praktisch wäre, plärrt ein festgeketteter Fernseher. Alfred Biolek kocht in seiner Küche, um sein Buch zu verhökern und neuerdings sogar auch Gläser, und zwar "Original" (also die aus der Sendung?). Und die Leute kaufen den Schund in solchen Mengen, daß der Laden sogar einen eigenen Biolek-Tisch eingerichtet hat. Bald werden sie auch Nickelbrillen verkaufen und vielleicht auch Bio-Tonnen o der Bio-Sphären, wer weiß.“

 

 

stuckrad-barre
Benjamin von Stuckrad-Barre (Bremen, 27 januari 1975)

 

Mordecai Richler werd geboren op 27 januari 1931 in Montreal. Tijdens zijn leven was hij een van de bekendste Canadese schrijvers wereldwijd. In Canada zelf was hij niet onomstreden wegens zijn uitlatingen over de politiek. Richler stamde uit een joodse familie. De buurt waarin hij opgroeide vereeuwigde hij later in verschillende van zijn romans. De doorbraak voor hem als schrijver kwam in 1959 met de publicatie van zijn roman The Apprenticeship of Duddy Kravitz. Het boek werd in 1974 door Ted Kotcheff verfilmd.

 

Werk o.a.: The Incomparable Atuk 1963), Cocksure (1968), St. Urbain's Horseman (1971), Solomon Gursky Was Here (1989), Barney's Version (1997)

 

 

Uit: Barney's Version

 

“Terry's the spur. The splinter under my fingernail. To come clean, I'm starting on this shambles that is the true story of my wasted life (violating a solemn pledge, scribbling a first book at my advanced age), as a riposte to the scurrilous charges Terry McIver has made in his forthcoming autobiography: about me, my three wives, a.k.a. Barney Panofsky's troika, the nature of my friendship with Boogie, and, of course, the scandal I will carry to my grave like a humpback. Terry's sound of two hands clapping, Of Time and Fevers, will shortly be launched by The Group (sorry, the group), a government-subsidized small press, rooted in Toronto, that also publishes a monthly journal, the good earth, printed on recycled paper, you bet your life.

 

Terry McIver and I, both Montrealers born and bred, were in Paris together in the early fifties. Poor Terry was no more than tolerated by my bunch, a pride of impecunious, horny young writers awash in rejection slips, yet ostensibly confident that everything was possible — fame, adoring bimbos, and fortune lying in wait around the corner, just like that legendary Wrigley's shill of my boyhood”.

 

 

 

Richler
Mordecai Richler
(27 januari 1931 – 3 juli 2001)

 

De Amerikaanse schrijver Ethan Mordden werd geboren op 27 januari 1947 in Pennsylvania. Hij groeide zowel daar op als in Venetië, in Italië en op Long Island.  Hij studeerde af in geschiedenis aan de University of Pennsylvania. Zijn schrijverscarrière begon met een studie over de Broadway musical, Better Foot Forward: The History of American Musical Theatre. Met het schrijven van fictie begon hij in de vroege jaren tachtig in het pionierende tijdschrift Christopher Street. Aanvankelijk zou hij een column over kunst verzorgen, maar het werd al snel een autobiografisch georiënteerde. Al gauw ook was niet alleen meer zijn familie onderwerp van zijn verhalen, maar evolueerden zij tot semi-fictionele beschrijvingen van zijn leven als jonge homo in New York. Deze verhalen worden verteld door Bud, Morddens schijnbare alter-ego. Bud is een homoman van in de dertig, wonend in Manhatten, goed opgeleid, cultureel sophisticated, militant gay en omringd door een groep jonge homovrienden die een soort familie vormen. Deze verhalen werden verzameld in I've a Feeling We're Not in Kansas Anymore: Tales from Gay Manhattan (1985), gevolgd door Buddies (1986), en Everybody Loves You: Further Adventures of Gay Manhattan (1988). Na een onderbreking van negen jaar keerde Na een onderbreking van negen jaar keerde hij in 1997 naar deze serie terug in Some Men Are Lookers. In 1995 verscheen een roman van zijn hand How Long Has This Been Going On? Na een onderbreking van negen jaar keerde hij in 1997 naar deze serie terug in Some Men Are Lookers. In 1995 verscheen een roman van zijn hand How Long Has This Been Going On?

Uit: The Music of the Night

 

"Guess who I saw at the gym today!" Carlo cried as I let him in.

"Give us a hint," said Dennis Savage.

"Someone you've met. Incredible-looking. Redhead's complexion with hair half-blond and half brown at one time. You keep looking at it, want to smooth down that hair. Beautiful strange, everything tight and trim, thighs, tips, abs, mustache. Clone of death. Especially how he carries himself, swaggering around like he invented rimming."

Dennis Savage was stumped.

Cosgrove said to Virgil, "I bet it's one of those chicks with dicks."

Virgil said, "Cosgrove"; and Cosgrove was abashed.

"Clone of death," I put in. "Are people like that still around?"

"This one is," Carlo answered. "That whole weight room was in a hypnotic state. He was taking turns at the weight bench with some cute little mud puppy who wanted to do some innocent flirting. But our man suddenly starts feeling the kid up. Everybody's watching. And the guy tells the kid, "I could get high on your cream. I want to fuck you like crack."

"Jeepers," I said.

"Someone we've met?" Dennis Savage repeated.

"We all knew him. Some time ago."

"And he's still -- "

"He's stiller. He was never like this before, he's new! He's tough and he's tight and he'll take no prisoners."

"I insist upon guessing this," said Dennis Savage.

"Look at it this way," said Carlo. "He could also be one of your maybe B or B-plus hunks, junior slim grade, always having boyfriend fights with Scott Hellman."

"That's Bert Hicks," said Dennis Savage. "I mean, half of the description is Bert Hicks. The other half is...who?" "He says he's all Bert Hicks. But he's surely got someone else's eyes. You know? Like he's been having nothing but the most evil sex for ten years. And like where did Bert Hicks get that shithouse build on him?"

"Gyms are public places," I said. "Anyone may enter."

"Builds like this don't happen in public."

"Not to Bert Hicks," Dennis Savage agreed. "And where'd he get the heavy eyes from? No one knew that about him before."

"No one knew anything about him before," said Carlo. "He wasn't the kind of guy you needed to know about."

 

 

Mordden
Ethan Mordden (Pennsylvania, 27 januari 1947)

 

Leopold Ritter von Sacher-Masoch werd geboren op 27 januari 1836 in Lemberg. Hij was de oudste zoon van de politiecommissaris van Lemberg. Hij werd sterk door het landschap van Galicië en door het joodse ghetto beїnvloed. In 1848 verhuisde hij met zijn familie naar Praag, zijn geestelijke thuisbasis, waar hij Duits leerde. Tot dan toe had hij enkel nog maar Pools en Roeteens gesproken. Na zijn middelbare studies aan het gymnasium, studeerde hij rechten, geschiedenis en wiskunde. Zijn vader werd in 1855 naar Graz verplaatst en daarom maakte hij zijn studies rechten af in Steiermark. In 1857 behaalde hij zijn habilitatie met het geschiedkundige werk Der Aufstand in Gent. In 1858 publiceerde hij anoniem de roman Eine galizische Geschichte. Nadat hij in 1859 als vrijwillig officier aan de oorlog tegen Italië en Frankrijk had deelgenomen, werd hij in Lemberg tot professor in de geschiedenis benoemd.  Na een tijdje deed hij echter afstand van zijn leerstoel en leefde van dan af als vrij kunstenaar afwisselend in Graz, Praag, Salzburg en Wenen. Door de publicatie van zijn familieroman Venus im Pelz in 1866 in het tijdschrift Die Liebe werd Sacher-Masoch bekend binnen de psychologie. De psychiater Richard von Krafft-Ebenig muntte in 1866 de term “masochisme” om er het verlangen om lichamelijk en geestelijk mishandeld te worden om zo de seksuele opwinding te verhogen, mee aan te duiden. Von Sacher-Masoch heeft zich altijd tevergeefs hiertegen verzet. Na een triomfontvangst in 1866 in Parijs kreeg hij de Orde van het Erelegioen. Hoewel zijn ooit bewonderde werk in de vergetelheid was geraakt beleeft het sinds enkele jaren een zekere comeback, o.a. door het evenement Graz-Kulturhauptstadt 2003.

Uit: Venus im Pelz

»Gibt es für den Liebenden etwa eine größere Grausamkeit als die Treulosigkeit der Geliebten?«

»Ach!« – entgegnete sie – »wir sind treu, so lange wir lieben, ihr aber verlangt vom Weibe Treue ohne Liebe, und Hingebung ohne Genuß, wer ist da grausam, das Weib oder der Mann? – Ihr nehmt im Norden die Liebe überhaupt zu wichtig und zu ernst. Ihr sprecht von Pflichten, wo nur vom Vergnügen die Rede sein sollte.«

»Ja, Madame, wir haben dafür auch sehr achtbare und tugendhafte Gefühle und dauerhafte Verhältnisse.«

»Und doch diese ewig rege, ewig ungesättigte Sehnsucht nach dem nackten Heidentum«, fiel Madame ein, »aber jene Liebe, welche die höchste Freude, die göttliche Heiterkeit selbst ist, taugt nicht für euch Modernen, euch Kinder der Reflexion. Sie bringt euch Unheil. Sobald ihr natürlich sein wollt, werdet ihr gemein. Euch erscheint die Natur als etwas Feindseliges, ihr habt aus uns lachenden Göttern Griechenlands Dämonen, aus mir eine Teufelin gemacht. Ihr könnt mich nur bannen und verfluchen oder euch selbst in bacchantischem Wahnsinn vor meinem Altar als Opfer schlachten, und hat einmal einer von euch den Mut gehabt, meinen roten Mund zu küssen, so pilgert er dafür barfuß im Büßerhemd nach Rom und erwartet Blüten von dem dürren Stock, während unter meinem Fuße zu jeder Stunde Rosen, Veilchen und Myrten emporschießen, aber euch bekömmt ihr Duft nicht; bleibt nur in eurem nordischen Nebel und christlichem Weihrauch; laßt uns Heiden unter dem Schutt, unter der Lava ruhen, grabt uns nicht aus, für euch wurde Pompeji, für euch wurden unsere Villen, unsere Bäder, unsere Tempel nicht gebaut. Ihr braucht keine Götter! Uns friert in eurer Welt!« Die schöne Marmordame hustete und zog die dunkeln Zobelfelle um ihre Schultern noch fester zusammen.

 

sacher-m
Leopold von Sacher-Masoch (27 januari 1836 – 9 maart 1895)

 

De Russische schrijver Mikhail Saltykov-Shchedrin werd geboren op 27 januari 1826. Hij was een meesterlijk satiricus die zowel de bourgeoisie, de landadel als de ambtenarij waartoe hij zelf ook behoorde op de korrel nam. Zijn grootste satirische werk is De geschiedenis van een stad (1869-70). Zijn meesterwerk is wellicht zijn enige roman De familie Golovyov uit 1876.

 

Uit: Von zwei Generälen und einem Bauern

 

„Es waren einmal zwei Generäle, die beide leichtsinnig waren. Sie fanden sich eines schönen Tages durch Zaubermacht auf eine einsame, unbewohnte Insel verschlagen.

Die Generäle hatten ihr Leben lang in irgendeiner Registratur ihres Amtes gewaltet; sie waren dort geboren, erzogen worden und schließlich gealtert: also verstanden sie nichts. Ja, sie kannten kaum andere Worte als: «Indem ich Sie meiner größten Hochachtung versichere, verbleibe ich...»

Die Registratur wurde aufgelöst, und die Generäle wurden an die Luft gesetzt. Als Ruheständler ließen sie sich in Petersburg in der Podjatscheskajastraße nieder; jeder hatte seine eigene Wohnung, seine eigene Köchin und nahm allmonatlich sein Ruhegehalt in Empfang. Und nun waren sie plötzlich auf eine einsame Insel geraten! Sie erwachten und staunten, daß sie nebeneinander unter derselben Decke lagen. Natürlich begriffen sie zuerst nichts und unterhielten sich, als wäre nichts geschehen.

«Etwas sehr Sonderbares habe ich in dieser Nacht geträumt», sagte der eine General, «mir war es, als befände ich mich auf einer einsamen Insel ... »

Nach diesen Worten fuhr er plötzlich in die Höhe, und auch der andere General sprang auf.

«Mein Gott! Was ist das? Wo sind wir?» schrien beide mit gänzlich veränderter Stimme.

Sie betasteten sich gegenseitig, um Klarheit zu gewinnen, ob sie einen Traum oder die Wirklichkeit erlebten. Aber sosehr sie sich auch einzureden suchten, es sei alles bloß ein Traum, mußten sie schließlich die traurige Wahrheit doch anerkennen.“

 

 

SALTYKOV
Mikhail Saltykov-Shchedrin (27 januari 1826 – 10 mei 1889)

 

De Russische schrijver Ilja Ehrenburg werd geboren op 27 januari 1891 in Kiev. Naast zijn werk als journalist schreef hij romans, gedichten, essays en reisbeschrijvingen. Ehrenburgs werk was kenmerkend voor de liberalisatie in de Sovjet-Unie na de dood van Stalin. Hoewel hij een overtuigde communist was oefende hij in zijn romans, zoals bijvoorbeeld in de satirisch-groteske roman “De Dooi” uit 1952 kritiek uit op het bestaande systeem. De titel van de roman was naamgevend voor de periode in De Sovjetliteratuur na Stalin.  Een tijdsdocument voor de 20e eeuw is zijn autobiografie Mensen, jaren, leven, waarin hij kritiek uit op het gedrag van de intelligentia tijdens het leven van Stalin.

 

Uit: The tempering of Russia (vertaling door Alexander Kaun)

 

“Unbearably hot days. People are wearing summer clothes, and  Moscow seems like a big summer resort. During the day one may  forget about the war. On Pushkin Square they are selling flowers,  as ever. Across the street from the Kremlin there is a café with an  open terrace: soldiers, girls, clerks in sports jackets with brief-  cases are eating ice cream.  Housewives have many new cares: they dim out their houses,  they glue strips of cloth on their window-panes. Instruction in  anti-air defense goes on everywhere. Respectable mothers are  learning how to put out incendiary bombs, which the youthful  instructors contemptuously abbreviate into "sab's" ("insb's").  In the evening people sit or stand on side-streets by their houses;  they discuss all sorts of rumors. There are many rumors, both bad  and good. One tells you that the Red Army has reached Warsaw,  another that the Germans are near Moscow.  Many Muscovites rise with the roosters: they are eager to hear
the first war summary, broadcast at six a.m. In the schools, now recruiting-points, you see silent, grave people. Around the schools are crowds of women: mothers, wives.Those who go off to war show neither bravado nor fear. You are struck by the severity of the young, not yet hardened faces.”

 

 

EHRENBURG
Ilja Ehrenburg (27 januari 1891 – 31 augustus 1967)

 

De Franstalige, maar oorspronkelijk Nederlandse schrijfster Neel Doff werd geboren in Buggenum op 27 januari 1858. Neel Doff werkte vanaf 1873 in Brussel als schildersmodel en als prostituee. Ze kreeg vooral bekendheid door de heruitgave van haar boeken Keetje (1919) en Keetje Trottin (1921), vertaald in Keetje Tippel (1972), in 1975 verfilmd onder die titel met Monique van der Ven in de hoofdrol. Ze kon aan het milieu van de prostitutie ontsnappen door haar huwelijk met een uitgever en later met een advocaat. Omziend op haar leven begon ze te schrijven, o.a. Jours de famine et de détresse (1911), in 1974 uitgegeven onder de titel Dagen van honger en ellende. In 1975 verscheen een vertaling van Quittes tout cela! Suivi de Au jour de jour 1934-1935 onder de titels Afscheid en Van dag tot dag.

