31-07-06

Cees Nooteboom


Op 31 juli 1933 werd Cornelis Johannes Jacobus Maria Nooteboom geboren te Den Haag. Als Cees Nooteboom debuteerde hij in 1955 met de roman Philip en de Anderen die al snel gevolgd werd met de dichtbundel 'De Doden zoeken een Huis' (1956). Voor deze dichtbundel ontving hij een reisbeurs van de Nederlandse regering. De drie passies van Nooteboom zaten er dus al vroeg in: dichten, reizen en romanschrijven. Voor wie online een reisverhaal weil lezen is er dit: Spaanse herinneringen - vreemdeling in Córdoba.

 

 

Harbalorifa

 

Zoveel soorten bestaan! Zoveel bevolking

om te lijden en lachen in deze heuvels vol stenen!

 

De vijgeboom staat gebogen in de richting van het zuiden,

boven ons het zachte snurken van een vliegtuig.

 

Mijn vriend wacht bij een struik met scherpe doornen.

Hij kent het verhaal van zijn ondergang,

 

we zien de glans van de zee

tussen galappels en distels, een zeil in de verte.

 

Alles slaapt. Geef mij een ander leven en ik wil het niet.

Schelpen en krekels, mijn kelk is vol eeuwige middag.

 

De stroom waaruit ik gisteren dronk had koel, helder water.

Ik zag de laurierboom weerspiegeld, ik zag hoe de schaduw

 

van de bladeren wegdreef over de bodem.

Dit was alles wat ik wilde. Halbaloriefa.

 

Mijn leeftijd hangt aan een draad. Zo ben ik de spin

boven het pad. Die weeft zijn veelhoekige tijd

 

tussen braambos en braambos,

tot de wandelaar voorbijkomt op weg naar de haven,

 

de wandelaar die slaat met zijn stok.

 

 

 

 

Cauda

Kijk naar de dingen, zie ze staan
in hun metafysische onschuld,
niet zeker van hun bestaan.

Herinner je het gesprek
in een prieel, een noordelijke zomer,
hortensia’s, het gelijk van een kikker,
rozen, maskers.
Wierook zonder een kerk.

Een vlinder die opvliegt in China
verandert een stormvlaag in Finland.
Iemand zei het, jij zweeg.
Dit was wat je al wist.

Wanneer ontdoen schilderijen zich
van de schilder, wanneer wordt dezelfde materie
een andere gedachte? De avondnevel sloop over
het grasveld, verdronk de laan, de fontein,
en het huis.

Muziek, geplas van riemen.
Iemand doet het licht aan, iemand
gelooft niet in de schemer.
De vraag zonder antwoord dwaalt
langs het raam.

 

 

 

 

Kleine bang

 

Het gedicht hoorde hoe het werd geschreven,
het zag de reusachtige hand
waaruit het leek te ontstaan, woord voor woord,
het hield zichzelf nauwelijks bij.

Bij, zag het geschreven, en als echo
zei het zichzelf, bij, bij, maar toen
was de hand alweer verder, gejaagd
door de zweep van het krassen,
het heimwee naar vorm.

Het doet pijn om niet af te zijn
voor wie nergens vandaan komt.
Zonder lucht liggen de woorden op tafel,
de hand is verdwenen, komt terug, is verdwenen,
het gedicht herinnert zich niets,

en het hoofd, zo ver daarboven,
nog steeds als niets anders herkenbaar
dan als masker van baaierd en oorsprong,
wendt zich af van de regels,

het zegt in zijn adem
de cadens van het denken
en sluit het gedicht
met een zucht.

 

 

 

 

 

Cees Nooteboom (Den Haag, 31 juli 1933)

 

 

21:46 Gepost door Romenu | Permalink | Commentaren (0) | Tags: cees nooteboom |  Facebook |

30-07-06

Emily Brontë


Emily Brontë werd geboren in Thornton in Yorkshire op 30 juli 1818. In 1821 verhuisde de familie naar Haworth waar haar vader dominee was. Hier bloeide het literaire talent van de drie zusters op. Als kind al creëerden zij imaginaire landen die voorkwamen in verhalen die zij schreven. Slechts weinig werk van Emily uit deze tijd is bewaard gebleven. Samen met Charlotte ging Emily naar school in Brussel. Emily Brontë schreef poëzie en een roman, Wuthering Heights uit 1847. Dit boek behoort tot de klassiekers van de Engelse literatuur.

Uit: Wuthering Heights, laatste hoofdstuk:

 

 

“...

I distinguished Mr. Heathcliff's step, restlessly measuring the floor, and he frequently broke the silence by a deep inspiration, resembling a groan. He muttered detached words also; the only one I could catch was the name of Catherine, coupled with some wild term of endearment or suffering; and spoken as one would speak to a person present; low and earnest, and wrung from the depth of his soul. I had not courage to walk straight into the apartment; but I desired to divert him from his reverie, and therefore fell foul of the kitchen fire, stirred it, and began to scrape the cinders. It drew him forth sooner than I expected. He opened the door immediately, and said - 'Nelly, come here - is it morning? Come in with your light.'

'It is striking four,' I answered. 'You want a candle to take up- stairs: you might have lit one at this fire.'

'No, I don't wish to go up-stairs,' he said. 'Come in, and kindle ME a fire, and do anything there is to do about the room.'

'I must blow the coals red first, before I can carry any,' I replied, getting a chair and the bellows

He roamed to and fro, meantime, in a state approaching distraction; his heavy sighs succeeding each other so thick as to leave no space for common breathing between.

'When day breaks I'll send for Green,' he said; 'I wish to make some legal inquiries of him while I can bestow a thought on those matters, and while I can act calmly. I have not written my will yet; and how to leave my property I cannot determine. I wish I could annihilate it from the face of the earth.'

'I would not talk so, Mr. Heathcliff,' I interposed. 'Let your will be a while: you'll be spared to repent of your many injustices yet! I never expected that your nerves would be disordered: they are, at present, marvellously so, however; and almost entirely through your own fault. The way you've passed these three last days might knock up a Titan. Do take some food, and some repose. You need only look at yourself in a glass to see how you require both. Your cheeks are hollow, and your eyes blood- shot, like a person starving with hunger and going blind with loss of sleep.'

