24-05-18

Joseph Brodsky, Michael Chabon, Bob Dylan, Henri Michaux, William Trevor, Tobias Falberg, Arnold Wesker, Rainald Goetz, Louis Fürnberg

 

Mededeling

Het aftellen is begonnen. Over 7 dagen, op 31 mei 2018, wordt het platform van de Skynet Blogs gedeactiveerd. U kunt Romenu echter blijven volgen op het nieuwe adres: https://romenu.blog/ en op http://blog.seniorennet.be/romenu/.

Zet deze links nu bij uw favorieten en u hoeft ook vanaf 1 juni niets te missen.

 

 

De Russisch-Amerikaanse dichter en schrijver Joseph Brodsky werd op 24 mei 1940 in Leningrad (het huidige St.Petersburg) geboren als Iosif Brodski. Zie ook mijn blog van 24 mei 2010 en eveneens alle tags voor Joseph Brodsky op dit blog.

Uit:Anna Achmatova

“Anna Achmatova behoort tot de categorie dichters die geen genealogie hebben en ook geen duidelijk bespeurbare ‘ontwikkeling’. Zij is het soort dichter dat gewoon ‘toevallig ontstaat’, dat de wereld betreedt met een reeds gevestigde dictie en zijn of haar eigen unieke sensibiliteit. Ze kwam volledig toegerust, en ze heeft nooit op iemand geleken. Misschien nog veelzeggender is dat geen van haar talloze imitators ooit in staat is geweest een overtuigende Achmatova-pastiche te produceren: vroeg of laat leken ze meer op elkaar dan op haar.
Dit suggereert dat Achmatova's idioom een produkt was van iets minder bevattelijks dan een scherpzinnige stilistische berekening en laat ons achter met de noodzaak het tweede deel van Buffon's beroemde vergelijking aangaande het begrip ‘zelf’ te herwaarderen.
Los van de algemene geestelijke aspecten van de genoemde entiteit, werd de uniekheid in het geval van Achmatova voorts nog bevestigd door haar feitelijke lichamelijke schoonheid. Ze zag er echt fantastisch uit. Met haar een meter vijfenvijftig, donkere haar, blanke huid, lichte grijsgroene ogen als die van een sneeuwluipaard, slank en ongelooflijk lenig, werd zij gedurende een halve eeuw getekend, geschilderd, geboetseerd, gebeeldhouwd en gefotografeerd door legio kunstenaars, te beginnen met Amedeo Modigliani. Wat betreft de verzen die aan haar zijn opgedragen - die zouden meer boekdelen beslaan dan haar eigen verzamelde werk.
Hiermee is bedoeld te zeggen dat het zichtbare deel van die persoonlijkheid bepaald adembenemend was; dat het verborgen deel daar volmaakt tegenop woog, daarvan getuigt haar schrijftrant die een mengeling is van die twee.
De voornaamste karakteristieken van deze mengeling zijn adeldom en gereserveerdheid. Achmatova is de dichter van het strenge metrum, exacte rijmen en korte zinnen. Haar syntaxis is eenvoudig en vrij van bijzinnen, wier aforistische kronkelingen verantwoordelijk zijn voor het overgrote deel van de Russische literatuur; eigenlijk lijkt haar syntaxis qua eenvoud op het Engels. Vanaf het prille begin van haar carrière tot aan het einde toe is zij altijd volkomen helder en samenhangend gebleven. Temidden van haar tijdgenoten is zij een Jane Austen. Hoe het ook zij, als haar gezegden duister waren, kwam dat niet door haar grammatica.”

 

 
Joseph Brodsky (24 mei 1940 – 28 januari 1996) 

Lees meer...

23-05-18

Adriaan Roland Holst, Maarten Biesheuvel, Lydia Rood, Jane Kenyon, Susan Cooper, Michaël Vandebril, Jack McCarthy, Mitchell Albom, Pär Fabian Lagerkvist

 

Mededeling

Het aftellen is begonnen. Over 8 dagen, op 31 mei 2018, wordt het platform van de Skynet Blogs gedeactiveerd. U kunt Romenu echter blijven volgen op: https://romenu.blog/ en op http://blog.seniorennet.be/romenu/.

Zet deze links nu bij uw favorieten en u hoeft ook vanaf 1 juni niets te missen.

 

 

De Nederlandse dichter Adriaan Roland Holst werd geboren op 23 mei 1888 in Amsterdam. Zie ook alle tags voor Adriaan Roland Holst op dit blog.

