18-06-06

Poetry International


Drie dichters die gisteravond optraden tijdens de opening van Poetry International in Rotterdam.

 

F. van Dixhoorn (Hansweert, 1948) woont en werkt in Middelburg. Hij publiceerde gedichten in Raster en De Revisor. Voorjaar 1994 debuteerde Van Dixhoorn bij De Bezige Bij met de bundel Jaagpad / Rust in de tent / Zwaluwen vooruit. Deze drie reeksen poëzie bestaan uit gedichten van zestien regels ieder, waarin korte spreektaalzinnen in verrassende, raadselachtige verbindingen bij de lezer wisselende emoties oproepen. In 1997 verscheen Dixhoorns tweede bundel, Armzwaai/ Grote keg/ Loodswezen I, in 2000 gevolgd door de bundel Takken molenwater/ Kastanje jo/ Hakke tonen/ Uiterton/ Molen in de zon. In 2003 verscheen de meest recente bundel Dan op de zeevaartschool. (bron: de Bezige Bij) 

 

 

 

 

Loodswezen i (fragment)

 

1. even alleen

in blad komen

bloeien verkleuren

blad verliezen

2. pas dood

3. voor degenen die verder

naar het westen reizen

blijf ik

twintig minuten staan

4. aldus stormt het

vallen de bladeren

uit de bomen

in het water

en leef ik op

1. ik jij wij in het voorjaar

word ik rustiger

 

komen de bladeren

aan de bomen

kan ik haar niet meer zien

2. voor mij zeker

een loods

houdt onregelmatig werk

dan: eeuwige grijns

3. alleen vervangen

door meteen

wanneer je straks

op de boulevard

amorata tegenkomt

doe haar dan de groeten

van mij en zeg haar dat

loods zwart

weer naar zee is   

 

 

Voor een internetleeservaring van deze poëzie ga je naar deze site van F. van Dixhoorn.

 

 

F. van Dixhoorn

 

August Kleinzahler publiceerde een tiental poëziebundels en won enkele belangrijke literaire prijzen, o.a. in 2004 de Canadese Griffin Poetry Prize voor zijn meest recente bundel 'The Strange Hours Travelers Keep'. Hij woont sinds 25 jaar in San Francisco en is tegenwoordig muziekrecensent bij een Californisch dagblad.

 

 

Ruined Histories   

 

You so love these photographs, too well perhaps,
and rush to frame the moment, press the shutter,
and get along with this dollhouse saga
you had rehearsed before it ever came to be.

 

Ah, Little Girl Destiny, it's sprung a leak
and the margins are bleeding themselves away.
You and I and the vase and stars won't stay still.
Wild, wild, wild--kudzu's choked the topiary.

 

Looks like your history is about to turn
random and brutal, much as an inch of soil or duchy.
Not at all that curious hybrid you had in mind:
Jane Austen, high-tech and a measure of Mom.

 

You're lost, desolate as Savannah after Sherman.
The lavender sachet, marbled storybooks,
the ring Grandma left you, poor Damien's love letters . . .
It's just your eyes, ass, me and a broken Nikon.   

 

 

 

 

High School Confidential

 

Maria I love you Jesus
Your red lips you . . . Better
Than Angela but don't say
can I walk you home later
Or maybe we could meet at Tito's
So no one will see I like your
New shoes and blouse I notice
You every day talking with
Your friends before lunch
Did you see Felipe with those
guys last week I can't believe
You ever really liked him

My mother works till 8
And her ugly boyfriend's
Down in Fresno (I hope
Maybe he drops dead) so
Would you like to stop by
I could put on some music
Special favorites I think you
Would like them too you seem
So nice I mean when I look
At you you seem so nice so
Kind and pretty big brown eyes
Maria I love you Jesus

 

 

 

 

August Kleinzahler
 

 

Jaan Kaplinski werd in 1941 in de Estische universiteitsstad Tartu geboren, zijn moeder was danseres en later vertaalster, zijn vader lector Pools aan de universiteit. Na zijn studie Frans en taalkunde werkte Kaplinski aan de universiteit in Tartu, in de botanische tuin in Tallinn en als freelance schrijver. In de jaren 1992-1995 was hij lid van het Estische parlement, in 1997 gasthoogleraar in Tampere in Finland en Writer in residence in Wales. Sindsdien woont hij als freelancer op een boerderij in Zuid-Estland. 