 

Uit : Keetje

 

" Ils ont procréé un enfant pour eux, et, eût-il soixante ans, il ne pourrait avoir de personnalité… Je dois penser comme eux, je dois manger comme eux, et mon père dit que, si son fils ne devait pas partager ses idées, il léguerait toute sa fortune à n’importe qui pensant comme lui… Ils n’ont pas insisté quand j’ai abandonné la médecine, pour mieux me garder sous leur dépendance… Ma mère a vécu dans la terreur que mon père ne me déshérite, et, quand il devait revenir de voyage, elle me chauffait d’avance : il ne fallait pas le contrarier, il avait travaillé toute son existence pour m’acquérir l’indépendance, je ne pouvais lui causer cette peine de montrer que je pensais autrement que lui, ce serait détruire tout l’idéal, et le but même de sa vie…Surtout je ne devais pas lui parler de la femme, puisqu’il ne les supporte pas…Alors quand il rentrait, j’étais comme un petit garçon ; au lieu de discuter mes idées, il fallait acquiescer aux siennes : au lieu de pouvoir parler de la femme comme d’une compagne, il fallait en parler comme d’une inférieure…Quant aux questions de l’art, c’étaient des balivernes… Si je déviais aussi peu que ce fût des préjugés de mon père, je voyais le regard terrifié de ma mère m’implorer… "

 

 

 

Doff
Neel Doff (27 januari 1858 – 14 juli 1942)

 

 

26-01-07

Menno ter Braak, Achim von Arnim, Rudolf Alexander Schröder, Gerrit Jan Zwier, Bhai, Eugène Sue


De Nederlandse schrijver Menno ter Braak werd geboren op 26 januari 1902 in Eibergen. Hij kwam tijdens zijn studie Nederlands en Geschiedenis in Amsterdam in contact met Joris Ivens, met wie hij "De Nederlandsche Filmliga" oprichtte. Met deze organisatie probeerden zij ervoor te zorgen dat experimentele films het grote publiek konden bereiken. Nadat Ter Braak leraar aan het Rotterdamsch Lyceum was geworden, schreef hij in 1930 Het Carnaval der Burgers. Hierin beschrijft hij de tegenstelling tussen de uitdrukking van gevoelens in de kunst en de maatschappij die deze gevoelens onderdrukt. In 1933 werd Ter Braak aangenomen als letterkundig redacteur van het dagblad Het Vaderland waardoor hij zijn baan als leraar kon opgeven. Zijn leraarschap zou hij later nog verwerken in het sterk autobiografische Dr. Dumay Verliest. Gedurende zijn loopbaan als redacteur maakte Ter Braak naam met kritieken waarin hij zich, behalve over de boeken die hij recenseerde, ook regelmatig uitliet over de actualiteit en de maatschappelijke problemen van zijn tijd. In deze wekelijkse 'Kronieken' vergeleek hij gewoonlijk diverse boeken met elkaar, zowel nieuwe uitgaven als herdrukken, waardoor zijn kritisch werk een spiegel is geworden van de Nederlandse literatuur tussen 1900 en 1940. Eind 1930 raakte Ter Braak bevriend met de uit Nederlands-Indië afkomstige schrijver Edgar du Perron. Uit die vriendschap is, behalve een omvangrijke briefwisseling, ook het vernieuwende literaire tijdschrift Forum voortgekomen. Ter Braak publiceerde daarin regelmatig essays, waaronder zijn Démasqué der Schoonheid, waaruit de discussie voortkwam die bekend werd als 'Vorm of vent': namelijk de vraag, inhoeverre in een kunstwerk de vorm (schoonheid of l'art pour l'art) of de persoonlijkheid van de kunstenaar de leidende kracht of het leidende principe is.

 

Ter Braak was naar het schijnt al jaren vastbesloten, in geval van een Nazi-bezetting van Nederland uit het leven te stappen. Na het binnenvallen van het Duitse leger op 10 mei 1940 deed hij ee (mislukte) poging om via Scheveningen naar Engeland te vluchten. Op 14 mei 1940, toen het Nederlandse leger had gecapituleerd, pleegde Ter Braak in de woning van zijn broer, huisarts te Den Haag, zelfmoord door een combinatie van een slaapmiddel en een injectie, toegediend door zijn broer.

 

Uit: Démasqé der Schoonheid

 

“Er is nog een derde mogelijkheid in den strijd met den vorm; maar over die mogelijkheid kan men pas spreken, wanneer men aan den lijve de smadelijke nederlaag van het aesthetisme gevoeld heeft, wanneer men persoonlijk ervaren heeft, hoe de schoonheid, die u van de natuurlijkheid der natuur verloste, die u bevrijdde van de beklemming der gemeenplaatsen, een nieuw net van gemeenplaatsen over u heeft uitgespreid. Het is pas mogelijk, het démasqué der schoonheid onder oogen te zien, als men zoo lang de waarheden der aestheten heeft nagepraat, dat men van hun onweerlegbaarheid wee is geworden. Maar wie de schoonheid wil demaskeeren, zonder ooit geweten te hebben, wat schoonheid was, verschilt niet van dat bekende type vrouwenhaters, die door hun haat moeten verbergen, dat zij te linksch waren om met vrouwen om te gaan. De derde mogelijkheid, het démasqué der schoonheid, veronderstelt, dat men de schoonheid gekend heeft en liefgehad, toen zij bevrijding en verlies beteekende, en dat men haar daarom is gaan verachten, toen zij het devies eener côterie ging worden. Want heeft er ooit een démasqué plaats vóór het bal?”

 

 

 

TerBraak
Menno ter Braak
(26 januari 1902 -  14 mei 1940)

 

De Duitse schrijver Achim von Arnim (eig. Ludwig Joachim von Arnim) werd geboren in Berlijn op 26 januari 1781. Arnim, uit een adellijke familie van diplomaten, studeerde in Halle an der Saale natuurwetenschappen, maar raakte in 1798 geïnteresseerd in de rechtenstudie. Hij had Ludwig Tieck leren kennen, en begon zelf schrijfselen uit te proberen, aanvankelijk geïnspireerd door Goethes Leiden des jungen Werthers, waaronder de roman Hollins Liebesleben. Toen hij in Göttingen verder ging studeren in 1801, ontmoette hij Clemens Brentano: met hem zou hij levenslang bevriend blijven. Arnim maakte tijdens zijn leven ontelbare reizen, schreef in Zwitserland nog een roman, en begon vanaf 1806, tezamen met Brentano, Des Knaben Wunderhorn uit te geven, de belangrijkste verzameling volksliederen uit de Romantiek. De Wunderhorn kreeg nog ruim een eeuw een grote belangstelling als een collectie opgetekende Duitse volkspoëzie, ofschoon men hem tegenwoordig vooral als romantische herbewerking van dit soort materiaal beschouwt. Goethe erkende de waarde van dit werk eveneens. Zijn belangrijkste novelle schreef Arnim in 1812, Isabella von Ägypten, over Keizer Karel die verliefd wordt op een zigeunerin. Dit verhaal zit vol mysterieuze en onheilspellende wendingen en illustreert hoezeer Arnim in de romantische beweging was ingebed. In 1813 en 1814 nam Arnim deel aan de veldtochten tegen Frankrijk. Nadat Napoleon verslagen was, kreeg hij de leiding over een politieke krant; hij kwam echter in aanvaring met de censuur. Noodgedwongen bracht hij zijn latere jaren in isolatie op zijn landgoed door: in 1817 schreef hij de eerste historische roman, Die Kronenwächter, over het middeleeuwse Duitsland.

 

Uit: Des Knaben Wunderhorn

 

Der traurige Garten

 

Ach Gott, wie weh thut Scheiden,
Hat mir mein Herz verwundt,
So trab ich über Helden,
Und traure zu aller Stund,
Der Stunden der sind alsoviel,
Mein Herz trägt heimlich Leiden,
Wiewohl ich oft fröhlich bin.

Hät mir ein Gärtlein bauet,
Von Veil und grünem Klee,
Ist mir zu früh erfroren,
Thut meinem Herzen weh;
Ist mir erfrorn bei Sonnenschein
Ein Kraut je länger je lieber,
Ein Blümlein Vergiß nicht mein.

Das Blümlein, das ich meine,
Das ist von edler Art,
Ist aller Tugend reine,
Ihr Mündlein das ist zart,
Ihr Aeuglein die sind hübsch und fein,
Wann ich an sie gedenke,
So wollt ich gern bei ihr seyn.

Mich dünkt in all mein Sinnen,
Und wann ich bei ihr bin,
Sie sey ein Kaiserinne,
Kein lieber ich nimmer gewinn,
Hat mir mein junges Herz erfreut,
Wann ich an sie gedenke,
Verschwunden ist mir mein Leid
.

 

 

Arnim
Achim von Arnim  (26 januari 1781 -  21 januari 1831)

 

De Duitse schrijver Rudolf Alexander Schröder werd geboren op 26 januari 1878 in Bremen. Schröder was een veelzijdig man, actief als dichter en vertaler, essayist, bibliofiel uitgever, binnenhuisarchitect en schilder. In zijn vaderland groeide hij uit tot een nationale persoonlijkheid. Dat bleek vooral in 1953, toen hem ter gelegenheid van zijn vijfenzeventigste verjaardag een grootse hulde werd gebracht. In het voorgaande jaar waren voor deze gelegenheid zijn Gesammelte Werke begonnen te verschijnen. Het eerste deel bevat Schröders gedichten, het tweede en derde zijn vele opstellen en redevoeringen. In de volgende zijn (metrische) vertalingen van klassieke dichters opgenomen, respectievelijk van Homerus, van Vergilius en Horatius, van Corneille, Racine en Molière en van Shakespeare. In 1965 werd de reeks afgesloten met de achtste band, Predigten zum Kirchenjahr: vanaf 1941 was Schröder namelijk ook actief als Laienprediger.

 

Die Klage

 

Nun geht der Jammer
Die Not, die Schande
Durch Haus und Kammer,   
Durch Markt und Lande;
 
Zerbricht die Städte,
Die klugerbauten,
Ruhm, Ränk und Räte,
Darauf, wir trauten.
 
In Graus und Aschen,
Vom Strahl getroffen,
Das frevle Haschen,
Das dreiste Hoffen.
 
Nun müsst ihr tragen,
Was andre litten,
Verlorne Klagen,
Verworfne Bitten,
 
Verfehltes Lieben,
Verwirkte Treue,
Der nichts geblieben
Als Schmach und Reue
 
Vergebnen Grämens,
Das keiner segnet,
Voll stummen Schämens,
Dem Zorn begegnet.
 
Wir wurden Meister
Und blieben Toren,
Die Höllengeister
Ans Licht beschworen;   

 

Der Trotz wollt's wenden
Mit Lug und Truge
Und muss doch enden
Nach Recht und Fuge.
 
Das freche Prahlen
Des Übermutes,
Geseufz und Qualen
Vergossnen Blutes,
 
Geschrei und Zähren,
Ihr müsst sie gelten;
Da frommt kein Wehren,
Da hilft kein Schelten.
 
Wo wollt ihr hausen?
Wo wollt ihr hinnen?
Habt Hasser draussen
Und Henker drinnen,
 
Da Burg und Bürger
Sich nichts mehr bürget,
Der Mord den Würger
Im Nacken würget.
 
Verstrickt im Knäuel
Der Schadenfrone,
Dir selbst zum Greuel,
Der Welt zum Hohne,
 
Sieh all das Deine
Ins Elend wandern.
Ja, Deutschland, weine,
Ja, lacht, ihr andern!

 

 

 

 

SCHROEDER
Rudolf Alexander Schröder (26 januari 1878 – 22 augustus 1962)

 

De Nederlandse schrijver Gerrit Jan Zwier werd geboren in Leeuwarden op 26 januari 1947. Zwier studeerde antropologie en geografie in Groningen. Hij heeft veel gereisd, onder anderen door Scandinavië, en heeft een speciale band met Terschelling. De ervaringen die hij bij zijn reizen heeft opgedaan verwerkte hij in zijn verhalen en romans. In zijn proza refereert hij vaak aan de wereld van de wetenschap; hij beschrijft de individuele drang om te verkennen.

 

Uit: Zilverig Licht

 

“Hoewel er een frisse wind opsteekt, die de geuren van de zee en de omringende bergen met zich meedraagt, heeft niemand zin om naar binnen te gaan. Het is tegen twaalven. Verspreid over bankjes en stoelen zitten we voor het Gemeenschapshuis, af en toe pratend en geregeld omhoogkijkend naar de met bleke sterren bezaaide hemelkoepel. Een vlaag noorderlicht zou een mooie afsluiting zijn van onze wandelreis door IJsland.
Twee weken zijn we nu op pad, een eindeloze tijd. Weliswaar vliegen de dagen voorbij, maar al na een week had ik het gevoel een maand van huis te zijn. De tijd verloopt zowel traag als snel; ik zou daar morgen in mijn tafelspeech aan het slotdiner een paar regeltjes aan kunnen wijden. En aan het feit dat de mens weliswaar een groepsdier is, maar dat hij ook graag op zichzelf is. Hoe knellender het sociale kader, hoe sterker het verlangen naar eenzaamheid.
'Wil je een slokje?' vraagt Agaath, een roodharige Brabantse, en ze houdt me een fles calvados voor. Onderweg heeft ze daar een klein vermogen voor neergeteld, alcohol wordt op IJsland duur betaald. De scherpe appeljenever bijt in mijn tong.
'Jammer dat je niet verliefd op me bent,' zegt ze met trage stem.”

 

 

Zwier
Gerrit Jan Zwier (Leeuwarden, 26 januari 1947)

 

Bhai (Hindi en Sarnami voor: Broeder) is het pseudoniem van de Surinaamse dichter James Ramlall. Hij werd geboren op 26 januari 1935 in het toenmalige district Suriname, studeerde in Nederland (Nederlandse taal- en letterkunde en pedagogiek) en India (wijsbegeerte en religie), en promoveerde op het proefschrift The problem of Being in Sankara and Heidegger.

Hij werd onderdirecteur Cultuur en later directeur Cultuur van het Surinaamse Ministerie van Onderwijs en Cultuur, en betoonde zich zeer actief in de culturele wereld, onder andere als oprichter van het conferentiecentrum "Caribbean Centre" te Lelydorp.

Hij schreef poëzie in het Hindi en Nederlands in het tijdschrift Soela, filosofisch en meditatief. Het Nederlandstalige werk werd gebundeld in Vindu (Hindi voor: Geheim, 1982) waaruit het concreet-afbeeldende van zijn vroegere poëzie geheel is verdwenen. Voor deze bundel ontving Bhai de Literatuurprijs van Suriname 1980-1982.

 

dhan ka dukhra
(Rijste-Smart)

 

Slechts zij, die uit rijst geboren zijn

Slechts zij, die in rijst zijn opgegroeid

Slechts zij, die door rijst gestorven zijn

Kennen alleen de jammerklacht der halmen.

Want weet, dat iedere groei

in wezen sterven is

en iedere bloei vergaan.

Zo weet dan ook, dat iedere oogst

zeer smart'lijk is.

 

 

 

khali pyala
(een leeg glas)

 

Ik ben een glas - leeg -

dat staat te wachten

op een tafel,

in een onbewoond vertrek.

Ik heb geen verlangen,

maar ben tevreden,

als ik ooit

iemand laven mag.

 

 

Bhai
Bhai (Suriname, 26 januari 1935)

 

Er bestaat onzekerheid over de geboortedatum van de Franse schrijver Eugène Sue. Verscheidene biografen geven meerdere data aan. Maurice Lachâtre noemt 17 januari 1804, Alexandre Dumas vernoemt 1 januari 1803, Eugène de Mirecourt 1 januari 1801, Paul Ginisty haalt 10 december 1804 aan en François Lacassin 8 februari 1804. De verwarring is ontstaan doordat Sue is geboren onder de Franse Republikeinse Kalender. Volgens Jean-Louis Bory is Sue geboren op V pluviôse van het jaar XII van de Republiek. Dit komt volgens Bory overeen met 26 januari 1804.

 

Zie voor meer informatie  en een fragment ook mijn blog van 10 december 2005.

 

 

 

 

Sue
(26 januari 1804 – 3 augustus 1857)

 

 

25-01-07

Virginia Woolf, Renate Dorrestein, William Somerset Maugham, Robert Burns, Vladimir Vysotsky, Eva Zeller, Daniel Caspar von Lohenstein, David Grossman, Alessandro Baricco


De Engelse schrijfster Virginia Woolf werd als Adeline Virginia Stephen geboren op 25 januari 1882 te Londen, in een klassiek Victoriaans gezin. Na de dood van haar moeder in 1895 maakte ze de eerste van diverse zenuwinzinkingen door. In 1905 maakte ze van schrijven haar beroep. Aanvankelijk schreef ze voor het Times Literary Supplement. In 1912 trouwde ze met Leonard Woolf, een ambtenaar en politicoloog. Haar eerste boek, The Voyage Out, kwam uit in 1915. Ze publiceerde romans en essays, en had zowel bij de literaire kritiek als het grote publiek succes. Veel van haar werk gaf ze zelf uit via de uitgeverij Hogarth Press. Op 28 maart 1941 pleegde Woolf zelfmoord door haar zakken te vullen met stenen, en zich te verdrinken in de rivier de Ouse nabij haar huis in Rodmell (Sussex).

 

Uit: A room of one's own

 

“But, you may say, we asked you to speak about women and fiction—what, has that got to do with a room of one’s own? I will try to explain. When you asked me to speak about women and fiction I sat down on the banks of a river and began to wonder what the words meant. They might mean simply a few remarks about Fanny Burney; a few more about Jane Austen; a tribute to the Brontës and a sketch of Haworth Parsonage under snow; some witticisms if possible about Miss Mitford; a respectful allusion to George Eliot; a reference to Mrs Gaskell and one would have done. But at second sight the words seemed not so simple. The title women and fiction might mean, and you may have meant it to mean, women and what they are like, or it might mean women and the fiction that they write; or it might mean women and the fiction that is written about them, or it might mean that somehow all three are inextricably mixed together and you want me to consider them in that light. But when I began to consider the subject in this last way, which seemed the most interesting, I soon saw that it had one fatal drawback. I should never be able to come to a conclusion. I should never be able to fulfil what is, I understand, the first duty of a lecturer to hand you after an hour’s discourse a nugget of pure truth to wrap up between the pages of your notebooks and keep on the mantelpiece for ever.”