'It is not my fault that I cannot eat or rest,' he replied. 'I assure you it is through no settled designs. I'll do both, as soon as I possibly can. But you might as well bid a man struggling in the water rest within arms' length of the shore! I must reach it first, and then I'll rest. Well, never mind Mr. Green: as to repenting of my injustices, I've done no injustice, and I repent of nothing. I'm too happy; and yet I'm not happy enough. My soul's bliss kills my body, but does not satisfy itself.'

...”

 

 

 

 

Shall earth no more inspire thee

 

Shall earth no more inspire thee,
Thou lonely dreamer now?
Since passion may not fire thee,
Shall nature cease to bow?

Thy mind is ever moving,
In regions dark to thee;
Recall its useless roving,
Come back, and dwell with me.

I know my mountain breezes
Enchant and soothe thee still,
I know my sunshine pleases,
Despite thy wayward will.

When day with evening blending,
Sinks from the summer sky,
I've seen thy spirit bending
In fond idolatry.

I've watched thee every hour;
I know my mighty sway:
I know my magic power
To drive thy griefs away.

Few hearts to mortals given,
On earth so wildly pine;
Yet few would ask a heaven
More like this earth than thine.

Then let my winds caress thee
Thy comrade let me be:
Since nought beside can bless thee,
Return--and dwell with me.

 

 

 

 

Emily Brontë (30 juli 1818 - 19 december 1848)

 

 

21:56 Gepost door Romenu | Permalink | Commentaren (0) | Tags: emily bronte |  Facebook |

29-07-06

Harry Mulisch


Harry Mulisch (Haarlem 29 juli 1927) is van Tsjechisch-Hongaars-Oostenrijkse afkomst en hij is in de Nederlandse letteren zo alom tegenwoordig dat ik het hier bij laat. Behalve dit: Voor een schrijver heeft hij een wel zeer opmerkelijke en professioneel vormgegeven homepage. Surf maar eens naar  Het nieuwe lichaam.

 

 

 

Ongerijmdheden

Dat komt gewoon omdat zijn vader eens.
gewoon omdat zijn vader in zijn jeugd.
doordat zijn vader in zijn jeugd gewoon.
gewoon al in zijn jeugd zijn vader toen.

omdat zijn vader ooit eens tegen hem
ooit gewoon eens in zijn jeugd hem tegen.
dat komt gewoon doordat zijn vader ooit.
gewoon hem in zijn jeugd toen ooit al eens.

ooit eens tegen hem en nooit zijn moeder.
nooit zijn moeder in zijn jeugd zijn vader.
gewoon toen tegen hem zijn moeder ooit.
nooit eens in zijn jeugd gewoon ooit vader.

 

 

Verzoening

op een late avond
keek ik door een kier:

moeder zat te naaien,
vader dronk zijn bier.

op de televisie
brandde een kaars.

hadden zij soms ruzie?
niemand zei een woord.

vader keek de kaars uit.
dat ik toen niet stierf!

moeder keek de kaars aan.
ik weer moed verwierf.

uit mijn schuilplaats hollend
hief ik toen de kaars.

(op mijn hand viel stollend
toen meteen iets raars.)

vader! moeder! riep ik,
vrede zij gesticht:

moogt gij nimmer kijven

door middel van het licht.

 

 

 

 

 

Citaten:

 

 

“Sommige vragen zijn zo goed dat het jammer zou zijn ze met een antwoord te verknoeien.”

 

 

"U hebt het begrepen, ik ben een groot schrijver."

 

 

'Het enige waar de hemel iets aan heeft is het geloof van de mens. 
Aan kennis heeft de hemel niets.'


 

 

 

 

 

Harry Mulisch (Haarlem 29 juli 1927)

 

 

20:11 Gepost door Romenu | Permalink | Commentaren (0) | Tags: harry mulisch |  Facebook |

28-07-06

Remco Campert


De Nederlandse schrijver Remco Campert werd op 28 juli 1929 in Den Haag geboren. Zijn vader was de dichter en journalist Jan Campert, die in 1943 overleed in het concentratiekamp Neuengamme. De moeder van Remco was de actrice Joekie Broedelet. Na de scheiding van zijn ouders woonde Remco Campert afwisselend bij zijn ouders en grootouders. Campert debuteerde in 1951 met de dichtbundel "Vogels vliegen toch". Hij behoorde als dichter tot de Vijftigers. Zijn werk wordt gekenmerkt door het gebruik van spreektaal, een lichte ironie en een scherpe observatie.

 

 

Gedicht

Als wij dan liefhebben, liefhebben
Tussen teveel papier, holle mannen en metaal,
Laten wij dan liefhebben zoals mij goeddunkt:

Liefhebben met de rust van de onrust, niet
Die van de routine, elkaars ogen verliezen
En weer ontdekken, voorbij de huizen gaan

Het land in, de streling van onbekende struiken
Ondergaan, de wind proeven op een steeds andere tong,
De maan zien en de zon in een kaartloze maan.

En laten de vrienden snel verouderen, worden
Tot waardevolle verhalen, en die meter aarde
Is slechts vruchtbaar waarop wij gaan. 

 

 

 

Credo

 

ik geloof in een rivier
die stroomt van zee naar de bergen
ik vraag van poëzie niet meer
dan die rivier in kaart te brengen

 

ik wil geen water uit de rotsen slaan
maar ik wil water naar de rotsen dragen
droge zwarte rots
wordt blauwe waterrots

 

maar de kranten willen het anders
willen droog en zwart van koppen staan
werpen dammen op en dwingen
rechtsomkeert

 

 

 

 

Poëzie is een daad...

 

Poëzie is een daad

van bevestiging. Ik bevestig

dat ik leef, dat ik niet alleen leef

 

Poëzie is een toekomst, denken

aan de volgende week, aan een ander land,

aan jou als je oud bent.

 

Poëzie is mijn adem, beweegt

mijn voeten, aarzelend soms,

over de aarde die daarom vraagt.

 

Voltaire had pokken, maar

genas zichzelf door o.a. te drinken

120 liter limonade: dat is poëzie

 

Of neem de branding, stukgeslagen

op de rotsen is zij niet werkelijk verslagen,

maar herneemt zich en is daarin poëzie

 

Elk woord dat wordt geschreven

is een aanslag op de ouderdom

Tenslotte wint de dood, jazeker,

 

maar de dood is slechts de stilte in de zaal

nadat het laatste woord geklonken heeft.