 

 

Vertaling van "Õhtu toob tagasi kõik" (Evening brings everything back), fragment



*
The snow's melting. The water's dripping.
The wind's blowing (gently).
The boughs are swaying. There's a fire in the stove.
The radiators are warm.
Anu is doing exercises on the piano.
Ott and Tambet are making a snowman.
Maarja is preparing a lunch.
The wooden horse is looking in from the window.
I am looking out of the window.
I am writing a poem.
I am writing that today is Sunday.
That the snow's melting. That the water's dripping.
That the wind's blowing, etc., etc.


*
Zwei Dinge erfüllen das Gemüt mit immer neuer und zunehmender Bewunderung und Ehrfurcht, je öfter und anhaltender sich das Nachdenken damit beschäftigt: der gestirnte Himmel über, und das moralische Gesetz in mir.
Kant


Through the cellar ceiling
I hear the shouts of the children,
their feet trampling, sometimes
a buildingblock falling and sometimes
mother's nagging voice.
Above these voices there are
some more ceilings,
the roof with chimneys and areals,
and heaven that actually begins
here at this very place
beside us, around us
and reaches these same
awe-inspiring stars.
We too are heaven-dwellers,
the contemplating (nachdenkender) philosopher
as well as a child throwing its wood blocks onto floor
and the writer who doesn't know
whether he feels more awe (
Ehrfurcht)
for the stars in heaven, castles built of wood blocks,
or the heavenly sandstone
outside the cellar walls and below its floor. 

 

 

Vertaald door de auteur samen met Fiona Sampson

 

 

 

 

Jaan Kaplinski

 

 

In Trouw van gisteren een inleiding op het thema van de slotavond op 23 juni.

 

22:32 Gepost door Romenu | Permalink | Commentaren (0) |  Facebook |

17-06-06

Dendermonde. Rosei, Ruyslinck


Zijn debuut maakte Max Dendermonde in 1941 met de dichtbundel Tijdelijk isolement. Korte tijd was hij radiopresentator maar ging daarna weer in de journalistiek (o.a. bij Het Parool en de Groene Amsterdammer). Zijn bekendste boek is De wereld gaat aan vlijt ten onder uit 1954. In 1968 schreef hij het boekenweekgeschenk, Kom eens om een keizer.

 

 

Bij Eylders , 16 mei 1942

 

Wie eenzaam is , moet niet naar Eylders gaan :

te midden van de dichters en de dwazen.

Ziet men zich daar gespiegeld in de glazen ,

Een dwaas , zich schamend zonder kleren aan.

 

Maar wie niet eenzaam is ,durft naakt te staan ,

Durft dapper mee te drinken en te dazen,

En die verstaat achter de grote frazen

Het zuur van afzonderlijk bestaan.

 

Wie altijd naakt is zal nooit eenzaam zijn,

die kent zichzelf,is met zichzelve samen ,

een vriendenpaar,te sterk voor het venijn,

 

te krachtig voor de hatelijke namen,

die daar bij Eylders op het Leidseplein ,

zich vaak bij bier op listig leed beramen;

 


Een ander leven

Ik droomde vannacht sinds lange tijd van mollige Puck
Die als zo’en eeuwige tijd dood is en begraven
En onze dochter (te jong) nu ook; ze kwam vragen
Geheimzinnig helder, toch los en menselijk,

Of ik goed voor Liset had gezorgd al die jaren
Was het mij die zes en dertig zomers gelukt
Diep te begrijpen waar de moeilijkheden lagen?
Had ik me niet- schrijvend en reizend- te vaak uitgedrukt?
Boos riep ik: je hebt me vies in de steek gelaten
In dat rot jaar toen ik nog maar een jongen was
Het was jou kind ook. Ik miste je. Ik ben verraden

Je hebt nu, zei ze lachend, een andere slager
Melkboer, moed, bomen, vrouw, nageslacht, plicht en gras,
Begrijp je dat? Ik huilde schuldig, maar ontladen.  