 

 

 

Woolf
Virginia Woolf (25 januari 1882 – 28 maart 1941)

 

 

 

 

 

De Nederlandse schrijfster Renate Dorrestein werd geboren in Amsterdam op 25 januari 1954. Als romancier debuteerde Dorrestein in 1983 met Buitenstaanders, daarvoor was ze al bekend van haar columns in onder andere Opzij. In 1993 ontving ze de Annie Romeinprijs voor haar hele werk. Verder kreeg ze voor Een sterke man een nominatie voor de Libris Literatuurprijs, en een nominatie voor de Publieksprijs voor Een hart van steen. In 2002 werd Zonder genade genomineerd voor de AKO Literatuur Prijs. Ook kreeg ze twee internationale nominaties. In 1997 schreef ze op uitnodiging van de CPNB het Boekenweekgeschenk onder de titel Want dit is mijn lichaam.

 

Uit: Een hart van steen

 

“We waren al met z'n vieren toen Ida werd geboren, in een ongewoon koude zomernacht. Dankzij de bijna volle maan was het om twee uur nog zo licht dat we de sproeten op elkaars neus konden tellen. We waren vastbesloten wakker te blijven totdat we de eerste kreet van de nieuwe baby hadden gehoord.
We hadden chips en cola meegenomen naar onze slaapkamer op zolder en onze warmste flanellen pyjama's aangetrokken.
Ik had het me met een stapel kussens gemakkelijk gemaakt op Kesters bed. Om de tijd te doden lazen hij en ik samen een Batman-strip. Hij porde me zachtjes in mijn zij als ik de pagina moest omslaan. Onze zuster Billie zat op haar vaste plek voor de spiegel die naast de kleerkast hing en knipte met een nagelschaartje geconcentreerd de gespleten punten uit haar lange zwarte haren. En Carlos stond van opwinding rechtop in zijn ledikant te zingen, slaapdronken, zijn buikje bolde over zijn afgezakte slaapluier heen. We noemden hem Carlos omdat hij als baby als twee druppels water had geleken op die bonenstaak van Engeland, prins Charles.”

 

 

 

 

Dorrestein
Renate Dorrestein (Amsterdam, 25 januari 1954)

 

 

 

 

 

De Engelse schrijver William Somerset Maugham werd geboren in Parijs op 25 januari 1874 en groeide op in Frankrijk. Na het overlijden van zijn ouders haalde zijn familie hem naar Kent en plaatste hem intern op de King's School in Canterbury. In 1914, tijdens de Eerste Wereldoorlog, zette hij zich een periode praktisch in voor het Rode Kruis in Frankrijk. Als geheim agent voor de Britse Geheime Dienst werkte hij in Genève en in Petrograd, waar hij betrokken was bij pogingen de uitbraak van de Russische Revolutie tegen te houden. Later schreef hij over deze ervaringen verschillende verhalen. Maugham trouwde met zijn maîtresse, de in die tijd bekende binnenhuisarchitecte Maud Gwendolen Syrie Barnardo. Het grootste deel van hun huwelijk bleven William en Syrië echter apart wonen. Sommigen menen dat Maugham wellicht homoseksueel was, maar daar niet voor wilde uitkomen uit angst voor wat collega-auteur Oscar Wilde was overkomen (gevangenschap). Zeker is dat Maugham vanwege die gebeurtenissen angstvallig vermeed het thema homoseksualiteit in zijn stukken te verwerken. Een complicerende factor in zijn huwelijk was mogelijk zijn vriendschap met de jonge en extraverte Amerikaan Gerald Haxton. Tijdens Maughams vele reizen die hij vanaf 1914 ondernam was hij vaak in gezelschap van zijn kompaan. Tot diens dood in 1944 zouden ze samen blijven reizen. Na een turbulent huwelijk scheidden William en Syrie in 1928. In 1940 wachtte Maugham het verloop van de oorlog niet af en vluchtte vanuit Frankrijk per boot naar de Verenigde Staten, waar hij de oorlog rustig uitzat. In 1944 overleed Gerald Haxton. Maugham keerde na de oorlog naar Frankrijk terug in gezelschap van Alan Searle. In 1946 riep hij de Somerset Maugham Award in het leven, een prijs die jonge schrijvers in staat stelde te reizen.

 

Uit: The Magician

 

 Arthur Burdon and Dr Porhoët walked in silence. They had lunched at a restaurant in the Boulevard Saint Michel, and were sauntering now in the gardens of the Luxembourg. Dr Porhoët walked with stooping shoulders, his hands behind him. He beheld the scene with the eyes of the many painters who have sought by means of the most charming garden in Paris to express their sense of beauty. The grass was scattered with the fallen leaves, but their wan decay little served to give a touch of nature to the artifice of all besides. The trees were neatly surrounded by bushes, and the bushes by trim beds of flowers. But the trees grew without abandonment, as though conscious of the decorative scheme they helped to form. It was autumn, and some were leafless already. Many of the flowers were withered. The formal garden reminded one of a light woman, no longer young, who sought, with faded finery, with powder and paint, to make a brave show of despair. It had those false, difficult smiles of uneasy gaiety, and the pitiful graces which attempt a fascination that the hurrying years have rendered vain.”

 

 

 

 

Somerset
William Somerset Maugham (25 januari 1874 – 16 december 1965)

 

 

 

 

 

Robert Burns is de bekendste dichter die in het Schots (het Engels-schotse dialect, niet de Keltisch schotse taal) geschreven heeft. Zijn gedicht Auld Lang Syne wordt in Engelssprekende gebieden vaak gezongen bij de overgang naar het nieuwe jaar. Hij werd geboren op 25 januari 1759 in Alloway, Ayrshire, Schotland in een arme boerenfamilie. Zijn ouders zorgden ervoor dat hij een goede opleiding kreeg toen hij jong was. Hij begon met het schrijven van poëzie in 1783, en gebruikte een traditionele stijl en het Ayrshire dialect van het Schots. De gedichten werden lokaal goed ontvangen, en werden in 1786 onder de naam Poems, Chiefly in the Scottish dialect uitgegeven door een drukkerij in Kilmarnock. Hierdoor werd hij beroemd in Schotland en als gevolg hiervan bracht hij een aantal jaren door in Edinburgh. Maar zijn faam bracht verder geen geld met zich mee, en hij zag zich genoodzaakt terug te gaan naar de boerderij. Maar ook dat bleek niet winstgevend te zijn, en in 1789 ging hij voor de regering werken op de afdeling Douane en Heffingen.

 

 

 

Auld Lang Syne 

(fragment)

 

Should auld acquaintance be forgot,
And never brought to mind?
Should auld acquaintance be forgot,
And auld lang syne!

Chorus.-For auld lang syne, my dear,
For auld lang syne.
We'll tak a cup o' kindness yet,
For auld lang syne.

And surely ye'll be your pint stowp!
And surely I'll be mine!
And we'll tak a cup o'kindness yet,
For auld lang syne.
For auld, &c.

 

 

 

 

The Parting Kiss

 

Humid seal of soft affections,
Tenderest pledge of future bliss,
Dearest tie of young connections,
Love's first snowdrop, virgin kiss!

Speaking silence, dumb confession,
Passion's birth, and infant's play,
Dove-like fondness, chaste concession,
Glowing dawn of future day!

Sorrowing joy, Adieu's last action,
(Lingering lips must now disjoin),
What words can ever speak affection
So thrilling and sincere as thine!

 

 

 

 

Burns
Robert Burns (25 januari 1759 – 21 juli 1796)

 

 

 

 

 

Vladimir Semjonovitsj Vysotsky was een Russische zanger, acteur en dichter, immens populair in de voormalige Sovjet-Unie. Hij werd geboren op 25 januari 1938. Hij heeft meer dan 600 liederen geschreven over onderwerpen als alcoholisme, de oorlog, sport, het gekkenhuis, de ochtendgymnastiek, prostitutie, geruchten en politie. Een enkel nummer is uit de naam van een voorwerp geschreven, zoals de belevenissen van een microfoon of een oorlogsvliegtuig. Hij hoorde bij geen enkele vereniging en was derhalve officieel geen dichter en geen zanger. Zichzelf noemde hij een dichter die zijn gedichten met een gitaar opvoerde. Hij onderscheidde serieuze liederen en de zgn. "grapliederen", die overigens vaak een moraal bevatten.

 

Das kotzt mich an

Zum Selbstmord lasse ich mich nicht verleiten,
vom Tod zu singen bin ich auch nicht scharf.
Zuwider sind mir jene Jammerzeiten,
wenn man malade ist, nicht saufen darf.

Zutraulichkeit erweckt nicht mein Vertrauen.
Von Zynikern im amtlichen Talar
laß ich mir ungern in die Karten schauen,
von Schnüfflern lesen meine Briefe gar.

Ich lasse mir nicht gern das Maul verschließen,
schweig nicht, wenn man im Satz mich unterbricht.
Nur ungern laß ich mich von vorn erschießen,
doch auch von hinten lieb ich so was nicht.

So wie ich Tratsch in allen Formen hasse,
empfind ich Ehrennadeln nur als Stich,
als kratz' ein Messer über Glas, als lasse
ich streicheln mir das Fell gegen den Strich.

Da ich nicht satte Sicherheit begehre,
mag's sein, daß meine Bremse mal versagt,
wenn man den wahren Sinn des Wortes »Ehre«
vergißt, verfälscht und zu beschmutzen wagt.

Für Demutstypen mit gebrochnen Flügeln
fühl ich zu Recht niemals Barmherzigkeit.
Gewaltlos ist Gewalt zwar nicht zu zügeln,
doch mir ist's gleich ... nur Christus tut mir leid.

Als miesen Feigling würde ich mich hassen,
ließe ich zu, daß man Unschuldige schlägt.
Von keinem möcht ich mich lobhudeln lassen,
der sonst auf Menschlichkeit zu spucken pflegt.

Der ewige Zirkus, wo wie Seifenblasen
Versprechen platzen, juble, wer da kann.
Große Veränderungen? – Nichts als Phrasen.
Das alles mag ich nicht, das kotzt mich an.

Vertaald door  Martin Remane

 

 

 

 

Vladimir
Vladimir Semjonovitsj Vysotsky (25 januari 1938 – 25 juli 1980)

 

 

 

 

De Duitse schrijfster en dichteres Eva Zeller werd geboren op 25 januari 1923 in Eberswalde. Zij studeerde germanistiek en filosofie en woont tegenwoordig in Berlijn. Zij is voor haar werk meerdere keren bekroond. Zij is lid van de Deutsche Akademie für Sprache und Dichtung en de Akademie der Wissenschaften und der Literatur

unterwegs

in letzter Zeit
will ich abwärtsfließende
Rolltreppen hochlaufen
und wildfremde Leute
nach dem Weg fragen
Wenn mir das
nochmal passiert...

Unterwegs fällt es mir
siedend heiß auf die Seele
daß in meiner Wohnung
ein Kabel durchschmort
und ich sowieso
im falschen Zug sitze
Wo komme ich hin

Auf jedem Bahnsteig
hole ich mich ab
falle mir um den Hals
und sage: Schön
daß du da bist
ich dachte schon
du bist verloren-
gegangen.

 

 

 

 

Zeller
Eva Zeller (Eberswalde,  25 januari 1923)
                 

 

 

De Duitse dichter Daniel Caspar von Lohenstein werd geboren op 25 januari 1635 in Nimptsch, in Silezië. Hij was jurist, diplomaat en een van de belangrijkste dichters uit de Silezische Barok.

 

Denn lieben ist nichts mehr / als eine schifferey

Denn lieben ist nichts mehr / als eine schifferey /
Das schiff ist unser hertz / den seilen kommen bey
Die sinnverwirrungen. Das meer ist unser leben /
Die liebeswellen sind die angst / in der wir schweben /
Die segel / wo hinein bläst der begierden wind /
Ist der gedancken tuch. Verlangen / hoffnung sind
Die ancker. Der magnet ist schönheit. Unser strudel
Sind Bathseben. Der weun und überfluß die rudel.
Der stern / nach welchem man die steiffen seegel lenckt /
Ist ein benelckter mund. Der port / wohin man denckt /
Ist eine schöne Frau. Die ufer sind die brüste.
Die anfahrt ist ein kuß. Der zielzweck /süsse lüste.
Wird aber hier umwölckt / durch blinder brünste rauch /
Die sonne der vernunfft / so folgt der schiffbruch auch /
Der seelen untergang / und der verderb des leibes:
Denn beyde tödtet uns der lustbrauch eines weibes.

 

Lohenstein
Daniel Caspar von Lohenstein  (25 januari 1635 - 28 april 1683)

 

 

 

De Israëlische schrijver David Grossman werd geboren op 25 januari 1954 in Jeruzalem. Hij studeerde filosofie en theaterwetenschappen aan de universiteit aldaar. Hij schrijft romans, kinder- en jeugdboeken en uitte zich in verschillende boeken kritisch over de Palestijnse kwestie. Grossmann verlangde ook samen met andere schrijvers in augustus 2006 een onmiddellijk stoppen van de strijd in Libanon. Enkele dagen later, op 12 augustus 2006 werd zijn zoon Uri in Zuidlibanon gedood toen diens pantservoertuig door een raket werd getroffen.

 

 

Uit: Das Gedächtnis der Haut

 

„Auch wenn, wie es Rotem am Ende der Geschichte klar wird, ihr Text kein einziges Körnchen Wahrheit enthält, sich alles anders abgespielt hat und ihre Erzählung nichts als ein Haufen Illusionen, Irrtümer und Phantasmagorien enthält, dann macht das nichts. Denn dies ist nun ihr Platz geworden, in dieser Welt hat sie sich eingerichtet, dies ist ihr Heim. Geborgen hat sie sich bei ihrer Mutter nie gefühlt. Diese Geschichte ist nun ihr Refugium, ihr Heim. Und mit diesem Gefühl kann ich mich sehr gut identifizieren: je unerträglicher die Welt wird, je unentzifferbarer, je grausamer, je mehr ich von Informationen, die für mich völlig irrelevant sind, von Fakten und Gegebenheiten überflutet werde, gegen die ich mich nur sehr mühevoll wehren kann, für die ich so viel Energie aufwenden muß, um mich ihnen anzupassen, desto stärker wird für mich der Text, meine Erzählung, das Buch, an dem ich gerade schreibe zu meinem Heim, dies ist der wichtigste Ort für mich. Ein Ort, den ich nach zwei, drei Jahren Arbeit verlassen kann, wo ich die Menschen kenne, ihre Charaktere verstehe, eine Welt, deren Logik ich verstehe, dies ist mein Heim.“

 

Grossman
David Grossman (Jeruzalem, 25 januari 1954)

 

 

 

De Italiaanse schrijver Alessandro Baricco werd geboren op 25 januari 1958 in Turijn. Hij studeerde fikosofie en muziekwetenschappen. Tien jaar lang werkte hij als muziek recensent voor Italiaanse dagbladen. In 1995 ontving hij de Franse literatuurprijs Prix Médicis (étranger). Hij doceert creatief schrijven en de door hem opgerichte Scuola Holden in Turijn.

 

Uit: Land van glas (1991)

 

"Een geopend boek betekent altijd aanwezigheid van een lafaard - je ogen gekluisterd aan die regels om je blik niet te laten stelen door de brandende wereld - de woorden die één voor één het geraas van de wereld door een ondoorzichtige trechter drukken zodat het in glazen vormpjes wordt gegoten die men boeken noemt - de geraffineerdste manier om je terug te trekken, dat is de waarheid. Een rotstreek. Maar wel: heel teder. Dat is belangrijk, en dat moet altijd worden onthouden, en overgeleverd, beetje bij beetje, van zieke op zieke, als een geheim, het geheim, zodat het nooit verloren gaat door iemands ontkenning of door iemands kracht, zodat het altijd zal overleven in het geheugen van tenminste één uitgeputte ziel, en daar zal klinken als een vonnis dat iedereen tot zwijgen kan brengen: lezen is een heel tedere rotstreek."