 

Er is een vrede

Er is een vrede die uit leed geboren
In 't oog van vreugde als traan van teerheid beeft,
Of als een zachte glimlach glanzend zweeft
Over 't gelaat dat vreugden heeft verloren.

Maar nimmer zal die vrede 't leven schoren
Dat schuw voor 't eigen hart in luidheid leeft,
Slechts wie de moed van eigen lijden heeft
Wordt tot de zaligheid dier vreê verkoren.

En als gij eens uw stil gelaat zult heffen
Naar dat nieuw licht boven verleden's graf,
Roep dan mijn naam. - Ik zal uw roepen beiden.

O dan zal ik, ontroerd èn trots, beseffen
Dat ik mijn volste jeugd in liefde gaf
Aan 't hart dat groter was dan liefdes lijden.

 

 

Wijdheid

Wijdheid van zijn is vrijheid van gedachten
In heldere open geest als lichtfontein
Opwaarts te stralen, en dan ijl en fijn,
Goudluchtig zwevend vocht, in daling zacht en
Overal neer te regenen - zoo rein
Als in de najaarsochtenden, na nachten
Van steromklaarde kou, de zon met prachten
Van goud doorsprenkelt sferenkristallijn.

't Is de glimlach na luid gezongen jeugd -
Het ijl geluk dat glanzende eeuwigheid
Te ademen schijnt in een verstilde vreugd.

't Is als een zee die na een wilden strijd
Met golven nu al ver de kim ontweken,
Vol zonweerspiegeling ligt gladgestreken.

 

 

De belijdenis van de stilte

I
Tijdloos Gelaat, dat boven diepten zwijgt
Waar 't Leven wordt en sterft en stervend wordt
Went'lend.... Droom, waarheen alles eeuwig stijgt,
En Rots, waar eeuwig alles tegen stort.

Droom van mijn woord - Rots van mijn zang - ik weet
Hoe wijd de duizling van uw oogen leeft
Over het Al, en dat nooit vreugd', nooit leed
Hun openheden oversluierd heeft.

Want als de tijd mij loslaat, en ik blijf
In duizelende zwevingen, tot ik
Plots' uit de sidderingen van mijn lijf
Stijg, en in de eeuwigheid van 't oogenblik

't Eindeloos ruischen van uw zwijgen hoor
Door sferen, waar geen aardsche stem meer spreekt,
Voel ik dat zij mij aan en door zien, dóór
Tot in 't hart van mijn hart, dat snikkend breekt.

 

 
Adriaan Roland Holst (23 mei 1888 - 5 augustus 1976)
Portret door Kees Verwey, 1965

Lees meer...

In Memoriam Philip Roth

 

In Memoriam Philip Roth

 

De Amerikaanse schrijver Philip Roth is op 85-jarige leeftijd overleden. Philip Roth werd geboren op 19 maart 1933 in Newark.en gold als een van de grootste Amerikaanse schrijvers en won talrijke literaire prijzen, waaronder een Pulitzer in 1998. Zie ook alle tags voor Philip Roth op dit blog.

Uit: American Pastoral

“But wit or irony is like a hitch in his swing for a kid like the Swede, irony being a human consolation and beside the point if you're getting your way as a god. Either there was a whole side to his personality that he was suppressing or that was as yet asleep or, more likely, there wasn't. His aloofness, his seeming passivity as the desired object of all this asexual lovemaking, made him appear, if not divine, a distinguished cut above the more primordial humanity of just about everybody else at the school. He was fettered to history, an instrument of history, esteemed with a passion that might never have been if he'd broken the Weequahic basketball record - by scoring twenty-seven points against Barringer - on a day other than the sad, sad day in 1943 when fifty-eight Flying Fortresses were shot down by Luftwaffe fighter planes, two fell victim to flak, and five more crashed after crossing the English coast on their way back from bombing Germany.
The Swede's younger brother was my classmate, Jerry Levov, a scrawny, small-headed, oddly overflexible boy built along the lines of a licorice stick, something of a mathematical wizard, and the January 1950 valedictorian. Though Jerry never really had a friendship with anyone, in his imperious, irascible way, he took an interest in me over the years, and that was how I wound up, from the age of ten, regularly getting beaten by him at Ping-Pong in the finished basement of the Levovs' one-family house, on the corner of Wyndmoor and Keer - the word "finished" indicating that it was paneled in knotty pine, domesticated, and not, as Jerry seemed to think, that the basement was the perfect place for finishing off another kid.
The explosiveness of Jerry's aggression at a Ping-Pong table exceeded his brother's in any sport. A Ping-Pong ball is, brilliantly, sized and shaped so that it cannot take out your eye. I would not otherwise have played in Jerry Levov's basement. If it weren't for the opportunity to tell people that I knew my way around Swede Levov's house, nobody could have got me down into that basement, defenseless but for a small wooden paddle. Nothing that weighs as little as a Ping-Pong ball can be lethal, yet when Jerry whacked that thing murder couldn't have been far from his mind. It never occurred to me that this violent display might have something to do with what it was like for him to be the kid brother of Swede Levov. Since I couldn't imagine anything better than being the Swede's brother - short of being the Swede himself - I failed to understand that for Jerry it might be difficult to imagine anything worse.
The Swede's bedroom - which I never dared enter but would pause to gaze into when I used the toilet outside Jerry's room - was tucked under the eaves at the back of the house. With its slanted ceiling and dormer windows and Weequahic pennants on the walls, it looked like what I thought of as a real boy's room. From the two windows that opened out over the back lawn you could see the roof of the Levovs' garage, where the Swede as a grade school kid practiced hitting in the wintertime by swinging at a baseball taped to a cord hung from a rafter - an idea he might have got from a baseball novel by John R. Tunis called The Kid from Tomkinsville. I came to that book and to other of Tunis's baseball books - Iron Duke, The Duke Decides, Champion's Choice, Keystone Kids, Rookie of the Year - by spotting them on the built-in shelf beside the Swede's bed, all lined up alphabetically between two solid bronze bookends that had been a bar mitzvah gift, miniaturized replicas of Rodin's "The Thinker."