 

 

 

 

Max Dendermonde (17 juni 1919 – 24 maart 2004)

 

De Oostenrijkse schrijver en dichter Peter Rosei is de zoon van een spoorwegambtenaar en een winkelierster. Hij groeide op in Wenen waar hij het gymnasium bezocht en het baccalaureaat behaalde. Hij studeerde rechten aan de universiteit van Wenen. In 1968 promoveerde hij. Van 1969 tot 1971 was hij de secretaris en manager van de Weense schilder Ernst Fuchs. Daarna leidde hij korte tijd een uitgeverij van schoolboeken. Sinds 1972 werkt en woont hij als schrijver in Wenen. In de jaren 1975 tot 1981 woonde hij in Bergheim bij Salzburg.

Werk: o.a Verzauberung (1997), Naturverstrickt (1998), Liebe & Tod (2000), Dramatisches (2002 – 2004), Wien Metropolis (2005)

 

 

 

Viel Früher

 

Wenn du mit der Hand den Tuchzipfel über
die Schulter ziehst, die Brust li
egt auf
dem Arm, faßt die andre Hand nach unten,
dort das Tuch gut festzuhalten.
Wissen
möchte ich, woran ich hänge, was es ist.

 

Gestern brach ein Baum entzwei, es stürmte; ja.
Sei so freundlich: Töte mich! - In den Wolken
öffnet sich kein Loch, aber hinten hebt sich
groß das Grün des Landes, die fernren Schalen
glänzten rot, die Morgenhäutchen; dann Meeres-
wellen.

 

Ich gäb's gern; was gäb' ich drum?
Alles. Fische sinken abwärts, schwimm ich
mit. Dort, da unten, brennen Burgen, rot und lautlos.
Deine Finger tauchen auf:
korallrot. - Plötzlich endet das Gedicht.

 

 

 

 

Frage

 

Was denn drinnen ist? Rotes Spritzen?
Die Windhosen ziehn vorüber: Dies zur
Warnung, Passagier! Bei Gott, mein Mes-
ser trifft dich! Mus zerrinnt um den
Mund, an dem Kindsgesicht waren Haare,
einstmals tranken wir heiße Milch mit
Preiselbeeren, Blättchen klebten an
der Schale, in ders dampfte.

 

Wenn der Wellenkiel sich spannt, seine
Knochenstege zeigt am Grat: Wie das
Boot drüberspringt! Bewahr den Mut!
Aus dem Amper schwappt es hoch, mein
Freund: Mit dem Knöchel klopf ich ans
Gehäuse! Wieviel? Aus dem Gang trat
dieser Mann hervor, zielte kurz und
schoß den Sperling tot.

 

Die Kappen der Schuhe sind nicht
aufgedreht: so stehen die Schuhe fest
auf ihren Sohlen.
Sie werfen einen
Schatten: Prima Schuhwerk!

 

 

 

 

 

Peter Rosei
(17 juni 1946)

 

Ward Ruyslinck is een pseudoniem voor Raymond Karel Maria de Belser. Hij werd geboren op 17 juni 1929 in Berchem, vlakbij Antwerpen. Hij is opgegroeid in een veilig Katholiek gezin. Toen de tweede wereldoorlog uitbrak, vluchtten ze naar Frankrijk om de Duitsers te ontlopen. Na een paar weken keerden ze echter weer terug. Toen werd in 1943 hun huis gebombardeerd, maar niemand raakte gewond. Toen overleed zijn 19 jarige broer. Hoewel hij nog een kind was, werd hij al vroeg uit de kinderwereld weggerukt. Door de wrede gebeurtenissen en de zinloosheid van de oorlog begon hij aan het bestaan van een rechtvaardige God te twijfelen.

Ward Ruyslinck is vooral geliefd bij jongeren met zijn eerste twee boeken, De ontaarde slapers (1957) en Wierook en tranen (1958)

 

Citaten: 

 

"Je kunt misschien wel aan de greep van mensen ontsnappen, maar niet aan de greep van een stuk papier waarop je je handtekening hebt gezet. Gezegeld papier is machtiger dan de loop van een geweer." 

 

 

'Ik heb ooit gezegd dat ik de illusie koester dat de mens voor verbetering vatbaar is, maar in de afgelopen zeven jaar ben ik tot een andere conclusie gekomen.' (Hervormd Nederland, 28-8-1999)

 

 

“Als je één enkele verlustigt, ben je koningin van de wellust, maar als je velen genot geeft, ben je een hoer.”