 

Werk o.a.: Oceano Mare (1993), Novecento (1994), City (2000)

 

 

 

Barrico
Alessandro Baricco (Turijn, 25 januari 1958)

 

 

24-01-07

John Donne, E. Th. A. Hoffmann, De Beaumarchais, Charles Sackville, Edith Wharton, Vicky Baum, Eugen Roth, Ulrich Holbein


De Engelse dichter John Donne werd ergens tussen 24 januari en 19 juni 1572 geboren in Londen. Donne was rooms-katholiek, van moederszijde een verre nakomeling va Thomas More, de martelaar voor Rome, hij had een oom die een vooraanstaand jezuïet was en – vervolgd in Engeland – door Europa zwierf. Een jongere broer van Donne werd om zijn geloof vermoord. Rome werd in het protestant geworden Engeland als de grote bedreiging van het nieuwe geloof en van het land beschouwd. Hoe Engelser, hoe anti-Roomser. Donne zei adieu tegen Rome, voor sommigen nog steeds een vorm van hoogverraad. Het algemeen christelijke ging hem boven het louter Roomse. Hij werd, zoals is gezegd, een Engelse protestant, waarmee hij in die curieuze tussenpositie van de kerk van Engeland terecht kwam. De theologie hield toch de schijn op voor de ambitie die hem dreef, voor de wrok ook die hij tegen Rome had (een van zijn eerste grote publicaties is een schotschrift tegen de jezuïeten). De slang veranderde bij hem in de staf.
In 1615 liet hij zich, 43 jaar oud, tot priester in de Engelse kerk wijden. Zes jaar later werd hij deken van St.Paul’s.

 

 

Holy Sonnets: Death, be not proud

 

Death, be not proud, though some have called thee

Mighty and dreadful, for thou art not so;

For those whom thou think'st thou dost overthrow,

Die not, poor Death, nor yet canst thou kill me.

From rest and sleep, which but thy pictures be,

Much pleasure; then from thee much more must flow,

And soonest our best men with thee do go,

Rest of their bones, and soul's delivery.

Thou art slave to fate, chance, kings, and desperate men,

And dost with poison, war, and sickness dwell;

And poppy or charms can make us sleep as well

And better than thy stroke; why swell'st thou then?

One short sleep past, we wake eternally,

And death shall be no more; Death, thou shalt die.

 

 

Donne
John Donne (24 januari 1572 – 31 maart 1631)

 

Ernst Theodor Amadeus Hoffmann werd geboren in Koningsbergen op 24 januari 1776. Zijn laatste voornaam luidde eigenlijk Wilhelm, maar uit bewondering voor Mozart veranderde hij deze in Amadeus. Van beroep was Hoffmann jurist, maar daarnaast was hij een hartstochtelijk muziekliefhebber, succesvol muziekrecensent en componist. Verder dan de betere middelmaat kwam hij met dit laatste echter niet.

Als schrijver bleek hij daarentegen meeslepend, origineel en geniaal te zijn, zoals blijkt uit zijn in 1809 geschreven Ritter Gluck, over de bekende componist; Die Elixiere des Teufels uit 1816, over fatalisme en onmacht. Daarna komen de Nachtstücke, de Phantasiestücke en Die Serapionsbrüder uit, allemaal geschreven tussen 1817 en 1821.

 

Uit: Die Elixiere des Teufels

 

„Nie hat mir meine Mutter gesagt, in welchen Verhältnissen mein Vater in der Welt lebte; rufe ich mir aber alles das ins Gedächtnis zurück, was sie mir schon in meiner frühesten Jugend von ihm erzählte, so muß ich wohl glauben, daß es ein mit tiefen Kenntnissen begabter, lebenskluger Mann war. Eben aus diesen Erzählungen und einzelnen Äußerungen meiner Mutter über ihr früheres Leben, die mir erst später verständlich worden, weiß ich, daß meine Eltern von einem bequemen Leben, welches sie im Besitz vieles Reichtums führten, herabsanken in die drückendste, bitterste Armut und daß mein Vater, einst durch den Satan verlockt zum verruchten Frevel, eine Todsünde beging, die er, als ihn in späten Jahren die Gnade Gottes erleuchtete, abbüßen wollte auf einer Pilgerreise nach der heiligen Linde im weit entfernten kalten Preußen. - Auf der beschwerlichen Wanderung dahin fühlte meine Mutter nach mehreren Jahren der Ehe zum erstenmal, daß diese nicht unfruchtbar bleiben würde, wie mein Vater befürchtet, und seiner Dürftigkeit unerachtet war er hoch erfreut, weil nun eine Vision in Erfüllung gehen sollte, in welcher ihm der heilige Bernardus Trost und Vergebung der Sünde durch die Geburt eines Sohnes zugesichert hatte.“

 

 

 

HOFFMANN
E. Th. A. Hoffmann
(24 januari 1776 - 25 juni 1822)

 

De Franse toneelschrijver Pierre Augustin Caron de Beaumarchais werd geboren op 24 januari 1732 in Parijs. Hij was de zoon van een klokkenmaker. Ook Beaumarchais bekwaamde zich in dit vak en werd klokkenmaker aan het hof van Louis XV. De Beaumarchais werd beroemd door zijn komedie "Le barbier de Seville" (1775) en "Le mariage de Figaro" (1784). In deze toneelstukken stak Beaumarchais de draak met de hoogste lagen van de bevolking. Hiermee liep De Beaumarchais in de pas met het onder de bevolking levende gevoel van onbehagen en onrust. Dit was de voorbode van de onrust, die tot de Franse revolutie zou leiden. De teksten van De Beaumarchais werden later door beroemde componisten gebruikt voor opera's. De Italiaan Rossini schreef bijvoorbeeld in 1816 de muziek voor "Le barbier de Seville”.

Uit: Le barbier de Seville (Scene II)

« …

LE COMTE __ Ah ! la cabale ! Monsieur l'Auteur tombé !
FIGARO __ Tout comme un autre : pourquoi pas ? Ils m'ont sifflé ; mais si jamais je puis les rassembler...
LE COMTE __ L'ennui te vengera bien d'eux ?
FIGARO __ Ah ! comme je leur en garde, morbleu !
LE COMTE __ Tu jures ! Sais-tu qu'on n'a que vingt-quatre heures au Palais pour maudire ses Juges ?
FIGARO __ On a vingt-quatre ans au théâtre ; la vie est trop courte pour user un pareil ressentiment.
LE COMTE __ Ta joyeuse colère me réjouit. Mais tu ne me dis pas ce qui t'a fait quitter Madrid.
FIGARO __ C'est mon bon ange, Excellence, puisque je suis assez heureux pour retrouver mon ancien Maître. Voyant à Madrid que la république des Lettres était celle des loups, toujours armés les uns contre les autres, et que, livrés au mépris où ce risible acharnement les conduit, tous les Insectes, les Moustiques, les Cousins, les Critiques, les Maringouins, les Envieux, les Feuillistes, les Libraires, les Censeurs, et tout ce qui s'attache à la peau des malheureux Gens de Lettres, achevait de déchiqueter et sucer le peu de substance qui leur restait ; fatigué d'écrire, ennuyé de moi, dégoûté des autres, abîmé de dettes et léger d'argent ; à la fin, convaincu que l'utile revenu du rasoir est préférable aux vains honneurs de la plume, j'ai quitté Madrid, et, mon bagage en sautoir, parcourant philosophiquement les deux Castilles, la Manche, l'Estramadure, la Sierra-Morena, l'Andalousie ; accueilli dans une ville, emprisonné dans l'autre, et partout supérieur aux événements ; loué par ceux-ci, blâmé par ceux-là ; aidant au bon temps, supportant le mauvais ; me moquant des sots, bravant les méchants ; riant de ma misère et faisant la barbe à tout le monde ; vous me voyez enfin établi dans Séville et prêt à servir de nouveau Votre Excellence en tout ce qu'il lui plaira de m'ordonner.
LE COMTE __ Qui t'a donné une philosophie aussi gaie ?
FIGARO __ L'habitude du malheur. Je me presse de rire de tout, de peur d'être obligé d'en pleurer. Que regardez-vous donc toujours de ce côté ?
LE COMTE __ Sauvons-nous.
FIGARO __ Pourquoi ?
LE COMTE __ Viens donc, malheureux ! tu me perds.

(Ils se cachent.)

 

beaumarchais
De Beaumarchais (24 januari 1732 - 18 mei 1799)

 

De Engelse dichter en edelman Charles Sackville werd geboren op 24 januari 1638. Hij was de 6e graaf van Dorset. Na de politieke Restauratie werd hij een lid van de intieme kring van hovelingen rondom koning Charles II. Hij schreef epigrammen, satires en liederen, waarvan de ballade “To All You Ladies Now at Land.” Het bekendste is. In 1652 kreeg hij de eretitel Lord Buckhurst. Hij was een genereuze beschermheer van schrijvers. Zo ontving de dichter Dryden een pensioen dat Sackville uit zijn eigen zak betaalde.

 

 

Dorinda's Sparkling Wit and Eyes

 

Dorinda's sparkling wit and eyes,
United, cast too fierce a light,
Which blazes high but quickly dies,
Warms not the heart but hurts the sight.

Love is a calm and tender joy,
Kind are his looks and soft his pace;
Her Cupid is a blackguard boy
That runs his link into your face.


 

SACKVILLE
Charles Sackville (24 januari 1638 – 29 januari 1706)

 

De Amerikaanse schrijfster Edith Wharton, geboren als Edith Jones op 24 januari 1862 in New York, schreef haar beste boeken over de wereld waaruit ze zelf afkomstig was: die van de New-Yorkse aristocraten, met hun verstikkende conventies en hun passieloze, door geld geregeerde levens. De heldin van haar populairste roman The House of Mirth (waarvan in 1905 binnen een week na verschijnen honderdduizend exemplaren werden verkocht) moet haar afkeer van de (seksuele) hypocrisie van 19de-eeuws Manhattan betalen met haar leven. De eigenzinnige Gravin Olenska, in het door Martin Scorsese verfilmde The Age of Innocence (1920), wordt uiteindelijk door haar grote liefde gepasseerd voor het domme meisje dat hem door zijn omgeving is opgedrongen. Naast haar twee grote society-tragedies schreef ze onder meer een romantisch verhaal over passie en wraak in een boerengemeenschap in New England (Ethan Frome, 1911), een satire over een nouveau riche die zich een weg naar de top trouwt (The Custom of the Country, 1913) en een aantal bijzonder goede griezelverhalen, die te vinden zijn in de dikke bundel Collected Stories (1968).

 

Uit: House of Mirth

 

"What luck!" she repeated. "How nice of you to come to my

rescue!"

 

He responded joyfully that to do so was his mission in life, and

asked what form the rescue was to take.

 

"Oh, almost any--even to sitting on a bench and talking to me.

One sits out a cotillion--why not sit out a train? It isn't a bit

hotter here than in Mrs. Van Osburgh's conservatory--and some of

the women are not a bit uglier."  She broke off, laughing, to

explain that she had come up to town from Tuxedo, on her way to

the Gus Trenors' at Bellomont, and had missed the three-fifteen

train to Rhinebeck.  "And there isn't another till half-past

five." She consulted the little jewelled watch among her laces.

"Just two hours to wait. And I don't know what to do with myself.

My maid came up this morning to do some shopping for me, and was

to go on to Bellomont at one o'clock, and my aunt's house is

closed, and I don't know a soul in town." She glanced plaintively

about the station. "It IS hotter than Mrs. Van Osburgh's, after

all. If you can spare the time, do take me somewhere for a breath

of air."

 

He declared himself entirely at her disposal: the adventure

struck him as diverting. As a spectator, he had always enjoyed

Lily Bart; and his course lay so far out of her orbit that it

amused him to be drawn for a moment into the sudden intimacy

which her proposal implied.

 

"Shall we go over to Sherry's for a cup of tea?"

 

 

 

 

Wharton
Edith Wharton (24 januari 1862 – 11 augustus 1937)

 

De Oostenrijkse schrijfster Vicky Baum werd op 24 januari 1888 in Wenen geboren. De uiterst muzikaal begaafde Baum kreeg na haar opleiding als harpiste aan het Weense conservatorium een aanstelling in Darmstadt. In deze tijd begon zij met het schrijven van romans. De successen daarvan bezorgden haar in 1926 een contract bij de Berlijnse Ullstein Verlag. In 1931 kreeg zij een uitnodiging om aanwezig te zijn bij de verfilming van haar roman "Menschen im Hotel" met Greta Garbo. Omdat haar boeken in het Derde Rijk verboden werden bleef zij in de VS. Haar werk wordt beschouwd als een belangrijke bijdrage aan de “Neue Sachlichkeit”.

 

Uit:: Liebe und Tod auf Bali (1937)

 

„Männer, weiß gekleidet, mit Blumen geschmückt, bewegten sich langsam und gemessen und so, als ob sie nicht wüssten, dass die Holländer ihnen gegenüberstanden, mit Kanonen und Gewehren. Plötzlich hob der Fürst seine Waffe in der aufgereckten Faust hoch. Ein unmenschlicher Schrei brach aus der Gruppe. Im nächsten Augenblick hatten alle Männer ihre Krise in den Händen, und sie rasten los, den holländischen Soldaten entgegen. Es stürmten immer neue Menschen dahinten aus dem Tor hervor, neue und mehr, alle mit Krisen in der Hand, alle mit dem gleichen irrsinnigen Ausdruck der Todeswut in den Gesichtern. Hunderte von ihnen fielen unter den Kugeln, und hundert andere reckten ihre Krise hoch und stießen sie sich in die Brust; sie senkten sie oberhalb des Schlüsselbeines ein, sodass die Spitze das Herz traf nach der alten heiligen Weise. Hinter den Männern kamen die Frauen und die Kinder daher…“

 

 

Baum
Vicky Baum (24 januari 1888 - 29 augustus 1960)

 

De Duitse dichter Eugen Roth werd op 24 januari 1895 in München als zoon van de schrijver Hermann Roth geboren. Over zijn jeugdjaren is maar weinig bekend. Tijdens de WO I raakte hij zwaar gewond. Hij studeerde geschiedenis, kunstgeschiedenis en filosofie en promoveerde in 1922. Van 1927 tot 1933 was hij redacteur bij de Münchner Neuesten Nachrichten. Na de machtsovername van de nazi’s werd hij op staande voet ontslagen. In 1952 ontving hij de Kunstpreis für Literatur der Stadt München. Hij schreef voornamelijk humoristische gedichten en werd daarmee een zeer veel gelezen auteur.

 

 

Nachdenkliche Geschichte

Ein Mensch hält Krieg und Not und Graus,
kurzum ein Hundeleben aus,
und all das, sagt er, zu verhindern,
dass Gleiches drohe seinen Kindern.
Besagte Kinder werden später
erwachsne Menschen, selber Väter
und halten Krieg und Not und Graus....

Wer denken kann, der lernt daraus.

 

 

Für Architekten

Ein Mensch, der auf ein Weib vertraut
und drum ihm einen Tempel baut
und meint, das wär sein Meisterstück,
erlebt ein schweres Bauunglück.

Leicht findet jeder das Exempel:
Auf Weiber baut man keinen Tempel!

 

 

Roth
Eugen Roth (24 januari 1895 – 28 april 1976)

 

De Duitse schrijver Ulrich Holbein werd op 24 januari 1953 in Erfurt geboren. Hij is vooral bekend door zijn originele en komische essays en luisterteksten, waarin hij de lezers en luisteraars de vruchten presenteert van zijn enorme belezenheid en door zijn geheel uit literaire citaten gemonteerde roman Isis entschleiert. Ook schreef hij columns voor Die Zeit en de Süddeutschen Zeitung. De kritiek vergelijkt hem tegenwoordig al met Jean Paul, Walter Benjamin en Arno Schmidt.

Uit: Wer oder was hätten Sie sein mögen?

„Seit 1981 werden wöchentlich im Rahmen des beliebten FAZ-Magazin-Fragebogens, den der Schriftsteller Marcel Proust in seinem Leben gleich zweimal ausfüllte, prominenten Zeitgenossen heitere und heikle Fragen gestellt, als Herausforderung an Geist und Witz. Auch über den Tod des FAZ-Magazins hinaus. Hierbei bohren Fragen nach Lieblingsfarbe und dem Traum vom Glück nicht ganz so tief im Mark des Seins als die Frage: "Wer oder was hätten Sie sein mögen?" Doch statt in sich zu gehen, tief hineinzulauschen in die Zufälligkeit bzw. in die verdächtige Notwendigkeit der jeweils eigenen Existenz, hagelt es austauschbare Antworten. Viele prominente Zeitgenossen teilen die Sehnsucht Büchners und Borges' nicht, werden keineswegs von ihrem Sein stets dazu getrieben, über sich selbst im Sinne des Octavio Paz hinauszugehen, um dadurch, daß sie ein anderer werden, wieder zu sich selbst zu gelangen, um so ihr ursprüngliches Sein wiederzuerlangen usw. Sondern: Man steht positiv zum eigenen Ich. Die eigene Individualität wird nicht als Zwangsjacke empfunden, sondern als die willkommenste aller in Frage kommenden Formationen.
Modeschöpferin Jil Sander sagt einfach nur: "Ich".
Desgleichen Verpackungskünstler Christo: "Ich".
Desgleichen Kammersängerin Christa Ludwig: "Ich". Aus diesem Ich, dem Mindestkanon-Urkeimzelle, wächst eine Variationenfolge, deren erste das angeschlagene Motiv derart geringfügig variiert, daß die erste Umdrehung der Variationsspirale wohl noch viele Schrittchen braucht, um zur zweiten Umdrehung zu werden.“

 

 

Holbein
Ulrich Holbein (Erfurt,  24 januari 1953)

 

 

23-01-07

Stendhal, João Ubaldo Ribeiro, Derik Walcott, Hannelore Valencak, Antonio Gramsci


Stendhal werd op 23 januari 1783 in Grenoble geboren als Henri Beyle. Hij  ontleende zijn pseudoniem aan de geboorteplaats van de door hem bewonderde classicus Winckelmann, maar koos in de vroeg-19de-eeuwse pennenstrijd tussen classicisten en romantici gepassioneerd partij voor de laatsten. Na onder meer een carrière als officier in het leger van Napoleon debuteerde Stendhal als romancier in 1822 met Armance, de eerste van een half dozijn – deels onvoltooide – romans die zich kenmerken door energieke en hartstochtelijke hoofdpersonen van wie vooral de psychologische ontwikkeling wordt uitgediept. Julien Sorel (in Le rouge et le noir) en Fabrice del Dongo (in de in Italië gesitueerde avonturenroman La Chartreuse de Parme, 1839) zijn ambitieuze outsiders die proberen om carrière te maken in een door traditie verstikte maatschappij – waarin ze uiteindelijk niet slagen.
Volgens Stendhal, die op 41-jarige leeftijd overleed aan een beroerte, moest de roman de spiegel van de samenleving zijn. Daarin, en in zijn terughoudendheid in het gebruik van de alwetende verteller, is hij de voorloper van Balzac, Flaubert en Zola.