 

 
Philip Roth (19 maart 1933 – 22 mei 2018)

 

22-05-18

Erik Spinoy, Arthur Conan Doyle, Ahmed Fouad Negm, Anne de Vries, Johannes R. Becher, Kees Winkler, Gérard de Nerval, Catulle Mendès, Takis Würger

 

De Vlaamse dichter en schrijver Erik Spinoy werd geboren op 22 mei 1960 in Sint-Niklaas. Zie ook alle tags voor Erik Spinoy op dit blog.

 

Seizoen

Ik rijd in de mist die bitter smaakt
en niemand luistert hoe ik schreeuw
(niemand)
verhoor me
voor het laat wordt.
(De zon neigt ter kimme. Hoe is het mogelijk het is
herfst, allerlei dingen vallen, wind).
Op het verlichte klokje is het vijf voor zes.
Hopeloos floepen de koplampen aan.

Mijn auto haast zich,
de wegen zijn volmaakt
en ik verlies me naar alle richtingen
in een afwezig landschap, in de mist
en de mist ben ik.
Als traangas glijd ik me door de handen.

 

 

Wapenrustingen

Eeuwenlang. Vertraagde lente, alle

Licht blijft nog voorzichtig
Winters porcelein. Op de vijvers
Rust nog steeds het deksel van het
IJs, terwijl de dwangbuis van hun

Zwijgen - hun gelijkenis - nog
Altijd op de trappen voor de
Gloriette ligt, en zich al eeuwen
Tegen alle stijgende bewegingen

Verweert. Want ook al staan ze
Klaar (zo hoog verheven boven
Balustraden dat ze slechts een
Bovenmens kunnen verwachten), ze willen

Geen voltooiing. Zelfs als er al een aankomst
Is, zal het er geen van goden zijn.

 

 

Kapuzinergruft

Alsof de beelden

Op de kisten zelf al foto's waren
In zwartwit. De kleur is weg, zoals
Bij ingemaakte vruchten. En wat hier
Dan verduurzaamd werd, is al bij

Voorbaat ondermijnd. De bronzen
Adelaars en kransen roesten sneller
Dan hersteld kan worden, maar niet dat
Is van belang. Wat telt is herfst, barok -

De overdaad die in zichzelf niet
Meer gelooft. De kroon die op een
Schedel staat, verdriet dat vier
Pleuranten nodig heeft. En de beloofde

Eeuwige herinnering die doodvalt op het
Ongeloof van ons, vereeuwigers der dingen.

 

 
Erik Spinoy (Sint-Niklaas, 22 mei 1960)
Cover

Lees meer...

21-05-18

Pinksteren II (Willem de Mérode)

 

Prettige Pinksterdagen!

 

 
De nederdaling van de Heilige Geest door Francesco de Mura, midden 18e eeuw

 

 

Pinksteren II

Wij smeeken: met Uw Geestes gloed
Verteer ons als een offerande.
O, dit is onze diepe schande
Dat wij zoo koud zijn van gemoed.

Als een versiersel op ons hoofd
Willen we uw stille vlam wel dulden,
O God, vergeef ons onze schulden,
Dit: dat ons hart is uitgedoofd.