De dood is een ontroering

 

 

 

 

Remco Campert (Den Haag, 28 juli 1929)

 

 

21:58 Gepost door Romenu | Permalink | Commentaren (1) | Tags: remco campert |  Facebook |

27-07-06

Hilde Domin


De Duirse schrijfster, dichteres en vertaalster Hilde Domin werd geboren als Hilde Löwenstein op 27 juli 1909. Zij was van Joodse afkomst en vluchtte daarom tijdens de Tweede Wereldoorlog samen met haar toekomstige echtgenoot weg uit Duitsland waarnaar ze achtereenvolgens in Italië, Groot-Brittannië en de Dominicaanse Republiek (haar pseudoniem “Domin” verwijst naar de hoofdstad Santa Domingo) belandden. In 1954 keerde ze weer terug naar het toenmalige West-Duitsland.

Na de oorlog begon ze met schrijven en dichten en één van haar bekendste gedichten was De moeilijkste wegen. Hilde Domin overleed op ruim 96-jarige leeftijd in het ziekenhuis van Heidelberg aan de complicaties van een beenbreuk ten gevolge van een val.

 

 

 

Frage

 

Nach dem kleinen Zusammenstoß
- ein Druck der Lippe genügt -,
wenn ich eine Wolke werde
oder ein Schiff ohne Anker
auf deinem Meer
oder, ganz einfach,
eine andere Form
für dich,
was wird aus dir?
Und wie vermeidest du's,
am nächsten Morgen
ein wenig befangen zu sein?

 

 

 

Heckenrose

 

mit blassen Blättern
über dem engen Kelch.
Du gingst vorbei.
Da war ich eine Hagebutte,
bunt und voll Samen.

 

Ich träumte von einem gepflügten Feld,
du wie quellendes Korn
in der Furche.
Doch wie ich erwachte
da war mein Leib
kaum gewölbt
und unsere Stimmen
leichter als Wind
der mit dem Laub einer Birke spielt.

 

 

 

 

Schöner

 

Schöner sind die Gedichte des Glücks.

 

Wie die Blüte schöner ist als der Stengel
der sie doch treibt
sind schöner die Gedichte des Glücks.

 

Wie der Vogel schöner ist als das Ei
wie es schön ist wenn Licht wird
ist schöner das Glück.

 

Und sind schöner die Gedichte
die ich nicht schreiben werde.

 

 

 

 

 

Hilde Domin (27 juli 1909 -  22 februari 2006)

 

 

 

22:23 Gepost door Romenu | Permalink | Commentaren (0) | Tags: hilde domin |  Facebook |

26-07-06

George Bernard Shaw en Aldous Huxley


De Ierse toneelschrijver, socialist en theatercriticus George Bernard Shaw werd geboren op 26 juli 1856. Hij won de Nobelprijs voor literatuur in 1925 - hij accepteerde de eer maar weigerde het geld. Hij werd geboren in Dublin en verhuisde in 1876 naar Londen; in de 30 jaar daarop keerde hij niet terug naar Ierland. Hij zette zijn eigen opleiding voort door veel tijd door te brengen in het British Museum.

 

In 1895 werd hij de toneelcriticus van de Saturday Review. In 1898 trouwde hij een Ierse erfgenaam, Charlotte Payne-Townshend. In dat jaar ook werd zijn eerste succesvolle toneelstuk 'Candida' geproduceerd. Hierna volgde een rij klassieke comedy-dramas.Na de Eerste Wereldoorlog bracht hij meer serieus werk uit, waaronder Heartbreak House (1919) en Saint Joan (1923).

 

Citaten:

 

 “A life spent making mistakes is not only more honorable, but more useful than a life spent doing nothing.”

 

“Americans adore me and will go on adoring me until I say something nice about them.”

 

“Few people think more than two or three times a year; I have made an international reputation for myself by thinking once or twice a week.”

 

 

 

 

George Bernard Shaw (26 juli 1856 – 2 november 1950)

 

Aldous Huxley werd geboren op 26 juli 1894 in Godalming, Surrey. Het voornaamste onderwerp in zijn werk was het "onmenselijke" aspect dat aan de wetenschappelijke vooruitgang verbonden zou zijn. Een van zijn meesterwerken in dat opzicht is Brave New World uit 1932 waarin Huxley een compleet technocratische maatschappij portretteert. Een samenleving waarin leven en dood voorgeprogrammeerd zijn, waar de bevolking door middel van drugs zoet gehouden wordt, en waar wisselende seksuele contacten tot norm verheven zijn. Wrang genoeg werd een deel van Huxleys fantasie gedurende de Tweede Wereldoorlog waarheid.

 

Citaten:

 

“A democracy which makes or even effectively prepares for modern, scientific war must necessarily cease to be democratic. No country can be really well prepared for modern war unless it is governed by a tyrant, at the head of a highly trained and perfectly obedient bureaucracy.”

 

 

“Great is truth, but still greater, from a practical point of view, is silence about truth. By simply not mentioning certain subjects... totalitarian propagandists have influenced opinion much more effectively than they could have by the most eloquent denunciations.”

 

 

“Ignore death up to the last moment; then, when it can't be ignored any longer, have yourself squirted full of morphia and shuffle off in a coma. Thoroughly sensible, humane and scientific, eh?”

 

 

 

 

Aldous Huxley (26 juli 1894 – 22 november 1963)

 

22:41 Gepost door Romenu | Permalink | Commentaren (0) | Tags: george bernard shaw, aldous huxley |  Facebook |

25-07-06

Charles Baudelaire en Elias Canetti


Nog meer Franse poëzie tijdens deze zwoele zomeravonden. Ditmaal van Charles Baudelaire.

Correspondances

La Nature est un temple où de vivants piliers
Laissent parfois sortir de confuses paroles;
L'homme y passe à travers des forêts de symboles
Qui l'observent avec des regards familiers.

Comme de longs échos qui de loin se confondent
Dans une ténébreuse et profonde unité,
Vaste comme la nuit et comme la clarté,
Les parfums, les couleurs et les sons se répondent.