 

 

Ward Ruyslinck (17 juni 1929)

 

 

 

19:01 Gepost door Romenu | Permalink | Commentaren (0) |  Facebook |

16-06-06

Ulysses, Willemsen, Bart, café de Plak II


Eerste pagina uit Ulysses van James Joyce, een roman die speelt binnen het tijdsbestek van een dag: 16 juni.

 

 

- I --

 

“STATELY, PLUMP BUCK MULLIGAN CAME FROM THE STAIRHEAD, bearing a bowl of lather on which a mirror and a razor lay crossed. A yellow dressinggown, ungirdled, was sustained gently behind him by the mild morning air. He held the bowl aloft and intoned:

--INTROIBO AD ALTARE DEI.

Halted, he peered down the dark winding stairs and called out coarsely:

--Come up, Kinch! Come up, you fearful jesuit!

Solemnly he came forward and mounted the round gunrest. He faced about and blessed gravely thrice the tower, the surrounding land and the awaking mountains. Then, catching sight of Stephen Dedalus, he bent towards him and made rapid crosses in the air, gurgling in his throat and shaking his head. Stephen Dedalus, displeased and sleepy, leaned his arms on the top of the staircase and looked coldly at the shaking gurgling face that blessed him, equine in its length, and at the light untonsured hair, grained and hued like pale oak.

Buck Mulligan peeped an instant under the mirror and then covered the bowl smartly.

--Back to barracks! he said sternly.

He added in a preacher's tone:

--For this, O dearly beloved, is the genuine Christine: body and soul and blood and ouns. Slow music, please. Shut your eyes, gents. One moment. A little trouble about those white corpuscles. Silence, all.

He peered sideways up and gave a long slow whistle of call, then paused awhile in rapt attention, his even white teeth glistening here and there with gold points. Chrysostomos. Two strong shrill whistles answered through the calm.

--Thanks, old chap, he cried briskly. That will do nicely. Switch off the current, will you? “

 

 

James Joyce (
2 februari 1882 – 13 januari 1941)

 

August Willemsen is een Nederlandse vertaler van Portugese en Braziliaanse literatuur. Daarnaast heeft hij essays, dagboeken en brieven gepubliceerd. Willemsen staat bekend om zijn krachtige gebruik van het Nederlands en zijn puntgave stijl.

Na zijn middelbare school in Amsterdam, ging Willemsen in dezelfde stad naar het conservatorium, richting piano. Dit bleek geen succes en op vrij late leeftijd startte hij een studie Portugees. Door zijn vertalingen van de Portugese dichter Fernando Pessoa raakte hij bekend als een vooraanstaand vertaler. In 1983 werden zijn vertalingen bekroond met de Martinus Nijhoff-prijs. In 1986 ontving hij de Lucy B. en C.W. van der Hoogtprijs voor Braziliaanse brieven. Op het moment werkt August Willemsen aan een vertaling van het volledige werk van Pessoa. Hier een gedicht van Pessoa in de vertaling van Willemsen:

 

 

Abdicatie

 

Neem mij in uw armen, o eeuwige nacht,
En noem mij – koning die ik ben – uw zoon.
Vrijwillig deed ik afstand van mijn troon
Van dromen, die mij slechts vermoeidheid bracht

Mijn zwaard, mijn armen zijn ontkracht,
een kalme, mannelijke hand heeft het genomen;
Mijn scepter heb ik neergelegd, mijn kroon,
Versplinterde symbolen vroeger macht.

Mijn maliënkolder, nu zo nutteloos,
Mijn sporen, rinkelend en waardeloos,
Heb ik achtergelaten op de koude trap.

’k Ontdeed mij, ziel en lichaam, van mijn koningschap
En keerde terug tot de aloude en kalme nacht
Gelijk het landschap bij het sterven van de dag.   

 

 

 

 

 

August Willemsen (Amsterdam, 16 juni 1936)

 

 

En als toegift bij een andere verjaardag:

 

 

Bart, café de Plak II

 

Hij was zo jong en mooi, ik de verlegen
verkenner van een wereld buiten mij.
Er gingen jaren onverhoeds voorbij,
die toch verleden bergen en bewegen.