Neem weg, het vooze pronkend woord,
Dat U niet kent, ons niet behoort,
Geleend geluk, geborgde schande,

En hoor de oprechte rauwe kreet,
Die scheuren in Uw hemel reet
Verteer ons als een offerande.

 

 

 
Willem de Mérode (2 september 1887 -  22 mei 1939)
Spijk, de geboorteplaats van Willem de Mérode, geschilderd door Ciano Siewert, z.j.

 

 

Zie voor de schrijvers van de 21e mei ook mijn vorige blog van vandaag.

 

08:42 Gepost door Romenu in Literatuur | Permalink | Commentaren (0) | Tags: pinksteren, willem de mérode, romenu |  Facebook |

Gabriele Wohmann, Amy Waldman, Maria Semple, Urs Widmer, Emile Verhaeren, Robert Creeley, Alexander Pope, Tudor Arghezi, Suzanne Lilar

 

De Duitse schrijfster Gabriele Wohmann werd op 21 mei 1932 in Darmstadt geboren als Gabriele Guyot. Zie ook alle tags voor Gabriele Wohmann op dit blog.

Uit: Ein netter Kerl

„Ach, sagte Nanni, sie seufzte und rieb sich den kleinen Bauch, ach ich bin erledigt, du liebe Zeit. Wann kommt die große fette Qualle denn wieder, sag, Rita, wann denn? Sie warteten alle ab.
Er kommt von jetzt an oft, sagte Rita. Sie hielt den Kopf aufrecht.
Ich habe mich verlobt mit ihm.
Am Tisch bewegte sich keiner. Rita lachte versuchsweise und dann konnte sie es mit großer Anstrengung lauter als die anderen, und sie rief: Stellt euch das doch bloß mal vor: mit ihm verlobt! Ist das nicht zum Lachen!
Sie saßen gesittet und ernst und bewegten vorsichtig Messer und Gabeln.
He, Nanni, bist Du mir denn nicht dankbar, mit der Qualle hab ich mich verlobt, stell dir das doch mal vor!
Er ist ja ein netter Kerl, sagte der Vater. Also höflich ist er, das muß man ihm lassen.
Ich könnte mir denken, sagte die Mutter ernst, daß er menschlich angenehm ist, ich meine, als Hausgenosse oder so, als Familienmitglied.
Er hat keinen üblen Eindruck auf mich gemacht, sagte der Vater.
Rita sah sie alle behutsam dasitzen, sie sah gezämte Lippen. Die roten Flecken in den Gesichtern blieben noch eine Weile. Sie senkten die Köpfe und aßen den Nachtisch.”

 

 
Gabriele Wohmann (21 mei 1932 – 22 juni 2015)
Cover verhalenbundel

Lees meer...

20-05-18

Pinksteren I (Willem de Mérode)

 

Prettige Pinksterdagen!

 

 
Pinksteren. Atelier van Bernard van Orley, 1520-25

 

 

Pinksteren I

Ze wisten niet, dat God kan bloeien
Uit mannen zoo verweerd en grauw,
En dat zijn Geest een vale vrouw
Gelijk een versche roos doet gloeien;
Dat stemmen, heesch van weer en wind
En schettrend op de vingers gillen,
zóó teêr de harten kunnen stillen
En koestren als een moeder 't kind.

Dan, in het kijfgejoel van dwaze
Vermoedens, slingerde een de fraze:
'Ze baaz'len wijl ze dronken zijn'.
Maar Petrus sprak, en met vervaren
Gevoelden vélen dat zij waren
Zelf vol van dezen heilgen wijn

 

 

 
Willem de Mérode (2 september 1887 -  22 mei 1939)
Het Groningse dorp Spijk, de geboorteplaats van Willem de Mérode

 

 

Zie voor de schrijvers van de 20e mei ook mijn vorige twee blogs van vandaag.

 

09:05 Gepost door Romenu in Literatuur | Permalink | Commentaren (0) | Tags: pinksteren, willem de mérode, romenu |  Facebook |

Tommy Wieringa, Auke Hulst, Ellen Deckwitz, Jeroen Thijssen, Maurits de Bruijn, Gerrit Achterberg, Annie M.G. Schmidt, Sky du Mont

 

De Nederlandse schrijver Tommy Wieringa werd geboren in Goor op 20 mei 1967. Zie ook alle tags voor Tommy Wieringa op dit blog.