II est des parfums frais comme des chairs d'enfants,
Doux comme les hautbois, verts comme les prairies,
— Et d'autres, corrompus, riches et triomphants,

Ayant l'expansion des choses infinies,
Comme l'ambre, le musc, le benjoin et l'encens,
Qui chantent les transports de l'esprit et des sens.

 

 

Correspondenties

 

De Natuur is een tempel met bezielde zuilen

Die soms hun stemmen in verwarring op doen gaan;

De mens doorkruist dit woud waarin symbolen schuilen

Die hem er met vertrouwde blikken gadeslaan.

 

Als langgerekte echo’s die van verre mengen

Tot eenheid vol van duister  en diepzinnigheid

Ontzaglijk als de nacht en als het zonnezengen,

Zijn geuren, kleuren, klanken tot één zin herleidt.

 

En zulke geuren zijn er, fris als kinderhuid,

Mild klinkend als hobo’s en groen zoals de steppen,

En andere – bedorven, zat van winst en buit,

 

Die onverholen van oneindigheden reppen,

Waaronder amber, muskus, mirre, wierookwalmen,

Die zins- en geestvervoering zingen in hun psalmen.

 

 

 

 

A une passante

 

La rue assourdissante autour de moi hurlait.
Longue, mince, en grand deuil, douleur majestueuse,
Une femme passa, d'une main fastueuse
Soulevant, balançant le feston et l'ourlet ;

 

Agile et noble, avec sa jambe de statue.
Moi, je buvais, crispé comme un extravagant,
Dans son oeil, ciel livide où germe l'ouragan,
La douceur qui fascine et le plaisir qui tue.

 

Un éclair... puis la nuit ! - Fugitive beauté
Dont le regard m'a fait soudainement renaître,
Ne te verrai-je plus que dans l'éternité ?

 

Ailleurs, bien loin d'ici ! trop tard ! jamais peut-être !
Car j'ignore où tu fuis, tu ne sais où je vais,
Ô toi que j'eusse aimée, ô toi qui le savais !

 

 

 

 

In het voorbijgaan

 

Rondom mij kreet de straat haar oorverdovend leven.

Een vrouw, lang, slank in rouwkleed, triest als een vorstin,

Schreed mij voorbij: vol luister was de hand, waarin

Festoen en rokzoom deinden in balans, geheven;

 

Als beeldsnijwerk de benen, adellijk en vlot:

Ik dronk, als een uitzinnige die krampen kwellen,

Uit ogen, bleek als lucht waarin orkanen zwellen.

Naast tederheid die kluistert dodelijk genot.

 

Een weerlicht... Dan de nacht! – O pracht die mij ontglijdt,

Die met haar aanblik maakte dat ik werd herboren,

Zal ik je nimmer weerzien eer de eeuwigheid?

 

Niet hier, ver weg van hier! Te laat! Nooit meer misschien!

Want jóúw weg ken ik niet en jij volgt niet míjn sporen,

Jij die ik minnen zou, jij, die het hebt gezien!

 

 

 

De vertalingen zijn van Petrus Hoosemans en ze zij te vinden in:
Dichters van de avant-garde – de moderne Franse poëzie,

Samengesteld en ingeleid door Guus Luijters,

L.J. Veen, Amsterdam, 2003

 

 

 

 

Charles Baudelaire

 

Elias Canetti werd geboren op 25 juli 1905 in Russe in Bulgarije. Hij is vooral bekend geworden door 'Het Martyrium', zijn eerste en enige roman, en de sociaalfilosofische studie 'Massa en Macht'.
Daarnaast schreef hij boeken vol met aantekeningen en aforismen; kleine puntige notities over leven en dood. Ook beoefende hij het genre van het reisverhaal en schreef talloze essays, o.a. over Franz Kafka, zijn grote voorbeeld. Canetti ontving in 1981 de Nobelprijs voor de literatuur.

 

 

Citaten:

 

„Man mag drei- oder viertausend Menschen gekannt haben, man spricht aber immer nur von sechs oder sieben.“

 

„Feig, wirklich feig ist nur, wer sich vor seinen Erinnnerungen fürchtet“.

 

„Wie wenig du gelesen hast, wie wenig du kennst - aber vom Zufall des Gelesenen hängt es ab, was du bist.“

 

„Ich habe noch nie von einem Menschen gehört, der die Macht attackiert hat, ohne sie für sich zu wollen.“

 

 


Elias Canetti (25 juli 1905 - 14 augustus 1994)

 

 

23:15 Gepost door Romenu | Permalink | Commentaren (0) | Tags: charles baudelaire, elias canetti |  Facebook |

24-07-06

Johan Andreas dèr Mouw


Johan Andreas dèr Mouw werd  geboren op 24 juli 1863 in Westervoort. Hij studeerde en promoveerde te Leiden in de klassieke letteren, en was leraar aan het gymnasium te Doetinchem, totdat een conflict inzake zijn antichristelijke theorieën, met een felle lastercampagne, een dubbele poging tot zelfmoord en een rechtszaak daaraan in 1902 een eind maakte. Daarna woonde hij als privé-leraar in Den Haag. Als dichter is hij ook wel bekend onder het pseudoniem Adwaita

 

 

 

IJl ligt de wilgenschaduw op de wei

 

IJl ligt de wilgenschaduw op de wei;
Het slootje-in plonst, lichtgroene boog, een kikker;
Over het riet beweegt zich blauw geflikker,
Wanneer de wind zijn wimpels schuift op zij.

 

In 't gras bij 't water, naast de wilgenrij,
Speelt een blond jochie ernstig met een knikker;
Wegjaagt in 't bongerdje een vogelverschrikker
De Zondagsstilte over de boerderij.

 

Houdt even op de droogratelende r,
Dan is 't, of zich de stilte van heel ver
Hier samentrekt en plots'ling vreemd verdicht:

 

Op 't lege zand voor te gesloten stal,
In 't vierkant tuintje, in 't bongerdje, overal,
Is 't of een vraag en een verwond'ring ligt.