 

Ik heb hem zwijgende meer lief gekregen.
Geen ander was daar beter voor dan hij.
Hij danste, schonk de glazen vol en wij
begrepen zonder woorden en wij zwegen.

 

Zo raakte ik te midden van muziek,
gepraat en rinkelen van glas stilaan
met zijn bestaan vertrouwd en zijn ritmiek.

 

Als later elk geluid zal zijn verflauwd,
zal er dit beeld nog zijn: een bar, een kraan
en Bart, die onvermoeid zijn kauwgom kauwt.   

 

 

 

Frans Roumen, Uit: Navel van ’t land, Nijmegen in Gedichten,

Uitgeverij 521, Amsterdam 2005

 

Frans Roumen (16 juni 1957) woont en werkt in Nijmegen

 

 

07:07 Gepost door Romenu | Permalink | Commentaren (1) | Tags: frans roumen, august willemsen, james joyce |  Facebook |

15-06-06

Volker Braun / Bomans voetbalt


Volker Braun werd op 7 mei 1939 in Dresden geboren. Omdat hij niet meteen een studieplaats kon krijgen werkte hij eerst in een drukkerij en als mijnwerker en machinist.

Van 1960 tot 1964 studeert hij filosofie in Leipzig. In 1965 haalt Helene Weigel hem naar het Berliner Ensemble waar zijn eerste stuk wordt opgevoerd, om daarna verboden te worden. Van 1972 tot 1977 werkt hij voor het Deutsche Theater in Berlijn en van 1979 tot 1990 is hij opnieuw medewerker van het Berliner Ensemble.

In 1993 is hij gast van de Villa Massimo in Rome en een jaar later gast van de University of Wales. Hij houdt lezingen over poezie aan de universiteiten Heidelberg, Zürich en Kassel.

 

Braun is lid van de Akademie der Künste Berlin-Brandenburg, de Sächsische Akademie der Künste, de Deutschen Akademie der darstellenden Künste in Frankfurt/Main en de Deutsche Akademie für Sprache und Dichtung in Darmstadt. Volker Braun leeftt in Berlijn.

 

 

Das Eigentum

 

Da bin ich noch: mein Land geht in den Westen.

KRIEG DEN HÜTTEN FRIEDE DEN PALÄSTEN.

Ich selber habe ihm den Tritt versetzt.

Es wirft sich weg und seine magre Zierde.

Dem Winter folgt der Sommer der Begierde.

Und ich kann bleiben wo der Pfeffer wächst.

Und unverständlich wird mein ganzer Text

Was ich niemals besaß wird mir entrissen.

Was ich nicht lebte, werd ich ewig missen.

Die Hoffnung lag im Weg wie eine Falle.

Mein Eigentum, jetzt habt ihrs auf der Kralle.

Wann sag ich wieder mein und meine alle.

 

 

 

Der 9. November

 

Das Brackwasser stachellippig, aufgeschnittene Drähte

Lautlos, wie im Traum, driften die Tellerminen        

Zurück in den Geschirrschrank. Ein surrealer Moment:

Mit spitzem Fuß auf dem Weltriß, und kein Schuß fällt.

Die gehetzte Vernunft, unendlich müde, greift

Nach dem erstbesten Irrtum ... Der Dreckverband platzt.

Leuchtschriften wandern okkupantenhaft bis Mitte.

    BERLIN

NUN FREUE DICH, zu früh. Wehe, harter Nordost.

 

 

 

 

 

Volker Braun

 

 

Aan de vooravond van Nederland - Ivoorkust een voetballende Godfried Bomans.

 

Godfried Bomans, eind jaren zestig, voetballend in de tuin. Bomans' dochter Eva bewaart goede herinneringen aan het voetballen met haar vader. ‘Met mij was hij altijd aardig. Wij voetbalden vaak in de gang en een tijdje geleden speelden wij wedstrijdjes op het landje achter in de tuin. Hij interesseerde zich wel voor voetballen en we keken ook elke zondag naar de sport. Als we op zondagochtend koffie zaten te drinken vroeg ik altijd: “Papa, wat is er vanavond op de tv?” Dan antwoordde hij: “Sporrrt”, en hij zette dan het wekkertje van zijn horloge op half acht.’
(Herinneringen aan Godfried Bomans, p. 30-31)

 

 

 

21:33 Gepost door Romenu | Permalink | Commentaren (0) |  Facebook |

14-06-06

Beecher Stowe en René Char


Harriet Beecher Stowe was een Amerikaanse abolitioniste en schrijfster uit Litchfield, Connecticut. Tijdens haar leven schreef zij meer dan 10 werken. Het bekendste hiervan is Uncle Tom’s Cabin, een beschrijving van het leven van Amerikaanse slaven dat tussen 1851 en 1852 in serievorm gepubliceerd werd in het abolitionistische blad de National Era van Gamaliel Bailey. Haar tweede boek was Dred: A Tale of the Great Dismal Swamp.