Uit: De heilige Rita

“Paul Krüzen spuwde in zijn handen, greep de steel vast en hief de bijl boven zijn hoofd. De stronk op het hakblok spleet maar barstte niet uit elkaar. Vogels die in de bomen beschutting hadden gezocht voor de nacht, vluchtten in de schemering. Door het onderhout schoten woest kwetterende merels. Paul Krüzen liet de bijl weer neerkomen, telkens opnieuw, tot het stuk eiken in tweeën brak. Toen werd het gemakkelijker. De stukken vlogen in het rond. Houtsnippers overal, lichtvlekken op de bosgrond. De bijl het werk laten doen, had zijn vader hem lang geleden geleerd, maar hij hield er juist van om kracht uit te oefenen.
Een paar bleke sterretjes verschenen aan de hemel. Diep daaronder, op de open plek in het bos, zwaaide de demon met zijn bijl. Hij liet hem knallen als een zweep. Blokken tolden door de lucht. De beuken rondom, sterk en glad als jongensarmen, rilden onder het geweld.
Dit was zijn leven, hij zette hout neer en kloofde het. Zijn hemd plakte aan zijn lijf. Steken in zijn onderrug. Elke klap was raak. Hij deed dit al zo lang, alles met afgemeten, bedwongen haast. Hij moest zweten, het moest pijn doen.
Hij haalde een deoroller langs zijn oksels en trok een schoon ruitjeshemd aan. ‘Ben ervandoor,’ zei hij tegen zijn vader, die zat te lezen onder de lamp.
De avond was fris, er hing een zweem van bleekselderij boven het gras. Met het autoraam open reed hij naar het dorp. Drie steile drempels telde de weg. Verkeersdrempels en rotondes waren een teken van vooruitgang, van een opgeschroefd levenstempo dat afgeremd moest worden, ook in Mariënveen, waar de knuppels zich bijwijlen doodreden in het weekeinde. Eens in de paar jaar zat Paul Krüzen rechtop in bed door de klap, de sirenes en de jankende kettingzagen een tijdje later; de spookachtige weerschijn op de eiken in de bocht van de weg. De volgende morgen zag hij dat er weer een hap uit de bast genomen was. De laatste jaren plaatsten nabestaanden er soms bloemen en foto’s bij.
Paul stopte bij Hedwiges Geerdink voor. Hij belde aan en ging weer in de auto zitten, het portier open. Hij had geen gedachten. Begin juni, het laatste licht aan de westelijke horizon. Even later schoof Hedwiges naast hem. ‘Goedenavond altezaam,’ zei zijn vriend met zijn hoge stem. Twee stemmen had Hedwiges in zich, je wist nooit welke er kwam: zijn hoge piepstem of zijn lage, hese borststem. Wie dat voor het eerst hoorde, zag hem op slag in twee mensen uiteenvallen: hoge Hedwiges en lage Hedwiges. Bakkers Hedwig, zoals ze hem op het dorp noemden. Pietje Piep.”

 
Tommy Wieringa (Goor, 20 mei 1967)

Lees meer...

Honoré de Balzac, William Michaelian, Wolfgang Borchert, Hector Malot, Ingvar Ambjørnsen, A.C. Cirino, Hanna Krall, Sigrid Undset

 

De Franse schrijver Honoré de Balzac werd geboren in Tours op 20 mei 1799. Zie ook alle tags voor Honoré de Balzac op dit blog.

Uit: Het levenselixir (Vertaald door Anton Haakman)