 

 

 

't Is zomer, zondagmorgen, een toneel

 

'T is zomer; Zondagmorgen. Een toneel
Zie 'k plots'ling voor me uit verre jongensjaren:
Ik lig in 't gras; er liggen rozeblaren
Overal om me, roze en wit en geel;

 

Mijn moeder speelt piano, 't laatste deel
Van Gounod's Faust. En 't leek op eens, als waren
Aan 't trillen ergens in mij zelf de snaren,
En 't bonsde door mijn borst tot aan mijn keel.

 

En 'k huilde en huilde, tot mijn moeder kwam,
En me aaide en kuste en me in haar armen nam,
En 'k gaf, gelukkig, haar de liefste naam. -

 

'K zie rozen. Ik word grijs. De herinnering
Voel 'k trillen in mijn keel, en 't is me, als zing
Ik stil: Anges des cieux, portez mon âme.

 

 

 

 

'k Ben Brahman. Maar we zitten zonder meid

 

'k Ben Brahman. Maar we zitten zonder meid.
Ik doe in huis het een'ge dat ik kan:
'K gooi mijn vuilwater weg en vul de kan;
Maar 'k heb geen droogdoek; en ik mors altijd.
Zij zegt, dat dat geen werk is voor een man.
En 'k voel me hulp'loos en vol zelfverwijt,
Als zij mijn lang verwende onpraktischheid
Verwent met wat ze toverde in de pan.

 

En steeds vereerde ik Hem, die zich ontvouwt
Tot feeërie van wereld, kunst en weten:
Als zij me geeft mijn bordje havermout,
En 'k zie, haar vingertoppen zijn gespleten,
Dan voel ik éénzelfde adoratie branden
Voor Zon, Bach, Kant, en haar vereelte handen.

 

 

 

 

Johan Andreas dèr Mouw (24 juli 1863 – 8 juli 1919)

 

 

22:45 Gepost door Romenu | Permalink | Commentaren (0) | Tags: johan andreas der mouw, romenu |  Facebook |

23-07-06

Abdelkader Benali


Met weinig tijd en met de meeste bloggers sowieso op vakantie, maar geïnspireerd door het weer met een zoekmachine (nee, niet die van dat werkwoord) gezocht naar gedichten voor de zomer en dan vind je deze van Abdelkader Benali :

 

 

MIJN HAAT

Mijn haat voor jou gaat diep, vriend, nog dieper nog
Dan mijn liefde, graag zou ik een verse zak stront
Over je hoofd willen trekken, dat het bruin naar
Beneden loopt, de gele groene strepen van

Diarree die goed kleurt bij je mooie kleding,
Een zak pudding onder je oksels zou je ook
Goed staan, alles staat je goed, als het maar
Vervuld is van mijn walging en afkeer van jou

Die oneindig en voor eeuwig is, die `s nachts
Gewoon nog wortel in mij schiet, hard en stug
Doorgroeit alsof er niks aan de hand is, zoals
De waarheid is hij, of het kussen nu warm of

Koud is, wat zou ik graag zien dat je werd door
Boord door een gorilla, jij, je pijn, je gillen.

 

 

 

 

WELLUST

Ik ben altijd open en mocht ik zin hebben
Dan klop ik ergens aan. `t Is waar: genot
Kun je niet kopen, en wie het onveilig doet
Danst op een vulkaan die veel weg heeft 

Van mijn aars. Rauw lust ik ze, maar ook
In opgezwollen staat, cup d, tepels zacht
Als leer, een jongeheer om door een ringetje
Te halen. Gêne en lust gaan niet goed samen

Daarom ken ik geen schaamte meer. Zo wil
Ik oud worden om eeuwig jong te blijven
Laatst was mama op bezoek, zo lief keek ik
Haar aan, het zit ook in haar geil ding, geen

Eens vroeg ze wat ik deed, op het toppunt van
Mijn kunnen! Steek me geen oog uit, heb er maar één.

 

 

 

Gedichten voor de zomer
Abdelkader Benali
Uitgeverij 521, Amsterdam 2003

 

 

 

 

Abdelkader Benali

 

 

23:40 Gepost door Romenu | Permalink | Commentaren (0) | Tags: abdelkader benali |  Facebook |

22-07-06

Emma Lazarus


Emma Lazarus was een joodse, Amerikaanse dichteres die vooral bekend is door het gedicht dat in de voet van het Vrijheidsbeeld gegraveerd staat: The New Colossus  Zij was het vierde van in totaal zeven kinderen van Esther en Moses Lazarus. Zij kreeg les van privé-docenten, o.a. in Amerikaanse en Europese Literatuur. Gesteund door haar vader begon zij al op jonge leeftijd gedichten te schrijven. 

 

Ralph Waldo Emerson die destijds een van de belangrijkste Amerikaanse dichters en essayisten was kreeg belangstelling voor haar werk en zij correspondeerde met hem tot aan zijn dood in 1882.

 

Naast het schrijven van haar eigen poëzie vertaalde Emma Lazarus ook gedichten van Goethe en Heine. Door het lezen van de roman Daniel Deronda ontstond bij haar het interesse voor het jodendom. De Russische pogroms in het begin van de jaren 1880 versterkten haar interesse nog en zo begon voor haar een productieve tijd, waarin ze veel joodse dichters vertaalde. Ook in haar essays hield ze zich met joodse thema’s bezig. Emma Lazarus reisde twee keer naar Europa: in 1883 en in mei 1885 na de dood van haar vader. Van de tweede reis keerde ze in september 1887 ernstig ziek terug naar New York. Twee maanden later stierf ze, vermoedelijk aan kanker.

 

 

The New Colossus

 

Not like the brazen giant of Greek fame,

With conquering limbs astride from land to land;

Here at our sea-washed, sunset gates shall stand

A mighty woman with a torch, whose flame

 

Is the imprisoned lightning, and her name

Mother of Exiles. From her beacon-hand

Glows world-wide welcome; her mild eyes command

The air-bridged harbor that twin cities frame.

 

"Keep ancient lands, your storied pomp!" cries she

With silent lips. "Give me your tired, your poor,

Your huddled masses yearning to breathe free,

 

The wretched refuse of your teeming shore.

Send these, the homeless, tempest-tost to me,

I lift my lamp beside the golden door!"  