 

Beecher-Stowe werd geboren in Litchfield en groeide voornamelijk op in Hartford. Zij was de dochter van Lyman Beecher, een vooraanstaand Congregationalistisch predikant uit Boston, en zuster van eminent pastoor Henry Ward Beecher. In 1832 verhuisde haar familie naar Cincinnati, een andere thuishaven van de abolitionistische beweging, waar haar vader de eerste president werd van het Lane Theological Seminary. Aldaar deed ze eerstehands kennis op over slavernij en de Underground  Railroad en voelde ze zich geroepen De Negerhut van Oom Tom te schrijven, de eerste Amerikaanse novelle met een neger in de hoofdrol.

 

 

Citaten:

 

“I no more thought of style or literary excellence than the mother who rushes into the street and cries for help to save her children from a burning house, thinks of the teachings of the rhetorician or the elocutionist.”

 

 

Uit: Uncle Tom’s Cabin

“On the shores of our free states are emerging the poor, shattered, broken remnants of families,--men and women, escaped, by miraculous providences, from the surges of slavery,--feeble in knowledge, and, in many cases, infirm in moral constitution, from a system which confounds and confuses every principle of Christianity and morality. They come to seek a refuge among you; they come to seek education, knowledge, Christianity.

What do you owe to these poor, unfortunates, O Christians? Does not every American Christian owe to the African race some effort at reparation for the wrongs that the American nation has brought upon them? Shall the doors of churches and school-houses be shut down upon them? Shall states arise and shake them out? Shall the Church of Christ hear in silence the taunt that is thrown at them, and shrink away from the helpless hand that they stretch out, and shrink away from the courage the cruelty that would chase them from our borders? If it must be so, it will be a mournful spectacle. If it must be so, the country will have reason to tremble, when it remembers that fate of nations is in the hand of the One who is very pitiful, and of tender compassion.“

 

 

Harriet Beecher Stowe (14 juni 1811 – 1 juli 1896)

 

René Char werd geboren op 14 juni 1907.  Hij stierf op de gezegende ouderdom van 81 jaar. Hij vervoegde in 1929 de surrealistische groep en sloot zich aan bij Picasso en André Breton. Met deze laatste alsmede met Paul Eluard, schreef hij “Ralentir travaux”. In 1934 publiceerde hij “Le marteau sans maître” en keerde zich langzamerhand af van de surrealistische stroming.  

 

In “Les feuillets d’hypnos “ (1946), beschrijft hij zijn ervaringen in de oorlog. Na de bevrijding publiceert hij “Seuls demeurent” (1945) en “Le poème pulvérisé” (1947) waarmee hij definitief zijn bekendheid en zijn faam vestigde. Hij publiceerde nog regelmatig tot aan zijn dood. Als een ultieme erkenning van zijn oeuvre verscheen zijn verzameld werk in de “pléiade” in 1983 nog tijdens zijn leven.  

René Char behoort tot een van de grootste hedendaagse Franse dichters. Camus zei over hem: “Dit oeuvre is een van de belangrijkste dat ooit werd geproduceerd in de literatuur. Sedert Apolinaire is er in de Franse poëzie geen grotere poëtische revolutie meer geweest die een vergelijking met zijn werk kan doorstaan.”.    

 

 

 

Allégeance

 

Dans les rues de la ville il y a mon amour. Peu importe où il va dans le temps divisé. Il n'est plus mon amour, chacun peut lui parler. Il ne se souvient plus; qui au juste l'aima?

Il cherche son pareil dans le voeu des regards. L'espace qu'il parcourt est ma fidélité. Il dessine l'espoir et léger l'éconduit. Il est prépondérant sans qu'il y prenne part.