 

Uit: Le Rouge et le Noir - Chapitre IV

 

« En approchant de son usine, le père Sorel appela Julien de sa voix de stentor ; personne ne répondit. Il ne vit que ses fils aînés, espèces de géants qui, armés de lourdes haches, équarrissaient les troncs de sapin, qu'ils allaient porter à la scie. Tout occupés à suivre exactement la marque noire tracée sur la pièce de bois, chaque coup de leur hache en séparait des copeaux énormes. Ils n'entendirent pas la voix de leur père. Celui-ci se dirigea vers le hangar ; en y entrant, il chercha vainement Julien à la place qu'il aurait dû occuper, à côté de la scie. Il l'aperçut à cinq ou six pieds plus haut, à cheval sur l'une des pièces de la toiture. Au lieu de surveiller attentivement l'action de tout le mécanisme, Julien lisait. Rien n'était plus antipathique au vieux Sorel ; il eût peut-être pardonné à Julien sa taille mince, peu propre aux travaux de force, et si différente de celle de ses aînés ; mais cette manie de lecture lui était odieuse, il ne savait pas lire lui-même.
           Ce fut en vain qu'il appela Julien deux ou trois fois. L'attention que le jeune homme donnait à son livre, bien plus que le bruit de la scie, l'empêcha d'entendre la terrible voix de son père. Enfin, malgré son âge, celui-ci sauta lestement sur l'arbre soumis à l'action de la scie, et de là sur la poutre transversale qui soutenait le toit. Un coup violent fit voler dans le ruisseau le livre que tenait Julien ; un second coup aussi violent, donné sur la tête, en forme de calotte, lui fit perdre l'équilibre. Il allait tomber à douze ou quinze pieds plus bas, au milieu des leviers de la machine en action, qui l'eussent brisé, mais son père le retint de la main gauche, comme il tombait :
           -- Eh bien, paresseux ! tu liras donc toujours tes maudits livres, pendant que tu es de garde à la scie ? Lis-les le soir, quand tu vas perdre ton temps chez le curé, à la bonne heure.
           Julien, quoique étourdi par la force du coup, et tout sanglant, se rapprocha de son poste officiel, à côté de la scie. Il avait les larmes aux yeux, moins à cause de la douleur physique que pour la perte de son livre qu'il adorait.
           "Descends, animal, que je te parle." Le bruit de la machine empêcha encore Julien d'entendre cet ordre. Son père qui était descendu, ne voulant pas se donner la peine de remonter sur le mécanisme, alla chercher une longue perche pour abattre des noix, et l'en frappa sur l'épaule. A peine Julien fut-il à terre, que le vieux Sorel, le chassant rudement devant lui, le poussa vers la maison. Dieu sait ce qu'il va me faire ! se disait le jeune homme. En passant, il regarda tristement le ruisseau où était tombé son livre ; c'était celui de tous qu'il affectionnait le plus, le Mémorial de Sainte-Hélène. »

 

 

 

stendhal
Stendhal (23 januari 1783 – 23 maart 1842)

 

De Braziliaanse schrijver João Ubaldo Osório Pimental Ribeiro werd geboren op 23 januari 1941 in Itaparica, Bahia. In 1963 schreef hij zijn eerste roman: Setembro não faz sentido. In 1971 kwam de doorbraak met de romans Sargento Getúlio en Viva o povo brasileiro.

 

Uit: Ein Brasilianer in Berlin (1994)

 

„Eins habe ich während meines Aufenthaltes hier in Berlin gelernt: Ich werde erst wieder in Deutschland antreten, nachdem ich einen Kurs über Amazonien belegt und mindestens eine grundlegende Biographie über die brasilianischen Indianer gelesen habe. Es kann hier nämlich ganz schön schwierig werden für Brasilianer wie mich, die nichts von Amazonien und den Indianern verstehen. Wenn sie von meiner Unwissenheit erfahren, sind einige Deutsche derart empört, dass sie sofort jedes weitere Gespräch mit mir aufgeben. Andere, vielleicht ist das die Mehrheit, wollen mir das schlichtweg nicht abnehmen, hören nicht auf meine abschlägigen Antworten und reden einfach weiter, so dass die Unterhaltung schizophrene Züge annimmt.
"Amazonien ist bestimmt faszinierend, nicht wahr?"
"Ja, bestimmt, aber sicher." 
"Ich verstehe, was Sie sagen wollen. Für einen wie Sie, der direkt von dort kommt, list es sicher schwer, so fasziniert davon zu sein wie ein Ausländer. Wer von aussen kommt, der ist jedenfalls..."
"Ganz so ist es eigentlich nicht, ich habe Amazonien nämlich nie gesehen."
"Leben Sie seit Ihrer Kindheit ausserhalb Brasiliens?" 
"Nein, ich lebe in Brasilien. Aber ich habe Amazonien nie gesehen." 
"Mein Gott, was sagen Sie denn da. Das ist ja schrecklich!"
"Ja, also...Ich..."
"Ich wusste ja gar nicht, dass die Zerstörung schon so weit fortgeschritten ist, wie furchtbar! Und Sie haben Amazonien gar nicht gekannt. Als Sie geboren wurden, war das Gebiet schon zum grössten Teil zerstört, niedergebrannt, verwüstet! Finden Sie nicht, dass das ein schreckliches Verbrechen gegen die Natur, gegen unseren Planeten ist?"
"Natürlich. Aber das ist es gar nicht, denn ich..."
"Würden Sie nicht auch sagen, dass man auf jeden Fall die Zerstörung von Amazonien aufhalten muss?"
"Aber sicher".
"Ich hatte auch keine andere Haltung von Ihnen erwartet. Helga, komm mal her hör dir an, was unser brasilianischer Freund mir über Amazonien erzählt, keiner kann uns besser als ein Brasilianer die Wahrheit über Amazonien zeigen, und was er gerade erzählt hat, ist wirklich grauenhaft, noch viel schlimmer, als wir gedacht haben! Stell dir vor, er ist in Brasilien aufgewachsen und hat Amazonien nie gesehen! Die Zerstörung war schon so weit fortgeschritten, dass er gar nicht mehr vorgefunden hat! Kommen Sie, mein treuer Freund, erzählen Sie der Helga hier, was Sie mir gerade erzählt haben, das ist wirklich schrecklich. Helga, er hat gesagt..."
Bei Lesungen, Vorträgen und ähnlichen Anlässen ist es noch schlimmer, weil da ein kollektiver Druck herrscht. Ich habe gerade ausgeredet, da erhebt sich ein Herr, gibt sich erstaunt und vorwurfsvoll und sagt:
"Ich habe hier in einer Zeitung gelesen, dass Sie noch nie einen Indianer gesehen haben. Stimmt das?"
Gemurmel im Publikum. Ist das weisse Ding da in der Hand des Jungen mit der Punkfrisur ein Ei, das gleich in meine Richtung fliegt, wenn ich die falsche Antwort gebe?“

 

 

 

Ribeiro
João Ubaldo Ribeiro (Itaparica, 23 januari 1941)

 

Derik Walcott werd geboren op 23 januari 1930 op St. Lucia, een van de kleine Bovenwindse Eilanden. Walcotts vader, een ambtenaar die schilderde en gedichten schreef, stierf toen Derek en zijn tweelingbroer Roderick een jaar oud waren. Hun moeder Alix was lerares Engels. De Walcotts waren Engelstalige Methodisten op een eiland dat overwegend katholiek was en waar het creools-Frans (patois) gesproken werd. In een van zijn gedichten omschreef Walcott zichzelf als volgt: I'm just a red nigger who love the sea, I had a sound colonial education, I have Dutch, nigger and English in me, and either I'm nobody or I'm a nation. Die 'degelijke koloniale educatie' werd gegeven op een Methodistenschool en betekende vervolgens een driejarige studie aan het University College of the West Indies in Trinidad op Jamaica. In 1957 stelde een beurs van de Rockefeller Foundation hem in staat in de Verenigde Staten Drama te gaan studeren. Terug in Trinidad richtte hij The Little Carib Theatre Company op, wat later de bekende Trinidad Theatre Workshop werd. Tussen 1959 en 1962 was Walcott werkzaam als journalist en schreef hij toneelstukken en poëzie. In 1981 werd hij benoemd tot professor Creative Writing aan de universiteit van Boston. Hij emigreerde niet, maar pendelde heen en weer tussen Trinidad en Boston. In 1992 kreeg Derek Walcott de Nobelprijs voor Literatuur.

Blues

Those five or six young guys
lunched on the stoop
that oven-hot summer night
whistled me over. Nice
and friendly. So, I stop.
MacDougal or Christopher
Street in chains of light.

A summer festival. Or some
saint's. I wasn't too far from
home, but not too bright
for a nigger, and not too dark.
I figured we were all
one, wop, nigger, jew,
besides, this wasn't Central Park.
I'm coming on too strong? You figure
right! They beat this yellow nigger
black and blue.

Yeah. During all this, scared
on case one used a knife,
I hung my olive-green, just-bought
sports coat on a fire plug.
I did nothing. They fought
each other, really. Life
gives them a few kcks,
that's all. The spades, the spicks.

My face smashed in, my bloddy mug
pouring, my olive-branch jacket saved
from cuts and tears,
I crawled four flights upstairs.
Sprawled in the gutter, I
remember a few watchers waved
loudly, and one kid's mother shouting
like "Jackie" or "Terry,"
"now that's enough!"
It's nothing really.
They don't get enough love.

You know they wouldn't kill
you. Just playing rough,
like young Americans will.
Still it taught me somthing
about love. If it's so tough,
forget it.

 

 

walcott
Derik Walcott (
St. Lucia, 23 januari 1930)

 

De Oostenrijkse schrijfster en dichteres Hannelore Valencak werd geboren op 23 januari 1929 in Leoben-Donawitz. Zij publiceerde lyrische teksten, verhalen, maar ook kinder- en jeugdboeken. Voor haar werk ontving zij o.a. de Georg-Trakl-Preis für Lyrik des Landes Steiermark (1954), de Lyrikpreis der Stadt Graz (1956), de Österreichische Staatspreis für Romane (1957) en de Österreichischen Staatspreis für Kinderbücher (1977).

 

Uit: Das Fenster zum Sommer

 

„Joachim wohnte schon lange in unserer Stadt, und es gab keine Verbindung mehr zwischen ihm und mir. Und doch waren schon in der Stille die Kräfte am Werk, die uns eines Abends veranlassen würden, die gleiche Straßenbahn zu besteigen und, so wie damals, nebeneinanderzustehen. Vielleicht wurden schon Taten vollbracht und Worte gesagt, durch die dieser Augenblick für uns vorbereitet wurde. Die Allee, in der sich der Raumpunkt befand, der jenem Zeitpunkt zugeordnet war, und durch die ich täglich heimfuhr, wurde grün. Die Blätter entsprangen, entrollten sich und breiteten sich im Licht der Sonne auS.  Sie wuchsen in ein Muster hinein, das unsichtbar vorgezeichnet war, und auch nicht einem war es erlaubt, von seinem Bauplan abzuweichen. Sie webten an der Szenerie, an der Kulisse für meine Schicksalssekunde - langsam, genau und ohne Ungeduld. Ich spürte, sooft mein Blick auf sie fiel, die Kraft, die in ihnen gespeichert war, und ich ahnte die magische Kraft, die im Warten liegt“

 

 

 

valencak
Hannelore Valencak (23 januari 1929 – 9 april 2004)

 

Nagekomen bericht:

Antonio Gramsci werd geboren op 22 januari 1891 in Ales op Sardinië als de vierde van zeven kinderen (drie jongens, vier meisjes) in het gezin van Francesco Gramsci en Giuseppina Marcias. De familie Gramsci kwam oorspronkelijk uit Albanië (de naam is afgeleid van Gramsh), en was tijdens of na 1821 naar Italië geëmigreerd. Al vroeg gaf de jonge Antonio blijk van een grote interesse in literatuur. In 1911 kon hij met een beurs letterkunde gaan studeren aan de Universiteit van Turijn. Na zijn studie richt Gramsci in 1919 samen met onder andere Palmiro Togliatti het tijdschrift L'Ordine Nuovo ("de nieuwe orde") op. De mensen achter dit blad zullen in 1921 opgaan in de Communistische Partij van Italië (PCI), waarvan Gramsci de eerste leider wordt. Later zou hij ook een belangrijke rol in de Comintern spelen. In 1924 richtte Gramsci het communistische dagblad L'Unità op, en in datzelfde jaar werd hij lid van het Italiaanse parlement namens de provincie Veneto. In het parlement houdt Gramsci slechts één toespraak, tegen Mussolini's verbod op 'geheime organisaties' (tegenstanders van het fascistische regime). Ondanks zijn parlementaire onschendbaarheid werd hij op 8 november 1926 door gearresteerd en veroordeeld tot vijf jaar ballingschap in een gevangenenkolonie op het eiland Ustica. Deze ballingschap, die slechts tot februari duurde, werd gevolgd door tien jaar gevangenisstraf. In gevangenschap schreef hij zijn bekendste werk, de Quaderni del Carcere ("Gevangenisgeschriften"). Het verblijf in de gevangenis had een dusdanige slechte invloed op zijn gezondheid dat Gramsci kort na zijn vrijlating in 1937 in een ziekenhuis te Rome overleed.

 

Uit: Prison Notebooks (The intellectuals)

 

“The English phenomenon appears also in Germany, but complicated by other historical and traditional elements. Germany, like Italy, was the seat of an universalistic and supranational institution and ideology, the Holy Roman Empire of the German Nation, and provided a certain number of personnel for the mediaeval cosmopolis, impoverishing its own internal energies and arousing struggles which distracted from problems of national organisation and perpetuated the territorial disintegration of the Middle Ages. Industrial development took place within a semi-feudal integument that persisted up to November 1918, and the Junkers preserved a politico-intellectual supremacy considerably greater even than that of the corresponding group in England. They were the traditional intellectuals of the German industrialists, but retained special privileges and a strong consciousness of being an independent social group, based on the fact that they held considerable economic power over the land, which was more “productive” than in England. The Prussian Junkers resemble a priestly-military caste, with a virtual monopoly of directive-organisational functions in political society, but possessing at the same time an economic base of its own and so not exclusively dependent on the liberality of the dominant economic group. Furthermore, unlike the English land-owning aristocracy, the Junkers constituted the officer class of a large standing army, which gave them solid organisational cadres favouring the preservation of an esprit de corps and of their political monopoly.”

 

 

 

gramsci
Antonio Gramsci (22 januari 1891 – 27 april 1937)

 

 

22-01-07

Wilhelm Genazino, Lord Byron, Krzysztof Kamil Baczyński, Ingrid Puganigg, Herwig Hensen, Rainer Brambach, Gotthold Ephraim Lessing


De Duitse schrijver Wilhelm Genazino werd geboren op 22 januari 1943 in Mannheim. Na zijn eindexamen studeerde hij germanistiek, filosofie en sociologie in Frankfurt am Main. Daarna werkte hij als freelance journalist en redacteur. Tot 1971 was hij o.a. redacteur bij het satirische tijdschrift Pardon en van 1980 tot 1986 medeuitgever van het tijdschrift Lesezeichen. Sinds het begin van de jaren zeventig verdient hij zijn inkomen als zelfstandig schrijver. Genazino ontving talrijke prijzen, waaronder in 2003 de Kunstpreis Berlin en in 2004 de belangrijkste Duitse literatuurprijs, de met 40.000 Euro verbonden Georg-Büchner-Preis van de Deutsche Akademie für Sprache und Dichtung. In het wintersemester 2005/2006 hield hij aan de Frankfurtse universiteit poetica lezingen onder de titel „Die Belebung der toten Winkel“.