 

 

 

 

Long Island Sound

 

I see it as it looked one afternoon

In August,--by a fresh soft breeze o'erblown

The swiftness of the tide, the light thereon.

A far-off sail, white as a crescent moon.

 

The shining waters with pale currents strewn,

The quiet fishing-smacks, the Eastern cove,

The semi-circle of its dark, green grove.

The luminous grasses, the merry sun

 

In the grave sky; the sparkle far and wide

Laughter of unseen children, cheerful chirp

Of crickets, and low lisp of rippling tide

 

Light summer clouds fantastical as sleep

Changing unnoted while I gazed thereon

All these fair sounds and sights I made my own.

 

 

 

 

 

 

Emma Lazarus
(22 juli 1849 – 19 november 1887)

 

 

22:07 Gepost door Romenu | Permalink | Commentaren (0) |  Facebook |

Ernest Hemingway en Belcampo


De Nijmeegse zomerfeesten afgesloten met een optreden van Sven Ratzke. Het werd vandaag dus allemaal wat later.

 

Ernest Hemingway werd geboren op 21 juli 1899 in Oak Park, Illinois. Hij won met het boek The old man and the sea in 1953 de prestigieuze Pulitzer Prize en in 1954 de Nobelprijs voor de Literatuur. Zijn laatste levensjaren, waarin hij aan zware depressies leed, bracht hij hoofdzakelijk op Cuba door. Op 2 juli1961 benam hij zich met twee schoten uit zijn favoriete geweer het leven. Hij was niet de enige zijn familie die zelfmoord pleegde. Zijn vader, broer en zuster en zijn kleindochter kwamen op dezelfde manier aan hun eind.

 

Uit: The old man and the sea

 

 

“…

When the old man saw him coming be knew that this was a shark that had no fear at all and would do exactly what he wished. He prepared the harpoon and made the rope fast while he watched the shark come on. The rope was short as it lacked what he had cut away to lash the fish.
The old man's head was clear and good now and he was full of resolution, but he had little hope. It was too good to last, he thought. He took one look at the great fish as he watched the shark close in. It might as well have been a dream, he thought. I cannot keep him from hitting me but maybe I can get him. Dentuso , he thought. Bad luck to your mother.
The shark closed fast astern and when he hit the fish the old man saw his mouth open and his strange eyes and the clicking chop of the teeth as he drove forward in the meat just above the tail. The shark's head was out of the water and his back was coming out and the old man could hear the noise of skin and flesh ripping on the big fish when he rammed the harpoon down onto the shark's head at a spot where the line between his eyes intersected with the line that ran straight back from his nose. There were no such lines. There was only the heavy sharp blue head and the big eyes and the clicking, thrusting all-swallowing jaws. But that was the location of the brain and the old man hit it. He hit it with his blood-mushed hands driving a good harpoon with all his strength. He hit it without hope but with resolution and complete malignancy.
The shark swung over and the old man saw his eye was not alive and then he swung over once again, wrapping himself in two loops of the rope. The old man knew that he was dead but the shark would not accept it. Then, on his back, with his tail lashing and his jaws clicking, the shark plowed over the water as a speed-boat does. The water was white where his tail beat it and three-quarters of his body was clear above the water when the rope came taut, shivered, and then snapped. The shark lay quietly for a little while on the surface and the old man watched him. Then he went down very slowly.
"He took about forty pounds," the old man said aloud. He took my harpoon too and all the rope, he thought, and now my fish bleeds again and there will be others.
He did not like to look at the fish anymore since he had been mutilated. When the fish had been hit it was as though he himself were hit.
But I killed the shark that hit my fish, he thought. And he was the biggest dentuso that I have ever seen. And God knows that I have seen big ones.

...”

 

 

 

 

Ernest Hemingway (21 juli 1899 – 2 juli 1961)

 

De Nederlandse schrijver Belcampo werd in Naarden geboren op 21 juli 1902 als Herman Pieter Schönfeld Wichers. De vader van Belcampo was notaris. Het gezin verhuisde naar Sappemeer en later naar Rijssen.  Belcampo studeerde rechten in Amsterdam. Hij zwierf enkele jaren door Europa en ging na terugkomst in Nederland werken op een notariskantoor. Van 1937 tot 1949 studeerde hij vervolgens medicijnen. Hij was huisarts in Bathmen en vanaf 1967 studentenarts in Groningen.

Hij debuteerde in 1923 in het studentenblad Propria Cures. Als schrijver nam Schönfeld Wichers het pseudoniem Belcampo aan, dat een letterlijke vertaling van Schönfeld in het Italiaans is. In 1935 verscheen zijn eerste bundel: "Verhalen". Zijn beroemdste verhaal is "Het grote gebeuren" (1958), dat zich afspeelt in het stadje Rijssen op de dag van het Laatste Oordeel. Het verhaal werd door Jaap Drupsteen in 1975 voor de televisie bewerkt. Belcampo schreef een omvangrijk oeuvre van fantastisch-romantisch proza.

 

 

 

“Ik moest met de trein naar Amsterdam. Juist op tijd kwam de zware metalen reeks voor het stationnetje van mijn geboorteplaats tot stilstand. Het stadje is zoo klein, dat het geknars van de remmen door alle inwoners gehoord werd, ook door mijn vader en mijn moeder. Nou is onze jongen al dertig jaar, zouden ze denken en elkaar daarbij aanzien, en nog dobbert hij als een stuk wrakhout op den oceaan des levens.  Mijn vader is dominee en houdt van degelijke beeldspraak. Ja ouders, dacht ik nog even, terwijl ik over het eerste spoor stapte, zeg het gerust, als een stuk rottend hout beschouwt gij uw zoon, maar blind zijt gij voor het wonderbaarlijke licht, dat van zoo'n stuk rottend hout kan uitgaan.

Toen ik het portier geopend had, bleef ik verlamd staan.

Ik zat er al.

Ik was al ingestapt.

Daar in de hoek, in achtelooze, eenigszins bekommerde houding, zat ik.

    Ik hoefde dus niet meer in te stappen, ik was mezelf dus al vooruitgeloopen.

Langzaam sloot ik het portier weer en bleef aan het perron genageld; zag toe, dat de stationchef de plaatstok ophief.

Maar daar voelde ik in mijn hand het bruine kaartje.