“In een prachtig paleis te Ferrara onthaalde Don Juan Belvidero op een winteravond een hertog uit het huis Este. In die tijd was een feest een schitterend schouwspel dat alleen rijke koningen of machtige heren konden aanrichten. Zeven vrolijke vrouwen rond een door geparfumeerde kaarsen verlichte tafel voerden aangename gesprekken omringd door bewonderenswaardige witmarmeren meesterwerken die zich aftekenden tegen de rood gestucte wanden en contrasteerden met de kostbare Turkse tapijten. Zij waren gekleed in satijn, schitterden van het goud en waren overladen met edelstenen, die minder flonkerden dan hun ogen, en ze vertelden allemaal over hartstochten die hevig waren, maar onderling evenzeer verschilden als hun charmes. Hun taal en ook hun ideeën waren niet zo verschillend; hun manieren, een blik, een paar gebaren of een accent voorzagen hun woorden van libertijns, wellustig, melancholiek of spottend commentaar.
De ene scheen te zeggen: ‘Mijn schoonheid kan het ijskoude hart van een grijsaard verwarmen.’
De andere: ‘Ik blijf liever op de kussens liggen, om in een roes te denken aan al die mannen die mij aanbidden.’
Een derde, die voor het eerst zo'n feest meemaakte, bloosde een beetje: ‘Diep in mijn hart voel ik wel wat wroeging!’ zei ze. ‘Ik ben katholiek en ik ben bang voor de hel. Maar ik vind jullie zo aardig, zo verschrikkelijk aardig, dat ik de eeuwigheid voor jullie over heb.’
De vierde riep, na het ledigen van een kelk wijn uit Chios:
‘Leve de vrolijkheid! Elke keer dat de zon opkomt begin ik een nieuw leven! Ik vergeet het verleden, ben nog ondersteboven van de schok van de vorige dag, en geniet elke dag van een leven van geluk, een leven vol liefde!’
De vrouw die naast Belvidero zat, keek hem aan met vurige ogen. Zij was nogal zwijgzaam. ‘Ik zou me niet verlaten op bravi om mijn minnaar te vermoorden als hij me in de steek liet!’ Daarna had ze gelachen, maar haar krampachtige hand brak een wonderbaarlijk mooie, met bewerkt goud versierde bonbonschaal.
‘Wanneer word je groothertog?’ vroeg de zesde aan de hertog, terwijl haar tanden moordend plezier en haar ogen een delirium als van een bacchante uitdrukten.”

 

 
Honoré de Balzac (20 mei 1799 - 18 augustus 1850)
Borstbeeld door Emile Hébert, 1877

Lees meer...

19-05-18

Constantin Göttfert, Simone van Saarloos, Karel van het Reve, Gijs IJlander, Thera Coppens, H.W.J.M. Keuls, Jodi Picoult

 

De Oostenrijkse dichter en schrijver Constantin Göttfert werd op 19 mei 1979 in Wenen geboren. Zie ook alle tags voor Constantin Göttfert op dit blog.

Uit: Steiners Geschichte

„Ich begriff nicht, was mich das anging. In den langen Stunden, in denen er auf Passagiere wartete, zeichnete der Fährmann Aulandschaften in die leeren Spalten oder Akte von jungen Mädchen, von Moos überwachsene Bunker. Ein roter Buntstift mit abgebrochener Spitze klemmte in der Mulde zwischen den auseinanderfallenden Seiten, in einem Gurkenglas auf dem Regal über dem Schreibtisch steckten weitere.
«Ich weiß es doch nicht», sagte Ina noch einmal. «Wie soll ich es wissen?»
Ich erschrak über ein Klopfen an der Tür. Es war aber nur ein Stück Treibholz, das klopfte, kein Mensch.
Es ist nicht so, dass mich nicht schon früher einiges an Ina irritiert hätte. Aber als sie jetzt aufstand und damit begann, die Laden des Schreibtisches zu durchwühlen, hätte ich sie am liebsten gepackt und zurück ins Auto gezogen. Ich wollte nicht hier sein.
Alte Fahrtenbücher, die sie von vorne bis hinten durchblätterte: Autos, Motorräder, Fahrräder, daneben weitere Zeichnungen des Fährmannes: Mädchen und Jungen, mit Kugelschreiber, Bleistift, Buntstiften.
Irgendwelche zusammengeknüllten Rechnungen, die sie aufblätterte und vor sich auf dem Schreibtisch glatt strich.
Damit ging alles los. Ich bemerkte es zuerst nur an dem leisen Rascheln, mit dem das Papier in ihrer Hand zitterte, und daran, wie sich ihr Kopf zwischen ihren Schulterblättern heraushob, als wäre er die
ganze Zeit über zu weit in ihrem Körper gesteckt. Sie blickte mich an und dann das Papier.
Ich fragte: «Was ist?»
In manchen Momenten denke ich, es hätte alles anders kommen können, hätte sie damals dieses Stück Papier, diesen Einkaufszettel über zwei Bleistifte und einen Packen Briefpapier nicht gefunden.
Sie antwortete sehr leise: «Limbach.»
Auf Inas Strickhandschuhen waren gelbe Sterne, dort wo die Fingernägel waren. Ein solcher gelber Stern ruhte jetzt knapp unter diesem Wort. Es war die Adresse des Papierhändlers.“

 

 
Constantin Göttfert (Wenen, 19 mei 1979)

Lees meer...

Ruskin Bond, Yahya Hassan, Fritz Rudolf Fries, Lorraine Hansberry, Rahel Varnhagen, Anna Jameson

 

De Indiase dichter en schrijver Ruskin Bond werd geboren op 19 mei 1934 in Kasauli. Zie ook alle tags voor Ruskin Bond op dit blog.