 

Werk o.a: Abschaffel (1977), Die Vernichtung der Sorgen (1978), Fremde Kämpfe (1984), Leise singende Frauen (1992), Der gedehnte Blick (1999), Ein Regenschirm für diesen Tag (2001), Mittelmäßiges Heimweh (2007)

 

 

Uit: Die Liebesblödigkeit (2005)

 

„In meiner Wohnung ziehe ich mich aus und dusche. Die Hose lege ich auf den Kühlschrank, das Hemd werfe ich über den Fernsehapparat. Es gehört zu meiner Freiheit, daß jetzt keine Frau erscheint und Hose und Hemd ordentlich aufräumt. Nach dem Duschen sehe ich, daß die Hose vom Kühlschrank heruntergerutscht ist und ausdrucksvoll wie eine kleine dunkle Stoffhalde gegen die Tür des Kühlschranks lehnt. Auch jetzt erscheint keine Frau und hebt die Hose auf oder fragt, warum ich es nicht selber tue. Ich könnte die Frage nicht beantworten. Oder vielleicht doch. Die Hose beginnt in diesen Augenblicken, mir meine eigenartig zusammengewürfelte/zusammengehauene/zusammengeklumpte Lebensgeschichte zu erzählen. Eine Weile höre ich zu, dann mag ich nicht mehr. Mein Leben fasziniert mich, aber nachdem es mich eine Weile fasziniert hat, langweilt es mich plötzlich. So ist es immer wieder! Manchmal komme ich mit dem Umschlag von der Faszination in die Langeweile zurecht, manchmal nicht. Mit Judith könnte ich über die Erzählung der am Boden liegenden Hose sprechen, mit Sandra eher nicht. Sandra würde erschrecken und hätte über den Schreck hinaus keinen Einfall. Judith ist der Kunst, dem Denken und der Reflexion hingegeben. Sie setzt sich immer mal wieder irgendwohin und sinnt einer ästhetischen Erfahrung nach, die sie vor drei Tagen oder vor drei Jahren gemacht hat. Zu meiner unseligen Widersprüchlichkeit gehört, daß ich mir jetzt vorstelle, wie schön es wäre, wenn ein wohlgesonnener Mensch (Sandra! Judith!) mich in meiner Wohnung empfangen hätte. Ich erinnere mich an die Zeit, als ich vor elf Jahren in diese Wohnung einzog. Sandra besuchte mich schon am ersten Abend und forderte mich ohne Zögern zu einem Sofortbeischlaf auf. Später erzählte sie mir, daß sie damals weder Begierde noch Lust empfand, sie wollte nur ein Zeichen der Inbesitznahme der Wohnung setzen. Danach war die Wohnung, glaubte sie, ihr Territorium. Diese Annahme rührt mich und nimmt mich noch heute für Sandra ein. Ich kann die dauerhafte Liebe zu zwei Frauen nur empfehlen. Sie wirkt wie eine wunderbare Doppelverankerung in der Welt. Man wird mit Liebe gemästet, und das ist genau das, was ich brauche.“

 

 

Genazino
Wilhelm Genazino (Mannheim 22,  januari 1943)

 

George Gordon Byron (beter bekend als Lord Byron) werd geboren op 22 januari 1788 in Londen. Hij was de zoon van kapitein John Byron en diens tweede echtgenote, Catherine Gordon, een afstammelinge van de Schotse koning Jacobus I. Byron werd geboren met een afwijking aan zijn voet. Hij woonde de eerste 10 jaar in Aberdeen en toen hij in 1798 van zijn achteroom de titel erfde, verhuisde hij naar Cambridge. Daar bouwde hij veel schulden op en trok de aandacht door zijn biseksuele verhoudingen. In 1802 verbleef hij in Newstead bij zijn halfzuster, met wie hij een incestueuze verhouding zou hebben gehad.

In 1807, tijdens zijn studies aan het Trinity College (Cambridge), gaf hij zijn eerste dichtbundel uit onder de titel Hours of Idleness (oorspronkelijk Juvenalia genoemd). In The Edinburgh Review verscheen een vernietigende kritiek op deze bundel, hetgeen Byron inspireerde tot zijn eerste echt belangrijke werk, English Bards and Scotch Reviewers. Daarin valt hij op satirische wijze zijn critici en veel andere dichters uit zijn tijd (waaronder William Wordsworth, Samuel Taylor Coleridge, Walter Scott en Robert Southey) aan.

 

Zie ook mijn blog van 19 april 2006

 

Love and Death

 

I watched thee when the foe was at our side,

     Ready to strike at him—or thee and me,

  Were safety hopeless—rather than divide

     Aught with one loved save love and liberty.

 

  I watched thee on the breakers, when the rock,

     Received our prow, and all was storm and fear,

  And bade thee cling to me through every shock;

     This arm would be thy bark, or breast thy bier.

 

  I watched thee when the fever glazed thine eyes,

     Yielding my couch and stretched me on the ground

  When overworn with watching, ne’er to rise

     From thence if thou an early grave hadst found.

 

  The earthquake came, and rocked the quivering wall,

     And men and nature reeled as if with wine.

  Whom did I seek around the tottering hall?

     For thee. Whose safety first provide for? Thine.

 

  And when convulsive throes denied my breath

     The faintest utterance to my fading thought,

  To thee—to thee—e’en in the gasp of death

     My spirit turned, oh! oftener than it ought.

 

 Thus much and more, and yet thou lov’st me not,

     And never wilt! Love dwells not in our will.

  Nor can I blame thee, though it be my lot

     To strongly, wrongly, vainly love thee still.

 

 

 

BYRON
Lord Byron (22 januari 1788 – 19 april 1824)

 

Een hele keur aan dichters vandaag. Omdat ik niemand tekort wilde doen hou ik de biografische informatie verder beperkt. Via de links kan men meer lezen.

 

 

De Poolse dichter Krzysztof Kamil Baczyński werd op 22 januari 1921 in Warschau geboren. Hij werd op 4 augustus 1944 dodelijk getroffen, vermoedelijk door een Duitse scherpschutter.

Sindsdien wordt hij herinnerd en gevierd als held van het verzet in Warschau.

 

Source

 

Lève ta tête comme une source
en elle, se créera la couleur
et le nom de tout
et le flot des saisons.

 

Tu vois tout réaliser,
le temps jusqu’au bord rempli
et le ciel rassasié de braises
comme les fontaines dorées.

 

Tu peux accomplir tout
de nouveau et former
des tableaux dans les nuages
aspergeant les yeux.

 

Et tu te souviendras de tout,
il viendra un temps sourd
sur lequel comme sur le corps
tu tournoieras ton âme.

 

Car aimer c’est créer,
commencer dans le ton d’orage
la sculpture d’étoile et d’oiseau
dans le marbre rouge d’arc-en-ciel.

 

 

Vertaald door Mary Telus

 

 

BACZYNSKI
Krzysztof Kamil Baczyński (22 januari 1921 – 4 augustus 1944)

 

De Oostenrijkse dichteres Ingrid Puganigg werd op 22 januari 1947 geboren in Gassen bij Afritz am See, Kärnten.

 

Warm brach ich auf
mit meiner Sprache berührte ich dich
und zerfiel in Angst
dich gab es nicht
aus der Erde rann das Sterben
chiffriert
das ich weitergab
während du zurückweichtest
an deiner Grenze werde ich mich erreichen

 

 

PUGANIGG
Ingrid Puganigg (Gassen, 22 januari 1947)

 

De Belgische dichter en schrijver Herwig Hensen werd geboren op 22 januari 1917 in Antwerpen.

 

Wat is er van de nacht ?
 
Deze aarde, wij hebben ze opgebruikt:
grond, wateren, beemden, bomen,
de vrucht die smaakt, de bloem die ruikt,
en 't land waarvan wij dromen.

 

Wat geven wij onze kinderen mee
behalve spreuken en kogels?:
niet eens het zuivre zout van de zee
en 't zingen van de vogels.

 

Maar wél het gif en het haastige kruit,
en haat die alom kan passen

 

Sindsdien doven de lentes uit
en dorren vroeg de grassen.

 

Belofte slaat voer in ongeduld
voor wie geen hoop meer bewaren.

 

Wat zijn wij onder zoveel schuld?:
bedriegers of barbaren?

 

 

Uit : Papieren vogel op de hand (1971)

 

 

 

Hensen
Herwig Hensen
(22 januari 1917 -  24 mei 1989)

 

De Zwitserse dichter en schrijver Rainer Brambach werd geboren op 22 januari 1917 in Basel.

 

In jener Zeit

 

In jener Zeit, von der ich dir erzähle,
war ich ein Erdarbeiter, aß mein Brot am Zaun,
trug gobes Hemd, Manchesterhose, Garibaldihut
und schneuzte meine Nase mit der bloßen Hand.

 

Es regnete im März, verdrossen
hob ich die Erde aus und stand
im Graben im August, Gesicht nach unten,
lautlose Staubgewitter über mir.

 

Wohl acht Etagen tiefer als der Maulwurf
schlug ich mit Wucht die Hacke in den Kies.
Im Stein glomm kaltes Feuer, Funken fuhren
gegen die Holzverschalung hin.

 

Der Schnee lag auf dem Erdwall dann beim Kabelziehen
Dezember und ein Himmel aus Zement.
Da half nur noch die selbstgedrehte Zigarette,
der Burrus bleu, der ledern roch
.

 

 

 

brambach
Rainer Brambach
(22 januari 1917 - 14 augustus 1983)

 

Gotthold Ephraim Lessing, de grote Duitse schrijver uit de Verlichting, werd geboren op 22 januari 1729 in Braunschweig.

 

Der Tod

 

Gestern, Brüder, könnt ihrs glauben?
Gestern bei dem Saft der Trauben,
(Bildet euch mein Schrecken ein!)
Kam der Tod zu mir herein.

Drohend schwang er seine Hippe,
Drohend sprach das Furchtgerippe:
Fort, du teurer Bacchusknecht!
Fort, du hast genug gezecht!

Lieber Tod, sprach ich mit Tränen,
Solltest du nach mir dich sehnen?
Sieh, da stehet Wein für dich!
Lieber Tod verschone mich!

Lächelnd greift er nach dem Glase;
Lächelnd macht ers auf der Base,
Auf der Pest, Gesundheit leer;
Lächelnd setzt ers wieder her.

Fröhlich glaub ich mich befreiet,
Als er schnell sein Drohn erneuet.
Narre, für dein Gläschen Wein
Denkst du, spricht er, los zu sein?

Tod, bat ich, ich möcht auf Erden
Gern ein Mediziner werden.
Laß mich: ich verspreche dir
Meine Kranken halb dafür.

Gut, wenn das ist, magst du leben:
Ruft er. Nur sei mir ergeben.
Lebe, bis du satt geküßt,
Und des Trinkens müde bist.

Oh! wie schön klingt dies den Ohren!
Tod, du hast mich neu geboren.
Dieses Glas voll Rebensaft,
Tod, auf gute Brüderschaft!

Ewig muß ich also leben,
Ewig! denn beim Gott der Reben!
Ewig soll mich Lieb und Wein,
Ewig Wein und Lieb erfreun!

 

 

 

lessing
Gotthold Ephraim Lessing (22 januari 1729 - 15 februari 1781)

 

 

21-01-07

Kristín Marja Baldursdóttir, Ludwig Thoma, Imre Madách, Egon Friedell


De IJslandse schrijfster Kristín Marja Baldursdóttir werd geboren op 21 januari 1949 in Hafnarfjörður. Zij studeerde in 1970 af als lerares aan de Pedagogische Hogeschool van IJsland en haalde haar Bachelor of Arts in de Duitse en IJslandse taal in 1991. Verdere opleidingen volgden in Denemarken en Duitsland. Van 1975 tot 1988 werkte zij als lerares aan een basisschool in Reykjavik. Daarna werd zij journaliste voor de krant "Morgunblaðið". Zij werkte er tot 1995. De eerste roman van Baldursdóttir "Mávahlátur" (De lach van de meeuw) verscheen in 1995. Die vertelt het verhaal van het meisje Agga dat in relatieve armoede opgroeit in een klein dorpje. Op een dag komt haar tante Freya over uit Amerika en zet het leven van de dorpsbewoners op stelten. Het boek was een groot succes en werd verfilmd.

Ander werk o.a.: "Kular af degi", ( De dag wordt kouder),  "Hús úr húsi“ (Van huis tot huis),  Karítas án titils” (Mistsluier)

 

 

Uit: Die Eismalerin (2006) (Duitse vertaling door Coletta Bürling)

 

Die Leine sang im Frost, als die Schwestern sie berührten und die Schürzen, die zum Trocknen aufgehängt worden waren und sich vor Kälte aneinander gekuschelt hatten, waren steifgefroren und völlig verwickelt. Ein eisiger Wind aus dem Norden hatte während der Nacht an ihnen herumgezerrt und die Mädchen versuchten, sich vorzustellen, wie er zu Werke ging; blies er zunächst aus dem Norden, dann aus dem Osten und wurde dann zu einem anhaltenden Südwind, oder hatte er sich andersherum gedreht? Sie spähten in alle Richtungen, als wäre der Wind irgendwo sichtbar, mit Kopf und Schwanz, aber er hatte sich schon lange vor dem Morgengrauen über den Berg getrollt. Nur der Frost war geblieben und knarrte unter ihren Füßen.
Die Magd kam auf den Hofplatz hinaus, um nach der Stricknadel zu suchen, die sie beim letzten Anfall verloren hatte. Sie sah die verwickelten Schürzen auf der Leine und nachdem sie sie abgetastet und einen Jammerlaut ausgestoßen hatte, erklärte sie: “Ihr werdet euer ganzes Leben lang so zusammengewickelt sein wie diese Schürzen, meine Lämmchen.” Und dann blökte sie in der eiskalten Morgenluft wie ein Schaf, während sie nach der Stricknadel suchte. Da trat die Mutter aus dem Haus. Sie sagte kein Wort, während sie das Schürzengewusel betrachtete, sondern schlang nur das Wolltuch fester um die Brust und kniff wegen des schneidenden Frosts die Augen zusammen. Mit hartem Gesichtsausdruck glitt ihr Blick von den Schürzen hinaus auf die flache breite Bucht mit der starken Brandung, sie starrte durchbohrend auf den Ozean, als wolle sie den Vater ihrer Kinder wieder aus der Tiefe heraufbeschwören. Dann drehte sie sich halb um und blickte zu dem tief verschneiten Berg auf, der sich jederzeit und wann immer es ihm beliebte seiner Last entledigen konnte, um Mensch und Vieh darunter zu begraben. Zum Schluss stand sie mit dem Rücken zum Meer und ließ die Augen über das Tal schweifen und hinauf zur Hochheide, wo der böse Geist lebte. Als sie den Kreis vollendet hatte, sagte sie schroff: “Im nächsten Frühjahr ziehen wir in den Norden nach Akureyri.”

 

 

balldursdottir
Kristín Marja Baldursdóttir (Hafnarfjörðu,r 21 januari 1949)

 

De Duitse schrijver Ludwig Thoma werd geboren op 21 januari 1867 in Oberammergau. Zijn vader was boswachter. Thoma studeerde ook bosbouw en toen rechten in München en Erlangen. Van 1893 tot 1899 werkte hij als advocaat in Dachau, daarna in München. Sinds 1899 was hij redacteur van het tijdschrift "Simplicissimus",, sinds 1907 van "März". In WO I was hij ziekenverzorger. Daarna woonde hij in München en Rottach-Egern. Thoma werd al tijdens zijn leven beschoiuwd als een voorbeeld bij uitnemendheid van een sentimenteel-humoristische volksdichter. Daarbij zag men snel over het hoofd dat hij in zijn werk meer biedt dan Beierse folklore en couleur locale. In zijn toneelstukken levert hij scherpe aanvallen, vaak vol sarcasme, op politiek klerikalisme, kleinburgerlijke moraal en schijnheiligheid.

 

Uit: Der Münchner im Himmel

 

„Alois Hingerl, Nr. 172, Dienstmann in München, besorgte einen Auftrag mit solcher Hast, daß er vom Schlage gerührt zu Boden fiel und starb.

 

Zwei Engel zogen ihn mit vieler Mühe in den Himmel, wo er von St. Petrus aufgenommen wurde. Der Apostel gab ihm eine Harfe und machte ihn mit der himmlischen Hausordnung bekannt. Von acht Uhr früh bis zwölf Uhr mittags »frohlocken«, und von zwölf Uhr mittags bis acht Uhr abends »Hosianna singen«. - »Ja, wann kriagt ma nacha was z'trink'n?« fragte Alois. - »Sie werden Ihr Manna schon bekommen«, sagte Petrus.