Maar dan reisde ik zonder kaartje!

In een oogwenk was ik weer in de reeds voortkruipende trein en bevond me tegenover mezelf en alleen met mezelf. lk durfde geen woord te spreken, nauwelijks durfde ik mij op de bank neer te zetten, nooit had ik geweten, dat ik zulk benauwend gezelschap was. Ik keek mij aan en ik keek mij aan. Het kon niet anders. Hetzelfde trotsche voorhoofd, waarvan de edele welving zich verliest in de schaduw van welig bruin haarloof; dezelfde klare en toch mild indringende oogen, die ik zoo goed van de spiegel kende, de nemende mond mijner moeder, de echte ruikneus mijns vaders en daarbij mijn slanke en toch krachtige gestalte met de iets te groote handen. En daar ‑ dezelfde misvormde duim, die ik als jongen, onder de trein ... “

Begin van het verhaal Bekentenis uit: ‘De verhalen van Belcampo’ Uitgeverij Kosmos 1947

 

 

 

 

Belcampo
( 21 juli 1902 – 2 januari 1990)

 

 

 

01:16 Gepost door Romenu | Permalink | Commentaren (1) | Tags: ernest hemingway, belcampo |  Facebook |

20-07-06

Hans Lodeizen


Hans Lodeizen was de auteur van slechts één bundel en nagelaten werk. Hij studeerde korte tijd rechten in Leiden, maar ging over op biologie en liep college te Amherst, Massachusetts in de VS. Daar trof hij de dichter James Merrill en andere jonge talenten. Lodeizen leed echter aan leukemie en keerde voortijdig terug naar Europa, om de laatste maanden van zijn leven te verblijven in een Zwitsers sanatorium.

 

 

 

ik heb mij met moeite alleen gemaakt

 

 

ik heb mij met moeite alleen gemaakt

 

je zou niet zeggen: je zou niet zeggen dat

het zoveel moeite kost alleen te zijn als

een zon rollende over het grasveld

 

neem dan – vriend!- de mieren waar

wonend in hun paleizen als een mens

in zijn verbeelding -; wachten zij op regen en

graven dan verder: het puur kristal

is hen zand geworden.

 

in het oog van de nacht woon je als een merel,

of als een prins in zijn boudoir: de kalender

wijst het zeventiende jaar van Venetië en

zachtjes, zachtjes slaan zij het boek dicht

 

kijk! je schoenen zijn van perkament

 

o – mijn vriend – deze wereld is niet de echte.

 

 

 

 

dit leven zachtjes ken ik het

 

 

dit leven zachtjes ken ik het

zachtjes loop ik eruit

als een kind uit de zandbak

ik stroom vol

met vredige zoetigheid

 

deze man goed kende ik hem

ik liep steeds met hem mee

zoals een kind langs het strand gaat

de zee groet

in langzame statigheid

 

er zijn zoveel andere levens

en zoveel andere mannen

een jongen speelt op een fluitje

in de avond

met vredige zoetigheid

 

dit leven zachtjes ken ik het

ik loop steeds eruit

zoals een kind uit het strand gaat

vol zee stroomt

in langzame statigheid.

 

 

 

 

Wij zullen het leven...

 

Wij zullen het leven op grootse wijze behandelen

zoals wij een moordenaar behandelen onder ons.

 

Ik houd niet van kunst die sterft

in de mond van de zeer geliefde dichter.

Nu Nyjinski dood is moeten wij

voor alle vensters bloemen zetten, want

zo alleen blijft de schoonheid levend.

Wij willen een handvol kinderen, wijn, en

een speelplaats flink door de zon afgerost.

 

 

 

 

 

Hans Lodeizen
(20 juli 1924 - 26 juli 1950) 

 

 

22:11 Gepost door Romenu | Permalink | Commentaren (1) | Tags: hans lodeizen |  Facebook |

19-07-06

Anna Enquist


Anna Enquist werd geboren op 19 juli 1945 in Amsterdam als Christa Boer. Ze studeerde Klinische Psychologie in Leiden en daarna speelde ze piano aan het Koninklijk Conservatorium in Den Haag. Enquist publiceerde pas op latere leeftijd. Haar liefde voor poëzie werd haar echter al op de middelbare school bijgebracht door haar docent Nederlands, de dichter Dick Steenkamp. Ze debuteerde in 1991 met de gedichtenbundel Soldatenliederen, waarvoor ze de C. Buddingh'-prijs kreeg. Voor haar bundel Jachtscènes’ werd ze beloond met de Lucy B.- en C.W. van der Hoogt-prijs. Enquist werd bij het grotere publiek voornamelijk bekend met haar prozawerken Het meesterstuk (Debutantenprijs) en Het geheim (Trouw Publieksprijs). Ze schrijft ook regelmatig over voetbal voor het tijdschrift Hard Gras. Ook verscheen van haar hand de novelle De ijsdragers, het boekenweekgeschenk van 2002. In Enquists poëzie staan angst en woede vaak centraal. Het leven wordt gepresenteerd als strijd. Tevens komt haar liefde voor muziek vaak naar voren in haar werk.

 

 

Rivier

 

Zeer vaak heb ik gezocht in de buurt van rivieren
naar bewijs dat het kon; zo tref ik mijzelf
soms aan parend in hoog gras, hoor water, wind-
zwanen die overvliegen markeren ongeboren tijd
met houten vleugels, het copulatieritme zegt
zwart-wit, ja-nee, zo ook je hart en verder
niets, op schoot graag, en voor altoos

 

In slechte tijden zocht ik, perfide, halfhartig
het tegendeel: zo zou ik mij met borsten,
kut en al kunnen laten glijden in die kabbelende
zwarte moeder, gewiegd in giftige omarming troostrijk
omgebracht worden. Hoe ik dan blauw
en gezwollen tussen rietstengels zou liggen,
de schrik der waterhoentjes, nee

 

Een vreemd compromis deed zich voor in
de heldere winternacht toen ik,
tegen tienen, bij Ouderkerk de schaatsen
aanbond en voortgleed, voort over
zwart ijs met hier en daar een zilveren
vis daarin gevat, mij flink voortspoedde
naar nooit meer, naar nergens

 

 

 

Essentie van het missen

 

Ik mis de linkshandige, schitterend
spiegelbeeld naast mij aan tafel, ik mis

 

haar tot brakens toe, dagelijks. Het is
de kern van het gemis, het missen zelf,

 

zegt men. Dat zal ik, met gestrekte
hals, fijntjes ontkennen. Dat zal ik

 

schuimbekkend tegenspreken. de tijd
is een ruimte, je bent altijd bij haar,

 

zegt men. Ik kijk in de lege spiegel.
Geleerde onzin, schandalige troost.