Je vis au fond de lui comme une épave heureuse. A son insu, ma solitude est son trésor. Dans le grand méridien où s'inscrit son essor, ma liberté le creuse.

Dans les rues de la ville il y a mon amour. Peu importe où il va dans le temps divisé. Il n'est plus mon amour, chacun peut lui parler. Il ne se souvient plus; qui au juste l'aima et l'éclaire de loin pour qu'il ne tombe pas?




Loyaliteit

In de straten van de stad bevindt zich mijn geliefde.  Het geeft niet waar hij gaat in de versnipperde tijd.  Hij is mijn geliefde niet meer, iedereen kan met hem praten. Hij herinnert het zich niet meer; wie precies hield nu van hem?

Hij zoekt zijns gelijke in de bede van de blikken. De ruimte die hij doorloopt is mijn trouw. Hij tekent de hoop en wijst hem zachtjes af. Hij is dominant zonder dat hij dat wil.

Ik leef diep in hem als een gelukkig wrak. Zonder dat hij het beseft, is mijn eenzaamheid zijn schat.

In de straten van de stad bevindt zich mijn geliefde. Het geeft niet waar hij gaat in de versnipperde tijd. Hij is mijn geliefde niet meer, iedereen kan met hem praten. Hij herinnert het zich niet meer; wie precies hield nu van hem en verlicht hem op afstand opdat hij niet valt?

Vertaling: Henri Thijs  

 

 

 

 

René Char (14 juni 1907 – 19 februari 1988)

 

22:09 Gepost door Romenu | Permalink | Commentaren (0) |  Facebook |

13-06-06

W. B. Yeats


William Butler Yeats  was een Ierse dichter, toneelschrijver en mysticus. Hij was ook een Iers senator in de 20er jaren. In 1923 won hij de Nobelprijs voor Literatuur. Aan het eind van de winter in 1938 verliet hij Ierland in slechte gezondheid. Hij overleed te Roquebrune, met uitzicht op Monaco, op 28 januari 1939, en werd daar begraven. In september 1948 werd zijn stoffelijk overschot naar Ierland gebracht en hij werd opnieuw begraven, nu op de begraafplaats van zijn grootvaders parochie in Drumcliff, county Sligo. Een steen met inscriptie zoals Yeats had aangegeven markeert de plaats: Cast a cold Eye; on Life, on Death. Horseman pass by!

 

 

The Second Coming  

TURNING and turning in the widening gyre
The falcon cannot hear the falconer;
Things fall apart; the centre cannot hold;
Mere anarchy is loosed upon the world,
The blood-dimmed tide is loosed, and everywhere
The ceremony of innocence is drowned;
The best lack all conviction, while the worst
Are full of passionate intensity.

Surely some revelation is at hand;
Surely the Second Coming is at hand.
The Second Coming! Hardly are those words out
When a vast image out of Spiritus Mundi
Troubles my sight: somewhere in sands of the desert
A shape with lion body and the head of a man,
A gaze blank and pitiless as the sun,
Is moving its slow thighs, while all about it
Reel shadows of the indignant desert birds.
The darkness drops again; but now I know
That twenty centuries of stony sleep
Were vexed to nightmare by a rocking cradle,
And what rough beast, its hour come round at last,
Slouches towards Bethlehem to be born?

 

 

 

O Do Not Love Too Long

 

SWEETHEART, do not love too long:
I loved long and long,
And grew to be out of fashion
Like an old song.
All through the years of our youth
Neither could have known
Their own thought from the other's,
We were so much at one.
But O, in a minute she changed -
O do not love too long,
Or you will grow out of fashion
Like an old song.

 

 

 

No Second Troy

 

WHY should I blame her that she filled my days
With misery, or that she would of late
Have taught to ignorant men most violent ways,
Or hurled the little streets upon the great.
Had they but courage equal to desire?
What could have made her peaceful with a mind
That nobleness made simple as a fire,
With beauty like a tightened bow, a kind
That is not natural in an age like this,
Being high and solitary and most stern?
Why, what could she have done, being what she is?
Was there another Troy for her to burn?

 

 

 

 

 

 

William Butler Yeats (13 juni 1865 – 28 januari 1939)

Portret van Gavin Bloor.