 

Hip Hop Nature Boy (Fragment)

When I was seven,
And climbing trees,
I stepped into a hive of bees.
Badly stung and mad with pain,
I danced the hip-hop in the rain.
Hip-hop, I’m a nature boy,
Mother Nature’s pride and joy!

When I was twelve,
Still climbing trees,
I fell instead-
And landed on my head.
Feeling lighter,
I thought I might become a writer.
Hip-hop, dancing in the rain,
A nature-writer I became!

With Nature being my natural bent,
At twenty I took out my tent,
And spent the night beside a Nadi,
Wearing only vest and chuddee.
At crack of dawn I woke to find
A crocodile was close behind,
And smiling broadly!

In times of crises at my best,
I did not trouble to get dressed,
But fled towards the Gulf of Kutch,
With fond salaams to muggermuch!
Mother Nature once again
Found me dancing on the plain,
Nanga-Panga in the rain!

Growing older, even bolder,
Took a winding mountain trail,
Up a hill and down a dale,
All to see a mountain-quail.
The quail was extinct, long expired,
I was limping, very tired;
Thought I saw a comfy cot
In the corner of a hut.
Feeling grateful, I sank down
Upon a blanket soft as down.
Blanket rose up all at once,
Gave a shudder, then a pounce.
Stumbling in the darkness there,
I’d be disturbed a big brown bear!
I did not stop to say goodnight,
But fled into the open night.

 

 
Ruskin Bond (Kasauli, 19 mei 1934)
Cover

Lees meer...

18-05-18

Yi Mun-yol, W.G. Sebald, Markus Breidenich, François Nourissier, Gunnar Gunnarsson, Omar Khayyam, Ernst Wiechert, Franziska zu Reventlow, John Wilson

 

De Zuidkoreaanse schrijver Yi Mun-yol werd geboren op 18 mei 1948 in Yongyang. Zie ook alle tags voor Yi Mun-yol op dit blog.

Uit: An Anonymous Island (Vertaald door Heinz Insu Fenkl)

“You deaf?” the shopkeeper said. “Get up!” He went over and gave Ggaecheol a loud thump on the back, and as I cautiously approached he called out, “Welcome! Are you looking for something?”
It was only then that I was able to shake Ggaecheol’s clinging gaze from my body. I asked coolly, “Where is the elementary school?”
“Ho! So you’re the new lady teacher they said was coming.” The shopkeeper’s face suddenly overflowed with kindness. He turned just as a boy, who looked about six, came out from the back of the store. “Hey, come over here,” he called.
“What is it, Mr. Togok?” the boy said.
“Looks like this is the new teacher. Show her to the school before you go.” He looked toward me with a hint of pity, and muttered, “The school’s the size of a booger, and it’s way out in those hills.”
Obediently, I stepped forward to follow the boy. Ggaecheol’s eyes were on me again, but I had recovered my composure. I shot him a fierce look as I left.
Walking to the school with the boy, I realized how quickly I was being introduced to the peculiar dynamics of the village. The boy nodded in greeting to each man we met, calling him “uncle” or “grandfather.” I had grown up in the city, and my only exposure to relatives was when I visited an uncle’s house once or twice a year; the closeness of this place felt strange to me.
In the classroom, half the students had the same surname and even those with different surnames seemed to be first cousins. Later, I learned that this was because the village was surrounded on all four sides by layer upon layer of high mountains, with a single road threading through from north to south. The village produced nothing special, so there was virtually no influx of people from other family lines.
After my first encounter with Ggaecheol, I forgot about him for a while. Of course, he was constantly lurking about the village doing nothing, and I would see his shabby form and feel that hooded gaze several times a day, but this was my first job and the first time I had been far away from home by myself. I was busy cultivating my new life and I paid him no attention.
But, as I more or less adjusted to my new life and had some time to think, I gradually became curious about my surroundings, and the first thing that came to mind was Ggaecheol.“

 

 
Yi Mun-yol (Yongyang, 18 mei 1948)

Lees meer...

17-05-18

Lars Gustafsson, Peter Høeg, Eva Schmidt, Gary Paulsen, Henri Barbusse, Virginie Loveling, Dennis Potter, Cor Bruijn, Dorothy Richardson

 

De Zweedse dichter en schrijver Lars Gustafsson werd geboren in Västeras, op 17 mei 1936. Zie ook alle tags voor Lars Gustafsson op dit blog.

 

Elegie over verloren en vergeten voorwerpen
 
De winterwanten helemaal onder in de la beland.
De oude koperen snoekhaak, bedolven onder schroeven.
 