 

Ze reed weg met mijn goud, mijn geluk
in haar fietstas, hief haar smalle hand

 

en verdween tussen de weiden. De kern
van gemis laat mij koud, geen wijsgerige

 

held gaat mij helpen. Ik mis
het vlees, haar linkshandige lichaam.

 

 

Met stomheid

 

Loodzware dagen zeggen we maar
wat weegt zo'n woord weinig; het laatste
zeilt op stadsdamp neerwaarts, kromt
zich keer op keer om zijn betekenis.

 

Argeloos keren de huizen hun dierbaarste
wanden naar buiten, fluisteren Lissabon,
Lissabon. Tussen keuken - en badkamertegels
zoeken wij traag naar de tekens, verrijzenis.

 

Het water staat laag. In marmeren armen
murmelt het zacht tegen schepen aan. Stad,
leer mij het onverstaanbare, het openbare,
de sporen van kleine roeiers over de Taag.

 

 

 

 

Anna Enquist (Amsterdam 19 juli 1945)

 

 

22:13 Gepost door Romenu | Permalink | Commentaren (2) | Tags: anna enquist |  Facebook |

18-07-06

William Makepeace Thackeray / Josepha Mendels


William Makepeace Thackeray was een Engels romanschrijver. Hij stamde uit een ambtenaarsfamilie in India maar trok op 16-jarige leeftijd naar Engeland om in Cambridge te studeren.

 

Thackeray verbleef enkele jaren op het Europese vasteland, veelal in Parijs, waar zijn interesse voor de schilderkunst opdook. In 1833 verloor hij zijn fortuin en werd hij verplicht om zijn talent als journalist te gebruiken om van te leven. Onder verschillende pseudoniemen werkte hij mee aan tijdschriften zoals Fraser's Magazine en Punch. "The Book of Snobs" uit 1846 gaf hem de faam als satiricus van de hypocrisie van de Engelse maatschappij. Zijn doorbraak als romanschrijver kwam er met de publicatie van Vanity Fair in 1847.

 

Uit: Vanity Fair

 

1 - Chiswick Mall

 

“While the present century was in its teens, and on one sunshiny morning in June, there drove up to the great iron gate of Miss Pinkerton's academy for young ladies, on Chiswick Mall, a large family coach, with two fat horses in blazing harness, driven by a fat coachman in a three-cornered hat and wig, at the rate of four miles an hour. A black servant, who reposed on the box beside the fat coachman, uncurled his bandy legs as soon as the equipage drew up opposite Miss Pinkerton's shining brass plate, and as he pulled the bell at least a score of young heads were seen peering out of the narrow windows of the stately old brick house. Nay, the acute observer might have recognised the little red nose of good-natured Miss Jemima Pinkerton herself, rising over some geranium pots in the window of that lady's own drawing-room.

 

"It is Mrs. Sedley's coach, sister," said Miss Jemima. "Sambo, the black servant, has just rung the bell; and the coachman has a new red waistcoat."

 

"Have you completed all the necessary preparations incident to Miss Sedley's departure, Miss Jemima?" asked Miss Pinkerton herself, that majestic lady; the Semiramis of Hammersmith, the friend of Doctor Johnson, the correspondent of Mrs. Chapone herself.

 

The girls were up at four this morning, packing her trunks, sister," replied Miss Jemima; "we have made her a bow-pot."

 

"Say a bouquet, sister Jemima, 'tis more genteel."

 

"Well, a booky as big almost as a haystack; I have put up two bottles of the gillyflower water for Mrs. Sedley, and the receipt for making it, in Amelia's box."

 

"And I trust, Miss Jemima, you have made a copy of Miss Sedley's account. This is it, is it? Very good--ninety- three pounds, four shillings. Be kind enough to address it to John Sedley, Esquire, and to seal this billet which I have written to his lady."

 

 

 

 

William Makepeace Thackeray (18 juli 1811 –  24 december 1863)

 

Josepha Judica Mendels werd geboren op 18 juli 1902 te Groningen, als dochter van een orthodox joods echtpaar. Josepha was de derde dochter, en haar vader had haar liever als zoon gehad. Josepha werd eerst naar de lagere en toen naar de middelbare meisjesschool gestuurd. In 1920 haalde zij haat MMS diploma.

Van 1923 tot 1927 was zij au pair-gouvernante. Van 1927 tot 1936 werd zij al snel directrice bij het 'Zwaluwnest' een avondopleiding voor joodse meisjes. Daar leert zij Berthe Edersheim kennen. Van 1958 tot 1993 zijn zij onafscheidelijk geweest. In 1936 is Mendels naar Parijs gegaan om daar journaliste te worden. Tussen 1940 en 1942 schrijft zij 'Rolien en Ralien' omdat ze niet meer onder haar eigen (joodse) naam kan publiceren. In 1942 vlucht zij. Na vele omzwervingen (via Spanje en Portugal) komt ze in Londen terecht.

Ze is nooit getrouwd, en op haar zesenveertigste toch moeder geworden. Tot 1992 woonde Josepha met Berthe in Parijs. In '92 verhuisde ze naar Eindhoven. Josepha Mendels overleed, drieënnegentig jaar oud, op 10 september 1995 te Eindhoven.Josepha Mendels werd in stilte begraven met een pen en 93 rozen, en wel op 13 september op de Gemeentelijke Begraafplaats Woensel in Eindhoven.

In een interview met de NRC zei Mendels ooit: 'De ouderdom is een rot-iets, een onuitstaanbaar, bespottelijk iets. Jarenlang doe je je best voor je lichaam; je koestert het, je levert er strijd mee. En waar word je mee beloond? Met aftakeling!'

 

 

 

 

Josepha Mendels (18 juli 1902 - 10 september 1995)