 

 

22:22 Gepost door Romenu | Permalink | Commentaren (0) | Tags: william butler yeats |  Facebook |

12-06-06

Christoph Meckel en Anne Frank


Christoph Meckel werd geboren op 12 juni 1935 en bracht zijn jeugd door in Freiburg in de Breisgau, waar hij het gymnasium bezocht tot en met de vijfde klas. In de periode 1954/55 studeerde hij grafische kunst aan de kunstacademie in dezelfde plaats en vanaf 1956 in München. Sinds 1956 is hij zowel graficus  als schrijver. Hij ondernam uitgebreide reizen door Europa, Afrika en Amerika en woonde in Oetingen, in Berlijn, in Zuid-Frankrijk en in Toscane. Zijn grafisch werk werd op talrijke exposities gepresenteerd. Hij is lid van de Akademie der Wissenschaften und der Literatur in Mainz en van de Deutsche Akademie für Sprache und Dichtung in Darmstadt.

 

 

 

Rede vom Gedicht     

 

Das Gedicht ist nicht der Ort, wo die Schönheit gepflegt wird.
 
Hier ist die Rede vom Salz, das brennt in den Wunden.
Hier ist die Rede vom Tod, von vergifteten Sprachen.
Von Vaterländern, die eisernen Schuhen gleichen.
Das Gedicht ist nicht der Ort, wo die Wahrheit verziert wird.
 
Hier ist die Rede vom Blut, das fliesst aus den Wunden.
Vom Elend, vom Elend, vom Elend des Traums.
Von Verwüstung und Auswurf, von klapprigen Utopien.
Das Gedicht ist nicht der Ort, wo der Schmerz verheilt wird.
 
Hier ist die Rede von Zorn und Täuschung und Hunger
(die Stadien der Sättigung werden hier nicht besungen).
Hier ist die Rede von Fressen, Gefressenwerden
von Mühsal und Zweifel, hier ist die Chronik der Leiden.
Das Gedicht ist nicht der Ort, wo das Sterben begütigt
wo der Hunger gestillt, wo die Hoffnung verklärt wird.
 
Das Gedicht ist der Ort der zu Tode verwundeten Wahrheit.
Flügel! Flügel! Der Engel stürzt, die Federn
fliegen einzeln und blutig im Sturm der Geschichte!  
Das Gedicht ist nicht der Ort, wo der Engel geschont wird.  

 

 

 

Kind

 

Es zog den Schlüssel aus der Tür.
Es warf ihn in die Sonne und er schmolz.
Das Haus war leer, fort war das letzte Tier.
Es lagen bloß noch ein paar Steine hier
und nachts zum Feuermachen etwas Holz.

Der Morgen war von Tau und Asche kalt.
Es ging auf einen Weg in einen Wald.
Der Engel sah es und vergaß es bald.  

 

 

Traum

 

Geerntet der Kirschbaum, der Juni zu Ende,
aber im Traum trug ich Kirschen zurück in die Bäume,
hängte sie zwischen die Blätter und rief:
Die Kirschzeit ist gekommen, bring Körbe und Leitern
und flieg in den Kirschbaum mit mir, wir träumen nicht lange!  

 

 

 

 

 

(Christoph Meckel, 12 juni 1935)

 

 

 

Dagboek-fragmenten Anne Frank

 

Hoewel Anne Frank op haar 13e verjaardag niet kan weten dat zij een maand later moet onderduiken, begint zij haar nieuwe dagboek met de volgende zin:

 

-12 juni 1942-

"Ik zal hoop ik aan jou alles kunnen toevertrouwen, zoals ik het nog nooit aan niemand gekund hebben ik hoop dat je een grote steun voor me zal zijn."

 

Drie maanden later in haar schuilplaats schrijft zij:

 

-28 september 1942-

"Ik ben, O, zo blij dat ik je meegenomen heb" .

 

-28 september 1942-

"Tot nu toe heb ik bijna uitsluitend gedachten in mijn boek geschreven en tot leuke verhalen die ik later eens kan voorlezen is het nooit gekomen. Maar ik zal in vervolg maar niet of minder sentimenteel zijn en mij meer aan de werkelijkheid houden. "

 

 

 

 

Anne Frank (12 juni 1929 – maart 1945)

 

 

 

22:21 Gepost door Romenu | Permalink | Commentaren (2) |  Facebook |