Een hamer, kalk aan zijn steel,
die sinds ’39 in de familie moet zijn geweest
 
en nu plotseling als door de aarde verzwolgen lijkt.
Al deze dingen, ons eens zo na,
 
moeten zich nu zelf herinneren in welke la zij liggen.
Zij kunnen niet langer op ons vertrouwen. Zijn aangewezen op zichzelf.
 
Ik herinner mij hoe zij eruit zagen, hoe ze aanvoelden,
Ik herinner mij zelfs die hamer op een zomerdag
 
in de verre jaren veertig, toen ik te klein was
om hem echt te tillen,
 
en hoe mijn vader hem behoedzaam afnam.
De wereld – labyrint voor gevallen
 
en vergeten voorwerpen, van de oude zwaarden
in de nooit geopende gr aven uit de bronstijd
 
tot de leesbril die eergisteren zoekraakte –
herinnert zich hen allemaal. Geen reden tot zorg.
 
En jij die daar zo ijverig loopt te zoeken?
Ben jij zelf niet een dergelijk zoekobject?
 
Iets zegt je, op een avond, toen iets werd teruggevonden
bekrast en roestig maar toch zichzelf gelijk
 
in de la, verborgen onder pluggen en sloten,
dat al dit zoeken naar dingen
 
niets dan een spiegel van je eigen vurig verlangen is:
dat iemand met dezelfde ijver op zoek zou zijn naar jou.

 

 

Gewoonten
 
Zij komen als vogels aangevlogen.
En strijken neer.
 
Maar één manier om vreemden toe te knikken.
Het avondborreltje. Het ochtendloopje
 
altijd hetzelfde. Het bezoek
aan de kust. Waarom de eendjes brood gevoerd,
 
je weet nooit voor hoe lang
of waar zij vandaan komen.
 
Ze hebben zo weinig met ons te maken.
We zouden heel goed andere kunnen hebben.
 
Maar nu zij eenmaal besloten hebben
hier te broeden, in dit bos,
 
bestaan wij bij hun gratie.
En men zal zich ons herinneren
 
als een handvol gewoonten.
En niet als degene die hun onderdak bood.

 

Vertaald door J. Bernlef

 

 
Lars Gustafsson (17 mei 1936 - 3 april 2016)

Lees meer...

16-05-18

Paul Gellings, Adrienne Rich, Friedrich Rückert, Jakob van Hoddis, Juan Rulfo, Olaf J. de Landell, Olga Berggolts, Lothar Baier, Rens van der Knoop

 

De Nederlandse dichter en vertaler Paul Johann Gellings werd geboren in Amsterdam op 16 mei 1953. Zie ook alle tags voor Paul Gellings op dit blog.

 

Vlieland

Lied van de golven, van het schuim,
het oude schuim en ook het jonge.
De waterkoude oksel in het duin,
het zout, de zee in onze longen.

December aan de kade. Straat in nevel.
Ver weg in het donker slapen meeuwen
op het water, stil tot in de morgen.
Alle leven uren achtereen verborgen.

Wij zijn een reiziger en niet te laven.
Een fles cognac – het helpt niet meer.
De slaap nog nauwelijks een haven.

Daglicht lokt. Wij zien een zon van ijs.
De wind kolkt om ons heen, doet zeer.
Wij zijn een eiland en op doorreis.

 

 

Bericht van een Zwols terras

Michael, ik had je zo graag nog eens ontmoet
in een kroeg of buiten op een terras
om te praten – ja waarover?

Ik vermoed over het halve woord waar jij
en ik genoeg aan hadden

Maar ik las dat je al was vertrokken
voor ik die nieuwe afspraak kon maken

Ik ben hier nog, alleen met onze vriendschap
in wording en alles wat ik doe en schrijf
wordt al een week overschaduwd
door je vertrek

Waar spraken we over, waar gingen
onze zinnen naartoe – zonder de taal
lief te hebben krijg je niets op papier
ja, dat betekende ons halve woord

We zullen elkaar dus nooit meer ontmoeten

Ik ben hier nog, alleen met onze vriendschap
in wording en met het beeld van je gezicht
die ietwat verlegen maar wakkere blik
met daaronder die gevoelige grijns

Daar zit ik dan tussen twee zomerregens
op een Zwols terras te schrijven, te strepen
in wat ik je nog wilde zeggen, aarzelend
tussen vaarwel en het ga je goed

Tot een volgende wolkbreuk
mij naar binnen jaagt

 

 
Paul Gellings (Amsterdam, 16 mei 1953)

Lees meer...

1 2 3 4 5 6 7 8 Volgende