»Auweh!« dachte der neue Engel Aloisius, »dös werd schö fad!« In diesem Momente sah er einen roten Radler, und der alte Zorn erwachte in ihm. »Du Lausbua, du mistiga!« schrie er, »kemmt's ös do rauf aa?« Und er versetzte ihm einige Hiebe mit dem ärarischen Himmelsinstrument.

Dann setzte er sich aber, wie es ihm befohlen war, auf eine Wolke und begann zu frohlocken:

»Ha-lä-lä-lä-lu-u-hu-hiah!«...

Ein ganz vergeistigter Heiliger schwebte an ihm vorüber. - »Sie! Herr Nachbar! Herr Nachbar!« schrie Aloisius, »hamm Sie vielleicht an Schmaizla bei Eahna?« Dieser lispelte nur »Hosianna!« und flog weiter.

»Ja, was is denn dös für a Hanswurscht?« rief Aloisius. »Nacha hamm S' halt koan Schmaizla, Sie Engel, Sie boaniga! Sie ausg'schamta!« Dann fing er wieder sehr zornig zu singen an: »Ha-ha-lä-lä-lu-u-uh - - Himmi Herrgott - Erdäpfi - Saggerament - - lu - uuu - iah!«

Er schrie so, daß der liebe Gott von seinem Mittagsschlafe erwachte und ganz erstaunt fragte: »Was ist denn da für ein Lümmel heroben?«

Sogleich ließ er Petrus kommen und stellte ihn zur Rede. »Horchen Sie doch!« sagte er. Sie hörten wieder den Aloisius singen: »Ha - aaaaah - läh - - Himml - Himml Herrgott - Saggerament - uuuuuh - iah!« ...

Petrus führte sogleich den Alois Hingerl vor den lieben Gott, und dieser sprach: »Aha! Ein Münchner! Nu natürlich! Ja, sagen Sie einmal, warum plärren denn Sie so unanständig?«

Alois war aber recht ungnädig, und er war einmal im Schimpfen drin. »Ja, was glaab'n denn Sie?« sagte er. »Weil Sie der liabe Good san, müaßt i singa, wia 'r a Zeiserl, an ganz'n Tag, und z'trinka kriagat ma gar nix! A Manna, hat der ander g'sagt, kriag i! A Manna! Da balst ma net gehst mit dein Manna! Überhaupts sing i nimma!«

»Petrus«, sagte der liebe Gott, »mit dem können wir da heroben nichts anfangen, für den habe ich eine andere Aufgabe. Er muß meine göttlichen Ratschlüsse der bayrischen Regierung überbringen; da kommt er jede Woche ein paarmal nach München.«

 

 

thoma2
Ludwig Thoma (21 januari 1867 – 26 augustus 1921)

 

De Hongaarse schrijver Imre Madách werd geboren op 21 januari 1823 in Dolná Strehová in het huidige Slowakije. Hij studeerde rechten en werd in eerste instantie ambtenaar op het platteland. Na de revolutie van 1848 raakte hij steeds verder geïsoleerd.

In deze tijd ontstond zijn belangrijkste dramatische werk: De Tragedie van de Mens (Az ember tragédiája). Het drama, onder invloed van Goethes Faust geschreven, werd in meer dan 18 talen vertaald en wereldwijd opgevoerd.

Uit: Die Tragödie des Menschen

„Herrliche Gegend. Kleine rohgezimmerte Holzhütte. Adam schlägt Pflöcke zu einer Umzäumung ein. Eva baut eine Laube. Luzifer.

ADAM
Das ist mein. Ein Erdenfleck
Der großen Welt, Besitz und Heimat.
Ich schütze ihn vor wilden Tieren,
Ich zwinge ihn, mir Frucht zu tragen.

EVA
Und ich bau eine Laube, so
Wie jene war, und zaubre her
Verlornes Eden.

LUZIFER
      Großen spracht
Ihr aus: Familie und Besitz:
Sie werden einst die Welt bewegen
Und alle Lust und Qual gebären.
Die zwei Gedanken wachsen weiter
Und werden: Vaterland und Arbeit.
Sie zeugen alles Große, Edle,
Und fressen ihre eignen Kinder.

ADAM
Du sprichst in Rätseln. Du versprachst
Mir Wissen! Drum entsagt der Lust ich,
Um, wenn auch kämpfend, groß zu sein.
Und mein Gewinn?“

 

 

madach
Imre Madách (21 januari 1823 – 5 oktober 1864)

 

De Oostenrijkse schrijver Egon Friedell werd op 21 januari 1878 in Wenen geboren als zoon van de joodse fabrikant Moriz Friedmann en diens vrouw Karoline. Hij studeerde germanistiek, filosofie en natuurwetenschappen in Berlijn en Heidelberg. In 1897 ging hij over naar de evangelisch-lutherse kerk. In 1891 kreeg hij de erfenis van zijn vader die hem zijn leven lang financiële zekerheid bood. Hij promoveerde in 1904 met een dissertatie over Novalis als filosoof. In 1908 publiceerde hij de eenakter Goethe die hem populair maakte bij een groter publiek. Samen met de Weense auteur Alfred Polgar schreef hij nog meer theaterstukken en stond hij ook als acteur op het toneel. Nadat hij enige tijd gepubliceerd had onder het pseudoniem "Friedländer" liet hij zijn naam in 1916 veranderen in Friedell. Hij werkte in de jaren daarna lange tijd als journalist en theatercriticus. Na een aanbod van Max Reinhardt werd hij regisseur, dramaturg en acteur aan het Deutsche Theater in Berlijn en aan het Burgtheater in Wenen. In de periode 1927 tot 1932 schreef hij zijn driedelige "Kulturgeschichte der Neuzeit", een essayistische-anekdotische interpretatie van de gebeurtenissen vanaf de renaissance tot aan het imperialisme die hem internationale roem opleverde. Na 1927 nam hij geen vaste aanstellingen meer aan wegens toenemende gezondheidsklachten en leefde hij als zelfstandig schrijver. Zijn historische werk werd in 1937 door de nazi’s in beslag genomen omdat het niet overeenstemde met hun beeld van de geschiedenis. Op 16 maart, kort na de “Anschluß"  van Oostenrijk verscheen de Gestapo voor het huis van Friedell. In hevige beroering pleegde hij daarop zelfmoord door uit het raam te springen.

 

Uit: Die österreichische Seele

 

Lieber Friedell,
   über Österreich zu schreiben, ist schwer. Was wird das Ausland dazu sagen? Sassmann
    
   Hochverehrter Meister!
   Sehr geschätzter Herr Sassmann!
   In meinem Restaurant habe ich erfahren, daß Sie der Hauptmitarbeiter der »Frankfurter Zeitung« sind. Schon lange war es mein Wunsch, an diesem hervorragenden Organ ebenfalls mitarbeiten zu dürfen. Es wird ihnen ein Leichtes sein, durch ihre Beziehungen dies zu vermitteln. Ich habe mich zwar bis jetzt noch nicht schriftstellerisch versucht, bin aber ein langjähriger persönlicher Bekannter von Franz Werfel. Sollte ihnen eine mündliche Aussprache erwünscht sein, so finden Sie mich täglich von zehn bis eins und drei bis sechs im Café Pyramide.
   In aufrichtiger Bewunderung
Franz Zehntbauer
städtischer Marktkommissär

...........
    
 Lieber Sassmann,
   zu meiner Bestürzung erfahre ich im Café Eden, daß Du den Beitrag für die »Frankfurter Zeitung« richtig verschlampt hast. Damit hast Du mir ungemein geschadet; denn das hätte für mich der Anfang einer dauernden Mitarbeit werden können, und außerdem werden sie mich jetzt bei der nächsten Rundfrage möglicherweise übergehen. Ganz abgesehen vom Prestige beim Ausland. Das alles verdanke ich Dir!
   Friedell
    
   Lieber Friedell,
   ich weiß nicht, was Du noch haben willst. Erst vorige Woche war ich in drei Gesellschaften, die bisher noch nie das geringste von Dir gehört hatten und sich jetzt um mich gerissen haben, bloß weil ich mit Dir bekannt bin. Überall werde ich vorgestellt als »der Freund des berühmten Friedell, der die Frankfurter Zeitung hat aufsitzen lassen«. Du bist die populärste Persönlichkeit von Wien. Und das verdankst Du mir. Du siehst also, daß ich doch nicht so »unzuverlässig« bin, wie Du immer behauptest.
   Sassmann
    
   Lieber Sassmann,
   in Österreich wird man eben nur zum großen Mann, wenn man etwas auffällig nicht tut. Kaiser Josef hat unter größtem Aufsehen keine Reformen durchgeführt, Laudon hat unter allgemeiner Aufmerksamkeit Friedrich den Großen nicht besiegt und Lueger hat unter ungeheurem Zulauf nichts für Wien geleistet. Für die »Frankfurter Zeitung« haben schon viele nicht geschrieben, aber keiner ist dadurch der Mittelpunkt Wiens geworden. Weil die anderen eben alle kein Talent haben. Zumindest kein österreichisches Talent.
   Friedell

 

 

 

FRIEDELL
Egon Friedell (21 januari 1878 – 16 maart 1938)

 

 

20-01-07

August Strindberg, Nazim Hikmet, Guy Helminger, Eugen Gomringer, Sawako Ariyoshi


Johan August Strindberg werd op 20 januari 1849 in Stockholm geboren. Zijn vader was een scheepsmakelaar van aanzien, zijn moeder dienstbode. Toen Strindberg dertien was, stierf zijn moeder, die hij smartelijk zou missen. "Dit verlangen naar de moeder en dit gevoel van leegte vervolgden hem zijn hele leven," schreef hij in zijn autobiografie: De zoon van de dienstbode  Hij studeerde aan de Universiteit van Uppsala, probeerde acteur te worden, werd journalist en later bibliothecaris. Vanaf het eind van de jaren zeventig leefde hij uitsluitend van zijn pen, in het toenmalige Zweden een uniek verschijnsel. In 1872 schreef hij zijn eerste stuk Meester Olaf een realistisch historiestuk, in navolging van lbsen. In 1892 begon Strindberg een bohèmeleven in Duitsland en Frankrijk. In Parijs raakte hij in een zware psychische crisis, door hemzelf steeds Infernocrisis (1894-1896) genoemd. Latere psychiatrische studies wezen uit dat in deze crisis van Strindberg een duidelijk psychopatisch element aanwezig was. Na deze crisis zag hij de noodzaak een nieuw begin te maken, wat zijn werken opdeelt in twee verschillende groepen. In zijn tweede periode geeft hij nog een gedichtenbundel uit en dramatiek en lyriek hangen nauw samen. De Infernocrisis bracht Strindberg tot een nieuw, ondogmatisch en onkerkelijk maar wel christelijk religieus geloof, waarin schuld en boete een grote rol spelen. Volgens Strindberg was het lijden een soort mystiek gebeuren en het leven een zuiveringstoestand die aan de mensen was opgelegd.

Strindberg was bijzonder gëïnteresseerd in psychologie, zijn Droomspel verscheen in 1901, niet lang na de Traumdeutung van Freud. In 1907 stichtte hij samen met August Falek het 'Intieme Theater' in Stockholm, waarvoor hij zijn 'Kamerspelen' schreef. Onweer, Het afgebrande huis, Spooksonate en De Pelikaan. Zijn laatste stuk is De grote straatweg (1909). De laatste drie jaar van zijn leven schreef hij politieke, sociologische en filosofische pamfletten, die grote opschudding veroorzaakten in de Zweedse pers. Hij stierf in zijn huis in Stockholm, dat nu een Strindberg-museum is.

 

Uit: Master Olof

 

ACT I

 

(A Cloister opening upon a Convent Close planted with groups of

trees. The convent church forms the right side of the quadrangle.

A brick wall runs along the rear. Fruit trees in blossom appear

above the wall. Olof is seated on a stone bench. Before him stand

two scholars, who are reading their respective parts out of "The

Comedy of Tobit.")

First Scholar.

Now have our enemies trapped us full well.

Woe unto us, poor children of Israel!

Second Scholar.

Yea, brother, good cause you have to make such plaint!

Now certes we have come upon days of great lament--

Our land is taken away, and so's our increase,

And ne'er we may look for any help or surcease.

It must be, as long I have both dreamt and said,

That the promise to Abram has been long mislaid.

 

[Enter Lars Andersson.]

 

Lars Andersson. What are you doing?

Olof. I am playing.

Lars. Playing--you?

Olof. I am playing a little comedy about the children of Israel

and the Babylonian captivity.

Lars. Have you nothing better to do? Bigger work is waiting for

you.

Olof. I am too young.

Lars. Do not say you are too young.

Olof. No, for there are plenty of others who say it.

Lars (takes out a roll of paper, which he opens; for a while he

stands looking at Olof; then he begins to read) "Then the word of

the Lord came unto Jeremiah: 'Before I formed thee in the belly I

knew thee; and before thou camest forth out of the womb I

sanctified thee, and I ordained thee a prophet unto the nations.'

"Then said Jeremiah: 'Ah, Lord God! behold, I cannot speak, for I am a child.' 

STRINDBERG
August Strindberg (20 januari 1849 – 14 mei 1912)

 

 

Nazim Hikmet werd op 20 januari 1902 geboren in Thessaloniki, in het huidige

Griekenland, maar toen nog in het Osmaanse rijk. Hikmet was een plaatsgenoot

van Mustafa Kemal Atatürk die er 21 jaar eerder was geboren. Hikmets vader was

beroepsmilitair, zijn moeder schilderes. Zoals alle knapen uit de betere klassen

studeerde Nazim in Istanboel aan het Franstalige Galatasaray Lyceum. Dezelfde

school werd bezocht door telgen van het Osmaanse huis. Vervolgens belandde

Hikmet op de Osmaanse marineschool, maar hij moest deze om

gezondheidsredenen verlaten. Hikmet had blijkbaar weinig op met de

moderniseringsplannen van Mustafa Kemal Atatürk . Als hij de kans krijgt om

sociologie en economie aan de Universiteit van Moskou te studeren, is hij weg.

Tussen 1921 en 1928 verblijft Hikmet in de Russische hoofdstad. combineert daar

de traditionele Turkse poëzie met avant-gardistische invloeden. Terwijl Ankara

aangeeft waarover in de nieuwe republiek mag worden gedicht, ontwikkelt Hikmet

zich geheel onafhankelijk. Zeer tegen de zin van het gezag heeft zijn werk grote

invloed op de Turkse literatuur van de jaren twintig.

Als hij in 1928 terugkeert naar Turkije, voorziet Hikmet zich in zijn levensonderhoud

met het schrijven van artikelen voor dag- en weekbladen, filmscripts en

toneelstukken.

Hikmets eerste toneelstuk heette Bij de open haard en verscheen in 1932. Het was

een verdicht drama over de liefde van een dichter. In datzelfde jaar maakte hij diepe

indruk met het innovatieve toneelstuk Kafatasi en het huis van de overledenen,

waarin hij de hebzucht en hypocrisie van een burgerfamilie aan de kaak stelde. Of

ging het stuk over de laatste sultan en diens opvolger Atatürk? Hikmet belandde

snel in de gevangenis. Officieel omdat hij illegaal met een Russisch paspoort

zonder visum zijn eigen land zou zijn binnengekomen. Als gevolg van de afkondiging

van een algemene amnestie komt Hikmet in 1935 vrij. Kort daarop triomfeert hij als

toneelschrijver met het stuk Unutalan Adam, waarin het gevierd en beroemd zijn

tegenover het ongelukkige privé-leven wordt gesteld. In 1936 verschijnt zijn Epos

van Sheik Bedrettin, over een revolutionair religieus leider in Anatolië. Hikmet had

het in de gevangenis van Bursa geschreven. In deze tijd trouwt hij met Münevver

Andac; zijn tweede huwelijk. In 1938 belandt hij weer in een cel. De dichter wordt

tot 28 jaar en vier maanden gevangenisstraf veroordeeld wegens negatieve

uitlatingen over het fascisme in Duitsland en Spanje en het oproepen van rebellie

onder soldaten. In 1949 wordt er een internationaal comité gevormd, waarin onder

meer Jean-Paul Sartre en Pablo Picasso zitting hebben, dat campagne voert voor

Hikmets vrijlating. In 1950, na een regeringswisseling, komt hij vrij dankzij een

algemene amnestie. Buiten de gevangenis blijkt het nog gevaarlijker voor hem.

Er vinden verschillende mislukte aanslagen op zijn leven plaats. Het lukt Hikmet

om Turkije te ontvluchten als verstekeling op een vrachtboot die naar Roemenië

vaart. Nazim Hikmet zou zijn land niet meer zien en leefde vanaf 1951 in Sofia,

Warschau en ten slotte weer in Moskou.

 

 

Over het leven

 

Het leven neem je niet te licht,
je dient te leven in diepe ernst
zoals een eekhoorn doet,
zonder buiten of boven het leven iets te verwachten,
het enige wat je moet doen is leven.

Serieus moet je het leven nemen
en wel zo zeer dat je
bijvoorbeeld met geboeide handen op je rug
staand tegen de muur,
of met je grote stofbril
en je witte kiel in een laboratorium,
wilt sterven voor de mensen
en wel voor mensen die je nooit hebt gezien
en wel terwijl niemand je ertoe dwingt
hoewel je weet dat het leven het mooiste
en het puurste is dat er bestaat.

En zó serieus moet je het leven nemen
dat je op je zeventigste nog een olijftak poot
en dan niet om die je kinderen na te laten
maar omdat je ondanks je vrees voor de dood
niet in de dood gelooft
omdat het leven zwaarder weegt.

 

 

 

ABOUT MY POETRY

 

I have no silver-saddled horse to ride,

no inheritance to live on,

neither riches no real-estate --

a pot of honey is all I own.

A pot of honey

                     red as fire!

 

My honey is my everything.

I guard

my riches and my real-estate

-- my honey pot, I mean --

from pests of every species,

Brother, just wait...

As long as I've got

honey in my pot,

bees will come to it

                      from Timbuktu...

 
 
 
 
nazim_hikmet3
Nazim Hikmet (20 januari 1902 – 3 juni 1963)

 

 

Guy Helminger werd geboren op 20 januari 1963 in Esch-sur-Alzette, Luxemburg.

Hij studeerde germanistiek en filosofie in Luxemburg, Heidelberg en Keulen. Hij

werkte als barkeeper, toneelspeler, regieassistent en 3D-graficus. Sinds 1085 leeft

en werkt Helminger in Keulen, waar hij onder andere cursussen geeft, waarin hij

schrijvers in performance en in het voorlezen van hun teksten. Helminger begon

met het publiceren van gedichten, toneelstukken en hoorspelen. In 2001 verscheen

Rost, een bundel met korte prozateksten. In 2003 volgde het verhaal Pelargonien

en in 2005 verscheen de verhalenbundel Etwas fehlt immer.

 

Anbrechender Abend

 

Schwarze Hügelflächen: Wald.

Licht platzte hinter Sepia-Brocken.

 

Im Hof splitterten Holzklötze.

 

Mit einer Rasierklinge

zerschnitten Kinder

einen Regenwurm.

 

 

landschaft mit winter

 

graue vogelbäuche über unseren köpfen.

die sonne kroch blinzelnd durch den schnee.

in den vitrinen

bot man tierpelze an.

die fußspuren von neonlicht gefärbt,

als wir, am straßenrand stehend,

einen lastwagenfahrer beobachteten,

der katzenfell

von den reifen strich.

 

 

 

HELMINGER
Guy Helminger (Esch-sur-Alzette, 20 januari 1963)

 

 

Eugen Gomringer werd op 20 januari 1925 als zoon van een Zwitserse vader en

een Boliviaanse moeder geboren in Cachuela Esperanza, Bolivia.Gomringer geldt

als de vader van de concrete poëzie. Hij studeerde van 1944 tot 1952 economie en

kunstgeschiedenis in Bern en Rome. Van 1954 tot 1957 was hij secretaris van de

Zwitserse architect en designer Max Bill aan de Hochschule für Gestaltung Ulm.

In 1953 richtte hij met Dieter Roth en Marcel Wyss het tijdschrift Spirale op en hij

gaf van 1960 tot 1965 de boekenreeks konkrete poesie – poesia concreta uit.

Tussen 1961 en 1985 werkte hij voor de Schweizer Werkbund en voor de Rosenthal

AG in Selb. Tussen 1977 en 1990 was hij daarnaast hoogleraar voor de theorie van

de esthetica aan de Staatliche Kunstakademie Düsseldorf. In 2000 richtte hij het

Institut für Konstruktive Kunst und Konkrete Poesie (IKKP) op in Rehau.

Zijn verzameling vormt de kern van het Museum für Konkrete Kunst in Ingolstadt.

 

gomringer1

 

 

 

 

 

gomringer3

 

 

 

 

 GOMRINGER
Eugen Gomringer (Cachuela Esperanza,  20 januari 1925)

 

 

De Japanse schrijfster Sawako Ariyoshi geldt als een van de beste van na WO II.

Zij werd geboren op 20 januari 1931 in Wakayama. In 1949 begon zij aan een

studie literatuur en theaterwetenschappen in Tokyo die zij in 1952 afrondde. In 1959

studeerde zij een jaar in New York aan het Sara Lwarence College. Zij schreef

zowel korte verhalen als romans, toneelstukken en draaiboeken. In haar werk

beschrijft zij vaak het huiselijke leven in Japan, maar ook sociale problemen.

 

Uit: Le miroir des courtisanes

 

« Tomoko avait déjà fait ses préparatifs pour se rendre au salon et était en train

d'accorder son petit shamisen, quand une servante se précipita dans sa chambre.
          - Madame Kokonoe, c'est terrible, c'est terrible !
          Sans comprendre ce qui était si terrible, Tommoko saisit les longues

manches de son kimono et en montant les escaliers quatre à quatre, elle se rendit

compte de l'agitation générale et des bruits de pas précipités provenant d'une des

chambres où les prostituées recevaient leurs clients. Elle chancela, se demandant

soudain si sa mère, avec son corps lourdi, n'était pas tombée dans l'escalier.

Totalement affolée, elle se précipita dans la pièce au moment même où

retentissaient les vagissements de nouveau-né. Sans intention de le voir, elle avait

assisté à la venue au monde de l'enfant. Le petit bloc noirâtre et sanguinolent qui

venait d'être expulsé d'entre les cuisses grandes ouvertes de sa mère étendit

aussitôt ses membres et se mit à bouger. A peine dégagé de la membrane qui le

recouvrait, il se mit à pousser des cris déchirants.
          Les gens qui se trouvaient là mirent un moment avant de s'apercevoir de

la présence de Tomoko, blème et pétrifiée.
          - Qu'est-ce que tu fais là ? Ce n'est pas la place d'une enfant, allez, va-t-en !

fit une geisha aînée, qui appela aussitôt une entremetteuse :
          - Emmène donc Ochobo en bas !
L'entremetteuse saisit négligememnt Tomoko par le bras et l'emmena dans la

couloir mais, s'apercevant que Tomoko était rigide comme un bout de bois, elle

fronça les sourcils :
          - Dis donc, petite, tu as tout vu ? »

 

 

Ariyoshi
Sawako Ariyoshi (20 januari 1931 – 30 augustus 1984)

 

 

19-01-07

Edgar Allen Poe, Julian Barnes, Marie Koenen


Edgar Allen Poe werd geboren op 19 januari 1809 in Boston als zoon van reizende acteurs, Eliza Poe en David Poe, Jr., die beiden overleden voor hij drie jaar oud was. Poe werd in huis genomen door John Allan, een succesvol zakenman uit Richmond, Virginia. Hij werd niet officieel geadopteerd en nam Allan als z’n tweede voornaam.

Van 1815 tot 1820 werd hij (gedeeltelijk) opgeleid in Engeland. In 1826 schreef hij zich in aan de University of Virginia, maar bleef daar slechts een jaar. Hij begon te drinken, te gokken, kon zijn vele schulden niet meer betalen en werd weggestuurd. In 1827 liep Poe weg bij de Allans en ging hij bij het leger. Later werd hij ontslagen wegens opzettelijk plichtverzuim.

Zo ging hij bij zijn grootmoeder (langs vaders kant), zijn tante, Mrs Maria Clemm, en zijn nichtje, Virginia Clemm, wonen in Baltimore, Maryland. In 1836 trouwde hij met Virginia, die op dat ogenblik 13 jaar oud was. Hij begon te werken als redacteur en literair criticus. Hij schreef ook verhalen en gedichten, maar met matig succes. Pas met de publicatie van zijn gedicht The Raven in 1845 begon hij literaire erkenning te krijgen.

In 1847 overleed Virginia aan tuberculose. Na haar dood begon Poe de strijd tegen drank en drugs te verliezen, in 1848 probeerde hij zelfmoord te plegen. In het daaropvolgende jaar verdween hij gedurende drie dagen en vond men hem ergens in de goot in de straten van Baltimore in ijlende toestand terug. Enkele dagen later overleed hij. Poe was nooit meer lang genoeg bij bewustzijn om uit te leggen hoe hij in die erbarmelijke toestand terecht was gekomen en hoe het kwam dat hij niet z’n eigen kleren droeg.

 

Uit: The Fall of the House of Usher

 

“DURING the whole of a dull, dark, and soundless day in the autumn of the year, when the clouds hung oppressively low in the heavens, I had been passing alone, on horseback, through a singularly dreary tract of country; and at length found myself, as the shades of the evening drew on, within view of the melancholy House of Usher. I know not how it was; but, with the first glimpse of the building, a sense of insufferable gloom pervaded my spirit. I say insufferable; for the feeling was unrelieved by any of that half-pleasurable, because poetic, sentiment, with which the mind usually receives even the sternest natural images of the desolate or terrible. I looked upon the scene before me—upon the mere house, and the simple landscape features of the domain—upon the bleak walls—upon the vacant eye-like windows—upon a few rank sedges—and upon a few white trunks of decayed trees—with an utter depression of soul which I can compare to no earthly sensation more properly than to the after-dream of the reveler upon opium—the bitter lapse into every-day life—the hideous dropping off of the veil. There was an iciness, a sinking, a sickening of the heart—an unredeemed dreariness of thought which no goading of the imagination could torture into aught of the sublime. What was it—I paused to think—what was it that so unnerved me in the contemplation of the House of Usher? It was a mystery all insoluble; nor could I grapple with the shadowy fancies that crowded upon me as I pondered. I was forced to fall back upon the unsatisfactory conclusion that while, beyond doubt, there are combinations of very simple natural objects which have the power of thus affecting us, still the analysis of this power lies among considerations beyond our depth. It was possible, I reflected, that a mere different arrangement of the particulars of the scene, of the details of the picture, would be sufficient to modify, or perhaps to annihilate its capacity for sorrowful impression; and, acting upon this idea, I reined my horse to the precipitous brink of a black and lurid tarn that lay in unruffled luster by the dwelling, and gazed down—but with a shudder even more thrilling than before—upon the remodeled and inverted images of the gray sedge, and the ghastly tree stems, and the vacant and eye-like windows”.

                       

 

poe
Edgar Allen Poe (19 januari 1809 – 7 oktober 1849)

 

De Engelse schrijver Julian Barnes werd geboren op 19 januari 1946 in Leicester. Hij studeerde Frans en Engels in Oxford. In Frankrijk is hij de enige die zowel de Prix Médicis (voor Flaubert's Parrot) als de Prix Fémina (voor Talking It Over) won.  Nadat hij in 1968 afstudeerde aan het Magdalen College begon hij als lexicograaf te werken aan een supplement van het Oxford English Dictionary.  In 1972 werd hij freelance schrijver en schreef hij artikels, recenties, columns -zowel onder zijn naam als onder verschillende pseudoniemen (PC49, Fat Jeff, Edward Pygge en Basil Seal)- voor onder andere de Times Literary Supplement, de Tatler, de Observer. De onderwerpen beperkten zich niet tot de wereld van de literatuur: kunst in het algemeen passeerde de revue, maar ook televisie en zowaar ook de culinaire wereld kwam aan bod. Tijdens deze periode was hij ook deel van de redactie van The New Statesman en van de Sunday Times. Barnes' eerste roman, Duffy, werd in 1980 gepubliceerd -opnieuw onder een pseudoniem, de beruchte Dan Kavanagh. Het was de eerste in een serie detectiveverhalen die tijdens de loop van de jaren 1980 zouden worden gepubliceerd: Fiddle City (1981), Putting the Boat in (1985), Going to the Dogs (1987). In 1980 publiceert Barnes ook zijn eerste roman onder eigen naam: Metroland. Hoewel het niet onverdeeld positief werd onthaald won het boek de Maugham Award in 1981. In 1982 publiceerde hij zijn tweede roman, Before She Met Me. Het was pas met de publicatie van zijn derde roman, het hooggeprezen experimentele Flaubert's Parrot (1984), dat de critici zwegen: het won dan ook de Geoffrey Faber Memorial Prize en het kwam op de shortlist voor de Booker Prize .

 

Uit: Something to Declare

“I first went to France in the summer of 1959 at the age of thirteen. My pre-adolescence had been car-free and island-bound; now there stood in front of our house a gun-metal-grey Triumph Mayflower, bought secondhand, suddenly affordable thanks to a £200 grant from Great Aunt Edie. It struck me then — as any car would have done — as deeply handsome, if perhaps a little too boxy and sharp-edged for true elegance.; last year, in a poll of British autophiles, it was voted one of the ten ugliest cars ever built. Registration plate RTW1, red leather upholstery, walnut dashboard, no radio, and a blue metal RAC badge on the front. (The RAC man, portly and moustachioed, with heavy patched boots and a subservient manner, had arrived to enrol us. His first, preposterous question to my father — 'Now, sir, how many cars have you got?' — passed into quiet family myth.) That cars were intended not just for safe commuting but also for perilous voyage was endorsed by the Triumph's subtitle, and further by its illustrative hubcaps: at their centre was an emblematic boss depicting, in blue and red enamel, a Mercator projection of the globe.“

 

 

BARNES
Julian Barnes (
Leicester,  19 januari 1946)

 

De Nederlandse schrijfster Marie Koenen werd geboren in ’s-Hertogenbosch op 19 januari 1879. De ambitie schrijfster te worden had Marie Koenen al vrij jong, zo omstreeks haar vijftiende. Zij las de werken van H. Tollens, A.C.W. Staring, I. daCosta en E.J. Potgieter, maar moest niets hebben van hun ouderwets aandoende zwaarwichtigheid. Meer deden haar de romans van de Vlaamse auteurs Hendrik Conscience en de zusters Rosalie en Virginie Loveling. Aanvankelijk sprak haar ook het werk van de Tachtigers aan, totdat zij het ontbreken van het geloof in hun werk steeds meer als een gemis ging ervaren. In haar religieuze ontwikkeling speelde vooral Thomas à Kempis een rol.

Van groot belang voor het schrijverschap van Marie Koenen was haar ontmoeting in 1915 met Gerard Brom. De latere hoogleraar schoonheidsleer en kunstgeschiedenis aan de Roomsch-Katholieke Universiteit te Nijmegen werkte toen als leraar in Maastricht en woonde in dezelfde straat als de schrijfster. Hij spoorde haar aan een echte roman te schrijven, waarna hij ervoor zou zorgen dat deze in een tijdschrift werd gepubliceerd. Aldus verscheen in 1917 'De moeder' in het een jaar eerder opgerichte tijdschrift De Beiaard.  De jaren tussen 1915 en 1920 vormden de eerste glorietijd in Marie Koenens schrijverschap. Haar werk werd goed verkocht en door de critici over het algemeen gunstig ontvangen. In de tweede helft van de jaren veertig, waarin in zekere zin een restauratie van de oude katholieke normen en waarden plaatsvond, begon voor Marie Koenen een tweede bloeiperiode. Haar boeken werden weer volop gelezen en ze kreeg veel huldeblijken. Zo ontving zij op 28 april 1948 de Brand-Van Gentprijs van de katholieke uitgevers en boekhandelaren voor Wassend graanen daarmee tevens voor haar gehele oeuvre. Op 7 mei 1949 kreeg zij een eredoctoraat in de letteren en wijsbegeerte aan de universiteit van Nijmegen.

Na 1950 volgde de grote stilte voor Marie Koenen, die inmiddels zeer teruggetrokken in het Zuid-Limburgse dorpje Houthem-St. Gerlach bij Valkenburg leefde. De nieuwe generatie lezers en critici moest niet zoveel hebben van haar enorme, soms zelfs blinde, godsvertrouwen en de gelatenheid waarmee haar hoofdpersonen al het onheil over zich heen lieten komen.

AAN PAUL VERLAINE

Ik heb, als gij, verwijld in 't slot van avondrood
En in dien toren, waar van sluimer-witte muren
Een huivere uchtend klaart. Ik mat des levens uren
Alleen aan d'eigen hartslag, en mijn dag vervlood

Van stilte in leeger stilte. Slechts de Dood ontsloot
En sloot mijn eenzaamheid, de dienaar, die zijn duren
En strengen plicht volbracht, en zwijgend me aan bleef turen,
Terwijl ik zwijgend nam en at, wat hij me bood.

En waar ik asch gegeten heb en tranen dronk,
Hoorde ik de Stem, die u eens riep uit uwe pijnen,
En wist niet of uw pijnen of de mijne schreiden.

Maar schaamle woorden kwamen - vreemd en schuw - omschijnen
De Stem die, sprakeloos, blijft spreken door de tijden,
Uw woord, dat schreien blijft, waar het in Licht verklonk.

 

 

koenen
Marie Koenen  (19 januari 1879 - 11 juli 1959)

 

 

20:41 Gepost door Romenu | Permalink | Commentaren (1) | Tags: edgar allen poe, julian barnes, marie koenen |  Facebook |